27-07-2011

In de wolken

Boven de wolken moet de vrijheid haast grenzeloos zijn. Daar kan Lewis over meepraten. Ooit verdronk hij in modderig water, dronken van liefdesverdriet en onder invloed van Pan’s pijpen. Groot liefhebber van jazz en een man van veel talenten. Nu zit Lewis dromend op een roze blauwe wolk. Hij droomt van zijn Anita in een hemel van diamanten. God wat is hij verliefd op haar geweest. En met hem vele anderen. Lang dromen doet Lewis echter niet. Zijn droom wordt wreed verstoord door een ruige zwarte man met lang krullend haar. Hij kent die man, maar weet niet meer precies waarvan. Iets uit een ver en wazig verleden. Brutaal neemt de zwarte man plaats naast Lewis en begint hem te ondervragen.

"Ben jij niet die man die iedere dag sterft? Volgens mij heb ik zelfs ooit een lied aan jou opgedragen? Ben alleen even de naam van het lied kwijt. Wacht nou schiet me je naam weer te binnen. Lewis, ja, de man zonder verwachting. Wat doe jij hier op deze roze blauwe wolk Lewis? Net als ik, duizend doden sterven?"
Wie is die man nu ook al weer, denkt Lewis. Plotsklaps herinnert hij het zich weer. Het is Johnny. Hoe kan hij die vergeten zijn? Ja, ja, het is de flamboyante Johnny die met zijn gitaar alles en iedereen in vuur en vlam zet. Good old afro-american Johnny. Hij bracht zijn spectaculair gitaarspel voor het eerst ten uitvoer op een bezemsteel en daarna op een ukalele. Dat is Lewis nooit vergeten.

"Tsja", antwoordt Lewis. "Dat is effe geleden Johnny. Hebben ze jou ook naar boven geroepen? Ik ben vandaag inderdaad weer dood gegaan. Doe ik bijna elke dag. Macht der gewoonte, zullen we maar zeggen. Maar hoe is het met jou? Steek je nog steeds gitaren in de fik?" Johnny krabt even achter zijn oor en lacht. "Wah, wah, ja, ja, Lewis ik ben ook geroepen. Vooral door Joe. Je weet wel die vriend van mij, die oen, die zijn eigen vrouw dood schoot. Bij mij is het pas veel later misgegaan. Na een combi van wijn en ietwat te sterke slaappillen. Ze zijn er daar beneden nog steeds niet helemaal uit wat er precies is misgegaan. Wat ik me nog kan herinneren is dat ik het vrij benauwd had en plots vanaf een brancard in mijn nekvel omhoog getrokken werd. Einde Johnny, einde experimenten. Maar ik zit er niet mee. Het is toch één en al treurnis daar beneden. Schuif eens een stukje op Lewis, dan drinken we er samen één. Doe jij trouwens nog wat in jazz?"

"Jazz, jazz, jazz, maar jongens toch, dat is toch allang achterhaald, dat is voor ouwe lullen, jullie zijn toch zeker van de blues?" Johnny en Lewis kijken elkaar verbaasd aan. Naast hun staat een kleine vrouw met blond haar, op blote voeten in een rood geruit hemd. Ze kijkt een beetje sip. In haar linkerhand een fles whisky. Lewis en Johnny weten niet wat ze zien. Is de geest nu plots uit de fles gekomen? Daar staat de welbekende Janis voor hun neus. "Hee, good old Janis, jij ook hier? Dat wordt hier nog een leuk feestje. Kom erbij. Ga zitten. Schuif eens een stukje op Lewis." Lewis maakt plaats voor Janis en grapt naar haar: "Heb je Bobby toevallig ook nog meegenomen, gie, gie?" Schuchter neemt Janis plaats. Ze is blij de ouwe gabbers te treffen. Soulmates zo gezegd. "Wat brengt jouw hierboven, Janis?" vraagt Johnny. "Je hebt toch niet net als ik, iets te sterks genomen?" Janis geeft geen antwoord. Ze weet het gewoon niet meer. De herinnering is weggeslagen door een enorme roes waarin ze verkeerd.

Gestommel klinkt op de trap die onder de roze blauwe wolk hangt. Een opgeblazen rood hoofd verschijnt voor de neus van de drie metgezellen. Het hoofd laat een enorme boer. "Zo, dat moest ik even kwijt", roept het hoofd. "Zitten jullie hier al lang op deze wolk. Jezus wat een duf zooitje hier. Jullie kijken allemaal erg sip. Wat een grafstemming. Ik denk dat ik maar terugklim naar moeder aarde. Daar is vast meer te beleven."
"Nee maar", roept Lewis. "Ben jij het James, ik kan het bijna niet geloven, dat gaat hier nog een muzikale wolk worden." Het hoofd wordt gevolgd door een goddelijke lichaam en neemt plaats tussen het drietal. "Ja Lewis, ik ben het, James, die ooit nog een gedichtje voor jou schreef nadat jij moeder aarde verliet. Het is je blijkbaar niet goed bekomen, want je ziet nog steeds erg witjes. Krijg je hier wel genoeg te drinken?" "Nou James, dat is hier niet echt nodig hoor. Hoog boven de wolken leven wij op roze en blauwe lucht. Meer hebben we niet nodig." "Dat kan ik me niet voorstellen, dat doet voor mij de deur dicht. Als hier geen drank voorhanden is keer ik onmiddellijk terug naar aarde." Als James weer op de trap klimt veert Janis plotseling op.

"Hee ho, hoor ik dat goed. Is mijn lieve, mooie, kwaaie poëet James ook toegetreden tot het walhalla boven de wolken? Hield je het daar beneden niet langer vol? Valt het je hier ook al weer tegen? Blijf toch lekker hier. Je verkeert hier in goed gezelschap." James glundert en reageert blij verrast. "Ha, ha, Janis, dat doet me goed om jou te zien. Eindelijk een vrouw waarmee ik op niveau kan praten. Jij hebt toch op een paar universiteiten gezeten? Waarom heb je de studie nooit afgemaakt joh, doodzonde?" "Tsja, dat was een beetje moeilijk James, ik raakte behoorlijk in de war en koos uiteindelijk voor muziek. Mijn vader heeft me nog wel gepusht. Hij beloofde mij een dure auto bij het afstuderen. Ik zag dat niet zo zitten, mijzelf in een Mercedes. Liever hupste ik wat rond. Een beetje flierefluiten. Uiteindelijk heb ik mezelf verdronken in muziek en wijn. En zo te zien ben ik niet de enige."

De roze blauwe wolk drijft langzaam verder. Jazzy, bluesy en gedreven op droeve akkoorden van hemelse muziek die niet onopgemerkt blijft op moeder aarde. Vol overgave, poëtisch en tot op het bot doordrongen van passie en onvoorwaardelijke liefde. De roze blauwe wolk rokt en rolt. Maar niet voor lang. De wolk krijgt opnieuw bezoek.

"My, my, hey, hey, wat is hier op deze mooie wolk gaande? Begeef ik mij nu tussen arme beroemdheden? Mijn droom komt uit. Knijp eens even in mijn arm. Zijn jullie het echt, Janis, Johnny, James en Lewis, hoe lang zweven jullie hier al rond? Kicken man." De vier wolkgenoten kijken elkaar verbaast aan en schieten gezamenlijk in de lach. James neemt het woord. "Kurt, geweldig, je hebt ons gevonden. We zeiden al tegen elkaar, die laat vast nog van zich horen. Maar wat een toestand heb jij achter gelaten daar beneden. Weet je wel hoeveel volgers jij daar hebt, op moeder aarde? De roem achtervolgt je. Het doet ons bijna verbleken. Maakt niet uit. Gelukkig kun je hier weer tot jezelf komen. Sterallures krijgen is namelijk best lastig in de wolken."

Daar is Kurt het helemaal mee eens. Kurt is super blij dat hij zijn muziekbroeders gevonden heeft. Hij heeft zich niet voor niets voor zijn kop geschoten. Kompleet uitgedoofd neemt hij plaats tussen zijn vrienden. Ook voor hem is er nu een einde gekomen aan begeerte, aversie en verwarring. Hij verkeert in een ultieme staat van Nibbanna. Het ruikt nog lekker ook. Het ruikt een beetje naar de geest van een tiener. Wild en naïef. Voldaan legt Kurt zijn hoofd met blonde manen te ruste op een stukje roze blauwe wolk en geeft zich over aan een zoete droom vol liefde. De liefde die in zijn droom aan hem verschijnt lijkt op een vrouw. Als Kurt zijn armen naar haar uitstrekt wordt hij wakker. Naast hem zit een vreemde vrouw. Zij strijkt met haar handen door een dik bos zwart lang haar.

"Wat doe ik hier, wie zijn jullie?", mompelt de vrouw voor zich uit. Ze ziet lijkbleek. De tranen staan op haar wangen. Ze herkent niemand van het gezelschap. "Nou lieverd, je bevindt je op een grote roze blauwe wolk, zwevend tussen hemel en hel. Je herkent ons misschien niet onmiddellijk, maar wij zijn een soort vakbroeders, ook wel muziekdieren genoemd. Beneden op aarde werd het ons te broeiierig. Wij hebben elkaar hier gevonden en zijn nu op zoek naar de hemel. Net als jij zijn we trouw aan onze ziel gebleven. Ook al schiepen wij één voor één onze eigen demonen, we zijn nu in een fase beland om daar afstand van te nemen. We zijn op aarde nooit begrepen en ergens tussen hemel en hel verdwaald. We zweven hier wat rond en maken er het beste van. Sommigen van ons zijn hier op eigen kracht naartoe gekomen en anderen zijn opgepikt. Dat laatste geldt ook voor jou."

Terwijl James dit vertelt aan de vreemde vrouw, rollen bij Kurt de tranen over de wangen. Hij beseft dat tussen hemel, aarde én hel, de tijd voor altijd stil is blijven staan. Met een schuin oog kijkt hij omhoog naar de magere vrouw die naast hem zit. Haar lijf bibbert en spreekt boekdelen. "Hoe heet je, lieverd?" "Ik ben Amy", fluistert de magere vrouw. "Ik ben blij jullie hier te ontmoeten, ik heb een rottige tijd achter de rug. Mag ik helpen bij het zoeken naar de hemel, jullie zijn zo aardig?" "Geen probleem", roept de hele club in koor. "We trekken gewoon nog een flesje open, we spuiten wat en slikken en alles komt goed." Zo leven Janis, Johnny, James, Lewis en Amy nog immer vrolijk verder op een grote roze blauwe wolk. Wie liggend met zijn rug in het gras, starend naar de wolken, heel goed luistert, kan nog steeds genieten van de mooie liederen die het hele clubje dagelijks ten gehore brengt. Rokkend en rollend tot in de eeuwigheid, op zoek naar de zevende hemel.

Mien Stardom

19-07-2011

Avventura di Chiesa

Na een lange rit van bijna vier dagen stapt Kees uit de vrachtwagen van zijn oom en komt er een einde aan de lift. Het einddoel is bereikt, de Italiaanse stad Florence. Het oponthoud bij grenspost Vipiteno heeft bijna één extra dag gekost. De vakantie van Kees kan nu eindelijk beginnen. Na een moeizaam eindexamen en een verbroken liefdesrelatie is Kees toe aan rust en vrede. Hij is een gezonde knaap van negentien en de wereld ligt aan zijn voeten. Wat kan hem gebeuren?

Kees is een verschijning. Hij ziet er sportief uit in zijn korte groene kakibroek met legerprint en wit t-shirt met korte mouwen. Zijn bruine armen, benen en snoet steken mooi af tegen zijn zomerse outfit. Op zijn frisgeschoren hoofd draagt hij een petje, als bescherming tegen de zon. Het goddelijk lichaam van Kees is afgetraind en stevig gespierd. Jarenlange hockeytraining heeft hem gezegend met ballonkuiten en een kippenkontje. Apetrots is Kees. Een maand geleden doorstond hij de selectieprocedure van de Katholieke Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Een brugklasdroom kwam uit. In de toekomst zal hij sportleraar worden, vast en zeker.

Zijn oom heeft hem afgezet bij het station van Florence. De avonturenreis kan beginnen. Flink zet Kees de pas in. Het aluminium frame van de grote rugzak prikt in zijn rug en de geitenwollen sokken kriebelen in de bergschoenen. Bijna op iedere hoek van de straat wordt hij nagekeken, vooral door mannen. Die zijn in de wijk rondom het station volop aanwezig. Het laat hem koud. Hij is veel meer benieuwd naar de mooie Italiaanse vrouwen. Maar waar zijn ze? Le belle donne?

Een grote kerk met plein, grasveld en fontein ervoor, trekt zijn aandacht. Het is de Santa Maria Novella. De houten bankjes rondom het plein zitten vol mensen. Er heerst een vrolijke sfeer. Hoge schelle geluiden van spelende kinderen klinken in de lucht. Kees ploft neer op één van de bankjes om even op adem te komen. Midden op het grasveld klinkt plots een enorm gekerm. Twee hondjes lukt het niet op z’n hondjes. Ineens staan ze met de konten tegen elkaar gekeerd. Ze zitten letterlijk en figuurlijk aan elkaar vast. Een omstander gooit een emmer water over de hondjes heen en bevrijdt ze uit hun lijden. De reu druipt af met een enorme rode kegel. Je zult het maar hebben als reu, last van je Santa Maria Novella.

Kees zwoegt verder door Florence. Al snel heeft de zon haar hoogste punt van de middag bereikt. Het is bloedje heet. Zevendertig graden Celcius is toch iets te veel van het goede. Hij besluit de eerstvolgende kerk te bezoeken. Kerken zijn namelijk koel en gratis toegankelijk en je hoeft er niets te drinken. Het wordt de San Lorenzo. Amper twee seconden binnen wordt Kees aangesproken door een klein mannetje in net pak met witte boord. Die gebaart met wuivende wijsvinger dat hij iets doet wat niet mag. Druk nee schuddend met zijn hoofd strijkt hij over de benen van Kees en knijpt hem in zijn arm. Vervolgens wijst hij naar een klein bordje bij de entree. Kees begrijpt het. Het is niet toegestaan om met onbedekte armen en benen de kerk te betreden en maakt aanstalte om naar buiten te lopen. Maar dat staat het kleine mannetje niet toe. Hij trekt Kees amicaal naar zich toe.

In gebrekkig Engels legt het mannetje uit dat hij kapelaan is en dat hij voor deze keer de foute kleding door de vingers zal zien. Sterker nog. Hij zal Kees een rondleiding geven door het heilige der heiligen. Vol trots wordt hij door de prachtig mooie kerk geloosd. Overal krijgt Kees tekst en uitleg, in Italiaans en gebrekkig Engels. De kapelaan murmelt wat over Medici, Brunelleschi, Donatello en Michelangelo, allemaal namen die Kees niets zeggen. Af en toe kletst de kapelaan met zijn hand op de armen en benen van Kees. Een beetje maf vindt Kees, maar het hoort ongetwijfeld bij de open en vriendelijke volksaard van de Italianen.

Nog één bijzondere plek wil de lieve kapelaan aan Kees laten zien. Heel speciaal. Daarvoor maakt de kapelaan eerst het rode koord los dat voor het altaar is gespannen. Achter het altaar bevindt zich een ruimte afgeschermd door een zwaar roodfluwelen gordijn. Achter het gordijn bevindt zich een hoge ruimte met glazen deuren, een soort serre. Door het glas ziet Kees een kleine giardino met prachtige struiken en fel gekleurde bloemen. Achter hem hoort hij de kapelaan het gordijn zenuwachtig sluiten. Vreemd, denkt Kees. Als Kees zijn fototoestel te voorschijn haalt om een foto te maken voelt hij plotseling een klam handje over zijn bovenbeen glijden. De hand kruipt langzaam omhoog. Achter hem hoort Kees de kapelaan geil en hijgerig ademhalen. Alle alarmbellen gaan onmiddellijk af. Met de hand voor zijn klokkenspel duwt Kees verontwaardigd de kapelaan van zich af en rent zo snel ie kan de kerk uit. Plagerig prikt de zon hem buiten in zijn gezicht. San Lorenzo! Waar haalt die kapelaan het in hemelsnaam vandaan om zijn goddelijk lijf zo ongevraagd en brutaal te betasten? De viespeuk.

Mien Avventura

12-07-2011

Getapte mop

Vrijdagavond. Kees fietst naar het werk. Hij heeft er niet zoveel zin in vandaag. Maar plicht roept. Langzaam stromen de arbeiders op het industrieterrein de poorten binnen. Het distributiecentrum waar Kees werkzaam is ruikt naar meel, verpakkingsmateriaal en weeë zure lucht. Snel stopt hij zijn kaart in de prikklok en bergt zijn jas op. Door de grote speakers in de megahal klinkt Skyradio. Hol en leeg. De muziek zal zich vannacht herhalen. Moonlight shadow. Wel drie keer.

Zwijgzaam haalt Kees een pallettruck op, ook wel BT genoemd. De accu’s van de BT zijn gelukkig al opgeladen voor de nachtploeg. Bij de magazijnchef haalt Kees zijn eerste orderbon op. Het wordt een vrachtje toiletpapier en chips laden. Lekker makkelijk. Kees stuurt zijn BT de toiletpapier- en chipsgang in en kan nog net de heftruck ontwijken die midden in de gang staat. Het is de heftruck van dronken Willem. Die laat zich altijd omhoog takelen door zijn collega Dries. Hij heeft weer eens flink gedronken en gaat zijn roes uitslapen op stelling 44, tussen het toiletpapier. Na de nachtlunch gaat hij pas aan de slag. Hij hoeft maar 20 orders te verwerken. Met zijn ervaring a piece of cake.

Om het uur gaat de pauzezoemer. Heel fijn want een bak koffie gaat er altijd in en houdt de nachtploeg wakker en scherp. Kees is nog niet echt opgenomen bij de nachtploeg. Hij is student en uitzendkracht. In de stoere distributiewereld kost het dan extra moeite om een plek te veroveren. Na de pauze checkt Kees of zijn BT niet stiekum is vastgebonden aan een stelling. Zijn twee pallets staan hoogopgestapeld en propvol. Het moment om waakzaam te zijn. De vaste krachten zijn dol op breukpakketten. Het is hun extra bonus. Een stukje verder staat een nieuweling zijn omgevallen vracht uit te pluizen. Hij is het slachtoffer van de nacht. De vaste krachten lachen in hun vuistje. Op de pallet stond veel wijn. Dat wordt een mooi breukpakket.

De lunch is altijd het breekpunt van de nachtdienst. De pauze duurt veel te lang. Tijd voor een praatje. Onderwerp van gesprek zijn steevast gore moppen. De mannen met de meeste tattoes lachen het hardst. Kees lacht schaapachtig mee. Hij wil er graag bij horen. Ook de magazijnchef lacht mee. Heel belangrijk om hem te vriend te houden. Hij deelt namelijk de orders uit. De moppen zijn van bedenkelijk niveau. “Wat krijg je als je pinokkio pijpt?” “Splinters in je mond!” Er wordt hard gelachen. “Waarom mag sperma niet heter zijn dan 40 graden?” “Anders gaat je leuter fluiten”.

De nachtdienst zit er op. Het is 06:00 uur. Kees is blij dat ie naar huis kan. Met een leeg en slaperig hoofd glijdt hij op z’n fiets door de ochtendnevel. In de woonwijken staan de rozen in bloei en hangen de vlaggen en boekentassen in top. Vanavond heeft hij weer een eindexamenfeest. Thuis duikt Kees snel in bed. Hij heeft vanmiddag nog strafcornertraining. Die mag hij niet missen. Kees speelt tophockey en zondag staat een belangrijke wedstrijd op het programma. Gauw dus effe een paar uurtjes vooruitslapen.

Het is een half uur fietsen naar het hockeyveld. Kees stroopt zijn kousen omlaag en doet zijn scheenbeschermers uit. Het is veel te warm. Aanvoerder Gerard spreekt hem aan. “Hee kerel hoe gaat ie? Hoezo moe? Werk je nog steeds in dat distributiecentrum? Je bent gek.” Gerard vindt het maar niks dat Kees in een distributiecentrum werkt en nachtploegen draait. Dat gaat ten koste van slagkracht. De hockeywedstrijd van aanstaande zondag is een hele belangrijke. Kees denkt er het zijne van.

De warming-up is van korte duur. Tijdens de rekkingsoefeningen is er tijd voor een praatje. Onderwerp van gesprek zijn steevast gore moppen. De mannen met de grootste mond lachen het hardst. Kees lacht schaapachtig mee. Hij is nog niet lang bij de club en wil er graag bij horen. De moppen zijn van bedenkelijk niveau. “Wat krijg je als je pinokkio pijpt?” “Splinters in je mond!” Er wordt hard gelachen. “Waarom mag sperma niet heter zijn dan 40 graden?” “Anders gaat je leuter fluiten.” Gegrinnik in de groep.

Kees ligt in een deuk van het lachen. Alle hockeyers kijken hem bedenkelijk aan. De anders zo nuchtere en stille Kees moet nog harder lachen. Hij kan het niet uitleggen. Het is frapant hoezeer zijn hockeymaten overeenkomstig gedrag vertonen met de arbeiders uit het distributiecentrum? Alleen de tattoes ontbreken. Ze moesten eens weten. Kees herinnert zich plots het gesprek met de directeur van zijn school, dat hij afgelopen week had. De directeur van de Academie Beeldende Vorming had hem gevraagd hoe hij in hemelsnaam zijn kunststudie kon combineren met het spelen van tophockey. Dat waren toch totaal verschillende werelden? De directeur moest eens weten? Bulderend van het lachen hervat Kees de rekkingsoefeningen, zijn hockeymaten in verwarring achterlatend. Zou dronken Willem alweer aan het bier zitten?

Mien BT