31-10-2014

Columns van Harrie (Oktober 2014)


Zwabberend de hemel in / Gein & Ongein / 01-10-2014

Het is me wat. Brizl djeu. Griss mich nich. Er heerst paniek onder de dieren. Dat zie ik aan hun gedrag. Het is al een paar maanden anders. De laatste weken verstoppen zij zich waar ze maar kunnen. Onder boomstronken, in diepe holen. In het struikgewas en op de hoogste takken. Muisstil. Fluitstil. Ik probeer te achterhalen waaraan dit gewijzigde gedrag ten grondslag ligt. Het is moeilijk te peilen. Totdat ik afgelopen week een vreemd heerschap door mijn bos zag struinen. Of moet ik zeggen mevrouwschap?

Hij of zij droeg een zwarte cape en liep met grote stevige passen door het bos. Alleen heel af en toe hinkte hij of zij een beetje. Dan trok hij of zij aan zijn of haar been. Alle dieren vlogen aan de kant. Dieren met en zonder vleugels. Om zich te verstoppen. Maar waarom? Ik besloot de cape fear even te volgen. Welke angsten riep deze zwarte zwabber op bij mijn dierbare beestjes? Hij of zij droeg een vreemd object in zijn of haar hand. Moeilijk te polsen wat het was. Ik heb niet zoveel met techniek. Dat het een technisch object was dat begreep ik nog. Maar daar hield dan ook het snappen op. Voor zover ik kon zien was het object bijna net zo groot als een hand. Het was rond, rood en plat. Hij of zij hield het vast aan een ijzeren staafje dat uit de rode schijf stak. Op de schijf zag ik een aantal cirkels met gevaarlijke tandjes.

Enfin. Het object leek nog het meest op een grote rode bromtol. Ik kon er niets mee. Totdat de zwabber stopte bij een boom. Wat de zwabber niet zag en ik wel, waren de duizend oogjes die hem beloerden vanuit omgevingsbomen en belendende struiken. Om dat te kunnen zien had je een geoefend oog nodig. Ondanks dat de zwabber had getracht zijn of haar blik te focussen door zijn of haar andere zintuigen af te plakken met zwart doek, en slechts ruimte te laten voor de ogen, verscherpte het amper zijn of haar blik. Onverstoord haalde hij of zij een nog vreemder apparaat onder zijn of haar cape tevoorschijn. Ik dacht eerst dat het een grote dikke opgeblazen groene boemerang was. Maar er hing een kabel aan. Een boemerang met kabel? Een lasso? Dan is het geen boemerang. Die komt vanzelf terug. Aan de kabel hing een blokje met twee scherpe tandjes.

In de struiken en bomen om mij heen begon het zenuwachtig te ritselen. De dieren … , dacht ik onmiddellijk, ze zijn bang. Maar waarom? Cape fear draaide krampachtig aan een van de uiteinden van de groene boemerang. Daarna stak hij of zij de rode bromtol met het ijzeren staafje in de boemerang. Ik hoorde een aantal dieren wegrennen vanuit het struikgewas. Ook hoog in de bomen vlogen een paar beesten weg. Enerzijds maakte het mij nieuwsgierig, anderzijds vreesde ik mijn grootste angst. De zwabber pakte nu het blokje dat onderaan de boemerang heen vast en stak het met zijn tandjes in de boom. Hij of zij pakte de boemerang met twee handen vast en drukte hem tegen de boom. Met zijn of haar wijsvinger drukte hij of zij onder de boemerang een knopje in. Een oorverdovend geluid klonk door het bos. Wat er nog in het struikgewas en bomen aan gedierte zat stoof weg. Heel goed te begrijpen. Wat een takkeherrie!

De rode bromtol tolde zich een klein gat in de boom. Daarna zette cape fear de boemerang op een ander plek en tolde een nieuw gat naast het andere. Zo ging hij of zij de hele boom rond. Vervolgens trok hij onder zijn zwarte gewaad een grote bijl vandaan. Hij ja. Cape fear bleek namelijk een man te zijn. Een mevrouw had die bijl nooit zo soepel, met een hand, onder haar gewaad vandaan kunnen trekken. Ik begreep nu ook waarom de zwabber af en toe had gehinkt in zijn gang door het bos. De bijl had hem natuurlijk dwars gezeten. Hij legde de boemerang op de grond en hief met twee handen de bijl omhoog. Met een grote klap ontkruinde hij de boom. Trots hield cape fear de kruin boven zijn hoofd en zakte door zijn knieën. Hij liet zijn emoties de vrije loop. Tranen sijpelden door het open raamkozijn. Hij wist het nu zeker. Hij zou in de hemel komen. Kortom, missie volbracht.


Protekst / Uitdaging van de maand / 06-10-2014

Lieve leden van de redactie Gazellig, Nummer Eén, 06-10-2014

Haal de watjes uit uw oren, sla de blinddoek af en laat de woorden tot u komen. Hard, diep en onverbiddelijk. Ik weet van collega-schrijvers en uit eigen ervaring dat u al heel wat voor de kiezen hebt gehad. Ik weet dat er meestal niets blijft hangen achter die kiezen. Behalve dit orakel.

Ik zeg het u. Lezersbrieven, vooral de boze krijgen meestal een speciaal labeltje van de redactie. Aandoenlijk, recalcitrant, boers, dom, vergezocht. Het boze kan alle kanten op. Het geeft richting. Het bied kansen. Het geeft een krant contact met zijn lezers.

Allemaal stierenstront. Wees eerlijk. Meestal worden boze stukjes alinea directa naar de prullenbak verwezen. Ik zeg met nadruk alinea directa, want ik weet dat het meestal korte, krachtige in een alineagebundelde schertsstukjes zijn die amper de Nederlandse taal waardig zijn.

Zelf heb ik jaren in de redactie gezeten van de ‘Gouden snoeisnikkel’. Een rebels krantje, populair onder druïden. Wordt helaas niet meer uitgegeven. Als redactie kiest u voor veiligheid en leescijfers. U plaatst alleen zoetgevooisde quasikwade stukjes. Van die stukjes waar lezers op houdbare wijze kiespijn van krijgen. Stukjes die aanzetten tot kleine lachjes en traantjes. Door de beugel van onvrede.

Ik trap er niet meer in. In die vage nietszeggende protestbrieven. Ik schrijf ze niet meer. Ze worden in korte tijd door de redactie geredigeerd van protest tot protekst. En daar valt natuurlijk geld mee te verdienen. Plenty.

Weet u wat? U kunt die proteksten voortaan ergens tussen u edele delen in uw gazellige reet stoppen. Aandacht krijg ik toch niet, voor de kern van het probleem. Daarom wens ik alle redactieleden bij deze, zelf allemaal, vreselijk veel en vreselijk irritante ingegroeide teennagels. Teennagels waarop met geen mogelijkheid gazellig te sabbelen valt. Brizl djeu. En durf hem nu maar eens te publiceren, dit epistel. Succes!

Hoogdravend,

Harrie

Adres : Achterste bos
Postcode : Onbekend
Plaats : Nummer Eén
Telefoon : Geen (ook geen mobiel)
Correspondentie: Haal ik te zijner tijd zelf op bij redactie

Geschreven n.a.v. schrijfopdracht op ColumnX, van professioneel schrijfcoach Hella Kuipers (http://heldenreis.nl):
Maak een lijstje van 10 dingen waar je je aan ergert.
Dat mag wisselen van wereldpolitiek tot zwerfvuil in het park, van gezondheidszorg tot ingegroeide teennagel.
Schrijf over één van deze onderwerpen een woedende ingezonden brief naar de krant, in maximaal 300 woorden, exclusief aanhef en afsluiting.



Een vreemde saga (2) / Gein & Ongein / 15-10-2014

Ik voel me niet thuis in de coulissen van mijn eigen bos. En waarom draagt de hele filmcrew nu ineens dierenmaskers van het formaat Pino? Ik begrijp het niet helemaal. Ik zie ook nog geen enkele relatie met een brug. Laat staan een Deense of Zweedse? Voor mij een brug te ver. Brizzl djeu. Het enige waar ik me zorgen over maak is de gesteldheid van de dieren in mijn bos. Hoe verwerken zij deze maskerade?

De regisseur geeft nu een opdracht. Er gaat iets gebeuren. Dat zie ik aan zijn vinger die hoog de lucht in steekt. Op de filmset worden felle lampen ontstoken. Ik werp een blik op de dieren in het struikgewas. Ik zie hun ogen vochtig flikkeren, van angst? De brug die midden op de set staat is volledig uitgelicht. Het is nu spannend afwachten op verdere actie.

‘Stop, stop, stop!’, roept de regisseur plots. Hij komt op mij afgelopen en kijkt me boos aan. ‘Waarom draag jij geen masker?’ Achter hem komt de regie-assistente een beetje hittepetitterig aangelopen. Haar naaldhakjes blijven af en toe steken in de boshumus, waardoor ze met haar zadelkont bijna omvalt. ‘Ehhh … Dat ben ik even vergeten … sorry, sorry, sorry …!’, roept ze in haar vrije val. Het masker dat ze bij zich draagt valt, net als zijzelf, in de humus. Het is geen gezicht.

Ik zie dat het masker dat ze bij zich draagt lijkt op een grote eekhoorn. Een rode eekhoorn. En blijkbaar is het masker voor mij bedoeld. Ook al doe ik niet mee in de film. De regisseur sommeert mij om eensgezind en voor de sfeer ook een masker te dragen. Nergens voor nodig denk ik dan, ik kan ieder willekeurig pokerface te voorschijn toveren, hij moest eens weten. Mompelend trek ik de eekhoorn over mijn hoofd. Een regisseur spreek je niet tegen. Het masker weegt zwaar.

Opnieuw wordt een startsein gegeven voor een volgende take. Ik zie hoe de brug, die nog geen twee uur geleden in mijn bos gebouwd is en de beek die er onder gegraven is, met een geweldig harde knal tot ontploffing worden gebracht. Ook ik ontplof zo wat. Van woede. Dit hadden we nou net niet met elkaar afgesproken. De dieren en het milieu zouden gespaard blijven en nu ontploft zowat mijn hele bos. Gelukkig springen de hoofdacteurs net op tijd tussen mij en en de regisseur in. Ik kan hem wel vermoorden.

De olijke man met baard kijkt me begrijpelijk en een beetje weemoedig aan. Het doet hem echt wel wat om mij zo boos te zien. Dit is geen method-acting, dit is echt. Het blonde ijskonijn daarentegen houdt haar hand tegen mijn borst en duwt me een klein beetje achteruit. ‘Je masker zit scheef!’, zegt ze kordaat. Met een korte ruk trekt ze het recht. ‘Zo, dat is beter, kunnen we nu verder gaan …!’


Penis Aqua Rosa / Uitdaging van de maand / 16-10-2014

Godsakkes nondeju. Ik ben boos. Brizzl djeu. Op die onnoemelijke zaadbal die met zijn zultkop en zeiksnor onlangs in mijn bos heeft staan pissen. Als ik die asbestmuis nog eens een keer tegenkom dan vat ik hem bij zijn lummeltol en sla hem met zijn aprikaan tegen de luster. Dat kan toch niet? Zo maar in iemands bos staan zeiken. Als hij hier voorbijkomt dan gooi ik die postpukkel bij mijn pornokabouters en voer hem aan mijn pinopijpvogels. Dat zal hem leren. Dat ie toch een verrekte uienreet krijgt. Moet je dat nu eens zien. Mij rozen hangen op half zeven. Ja en ik weet wie het is. Als die dixiuitzuiger ook maar een seconde onder mijn ogen durft te komen dan laat ik die drommedarisruftverzamelaar eens duchtig mijn pikkepoelie ruiken. Ik trek hem dan dusdanig aan zijn wieberdink dat hij daarna, hoe hij ook went of keert, nooit meer zijn trollenaanhangsel zal kunnen zien. Verrekte waailap. Met gebalde balbabbers zal ik hem onder zijn gummie butsen zodat hij drie weken niet meer aan zijn klonterkak kan krabben. Theemuts. O ja. En als ie dan nog eens het bos durft in te lopen dan zal ik hem dermate op zijn kloekhorst timmeren dat hij drie dagen lang niet meer op zijn bafferik kan zitten. Laat staan dat hij die dan nog nodig heeft. Een beetje in mijn bos staan pissen zeg. De laatste die dat deed die ziet nu nog steeds badjufbeffertjes. Mijn god wat ben ik boos. Ik zou het op willen schrijven. Van me af willen gooien maar ik sta met mijn mond vol tanden. Bekschurft wens ik die beroepskoe toe. Pislink ben ik op dat piskonijn. Nog steeds. Wat the fuck ook. Ik vouw er een brief om heen en pleur hem gewoon in zijn brievenbus. Ongecensureerd. Uch.

Geschreven n.a.v. schrijfopdracht op ColumnX, van professioneel schrijfcoach Hella Kuipers (http://heldenreis.nl):
Maak een lijstje van 10 dingen waar je je aan ergert.
Dat mag wisselen van wereldpolitiek tot zwerfvuil in het park, van gezondheidszorg tot ingegroeide teennagel.
Schrijf over één van deze onderwerpen een woedende ingezonden brief naar de krant, in maximaal 300 woorden, exclusief aanhef en afsluiting.



Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.

17-10-2014

Open brief

Verpakkingen die niet makkelijk opengaan, slechte dienstverlening, opdringerige reclame, arrogante mensen, slijmballen, als iets niet lukt, bekrompenheid, gierigheid, mensen die afspraken niet nakomen, pijntjes. Allemaal zaken waaraan ik me dood erger. Dat maakt het leven haast onleefbaar.

Maar ik geef niet op. Ik treed de tien onhebbelijkheden dagelijks tegemoet. Nou eigenlijk elf. Want het niet kunnen kiezen, daar heb ik pas de schurft aan. Hoezo niet kunnen kiezen? Dat is toch fijn? Het houdt alle opties open. Je wordt nergens op afgerekend. En je komt geen stap verder. Wat wil een mens nog meer? De rem erop, want anders vliegen alle dagen zo maar voorbij. En dat wil een mens niet.

In de ochtend krijg ik de vleeswaren niet uit het cellofaan gepeuterd. Mijn vrouw wil niet helpen, die zegt: ‘los het zelf op’. In het bushokje lonkt een dik lelijk mannetje naar mij, een van zijn armen heeft ie gespierbald. Ik ga niet in op de aanbieding. Posterterror. Ik ruk hem af.

Een man vraagt me, zijn neus zurig in de wolken geheven, hoe laat het is. Ik lieg tien minuten. De bakkersvrouw trakteert mij op een super vrolijk ‘goedemorgen’ en veel te zoete broodjes. Haar fake glimlach blijft niet lang hangen als ik zes kilo bokkenpootjes bestel. Het lukt me gewoon even niet om vriendelijk te blijven. Ik volg ook niet de Pietdiscussie die aan de toonbank gevoerd wordt. Ik geef geen krimp. Ik heb het niet zo op koeien en kalveren.

Op het werk wordt met de pet rond gegaan. Cadeautje voor Truus. Ik maak het over. Een maandsalaris. De gierige pin. Wat zal ze schrikken. Mijn baas komt weer niet opdagen. Voor de drieduizendste keer. Ik besluit een brief aan de krant te schrijven. Media lusten bazen rauw. Ik vouw de brief en snijd mijn vinger. Godverd…

Geschreven n.a.v. 2e schrijfopdracht op ColumnX (oktober 2014), van professioneel schrijfcoach Hella Kuipers (http://heldenreis.nl):
Maak een lijstje van 10 dingen waar je je aan ergert.
Dat mag wisselen van wereldpolitiek tot zwerfvuil in het park, van gezondheidszorg tot ingegroeide teennagel.
Schrijf over één van deze onderwerpen een woedende ingezonden brief naar de krant, in maximaal 300 woorden, exclusief aanhef en afsluiting.

15-10-2014

Het enige echte Pietverhaal

Heel, heel lang geleden, kwamen er een paar wetenschappers op het idee om eens diep, heel diep in de aarde te graven. Dat deden ze in het dal van Worm (NL). Een diepgravend onderzoek, zogezegd. Men wist nog niet precies waar naar gezocht werd. Maar dat gebeurde wel vaker met onderzoeken. In de zoektocht kwam de vraag meestal vanzelf bovendrijven. Kwestie van geduld.

In de eerste laag van de aarde werden alleen bekende en voedzame producten gevonden. Sommige kant en klaar en andere pas voedzaam na bewerking. In de onderliggende lagen kwamen de wat meer abstracte zaken bovendrijven. De onderzoekers worstelden zich door humus, bruine, gele, witte grond, klei, löss en los zand. Vervolgens stuitten ze op serendipity. Ze waren goed bezig en het was tijd voor een korte pauze met versnapering. De serendipity werd ingezet als voeding voor gesprek.

Men was het unaniem met elkaar eens. Na de vondst van serendipity was het slechts een kwestie van doorgraven om tot de kern te komen. En ja hoor. Na verloop van dagen stuitten de wetenschappers op een harde onderlaag die hen niet echt bekend voorkwam. Met de schop kwamen ze niet veel verder. De bewerking van dit materiaal vroeg om speciaal gereedschap. Iets van ijzer en met een spitse punt. Een soort pik. Eentje die je makkelijk kon vasthouden en die lang heel bleef. Een pikhouheel. Later verbasterd tot pikhouweel.

Met de pikhouweel houwden [Middeleeuws Limburgs voor slaan, sloegen] de wetenschappers zich door de harde laag. Keihard was de steen. En hij stonk ook een beetje. Naar groene kool. Wat een lucht! Vast doorgesijpeld uit de bovenlaag van de aarde. De wetenschappers hadden meteen een naam voor de harde steenlaag. Steenkool. Twee wetenschappers haakten na de ontdekking af. Ze konden de lucht van de groene kool niet verdragen. Watjes. Ja, ja, wetenschap bedrijven is topsport. Alleen de sterken blijven over.

Het zat de twee niet lekker. Ze besloten de boel maar eens goed op te stoken. Met steenkool. Eureka. Wat een vondst. Het fikte als een dolle. Ze hadden niet alleen een gat in de markt gevonden maar vooral gaten in de aarde. Er werden een paar experts ingegallopeerd, vliegen ging in de Middeleeuwen nog niet, en al snel werd de gatenkaas in de grond omgetoverd tot kolenmijn. Alleen die lucht! Die stonk nog erger dan in een slecht gelucht café. Gelukkig zoeken en vinden wetenschappers voor ieder probleem een oplossing.

Hoewel, zoeken? De oplossing lag eigenlijk voor het oprapen. In een van de gaten die gehouwd was vonden de wetenschappers een paar kleine gele vogeltjes. Die waren duidelijk van hun stok gegaan. Ze lagen met de bekkies open. Van die lucht natuurlijk. Het enige dat de wetenschappers niet begrepen en geklaard konden krijgen was de kleur van de vogeltjes, daar diep onder in de aarde.

Hoe kwamen die vogels in hemelsnaam aan gele veren? Ze waren toch diep onder de grond de pijp uit gegaan? Moesten ze dan niet zwart zijn? De wetenschap stond voor een raadsel. Hier hadden ze geen kaas van gegeten. De oplossing, de verklaring is tot op heden, in de moderne tijd, nog steeds niet gevonden. De wetenschapper die dit grote vraagstuk oplost, die wint de Nobelprijs, vast en zeker. Alleen welke? Die voor natuurkunde of die voor de vrede? Ach, het zal zowel de zwarte, zeur- als kanariepieten worst wezen. Marsepeinen worst.