De gemeenteraadsverkiezingen staan weer eens voor de deur. In het voorportaal is het nog even dringen geblazen. Welke bollebozen mogen straks het pluche bekleden? Met hoeveel strekkende meters zullen de landelijke partijen de collegezalen bezetten? Hoe groot zal de verontwaardiging zijn bij de oppositie, de local heroes? David versus Goliath. Zal David Goliath opnieuw bezingen? Al is het maar voor één dag?
In zinderende nachten die volgen op de gemeenteraadsverkiezingen worden nieuwe slotakkoorden bedacht. Die moeten leiden tot actieplannen en nieuwe regelgeving. Het laarzenlappen wordt al snel verkozen tot het leukste favoriete speeltje. Aan de knikkers denken daarin heeft nog niemand zin. Eerst de partijprogramma's overboord. Een nieuw schip gaat nieuwe zeeën bevaren. Op woelige baren, met alle hens aan dek. Hoge golven van bezuiniging en miserie slaan hard tegen de boeg. Reddingsvesten worden voor de zekerheid alvast aangesnoerd. Er lijkt vooralsnog, nog niemand in dit slechte weer, het tij te kunnen keren.
Binnen in de kajuit worden rap de nieuwe kapiteins gekozen. De hoge heren zitten graag droog. Het steekspel kan beginnen, met het gezicht op poker. Helaas zijn de kaarten slecht verdeeld. Ze zitten niet op één hand. Het zwartepieten kan beginnen. Wie heeft in hemelsnaam de harten aas in handen? Alleen hij kan heren, boeren, dames en het kleine spul in toom houden. Althans dat denkt de harten aas. Maar aan zijn stoel wordt reeds gezaagd. Nog voor het schip de wal bereikt lijkt het al verdronken en gezonken.
Daar is geen eb of vloed voor nodig. Het getij dat ligt al jaren vast.
Over vier jaar zien ze elkaar weder. Een tijdsbestek dat in de snelheid van het huidige bestaan eigenlijk niet meer volstaat. Zodra de raad is geïnstalleerd viert politieke oorlogvoering opnieuw hoogtij. Het is in deze strijd waarin het volk geloof en hoop moet blijven koesteren. Ook al is het met de handen in het haar. Lettend op de kleintjes en de groten.
17-03-2014
13-03-2014
Tintelende vingers
Een schrijver liep gebukt onder zijn eigen logge lome lichaam. Volgevreten van bijwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, voorvoegsels, lidwoorden, tussenvoegsels en ander onnodig woordbeleg, was hij op zoek naar inhoud. Onlangs had hij zich nog te goed gedaan aan een paar hoofdstukken van Dale en wat paragrafen Taaladvies, gewoon voor de oefening. Maar helaas tevergeefs. Ook daarin was geen enkele inhoud te bespeuren. De schrijver was het moe om telkens woordtechnisch- en tactisch te opereren. Ook het verzinnen van nieuwe woorden gaf geen vreugde meer. En de inhoud bleef maar aandacht vragen. ‘Het moet ergens over gaan!’ Dat riep de innerlijke stem, die met grote passen ijsbeerde tussen de oren van de schrijver. ‘Het moet ergens over gaan!’
De schrijver kreeg steeds meer gezondheidsklachten. Hij bezweek bijna onder de ballast van het taaie writersblock, dat almaar groeide achter in zijn nek. Zijn vingers, polsen, ellebogen en schouders protesteerden. Ze werden het lange wachten op de output uit het hoofd moe. Zonder aanvoer van output was er geen noodzaak tot het maken van schrijfbewegingen en raakten de gewrichten langzaam op slot. Het hoofd op zijn beurt kon maar geen consensus vinden tussen linkse en rechtse gedachten. Het slaagde er niet in om de voortdurende gedachtebrij te vatten in een helder verhaal. Kortom zowel het hoofd als lijf en leden gingen gebukt onder het writersblock. Moedeloosheid en complete uitval lagen op de loer. Ook de zintuigen trokken zich langzaam terug. De ogen werden dof, de lippen droog, de neus raakte verstopt. Alleen de tast, die bleef intact. Ook al voelden de handen klam aan, ze waren nog immer op zoek naar warmte. Er was nog hoop.
Met een laatste, uiterste inspanning, wisten beide handen elkaar te vinden. Ze streelden elkaar en wreven elkaars witblauwe knokkels rood. De tinteling die daardoor ontstond gaf een fijn gevoel. Het bloed begon weer op een aangenaam tempo te circuleren. Wat had het bloed toch lang en stroperig zich door de aderen heen gezwoegd. Het was heerlijk om nu weer even te stromen. De tinteling werd door het bloed voortgestuwd en landde uiteindelijk ook in de ogen. De kleine volgelopen bloedvaatjes gaven de ogen sprankeling en zorgden ervoor dat de ogen weer wat groter de wereld inkeken. Gelukkig maar. Het fysieke herstel had onmiddellijk effect op de psyche. De gedachten konden zich het niet langer permitteren om te blijven bakkeleien. Ze werden opgehitst door het fysieke geweld dat zich innerlijk in de schrijver roerde. Het pulserend bloed dwong de gedachten tot het overgaan naar actie. En dat terwijl de schrijver zich al bijna had neergelegd bij het niet bereiken van consensus tussen zijn linkse en rechtse gedachten. ‘Het moet ergens over gaan!’, riep de stem nog steeds, inmiddels twijfelend ijsberend tussen de oren. ‘Een onderwerp wil ik, links, rechts, in het midden, het maakt me niet uit. Ik wil het nu!’
Intussen jaagde de zwelgend hete bloedstroom onrustig door het lijf van de schrijver. De aderen zogen al het bloed naar binnen, het gezicht van de schrijver trok langzaam wit weg. Dit gaat niet goed dacht de schrijver nog. Maar het was al te laat. Een flinke bloedprop raasde door zijn hoofd. Hevig geschrokken door de ernst van de situatie probeerde de stem de bloedprop nog tegen te houden. Maar de inhoud van de bloedprop was nu toch echt te groot geworden. Ruw duwde de bloedprop de stem aan de kant en explodeerde. Hoofd, lijf en leden vielen gelijktijdig om. De schrijver stierf in zijn harnas. Stram en stijf. Alleen een handvol tintelende vingers wisten het verhaal nog op te tekenen. Maar zonder inhoud. Helaas. Het zij zo.
De schrijver kreeg steeds meer gezondheidsklachten. Hij bezweek bijna onder de ballast van het taaie writersblock, dat almaar groeide achter in zijn nek. Zijn vingers, polsen, ellebogen en schouders protesteerden. Ze werden het lange wachten op de output uit het hoofd moe. Zonder aanvoer van output was er geen noodzaak tot het maken van schrijfbewegingen en raakten de gewrichten langzaam op slot. Het hoofd op zijn beurt kon maar geen consensus vinden tussen linkse en rechtse gedachten. Het slaagde er niet in om de voortdurende gedachtebrij te vatten in een helder verhaal. Kortom zowel het hoofd als lijf en leden gingen gebukt onder het writersblock. Moedeloosheid en complete uitval lagen op de loer. Ook de zintuigen trokken zich langzaam terug. De ogen werden dof, de lippen droog, de neus raakte verstopt. Alleen de tast, die bleef intact. Ook al voelden de handen klam aan, ze waren nog immer op zoek naar warmte. Er was nog hoop.
Met een laatste, uiterste inspanning, wisten beide handen elkaar te vinden. Ze streelden elkaar en wreven elkaars witblauwe knokkels rood. De tinteling die daardoor ontstond gaf een fijn gevoel. Het bloed begon weer op een aangenaam tempo te circuleren. Wat had het bloed toch lang en stroperig zich door de aderen heen gezwoegd. Het was heerlijk om nu weer even te stromen. De tinteling werd door het bloed voortgestuwd en landde uiteindelijk ook in de ogen. De kleine volgelopen bloedvaatjes gaven de ogen sprankeling en zorgden ervoor dat de ogen weer wat groter de wereld inkeken. Gelukkig maar. Het fysieke herstel had onmiddellijk effect op de psyche. De gedachten konden zich het niet langer permitteren om te blijven bakkeleien. Ze werden opgehitst door het fysieke geweld dat zich innerlijk in de schrijver roerde. Het pulserend bloed dwong de gedachten tot het overgaan naar actie. En dat terwijl de schrijver zich al bijna had neergelegd bij het niet bereiken van consensus tussen zijn linkse en rechtse gedachten. ‘Het moet ergens over gaan!’, riep de stem nog steeds, inmiddels twijfelend ijsberend tussen de oren. ‘Een onderwerp wil ik, links, rechts, in het midden, het maakt me niet uit. Ik wil het nu!’
Intussen jaagde de zwelgend hete bloedstroom onrustig door het lijf van de schrijver. De aderen zogen al het bloed naar binnen, het gezicht van de schrijver trok langzaam wit weg. Dit gaat niet goed dacht de schrijver nog. Maar het was al te laat. Een flinke bloedprop raasde door zijn hoofd. Hevig geschrokken door de ernst van de situatie probeerde de stem de bloedprop nog tegen te houden. Maar de inhoud van de bloedprop was nu toch echt te groot geworden. Ruw duwde de bloedprop de stem aan de kant en explodeerde. Hoofd, lijf en leden vielen gelijktijdig om. De schrijver stierf in zijn harnas. Stram en stijf. Alleen een handvol tintelende vingers wisten het verhaal nog op te tekenen. Maar zonder inhoud. Helaas. Het zij zo.
01-03-2014
Verhalen
Waarom zou ik dat in hemelsnaam nog doen? Er is al zoveel van te voren vastgelegd, bestemd, bepaald. Veel beter is het om je erbij neer te leggen. Het is gewoon onoverkomelijk, onvermijdelijk. Het zit in de genen. Achter de oren. Onder je knieën. Het eigen gelijk. Ja, zelfs dat van een ander.
Het heeft geen enkele zin, verhalen. De waarheid ligt ergens in het midden. Voor sommigen diep, diep verstopt in een grot. Doch evenwel bereikbaar. Maar je moet het willen zoeken en vinden. Ergens in het midden.
Verhalen. En als het dan even niet lukt, dan gaan we ze gewoon verzinnen. Opdat het toch een mooi en sluitend verhaal wordt waarin iedereen zich weet te vinden. Laten we toch eerlijk zijn, ja we, niemand uitgezonderd, we lusten er allemaal pap van. Van de waarheid.
We bakken er zoete broodjes van en smeren het zelfs op de boterham. En niet alleen op witte boterhammen. De waarheid smaakt voor iedereen verschillend. Naar honing, jam, vlees of kaas. Naar zoet of zout. Naar chocopasta, hagelslag of pindakaas. Of gewoon naar nog iets anders.
De waarheid is voor velen onverzadigbaar en onverteerbaar. Sommigen proppen zich er tot de nek toe mee vol. Om het vervolgens in kleine of grote brokken weer uit te spuwen. En dan komt het verhaal. Want iemand zal toch moeten boeten. Voor de waarheid die maar slecht verteerd.
We blijven hem zoeken, omarmen, koesteren en kietelen. Onze eigen waarheid. Wat een geluk voor degene die hem dan toch uiteindelijk weet te vinden. Ergens diep van binnen. In grotten en spelonken van het oerverlangen. Verhalen hoeven niet langer verhaald.
Geschreven als Vaste Columnist van ColumnX (01-09-2013 tot en met 31-08-2014)
Het heeft geen enkele zin, verhalen. De waarheid ligt ergens in het midden. Voor sommigen diep, diep verstopt in een grot. Doch evenwel bereikbaar. Maar je moet het willen zoeken en vinden. Ergens in het midden.
Verhalen. En als het dan even niet lukt, dan gaan we ze gewoon verzinnen. Opdat het toch een mooi en sluitend verhaal wordt waarin iedereen zich weet te vinden. Laten we toch eerlijk zijn, ja we, niemand uitgezonderd, we lusten er allemaal pap van. Van de waarheid.
We bakken er zoete broodjes van en smeren het zelfs op de boterham. En niet alleen op witte boterhammen. De waarheid smaakt voor iedereen verschillend. Naar honing, jam, vlees of kaas. Naar zoet of zout. Naar chocopasta, hagelslag of pindakaas. Of gewoon naar nog iets anders.
De waarheid is voor velen onverzadigbaar en onverteerbaar. Sommigen proppen zich er tot de nek toe mee vol. Om het vervolgens in kleine of grote brokken weer uit te spuwen. En dan komt het verhaal. Want iemand zal toch moeten boeten. Voor de waarheid die maar slecht verteerd.
We blijven hem zoeken, omarmen, koesteren en kietelen. Onze eigen waarheid. Wat een geluk voor degene die hem dan toch uiteindelijk weet te vinden. Ergens diep van binnen. In grotten en spelonken van het oerverlangen. Verhalen hoeven niet langer verhaald.
Geschreven als Vaste Columnist van ColumnX (01-09-2013 tot en met 31-08-2014)
Abonneren op:
Posts (Atom)