De financiële crisis is nog niet voorbij. Het blijft een koude douche. Een koude douche? Nee, hoor. We douchen nog steeds gloeiend heet, veel te lang en veel te veel. Niet bepaald duurzaam. Dat geldt ook voor mij. Hoewel ik niet behoor tot de groep grootgebruikers (leeftijdscategorie 18 tot 34), gebruik ik toch ook om en nabij 90 liter water per douchebeurt. Er is onlangs onderzoek naar gedaan. Naar het gebruik van douchewater onder Nederlanders. Water- en energiebedrijven en milieuorganisaties roepen op om korter te douchen. Vreemd eigenlijk, want het water lijkt toch echt in Nederland af en toe tot onze lippen te staan.
Gemiddeld staat de Nederlander 9 minuten onder de douche en gebruikt daarbij 51 liter water. Ik schaamde mij diep toen ik de proef op de som nam. Ik wilde het onderzoek staven aan mijn eigen bevindingen. Via een ingenieus bedacht opvangsysteem, opgebouwd uit PVC buizen en plastic zakken (van het merk Komo, want die zijn het sterkst), ving ik het water op. Het meest lastige was nog om de juiste timing te bepalen. Hoe lang douchte ik eigenlijk? Ik had nog nooit de tijd opgenomen. En nu werd ik ook nog eens afgeleid door de omstandigheden. Ik voelde me in de plastic Komo-zak niet echt op mijn gemak. Al gauw begon de zak vol te lopen. Met een maatbeker schepte ik het water eruit en hevelde het over in een van de negen emmers die ik zorgvuldig rondom mij neer had geplaatst. Ja negen, voor de zekerheid.
Wat wel lastig was, was het haren wassen in de plastic zak. Ik was bang dat de PVC buizen het niet zouden houden als ik te veel bewegingen maakte. Maar ja, de shampoo van het Kruidvat was zo stroperig dat ik toch wel behoorlijk moest schrobben. Gelukkig bleef mijn constructie intact. Ik moest nu wel flink door scheppen. Het water was inmiddels tot mijn middel gestegen. Ik begon ook even het ergste te vrezen. Het lauwe water werkte op mijn blaas. En om nou in een plastic zak met water te plassen dat ging me iets te ver. Einde onderzoek? Nee, hoor. Ik had gelukkig mijn maatbeker bij de hand. Ik bombardeerde emmer negen tot reserve-emmer. Ik weet nu hoe het voelt om met een volle blaas en maatbeker lauw water te scheppen uit een plastic Komo-zak. En ik zeg het u. Niet doen!
Benieuwd naar het resultaat mat ik na het douchen de inhoud van de emmers af. En ja hoor. Precies 90 liter water. Gelukkig had ik een grote maatbeker gebruikt, een litermaat. Mijn maatje. Ideaal voor de plas. De beker voelde in ieder geval lekker warm aan. Dat was voor de douche niet te zeggen, die was toch wel echt koud. Met veel pijn en moeite had ik mijn plas nog tijdig op kunnen houden. Ik dacht daarbij 'wat vrouwen kunnen, kan ik ook'. En het had geholpen.
Ik was een grootgebruiker dus. En dat terwijl ik niet eens tot de leeftijdscategorie 18-32 behoorde. Dat betekende automatisch dat er ook ergens in Nederland een kleingebruiker van mijn leeftijd moest rondlopen. Mits de statistieken en het onderzoek klopten natuurlijk. Ook ik had immers geknoeid, onvermijdelijk haast.
Geschreven n.a.v. dit artikel.
04-09-2014
03-09-2014
Mijn eerste reünie
Help, ik kan niet kiezen. Vanavond is de grote dag. Hoe hebben ze mij in hemelsnaam gevonden? Ik beschik niet over een account op Twitter, Facebook, of andere sociale pleisterplaatsen. Ik ben geen lid van SchoolBank.nl, noch ben ik een bekende Nederlander. Maar het meest bijzonder, ik heb geen vrienden, althans niet meer. Maar daarover later.
Mijn naam is wel te vinden op internet. Maar ook daar moeten de organisatoren bot hebben gevangen. De tig Robben die daar te vinden zijn tonen geen enkele verwantschap met de Rob die ze mogelijk zoeken. Het zou dus zo maar kunnen dat er op de reünie een Rob verschijnt die niemand kent.
Hoe zijn ze bij mij terecht gekomen? Hoe komen ze aan mijn adres? Ik herken mezelf niet eens. Op de klassenfoto, als uitnodiging aan mij toegezonden, staat op de eerste rij een vreemde gozer omcirkeld. Maar dat ben ik niet.
Ik lees nogmaals de uitnodiging. Reünie St. Hubertusschool. Klas 6. Meester Willems. Schooljaar 1969. U bent van harte welkom op 21 september 2014, Oranje Nassaulaan 12. U kunt zich melden bij mevrouw Hella Kuipers. Gelieve op papier een verhaal uit uw leven na de lagere school mee te nemen. Mogelijk wordt uw verhaal geselecteerd om voor te lezen. Entreekosten (drankjes, hapjes inbegrepen) 10 euro. Groeten en hopelijk tot ziens, Bea Smulders.
Het moet een vergissing zijn. De jonge gozer ziet er weliswaar jaren 60 uit, it’s not me. De nieuwsgierigheid wint het van mijn verbazing. Een avondje vrij is absoluut een luxe. Maar … wat moet ik aandoen? Ik kan moeilijk kiezen. Ik ben nerveus. De geel-zwart gestreepte outfit of de blauwe? De bewaker lacht me vriendelijk toe. “Je hebt zeker geen vrienden die jou kunnen helpen, toch? Ik zou voor de blauwe gaan, die staat je het best. Veel plezier!”
Geschreven n.a.v. schrijfopdracht op ColumnX, van professioneel schrijfcoach Hella Kuipers (http://heldenreis.nl):
Vanavond ga je naar een reünie van jouw lagere school. Je bent erg nerveus.
Kies voor één van de onderstaande mogelijkheden om uit te werken:
-Je beschrijft iemand waar je een enorme hekel aan had óf
-Je beschrijft iemand , die je niet meer herkend, tot... óf
-Je beschrijft iemand bij wie je 'vol' schiet, op het moment dat deze in je blikveld komt.
Deze opdracht dient in 300 woorden uitgevoerd te worden.
Mijn naam is wel te vinden op internet. Maar ook daar moeten de organisatoren bot hebben gevangen. De tig Robben die daar te vinden zijn tonen geen enkele verwantschap met de Rob die ze mogelijk zoeken. Het zou dus zo maar kunnen dat er op de reünie een Rob verschijnt die niemand kent.
Hoe zijn ze bij mij terecht gekomen? Hoe komen ze aan mijn adres? Ik herken mezelf niet eens. Op de klassenfoto, als uitnodiging aan mij toegezonden, staat op de eerste rij een vreemde gozer omcirkeld. Maar dat ben ik niet.
Ik lees nogmaals de uitnodiging. Reünie St. Hubertusschool. Klas 6. Meester Willems. Schooljaar 1969. U bent van harte welkom op 21 september 2014, Oranje Nassaulaan 12. U kunt zich melden bij mevrouw Hella Kuipers. Gelieve op papier een verhaal uit uw leven na de lagere school mee te nemen. Mogelijk wordt uw verhaal geselecteerd om voor te lezen. Entreekosten (drankjes, hapjes inbegrepen) 10 euro. Groeten en hopelijk tot ziens, Bea Smulders.
Het moet een vergissing zijn. De jonge gozer ziet er weliswaar jaren 60 uit, it’s not me. De nieuwsgierigheid wint het van mijn verbazing. Een avondje vrij is absoluut een luxe. Maar … wat moet ik aandoen? Ik kan moeilijk kiezen. Ik ben nerveus. De geel-zwart gestreepte outfit of de blauwe? De bewaker lacht me vriendelijk toe. “Je hebt zeker geen vrienden die jou kunnen helpen, toch? Ik zou voor de blauwe gaan, die staat je het best. Veel plezier!”
Geschreven n.a.v. schrijfopdracht op ColumnX, van professioneel schrijfcoach Hella Kuipers (http://heldenreis.nl):
Vanavond ga je naar een reünie van jouw lagere school. Je bent erg nerveus.
Kies voor één van de onderstaande mogelijkheden om uit te werken:
-Je beschrijft iemand waar je een enorme hekel aan had óf
-Je beschrijft iemand , die je niet meer herkend, tot... óf
-Je beschrijft iemand bij wie je 'vol' schiet, op het moment dat deze in je blikveld komt.
Deze opdracht dient in 300 woorden uitgevoerd te worden.
02-09-2014
La vie en rose welgevormd schoon met pally en mannetjes FranK en Mien
Wat is het leven mooi. Op een late zomerdag prijkt mijn alias als titel van een column, op de homepage van een leuke website. Alias Mien. Wat een feest. Gelukkig verkeert mijn alias in goed gezelschap. Samen met ‘La_vie_en_rose’ (een Marilyn Monroe look-a-like, althans in gedachtegoed), met ‘pally’ (levens-, mens- en natuurgenieter in één persoon vertegenwoordigd) en met ‘FranK’ (meneer poezemans, waarvan de poes maar niet lijkt te willen groeien, althans in beeld). Is het niet fantastisch? En dat een maand lang. Prijken op de homepage.
Alias Mien. Je moet er maar opkomen. Voor een Chinees klinkt het Chinees. Maar niet alleen voor Chinezen hoor. Het zijn de eerste vier letters van mijn achternaam, bepaald niet kort. Zo simpel is het. Een koosnaampje uit mijn vroege jeugd. En nu we het toch over Chinezen hebben, daarover ken ik een verhaal. Nee, nee, nee, niet een verhaal over Chinezen in werkwoordvorm. Dat laat ik wel uit mijn hoofd. En ook niet een verhaal over Chinezen in zelfstandige naamvormen. ‘Hoe Lang’, ‘Hoe Ver’ en ‘Hoe Zo’, het zijn allemaal Chinezen, ik weet het. Dat wist u allang. Ik ben niet gek. Nee hoor, het gaat over eenvoudige Chinezen, verdwaald in de polder. En wederom nee, ik bak u geen poets. Hoewel?
Het was in de jaren zeventig. Tenminste voor zover ik mij kan herinneren. Een aantal Chinezen stond in de polder, ergens in de buurt van Leeuwwarden. U kent het wel, die kleine nederzetting, deelgebied en tevens kiesdistrict van een verenigd koninkrijk. Gelegen aan de Noordzee, in het noorden van het land. Niet te verwarren met Engeland en niet te verwarren met het Leeuwarden met één w. Het verenigd koninkrijk waar ik op doel is feitelijk een bundeltje koninkrijken, met koningen die zich de koning te rijk voelen in hun, juist ja, eigen koninkrijk. Awel stop. Nu dwaal ik echt af. Bovendien wordt het tijd voor een kleine adempauze. Dus even wat witregels tussen door. Ten behoeve van amechtige lezers die misschien al sterretjes zien.
Het waren geen Chinese leeuwen die daar in de Leeuwse polder stonden. Gelukkig niet. Niet van die rupsdraken op stokken. Nee hoor. Het waren eenvoudige Chinezen in traditionele klederdracht. Ze stonden totaal verloren in het Leeuwse landschap. De zon scheen zachtjes en streelde met haar gouden zonnestralen fijntjes langs het prikkeldraad. Vol trots blonk het prikkeldraad. Op ieder uiteinde van de scherpe punten van deze imitatie osagedoorn hingen kleine dauwdruppels. Vol van water gleden ze beurtelings van het gevlochten ijzer op de grond. De twinkeling van de zon weerhield de koeien, aan gene zijde van de draad, hun territorium te verlaten. Waarom zouden ze ook? Het malse Leeuwse gras smaakte voortreffelijk. Voor hen was het kaassie. Wat een leven. Een beetje malen en dagdromen en bovenal, met dikke kont en uiers lekker languit in het gras liggen. Wie doet hen wat?
De Chinezen stonden aldus totaal verloren in het landschap. Ze waren verdwaald. Hun enige hoop en toeverlaat stond edoch, nog geen 10 meter van hun vandaan. Het was een boerin, wiens nieuwsgierigheid zo groot was, dat haar ogen bij het opmeten van de Chinezen, bijna uit haar hoofd tolden. Op en neer gingen ze, de ogen. Van boven naar beneden en weer terug andersom. De ogen transporteerden de onbekende waarneming naar het brein van de boerin. ‘Nog nooit gezien’, fluisterde het brein in het oor van de boerin. ‘Niet te plaatsen, in geen enkel hoekje, opletten geblazen dus!’
Het hoofd van de boerin zat eventjes met een probleem. Hoe zou het contact verder verlopen met deze vreemde wezens? Hoe zou de communicatie hier gaan plaatsvinden? Heel even leek het alsof de boerin tegen een muur sprak. Een Chinese muur, maar dat wist ze nog niet. Een communicatiemuur beslechten met taal, zou dat haar wel lukken? Enfin, de Chinezen zochten de weg en de boerin zocht naar woorden. Na veel handen- en voetentaal, soms spits en soms bondig, had de boerin het begrepen. De Chinezen waren de weg en het paadje volledig kwijt.
De boerin heette Mien en zij was de kwaadste niet. Mien wilde wel helpen. Geen probleem hoor. Ook al dacht Mien onwillekeurig ‘naar de hel met die vreemde lui, wat maken die een theater zeg!’, stuurde ze de Chinezen op het juiste pad. Met een beetje goede wil waren ze voor het donker thuis. Gelukkig spraken de Chinezen een klein beetje Leeuws. Ze leerden namelijk vlug. In no time kopieerden zij de Leeuwse taal, inclusief de juiste tongval. Zij spraken boerin Mien vrijwel accentloos na.
“U gaat hier aan het einde van de weg naar links, dan gaat u rechts af. Dan komt u bij een molen. Daar gaat u rechtdoor … en dan … en dan …?!”
Mien besefte ineens dat ze begonnen was aan een schier onmogelijke opdracht. Hoe kon ze ooit de weg uitleggen aan Chinezen? Ze wist niet eens waar China lag.
Gelukkig tekende een wijsneus, die toevallig voorbij kwam, het fictieve verhaaltje snel op. Zo is het voor de eeuwigheid bewaard gebleven. Op feestjes en partijen en zelfs op reünies doet het verhaal het goed. Het krijgt zowel de lachers als de huilers op één hand. Het verhaal van Mien Alias, getrouwd met Piet Alias (also known as Paljas), je moet er maar opkomen.
Alias Mien. Je moet er maar opkomen. Voor een Chinees klinkt het Chinees. Maar niet alleen voor Chinezen hoor. Het zijn de eerste vier letters van mijn achternaam, bepaald niet kort. Zo simpel is het. Een koosnaampje uit mijn vroege jeugd. En nu we het toch over Chinezen hebben, daarover ken ik een verhaal. Nee, nee, nee, niet een verhaal over Chinezen in werkwoordvorm. Dat laat ik wel uit mijn hoofd. En ook niet een verhaal over Chinezen in zelfstandige naamvormen. ‘Hoe Lang’, ‘Hoe Ver’ en ‘Hoe Zo’, het zijn allemaal Chinezen, ik weet het. Dat wist u allang. Ik ben niet gek. Nee hoor, het gaat over eenvoudige Chinezen, verdwaald in de polder. En wederom nee, ik bak u geen poets. Hoewel?
Het was in de jaren zeventig. Tenminste voor zover ik mij kan herinneren. Een aantal Chinezen stond in de polder, ergens in de buurt van Leeuwwarden. U kent het wel, die kleine nederzetting, deelgebied en tevens kiesdistrict van een verenigd koninkrijk. Gelegen aan de Noordzee, in het noorden van het land. Niet te verwarren met Engeland en niet te verwarren met het Leeuwarden met één w. Het verenigd koninkrijk waar ik op doel is feitelijk een bundeltje koninkrijken, met koningen die zich de koning te rijk voelen in hun, juist ja, eigen koninkrijk. Awel stop. Nu dwaal ik echt af. Bovendien wordt het tijd voor een kleine adempauze. Dus even wat witregels tussen door. Ten behoeve van amechtige lezers die misschien al sterretjes zien.
Het waren geen Chinese leeuwen die daar in de Leeuwse polder stonden. Gelukkig niet. Niet van die rupsdraken op stokken. Nee hoor. Het waren eenvoudige Chinezen in traditionele klederdracht. Ze stonden totaal verloren in het Leeuwse landschap. De zon scheen zachtjes en streelde met haar gouden zonnestralen fijntjes langs het prikkeldraad. Vol trots blonk het prikkeldraad. Op ieder uiteinde van de scherpe punten van deze imitatie osagedoorn hingen kleine dauwdruppels. Vol van water gleden ze beurtelings van het gevlochten ijzer op de grond. De twinkeling van de zon weerhield de koeien, aan gene zijde van de draad, hun territorium te verlaten. Waarom zouden ze ook? Het malse Leeuwse gras smaakte voortreffelijk. Voor hen was het kaassie. Wat een leven. Een beetje malen en dagdromen en bovenal, met dikke kont en uiers lekker languit in het gras liggen. Wie doet hen wat?
De Chinezen stonden aldus totaal verloren in het landschap. Ze waren verdwaald. Hun enige hoop en toeverlaat stond edoch, nog geen 10 meter van hun vandaan. Het was een boerin, wiens nieuwsgierigheid zo groot was, dat haar ogen bij het opmeten van de Chinezen, bijna uit haar hoofd tolden. Op en neer gingen ze, de ogen. Van boven naar beneden en weer terug andersom. De ogen transporteerden de onbekende waarneming naar het brein van de boerin. ‘Nog nooit gezien’, fluisterde het brein in het oor van de boerin. ‘Niet te plaatsen, in geen enkel hoekje, opletten geblazen dus!’
Het hoofd van de boerin zat eventjes met een probleem. Hoe zou het contact verder verlopen met deze vreemde wezens? Hoe zou de communicatie hier gaan plaatsvinden? Heel even leek het alsof de boerin tegen een muur sprak. Een Chinese muur, maar dat wist ze nog niet. Een communicatiemuur beslechten met taal, zou dat haar wel lukken? Enfin, de Chinezen zochten de weg en de boerin zocht naar woorden. Na veel handen- en voetentaal, soms spits en soms bondig, had de boerin het begrepen. De Chinezen waren de weg en het paadje volledig kwijt.
De boerin heette Mien en zij was de kwaadste niet. Mien wilde wel helpen. Geen probleem hoor. Ook al dacht Mien onwillekeurig ‘naar de hel met die vreemde lui, wat maken die een theater zeg!’, stuurde ze de Chinezen op het juiste pad. Met een beetje goede wil waren ze voor het donker thuis. Gelukkig spraken de Chinezen een klein beetje Leeuws. Ze leerden namelijk vlug. In no time kopieerden zij de Leeuwse taal, inclusief de juiste tongval. Zij spraken boerin Mien vrijwel accentloos na.
“U gaat hier aan het einde van de weg naar links, dan gaat u rechts af. Dan komt u bij een molen. Daar gaat u rechtdoor … en dan … en dan …?!”
Mien besefte ineens dat ze begonnen was aan een schier onmogelijke opdracht. Hoe kon ze ooit de weg uitleggen aan Chinezen? Ze wist niet eens waar China lag.
Gelukkig tekende een wijsneus, die toevallig voorbij kwam, het fictieve verhaaltje snel op. Zo is het voor de eeuwigheid bewaard gebleven. Op feestjes en partijen en zelfs op reünies doet het verhaal het goed. Het krijgt zowel de lachers als de huilers op één hand. Het verhaal van Mien Alias, getrouwd met Piet Alias (also known as Paljas), je moet er maar opkomen.
Abonneren op:
Posts (Atom)