14-03-2015

Buxus Bunny

Daar zit ie dan. Te genieten in de prille lentezon. De snoet op het oosten gericht met zijn rug naar het noorden. Zijn snorharen trillen een beetje in de zon. Net als zijn natte neusje dat hij zo nu en dan bedenkelijk in- en uittrekt. Waar denkt ie aan? ‘Blijf ik zitten, moet ik vluchten, ziet iemand mij?’ Af en toe kijkt hij naar de grond en af en toe naar links en naar rechts. Het is een filosoof en levensgenieter tegelijk. Een onderzoeker. Een oplettende. Waakzaam. Hij houdt stiekem alles in de gaten. Zodra er een auto in de straat voorbij rijdt trekt ie heel eventjes zijn bruine ruggetje in. ‘Wat is dat geluid daar achter mij? Komt het vertrouwd voor? Ik denk het wel? Gewoon blijven zitten dus?’

Voor hem zie ik allemaal kleine kuiltjes in de grond. Hij is weer op zoek geweest naar sappige wortels. Voorlopig moet ie het nog doen met ouwe muk. Het nieuwe plantseizoen is nog niet van start gegaan. De strijd gaat straks weer beginnen. Een verloren strijd. Dat verrekte konijn wint altijd. Tenzij ik natuurlijk een hek om de tuin bouw. Van kippengaas, zestig centimeter hoog en zestig centimeter diep. Minstens, anders werkt het niet. Maar dat is geen gezicht. Er moet dan ook nog een deurtje in. Over zestig centimeter stap je niet zomaar heen. Het alternatief is om allemaal planten te poten, die het konijn niet lekker vindt. Zodat ie er met zijn poten en tanden afblijft. Aan de andere kant, het is natuurlijk bijna Pasen. Maar ja, het is best al een oud konijn. Voor in de soep dan maar? Ik heb even oogcontact met Buxus Bunny. ‘Als je het maar uit je hoofd laat’, zie ik hem denken. Kan dat beest gedachten lezen? Gelijk heeft ie. Buxus Bunny is niet aan soep besteed.

Op voet van oorlog blijven we dan maar samen leven in mijn tuin en in zijn natuur. Ik zwaai eventjes door de raam. Hij negeert me. Rotbeest. Ik zie hem haast groeien. Het is eigenlijk ook wel een schatje, met zijn diepdonkere glanzende pretogen. Hij rent niet eens meer weg als ik drie meter van hem vandaan over de uitrit loop. Maar twee meter negenennegentig is hem toch te gortig. Toch maar even plagen. Hups daar springt ie naar de buren. Met tegenzin. Als ik mijn rug omdraai en verder loop zit ie al weer in de zon. Tegen de buxus. Mijn Buxus Bunny, de levensgenieter, de filosoof.