28-02-2013

Columns van Harrie (Februari 2013)


Lost / Fictie / Vervolgverhaal 1/20 / 02-02-2013

Help, help. Ja. Ik ben verdwaald in het bos. Eng bos. Weet niet waar ik ben. Help, help. Mamma! Kruimels, kruimels. Waar zijn mijn kruimels? Op! Ze zijn op. Mamma! Mamma! Waar ben ik nu? Die bomen. Die spoken. Kijken me aan. Boe, boe, boe! Ze roepen. Help, help. Ik ben bang. Wie komt me helpen? Ik heb geen sleutel. Waar is mijn sleutel? Mamma, mamma. Ik heb honger. Ik heb dorst. Ik ben bang. Help.

Een klein leip wezentje volgt het meisje door het enge bos. Een raar mannetje is het. Hij valt voor kleine meisjes in het rood. Een smiecht is het. Het meisje weet van niets. Plots staat ze voor een grote vijver. Smiecht volgt haar nog steeds.

Water, water. Wat is het zwart. Durf ik dat te drinken? Ik heb dorst. Mamma. Mamma. Wat moet ik doen. Zal ik bukken? Op mijn knietjes gaan zitten? Durf ik dat? Het bos. Het bos is zo donker. Het kijkt me aan. Mijn buikje schreeuwt om water. Mijn keeltje ook. Zie ik nu twee lichtjes daar achter die boom? Mamma, mamma. Ik ben bang. De lichtjes bewegen. Help. Help. Ze komen naar me toe.

Uit de struiken springt Smiecht te voorschijn en springt op het meisje af. Dit is zijn kans.


Chrisje / Fictie / Vervolgverhaal 2/20 / 06-02-2013

Chrisje? Chrisje? Waar ben je? Waar zit je toch meisje?

Een vrouw loopt zigzaggend door het bos. Het is de moeder van het verdwaalde meisje. Ze kijkt angstig achter iedere boom en struik.
Diep in het bos grijpt leperd Smiecht zijn kans. Chrisje ziet Smiecht op haar afkomen. Smiecht bespringt Chrisje. Chrisje begint keihard te gillen en slaat wild met haar armen om zich heen.


Mamma, mamma, help, help. Ga weg. Ga weg. Wie ben jij? Wat ben jij? Blijf van me af. Ga weg. Mamma, heeeellllp. Help. Eng beest. Ga weg.

Het kwijl van Smiecht druipt in het blote nekje van Chrisje. Dat is te veel voor haar. Chrisje begint te huilen. Smiecht probeert haar te troosten.

Stil maar meisje. Je bent lief. Wat ruik je lekker? Ben je helemaal alleen? Wat doe jij hier zo diep in het bos? Ik doe je niets hoor. Vind het alleen leuk om in je nek te springen. Dat is toch niet erg? Hoef je toch niet om te huilen? Wat heb jij een mooie rode jas.

Chrisje reageert wat verbaasd en stottert wat voor zich uit.

Wie … wie … wie … ben jij? Waa … waa … waa … rom … spr … spr … spring … jij … in … in … in … mijn … mijn … nek?

Een stuk verder in het bos zoekt mamma behoorlijk in paniek verder naar haar Chrisje. Ze roept luid haar naam en stelt hardop vragen. Aan Chrisje, maar eigenlijk diep van binnen ook aan haarzelf.

Chrisje … Chrisje … waar zit je? Je verstopt je toch niet voor mij, hè? Dat vindt mamma niet leuk hoor? Mamma is niet boos hoor? Mamma houdt van jou.

De paniek op het gezicht van mamma verandert langzaam in teleurstelling. Totdat ze op de grond een spoor van broodkruimels aantreft. Aan de korstjes kleeft sesamzaad. Maar dat is het brood van haar Chrisje. Dat kan niet missen.


Smiecht / Fictie / Vervolgverhaal 3/20 / 07-02-2013

Maar meisje van me, waar ben je toch naar toe verdwaald?

Mamma laat de broodkruimels met sesamzaad vertwijfeld door haar vingers glijden. Het enige dat ze kan doen is het broodspoor volgen. Wat heeft ze toch een slim kind, denkt ze stiekem. Broodkruimels achterlaten. Je moet er maar opkomen. Ze moet haar meissie snel vinden, want ze zal nu langzaam wel honger hebben en dorst.
Smiecht klimt uit de nek van Chrisje en probeert haar met zoet gevoosde stem te kalmeren.


Ik spring nu eenmaal graag in nekken van kleine meisjes. En die van jou die is heel bijzonder. Jij hebt het lekkerste nekje van alle meisjes die ik ooit besprongen heb. Vind je dat niet fijn?

Het gevlei van Smiecht brengt Chrisje in de war. De leperd kijkt haar met smeltende ogen aan en geeft haar een vette knipoog. Het maakt Chrisje nieuwsgierig. Smiecht heeft dat al gauw in de gaten. Hij wacht niet op Chrisje’s antwoord en vraagt slijmerig.

Hoe heet jij lieverd? Welke mooie naam hebben ze jou gegeven?

Bedachtzaam en een beetje argwanend kijkt Chrisje Smiecht aan. Ze vind dat enge beest best wel een slijmbal. En toch heeft ie ook iets liefs over zich. Ze denkt na over het antwoord. Zal ze haar naam verklappen? Ach. Wat maakt het ook uit. Hij heeft al in haar nek gezeten.

Chrisje heet ik. En jij? Hoe heet jij?

Op de vijver klinkt licht gekraak. Het ijs is gebroken. Dat had Chrisje nog niet gezien. Dat er ijs op de vijver lag. In ieder geval kan ze strakjes drinken. Dorst dat ze heeft. Smiecht kijkt Chrisje glimlachend aan en antwoordt.

Chrisje, dat is een mooie naam. Ik heet Smiecht. Maar die naam heb ik mezelf gegeven. Eigenlijk heet ik Peter. Maar dat vond ik zo’n stomme naam. En van achteren heet ik Selie. Tja, en dan snap je het wel, hè? Wie noemt zijn kind nou Peter Selie?

Chrisje moet hard lachen. Ze begint zelfs te bulderen. De tranen rollen over haar wangen. Argwaan en spanning glijden van haar af. Smiecht ruikt zijn kans. Het meisje is toch een stuk groter dan hij dacht. Dus moet hij een list verzinnen. Hij heeft al een idee. Nu nog even uitwerken.


Gebroken / Fictie / Vervolgverhaal 4/20 / 13-02-2013

Het spoor dat Chrisje voor haar mams heeft achter gelaten is een vreemd spoor. Daar komt mams al snel achter. Het dwarrelt alle kanten op.

Ik snap er helemaal niets van. Waarom loopt mijn meissie zo’n raar pad? Nu cirkelt ze rondom een boom. Dan gaat ze dwars door de struiken. En … dat is gek … nu loopt het pad weer terug. Naar waar? Mijn meissie heeft maar vier boterhammen bij zich. Als dat maar goed gaat. Meissie toch? Waar zit je ergens?

Chrisje is minstens een kop groter dan Smiecht. Smiecht’s hersenen kraken zo hard van het nadenken dat Chrisje er bijna bang van wordt. Smiecht kan daar niets aan doen. Hij broedt zo hard op zijn idee dat er zelfs een beetje rook uit zijn oren komt.

Hee Smiecht, Smiecht, je oren staan in brand!

Nog voordat Smiecht kan reageren slaat Chrisje met haar beide handen plat op de oren van Smiecht. Die springt van schrik drie meter naar achteren en glijdt keihard onderuit op het ijs van de bosvijver. Diepe scheuren trekken door het zwarte ijs. Onder het ijs klinkt diep geplof. De vijver spat open en Smiecht zakt tot zijn middel in het water. Smiecht spartelt om boven te blijven. Het ijs rondom hem breekt af in grote stukken.

Help, help, Chrisje, help ik kan niet meer uit het water komen. Ik kan niet zwemmen en niet water trappelen. Zoek gauw een stok. Een grote stok. Help. Help.

De moeder van Chrisje is het spoor van haar dochtertje langzaam volledig bijster geraakt. Het huilen staat haar nader dan het lachen. De laatste meters heeft ze veel aan humor gedacht. Meestal helpt dat bij ernstig verdriet. Nu kan ze echter niet de juiste grap of grol vinden. Dan maar door de pijn van het verdriet heen. Het verdriet van besef dat ze diep in een bos verloren is gelopen. Net als haar lieve Chrisje. Waar zal dit verdomde pad eindigen?

Ach lieve Chrisje, waar kan ik jou toch vinden? Jouw brood moet haast op zijn. Vind ik jou aan het einde van het kruimel pad? Ik mag het hopen. Hee, wat is dat nou? De kruimels worden kleiner. Ik zie … ik zie … ik zie alleen nog maar sesamzaad. Jij slimme meid. Je hebt het zaad van de korstjes afgebroken. Mijn lieve dochter. Houdt moed. We zullen elkaar weer gauw vinden.


Salvo / Fictie / Vervolgverhaal 5/20 / 14-02-2013

Daar, daar, daar ligt een grote lange stok. O snel Chrisje, pak hem voor mij. Ik heb het zo koud. De ijsblokjes staan bijna tot aan mijn lippen. Snel, snel. Ik ben dan misschien wel koelbloedig. Maar straks stolt mijn bloed. Ik mag absoluut geen bloedpegels krijgen.

Chrisje is helemaal beduusd van het voorval en ziet hoe Smiecht de bibber krijgt. Hij bibbert zo hard dat zijn grote flaporen hard op het ijs slaan. Het maakt een schel geluid. Alsof iemand met bekkens slaat. Het tafereel is best wel komisch. Chrisje schiet dan ook keihard in de lach. Een dubbele lach. Want ze lacht ook van de zenuwen. Haar lachsalvo’s reiken tot in de verre omtrek en blijven niet onopgemerkt. Zo ook het bekkengekletter van Smiecht. Een stukje verder in het bos worden de geluiden al gauw opgemerkt door mams.

Wat zijn dat voor vreemde geluiden? Deksels, wat een maf kabaal. Hee, en dan die lachsalvo’s erachter. Daar loopt iemand in het bos keihard te balken. Maar … maar … maar … ik herken die lach. De … de … de … dat … dat is de lach van mijn Chrisje. Ia, ia, iaaaa … dat kan niet missen. Chrisje! Chrisje! Chrisje!. Waar ben je? Meissie, meissie … ik ben in de buurt!

Intussen heeft Chrisje haar zenuwen onder bedwang en schat ze de ernst van de situatie op juiste waarde in. Sterker nog. Ze handelt er ook naar. Heel bijzonder voor een meissie van amper zes. Ze weet uit recente eigen ervaring dat watertrappelen erg vermoeiend kan zijn. Vlug pakt ze de lange grote stok en schuift hem richting Smiecht. Hopelijk heeft ze voldoende kracht om hem aan wal te trekken. Met bibberende handjes pakt Smiecht de stok vast en probeert via de stok uit het water te klimmen. Intussen zoekt mams verder naar haar meissie.

Waarom moet mijn meissie toch zo lachen? Heeft ze plezier? Dat kan toch niet. Ze is verdwaald. Net als ik. Nee … nee … nee … ze lacht niet voor haar plezier. Ze lacht van de zenuwen. Ja … ja … ik hoor het aan haar laatste iaaaa. Verdomme … die ging door merg en been. Niet echt handig nu, met die soepbenen van mij. Wat is er toch aan de hand met mijn meissie. Vlug, vlug … ik moet de sesamzaden volgen. Ze moet hier vlak in de buurt zijn. Chrisje! Chrisje! Ik kom eraan.

Voorzichtig probeert Smiecht het ijs op te klimmen. Maar dat lukt niet echt. Chrisje heeft niet voldoende kracht om de stok met het gewicht van Smiecht naar zich toe te trekken. Tot haar spijt moet ze loslaten. Op het gezicht van Smiecht verschijnt lichte paniek. Zijn oren beginnen steeds harder te flapperen van de kou. Met een bijkomend voordeel. Het breekt het ijs rondom hem heen in kleine stukjes. Tot op circa drie meter van de wal. Daar is het ijs te dik. Wat nu?


Poolshoogte / Fictie / Vervolgverhaal 6/20 / 18-02-2013

Smiecht, Smiecht. Ik heb een idee. Ik weet wat je kunt doen. Je moet fierljeppen. Steek die stok in het water en klim erin. Als kleine Italianen dat kunnen, dan kun jij dat ook. Kop op! Fierljeppen! Peddelen op z’n Venetiaans! Kom op, je kunt het!

Smiecht ten einde raad, steekt de lange stok rechtop in het water, tegen het ijs. Heel langzaam klimt hij naar boven. De stok piept en kraakt onder zijn gewicht. Aangemoedigd door Chrisje bereikt hij bijna de top. Nu is het een kwestie van voorover durven vallen. Smiecht denkt aan mooie zwarte gondels, aan de legendarische Sergey Bubka en het laatst, bot noch lies, aan de fameuze Oane Galama. De stok zwiept door, kaatst terug en lanceert Smiecht door de lucht. Die slaakt een noodkreet om vervolgens bovenop Chrisje te landen.

Chrisje, Chrisje, mijn lieve Chrisje. Zeg iets. Zeg iets. Ik ben op je gevallen. Nu voor de tweede keer. Figuurlijk en letterlijk. Waarom beweeg je niet? O, lieve Chrisje. Alsjeblieft, alsjeblieft, geef antwoord. Ik, ik, … ik …

Mams heeft de aanmoedigingen van haar dochter aangehoord. Maar wie is toch die Smiecht? Haar meissie ie toch niet in gevaar? Ze moet nu zelf verder zoeken. De broodkruimels en het sesamzaad zijn niet langer wegwijzer. Het spoor is opgehouden. Wat is dat voor noodkreet? Door de struiken heen ziet ze de bosvijver liggen. Aan de oever ligt iets roods. Mams herkent onmiddellijk de rode jas van haar Chrisje en rent keihard naar de bosvijver.

Chrisje, Chrisje. Wat is er met je gebeurd? Waarom lig jij hier op de grond? Meissie van me, geef antwoord, beweeg. Wat voel je koud? O, Chrisje ik hou van je. Wordt wakker! Mamma is hier!

Vanuit het struikgewas kijkt Smiecht met zijn kleine prieloogjes naar mams. Hij had haar allang bespeurd en is snel het struikgewas ingekropen. Mmmm … best een lekker ding ook, denkt ie. Maar wel een oud vel. Zou hij ook op haar kunnen vallen? Ze ziet er best vlezig uit. Vleziger dan Chrisje. Dat is een ding dat zeker is.


Molenklap / Fictie / Vervolgverhaal 7/20 / 20-02-2013

Chrisje doet haar oogjes langzaam open en kijkt vol verbazing naar de vrouw die naast haar geknield zit. Ze vraagt zich af wat het is dat de vrouw zo verdrietig maakt. De tranen biggelen namelijk over haar wangen.

Mevrouw, mevrouw, wat is er aan het handje? Waarom huilt u zo hard? Waarom kijkt u mij zo verschrikt aan? Ik ben geen spook hoor? Ik kom van Venus noch van Mars. Ik ben maar een klein prulleke hoor, met zo te zien, een rode jas.

Smiecht kan zijn lach amper inhouden. Wat is er in hemelsnaam aan de hand met Chrisje? Nooit gedacht dat hij, Smiecht de grote smiecht, de reïncarnatie was van een molen. Dat Chrisje een klap van de molen had gehad, dat stond voor Smiecht als een paal boven water. Over paal gesproken. Die stond nog steeds rechtop in het water. Vreemd. Enfin, eerst maar even wachten op de reactie van mams.

Chrisje, Chrisje, doe niet zo raar, ik ben je mams. Je herkent me toch wel? Toe nou, meissie, ik ben zo blij dat ik je weer gevonden heb. Kijk, kijk, ik heb jouw knuffel bij me. Stinkiebellie, jouw gele hamster. Heb je hem niet gemist?

Chrisje kan het allemaal niet volgen. Wie is dat rare mens? Wie is Chrisje? Nooit van gehoord. En wat moet ze met die maffe hamster? Wat een lelijk beest. Stinkt een uur in de wind. Ze kan de stank amper verdragen. Het spookt in Chrisje’s hoofd. Een licht en vreemd gevoel heeft ze. Daarnaast is ze behoorlijk misselijk. Voordat ze het goed en wel beseft moet ze overgeven.

Brahhhhhhhhhhhh, brahhhhhhh, ... brahhhhhh ... Blurp! Oh ... oh ... wat voel ik me slecht. En wat is dat voor vreselijke groene smurrie die ik hier ophoest? Waar komt dat vandaan? Ik heb toch helemaal niets gegeten? Oh nee, oh nee ... sorry ... sorry mevrouw. Heb ik u ondergekotst? Ojee ... echt sorry hoor. Ja, vies hè? Ik weet ook niet wat het is mevrouw. Bent u al lang hier?

Langzaam komt Smiecht uit het struikgewas geslopen. Hij is beide dames toch wel een verklaring schuldig. Maar hoe gaat hij dat brengen. Aarzelend stapt hij naar de bosvijver. Wetend, beseffend dat hij er niet makkelijk van af zal komen. Maar ja. Hij heeft deze noodsituatie ook in gang gezet. Waren zijn oren maar nooit gaan branden. Had hij maar nooit zo diep nagedacht. Dom, dom, dom. Had hij zijn driften maar onder controle gehouden.

Ehum ... ehe, ehe ... ehe ...ehum ... Geachte dames, mag ik even van deze gelegenheid gebruik maken? Kijk, ziet u, nee, ervaart u ook niet dat de situatie zoals deze zich op dit moment voordoet om een plausibele verklaring vraagt. Ik kan u die geven.


Paasapplaus / Fictie / 25-02-2013 / Vervolgverhaal 8/20

Mams en Chrisje kijken verschrikt naar Smiecht. Wat een raar schepsel is dat. En wat spreekt ie netjes en vlekkeloos Nederlands? De zwart geblakerde oren van Smiecht zorgen bij zowel mams als Chrisje voor een meelijwekkende blik. Smiecht pikt dat meteen op.

Kijk, kijk ... lief klein meisje, jij weet het misschien niet meer, maar ik heb mijn hersens zo gepijnigd op hoe ik jou zou kunnen helpen, dat mijn oren spontaan in brand zijn gevlogen. Heel bijdehand heb jij toen met je beide kleine handjes tegen mijn oren getetst, waarna ik van schrik door het ijs van de bosvijver viel. Kun jij je dat nog herinneren? Nee? Je hebt me nog gered uit het wak door mij een stok aan te reiken. Daarmee heb ik mezelf gelanceerd en ben bovenop je gevallen. Jij dacht letterlijk. Voor mij was het echter ook figuurlijk. Ik hou namelijk keiveel van lieve kleine meisjes. Dat weet je toch wel?

Mams hoort het verhaal van Smiecht met verbazing aan en ziet dat haar Chrisje er niets van begrijpt. Die lijkt behoorlijk de kluts kwijt te zijn. Het enige dat mams kan doen is verhaal halen bij Smiecht.

Zeg mafketel, wat is dat voor een idioot verhaal? Dat geloof je zelf toch zeker niet. Je maakt mijn lieve dochtertje alleen maar meer in de war met jouw indianenverhaal. Zie je niet dat ze de kluts kwijt is? Jij hebt met jouw lancering vast haar eieren gebroken. Dat is zo vlak voor Pasen een ongelofelijke rotstreek. Dat snap je toch zeker wel? Waar heb je de schalen gelaten? Misschien valt er nog wat te redden.

Chrisje lijkt langzaam weer bij haar positieven te komen en kijkt vol verbazing naar Smiecht en stottert.

Maar ... maar ... maar ... jij ... jij ... bent de Paashaas? Kijk, kijk, kijk! Er steken twee lange oren uit zijn kop. Wat ben jij een lelijke Paashaas zeg? Heb je ook zo’n lelijke eieren bij je? Nou die hoef ik dan niet hoor? Bah.

Smiecht en mams kijken elkaar aan. Ze snappen niets van Chrisje. Waar haalt ze het vandaan? Het is nog lang geen Pasen. Smiecht lijkt helemaal niet op de Paashaas. Mams rammelt Chrisje eens flink door elkaar. Die vindt dat maar niets en antwoordt.

Hé, wat moet dat. Blijf eens van mij af? Hou eens op met dat geschud. Jaag liever die maffe Paashaas weg. Wat een raar beest. Ophoepelen!

Smiecht voelt de bui al hangen. Hier valt geen eer meer te behalen. Hij dacht zich te verlekkeren aan een lief klein meisje en een oud vlezig vel. Maar dat gaat vandaag niet meer lukken. Droevig druipt hij met zijn verbrande oren af van het toneel. Zijn rol eindigt hier. Heel even is het stil. Dan breekt een oorverdovend handgeklap op uit de zaal. De lichten gaan aan. Mams en Chrisje maken een diepe buiging. Zij durven nu eventjes niet te kijken. Joop en Roeg schudden elkaar de hand. Ze hebben een mooi spektakel neergezet. Dit keer zonder veel noten op de zang.

Sombricus / Fictie / Vervolgverhaal 9/20 / 28-02-2013

Achter de coulissen worden de champagneflessen ontkurkt. Joop en Roeg blikken terug op een daverend succes. De première had niet beter kunnen verlopen. Joop biedt Roeg een flinke bolknak aan en vraagt hem om zijn commentaar.

Wel Joop. Ik ben een tevreden mens. Je hebt mijn verhaal mooi vertaald en op eenzame polderhoogte gebracht. Chapeau. De sleutelscènes heb je mooi in stand gelaten en subtiel in elkaar laten overvloeien. De Jordanese stijl sluit ook mooi aan bij het Italiaanse karakter van het origineel. Ik vind het ook mooi hoe je het water inzet als metafoor. Het geeft het stuk iets koninklijks. De ijzige sfeer heb je mooi intact gelaten. Ben erg benieuwd wat onze grote criticasters er van zullen vinden. Proost mijn vriend. Op een mooie verbroedering en mooi resultaat.

Joop is in zijn nopjes. Roeg is doorgaans een man van weinig woorden. Zoveel lofuitingen uit de mond van zijn grote idool te mogen horen maakt Joop een beetje verlegen. Gelukkig wordt hij gered door mams, een van zijn geliefde hoofdrolspeelsters. En public zijn binnenkant tonen is niet Joop’s sterkste kant.

Hé Jopie, sta je lekker na te genieten? Hallo Roeg. Zie ik het goed? Sta jij hier ook te glunderen? Het is niet waar. Mordicus sombricus aan de lach? Daar moet op gedronken worden. Ober, gooi die fluiten nog eens vol. Wat een mooi stuk hebben we hier toch neergezet. Nietwaar? Hebben jullie Muts en Charley nog ergens gezien?

Muts en Charley zijn de artiestennamen die schuil gaan achter Smiecht en Chrisje. Mams zelf luistert naar de naam Janneke. Joop, betrapt op zijn kinderlijke blijheid, springt snel weer in zijn machorol en kijkt Janneke besmuikt aan.

Janneke ik heb je nog zo gezegd om niet zo direct te uiten wat je voelt. Bewaar dat maar voor het toneel. We zijn hier met serieuze zaken bezig. Dat ik je dat nog moet uitleggen. Je affronteert Roeg met jouw onbenulligheid. Behave, darling. Muts en Charley hebben zich even teruggetrokken in de kleedkamer. Zou jij beter ook even doen.

Maar Joop, mijn vriend wat ben je toch weer streng voor de vrouwtjes. Laat Janneke haar blijdschap toch even met je delen. Ontdooi een beetje. Je kunt het. Ik heb het ook moeten leren. En ik kan het je op een briefje geven. De vrouwtjes smullen ervan. Van dooi. Dus doe niet zo opgedirkt en geniet er van. You only life twice. Ha, ha.

Beide heren bulken van de lach. Zeker bij het gezicht dat Janneke trekt. Het is lang geleden dat Joop zo heeft moeten lachen. Heel eventjes laat hij los wat hij al jaren met zich meetorst. Zijn façade van verantwoordelijkheid. Janneke weet wel beter. Zij weet als geen ander wat er volgen gaat.


Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.

20-02-2013

Beeldscherm

Ik tuur met een glazen blik. De autofocus heeft weer eens bezit genomen van mijn zijn. Zucht. Was ik maar. Het voelt nu even niet zo. Afwezig in mijn eigen bijzijn, zie ik mijn spiegelbeeld oplichten in de zwarte rechthoek die voor me staat.

Vaag gevangen in een voorzichtige contour herken ik mezelf amper. In het scherm verschijnt plots iemand achter mijn schouder. Ik herken mijn schoudercontour. Het is mijn baas. Eén van de velen. Hij vraagt waar ik mee bezig ben? Ik dacht het niet.

Niks, nakkes, nada, Mien? Is het weer zover? Op zoek naar de lanter en de fanter? Heb je ze al gevonden? Zal ik even helpen met zoeken? Plop. De schoudercontour is gevlogen. Dag baas. Heb ik dit gedroomd? Grote twijfel aan mezelf. Ach, was ik maar.

Troost vind ik in de gedachte dat ik ooit was. Met Ariel. Mijn favoriete engel. Lekker samen klotsen in een groene plastic bak. Dat waren nog eens tijden. Met een grote glimlach schuimen door het warme water. Glazig elkaars ruggen borstelen. En die van anderen. Stapelbord verliefd zijn.

Een dag lang samen naast elkaar in de kast staan. Dagdromen. Zo maar, in elkaars gedachten vervlochten zijn. Een dag lang geen gebruiksvoorwerp zijn. Een hele dag zonder lipstick in je nek. Turen door het vensterglas. De zon voelen schijnen op je glazen huid. Gewoon even zijn. Even gewoon. Gewoon. Samen even zijn. Even, niet oneven.

Twee handen glijden in mijn nek. Ze wrijven mijn gedachten door elkaar. Hutspot stijgt naar mijn hoofd. Ik kan niet meer denken. Alleen maar zijn. Ik wentel als een teef. De nekharen vlak gestreken. Mijn poriën gedrenkt in olie. Ik geef me over. Ik surrender.

Een beeld flitst op. Het schermt met mij. Het neemt mij op de hak. Dit ben jij. Koekenbakker. Overgeleverd aan mijn aantrekkingskracht. Ik zuig je binnen. In mijn diepe zwarte gat. Net zo lang totdat je bent. Ja, ja. Was je maar.

31-01-2013

Columns van Harrie (Januari 2013)


Hans Worst / Gein & ongein / 02-01-2013

Alle lijstjes kunnen weer worden opgeborgen. Een nieuwe start is gemaakt. Zo ook in mijn geliefde loofbos. Dat beloofd. Het afgelopen jaar is de eik met stip bovenaan geëindigd. De berk en de linde op nummer twee en drie. Ze zijn het afgelopen jaar met grote afstand verslagen. Dikke tranen berkenwater huilde die, de berk. De linde is, mede door de theecrisis in China, van plaats één omlaag gekukeld naar plaats drie. Hij zal zijn stinkende best doen om in 2013 weer bovenaan te eindigen. Nu maar hopen dat ie stand houdt, de eik. Internationaal gaat het namelijk niet best met deze grote jongen. Zeker in Amerika krijgt ie het hard te verduren. Daar wordt al zware belasting geheven op deze edele houtsoort. In Rusland is daarentegen een agressieve eiken vorm opgedoken. Luid en recalcitrant heeft ie in een kerk gepreekt. Tegen Poetin, nota bene. Gevolg. Gevangenisstraf, in afwachting van werkkampje Siberië. Daar mag ie zich straks bezighouden met het klein zagen van Russisch eiken tot duplolego. Voor de export uiteraard. Snijden in eigen vlees heet dat.
Mozes kriebel, gris mich nich. Wat een lawaai hoor ik toch in mijn bos. Zie ik dat goed? Er rennen allemaal halfnaakte mensen tussen de bomen. Met gekleurde mutsen op? Het is niet waar. Ik houd een halfnaaktloper tegen en vraag wat ie hier doet en waarom hij half gekleed is. Het is een klein mannetje. Hij draagt slechts een zwembroek in tijgerprint en een oranje soepmuts met verticale strepen in Nederlandse driekleur. Hij heet Hans. Hans Worst. Bibberend vertelt hij mij dat ie speciaal gekleed is voor de situatie. En nee, de naam Hans Worst, daar is ie niet blij mee. Hij wordt er vaak mee geplaagd. Vooral sinds hij een baantje heeft bij de klantenservice van de Hema. Uit piëteit heeft de bedrijfsleider hem beschermd tegen zichzelf en hem overgeheveld naar de telefonische Helpdesk. Het kleine mannetje had namelijk ook nog eens een hele grote neus.
Hoezo gekleed voor de situatie? Wil ik nog weten. Maar het mannetje houdt het niet meer van de kou en stuitert bibberend het ijskoude water in van de kikkerpoel een stukje verder in het bos. Na hem volgen er nog velen. Raakhout bekijkt het vanaf de kant. Boven zijn hoofd zie ik een groot vraagteken hangen. En ook ik denk. Dit slaat kant nog wal. Ik tel zes kletsnatte tijgerbroekjes en heel veel oranje bikini’s. Het is geen gezicht. Al die witte lijven, rode neuzen en blauwe bekken. Daar ga je spontaan van krijsen.


Paddologie / Gein & ongein / 07-01-2013

Raakhout doet zijn watjes uit de oren en kijkt wat suffig om zich heen. De paddensherry is hem niet echt goed bekomen. Hij braakt vliegjes zonder vleugels en het stinkt verschrikkelijk. Gelukkig is het oudjaar voorbij. Mozeskriebel wat was 2012 oud. Allemachtig. Stokoud. De honden lusten er geen brood van. Crisis overal. Flauwekul. Alleen maar in het Westen hoor. De Westerse mens heeft zichzelf in 2012 gewoon buiten westen gecrisist. Erg jammer. Beter zou de Westerse mens zich laten inspireren door de paddologie. Dan zou het lang niet zo gauw k.o. gaan. Van k.o. naar oké, is in de paddologie slechts een kleine stap. Een Kuiperstapje zo gezegd. Voor de mensheid supergroot, voor de kleine mens een kikkersprongetje. Zweverig? Gris mich nich. Met drie volle supermarktkarretjes door een eikenbos rennen, dat is pas zweverig. Of ben ik hier nu toch in de war met aards? Aardse hamsters. Spuuglelijk dat aards. Raakhout hoest nog wat kleine insectjes zonder pootjes op. In de groene drab valt nauwelijks de toekomst te voorspellen. Laat staan de voornemens voor 2013. Maar één ding is zeker. De paddologie zal in 2013 van zich doen gelden. Het zal troost bieden, rust en vrede. Het zal de mensheid tillen naar een hoger niveau. Een niveau dat zowel voor de Westerse en Oosterse mens haalbaar zal zijn. Een niveau waar Noorderlingen en Zuiderlingen ook mee uit de voeten kunnen. Daar kan geen Franse heilige boon of berg tegen op. Ook de geelzwart gestreepte cultus van de Maya’s zal er nog geen puntje aan kunnen zuigen. In de paddologie vergaat niets. Alles komt terug. Sterker nog het zal alleen maar verdubbelen. Het geluk, het evenbeeld. Het verschijnsel Weronika zal van zich doen spreken. Vele geboortemensen zullen zonder het te weten hun reservemens lanceren. In tijden van crisis zorgt dit voor extra humaan kapitaal. De look-a-likes zullen veel zorgen en werk overnemen van de geboortemensen. En het mooiste van al is dat ze het niet eens in de gaten zullen hebben. Het biedt veel bijkomende voordelen. Zo zullen de reservemensen zich presenteren op alle nieuwjaarsrecepties. Dat bespaart de geboortemens een hoop handjes schudden en herpes. Het voorkomt irritant mond- en klauwzeer. Voor het maag- en darmkanaal is het ook veel gezonder. De overdaad van het uiteinde van 2012 hoeft dan niet meer dun te worden uitgepoept. Met de reservemens is een schone start gegarandeerd. Uch, roept Raakhout en spuwt in één grote sierlijke golf wel vijftig paar vleugeltjes en pootjes uit. Raakhout de geboortepad of Raakhout de reservepad?


Sterk spul / Gein & ongein / 15-01-2013

Midden in mijn bos staat een man keihard te huilen tegen een boom. Af en toe slaat hij met zijn hoofd tegen zijn arm. Die arm is sterk en voorkomt natuurlijk dat ie met zijn hoofd tegen de boom butst. Want zo erg is zijn verdriet nou ook weer niet. Hij kijkt wel uit. De krokodil die aan de voet van de boom ligt schudt zijn krokodillenkop. De tranen van de man kletsen keihard op het krokodillenleer. Het wordt er lekker soepel van. Bijna zo soepel als een Brooks zadel. Maar ja, wie heeft dat nu nog op zijn fiets zitten? Het is tegenwoordig allemaal futuristisch en duur plastic. De krokodil knippert wat met zijn ogen om te voorkomen dat de tranen van de man in zijn ogen kletsen. De krok ligt er wat duf bij. Hij is verzadigd. Een uur geleden heeft hij zich te goed gedaan aan een dikke negerin met een afschuwelijk kapsel. Zijn tanden heeft ie bijna op haar stuk gebeten. Zo taai was dat mens. Ze stelde ook de verkeerde vragen. Aan de man die tegen de boom zijn verdriet staat uit te huilen. Een watje is het, die man. Groen en geel zag hij van de vragen die op hem afgevuurd werden. Dat verschrikkelijke mens wilde hem zwart maken. Maar daar trapte hij niet in. Hij had genoeg leugentjes op voorraad. De vrouw kankerde wat over truien en toeren. En dat ze zo’n begrip had voor zijn situatie. Situatie? Welke situatie? Wat een theater maakte die vrouw zeg. Wat een toestand? In het geheim hadden ze afgesproken. De man en de vrouw. De krokodil had hen gevolgd. Hij wist wat er zou komen. Dat hadden een paar muskieten hem in zijn krokodillenoren gefluisterd. Hij had dan ook allang bepaald wie hij het eerste zou verorberen. Met huid en haar. De croque-madam uiteraard. De zwarte haren van haar pruik staken als een weerborstel tussen zijn tanden. Best lastig. Nou moest ie wel eerst nog even zijn kostje laten zakken voordat ie aan het mannetje kon beginnen. Het was een pezig baasje, dus dat zou wel enige moeite kosten. Hij moest wel even lachen toen de zwarte vrouw aan de man vroeg waarom hij zo’n maffe trui aan had. Rood met witte stippen. Die had hij gekregen van een raar bosmannetje dat hier ergens in het bos rondliep. Ze hadden elkaar gegroet. En het bosmannetje had hem gelijk herkent. De slikkende fietser. Hij wilde wel een lans voor hem breken. Beter dan andersom, toch? Dat hijzelf zou breken, toch? Het enige dat hij hoefde te doen is te gaan zitten op een grote paddenstoel. Juist ja, die daar. Rood met witte stippen. De paddenstoel die zorgde immers voor aflaat. En ja, met de juiste aflaat ben je van alles gezuiverd. Tot op de graat. Of in zijn geval. Tot op de spaak. Maar helaas. Het had niet tot het gewenste resultaat geleid. Dat zwarte vrouwmens had namelijk toch de foute vraag gesteld en niet onbelangrijk, slecht betaald. Fifty fifty waren ze overeengekomen. Gelijk oversteken heet dat in vakjargon. De kijkcijfers waren uiteindelijk allesbepalend. Vandaar de geheime afspraak. Dat zou namelijk nog meer kijkers genereren. En generen. Maar dat zal pas achteraf blijken. In al zijn toeren had de huilende man bergen en dalen doorstaan. Slinks en sluw had hij met iedereen spelletjes gespeeld. Helaas was hij vergeten dat hij en hij alleen, het middelpunt van zijn eigen spel was. Allesbepalend en met een groot epo. Gedrogeerd en verslaafd aan resultaat. Volgevreten, maar ook ziek, zwak en misselijk, viel hij uiteindelijk ten prooi aan zijn eigen spel, aan zichzelf en aan de krokodil. Die huilde alsnog, dikke vette …


Lana Do Ree / Gein & ongein / 16-01-2013

Zucht. Gris mich nich. Raakhout is weer eens verliefd. En niet op zomaar de eerste de beste. Ik had het eigenlijk al stiekem in de gaten. Hij maakte de laatste tijd van die maffe paddensprongen en hij blies ook regelmatig zijn wangen vol. Nou doen padden dat wel vaker. De wangen volblazen. Maar dit was anders. Het leek verrekte veel op zo’n foute bouwvakker die na het verorberen van een sesambeschuitje het vrouwelijk schoon tracht aan te fluiten. De dame waarop hij verliefd was droeg geen naaldhakken en ook geen sexy panty’s. Ze droeg wel heel aparte kleren. Het waren kleren die schreeuwlelijk waren en veel, heel veel lawaai maakten. Ik ken een Noorse kunstenaar, hij rust in vrede, die daar stik jaloers op zou zijn. Op die kleren dan. Niet op het verliefd zijn. Daarvan zou hij alleen maar onrustig van zijn geworden. Edward, zo heette de kunstenaar, hield van rust. Met name Noorse rust en van hout. Noors hout. Net als die vier gasten uit die Engelse havenstad. De kevers. Ze schreven er ooit een liedje over. Raakhout houdt wel van kevers. Zeker van vetgemeste kevers. Die zitten er genoeg rondom zijn favoriete poel. De Leverpoel. Ja, die heeft hij zo genoemd omdat hij de spiegel van de poel gebruikt om er alles in te spuien wat hij op zijn lever heeft. Toevallig wordt deze poel ook gebruikt door bosgasten. Gasten die het even niet meer kunnen ophouden, laten in de bosjes aan de oever hun onaangename zaakjes vallen. Vanuit de hurken. Poepgasten zijn het. Ze poepen alsof hun leven er van afhangt. Voluit. Wat wel weer lekker is voor de mestkevers. Die badderen er maar wat graag in rond. In de mensenmest. Aan de kant van de Leverpoel zit Raakhout nu bijna dagelijks wangen- en bellen te blazen. Het is ook aan de oever van de Leverpoel waar Raakhout verliefd raakte. Vorige week had hij haar voor het eerst gezien. Het mooie paddenmeisje in de foeilelijke kleren. Ze maakte enorm veel geluid. Eigenlijk moet ik zeggen, ze maakten heel veel geluid. Maakte met een n. Want het was niet het meisje maar de kleren die het geluid veroorzaakten. De kleren schreeuwden rare lettergrepen die Raakhout nog nooit gehoord had. Dat bracht hem wel wat in vertwijfeling. Maar het paddenmeisje was zo mooi dat hij met gemak door de luidruchtige kleren heen kon kijken. Haar broek schreeuwde keihard Za. In up tempo en continu in herhaling. Za! Za! Za! De lelijke blouse die ze aan had schreeuwde nog harder dan de broek. Lan! Lan! Lan! Raakhout kon er werkelijk geen touw aan vastknopen. Van alle lelijke kledingstukken die het paddenmeisje aan had schreeuwden de schoenen nog het hardst. Do! Do! Do! Ha, ha. Do. Ja, ja, die kende Raakhout wel. Dat brave Brabantse meisje met die zwoele stem. Maar die eerste twee dames die kende Raakhout niet. Za? Hij kende wel een Zsa. Zsa Zsa uit Boedapest. Ook een mooi meisje. Van Lan had ie nog nooit gehoord. Van Lana wel. Lana Do Ree. Een mooi hertje uit New York. Het mag duidelijk zijn. De verwarring was groot voor Raakhout. Eén ding was wel zeker. Raakhout raakte volledig gebiologeerd door het vreemde luidruchtige paddenmeisje. Het liefst had hij haar onmiddellijk besprongen. Maar dat doe je niet als deftige pad. Dat is zeer onbeleefd. Het paddenmeisje had direct in de gaten hoe de vork van Raakhout in zijn steel zat. Ze wist ook dat die er het liefst uit wilde springen. Maar dat was niet haar bedoeling. Voorlopig liet ze Raakhout in de ban. Luidruchtig huppelde ze verder. Raakhout achterlatend in zijn roze roes.


Paddenpiel / Gein & ongein / 23-01-2013

Bedwelmd door zijn eigen roes volgde Raakhout zijn paddenmeisje het hele bos door. Zijn hart bonkte in zijn keel. Wat was ze mooi. En wat huppelde ze verleidelijk met haar paddenbillen. Ze moest wel in de gaten hebben dat hij haar volgde. Dat wist Raakhout bijna zeker. Zijn paddenpiel reikte al ver omhoog zo opgewonden was hij. Kon ie niks aan doen. Zo werkte dat gewoon bij het verliefd zijn van padden. Die irritante vork versperde wel voortdurend zijn weg. Hij klotste regelmatig tegen zijn paddenbuik. Hij zwiepte af en toe gevaarlijk op en neer en hij moest goed opletten dat hij er niet over struikelde. Plots had hij een geweldig idee. Aan de rozenstruik die hij zojuist voorbij liep hing een lange losse tak. Snel wrikte hij de tak los. Het was net alsof het paddenmeisje dit in de gaten had. Want ze hield wat in. Het leek ook even of ze achterom keek. Ze zwierde daarbij haar blonde lokken losjes en verleidelijk in haar nek. Zag hij dat nou goed? Knipoogde ze nou naar hem? Snel bond hij zijn paddenpiel met de rozentak vast tegen zijn buik. De tak was net lang genoeg om drie keer om zijn middel te binden zodat hij makkelijk een knoop kon leggen aan de zijkant van zijn ruggetje. Dat prikte niet zo. Zo dat liep en sprong een stuk makkelijker. Nu kon hij met gemak zijn mooie luidruchtige paddenmeisje volgen. Ze maakte nog steeds vreselijk veel herrie met haar kleren. Maar dat vond Raakhout geen enkel probleem. Het was zelfs veel makkelijker om zijn mooie meisje te volgen. Langs de weg telde Raakhout een aantal schapen. Die stonden hem een beetje bleu aan te koekeloeren. Het moet ook een maf gezicht zijn geweest. Zo’n pad met een opgebonden paddenpiel. Raakhout had verbaast in het voorbijgaan naar de schapen gekeken. Ze hadden allemaal niet vier maar vijf poten. Hij wist toch zeker dat hij niet hallucineerde. Zijn mooie meisje was in een keer verdwenen. Zo leek het toch. Totdat hij haar in een keer spotte achter het raampje van zijn favoriete boscafé de Zoute Stengel. Snel stapte hij naar binnen en liep linea recta naar de bar. Hij bestelde snel twee Schrobbelèr bij het kleine mannetje achter de bar. Die was nieuw hier. Man wat had die vent een pruillip en een valse pruik. Hij sprak ook een raar taaltje. Nog het best te omschrijven als nep Jordaans met Brabants accent. Raakhout twijfelde of de nieuwe barman nou enorm bekakt was of verschrikkelijk gay. Hij hield het bij het laatste. Snel schoof hij aan bij zijn mooie luidruchtige paddenmeisje en zette de twee Schrobbelèr op tafel. “Hoe heet jij, lieverd?” sliste Raakhout op zijn aller zwoelst. Het paddenmeisje kon niets anders doen dan gebiologeerd kijken naar de fiere paddenpiel die een klein stukje boven de tafel uitstak. Hij bloedde een beetje door de doornen die in het paddenvlees staken. “Ik heet Maria, Maria Magdalenenja, lieverd. Maar waarom heb jij in hemelsnaam jouw paddenpiel een doornenkroon opgezet? Je bent toch geen heilig boontje, wèl?” Raakhout stond even met zijn mond vol tanden. Zo ook de nieuwe barman.


Huigelen / Gein & ongein / 26-01-2013

Kwade tongen spreken van een nieuw fenomeen in mijn loofbos. Geloof me het is geen kattenpis wat er verteld wordt. Gelukkig leg ik mijn oren altijd goed te luister. Ze zijn dan wel oud die oren, maar wat er tussen zit werkt nog prima. Eén plus één is twee. Ik bedoel maar. Gelukkig spreek ik ook de taal der dieren en planten. Best wel handig als je in een bos woont. Maar eerst eventjes over die kwade tongen. Want dat zijn me toch een paar koekenbakkers. Je kent ze wel van die verschrikkelijk bekakte boshyacinten die de godganse dag gif spuwen op al wat leeft. Ze zijn zo jaloers als valse apen. Brulapen. Ja, ja, die kwade tongen beweren dat er onlangs een beestje in het bos gespot is met een tong van wel vier meter. Vuurrood. Dat is toch wel heel bijzonder. Maar het ergste moet nog komen. Die vermaledijde boshyacinten denken gezien te hebben dat het beestje met de supertong geprobeerd heeft er een heel luidruchtig paddenmeisje mee te vangen. Hoe de hyacinten dat vernomen hebben? Heel simpel. Een klein bosje hyacinten zat tegenover het boscafé de Zoute Stengel. Zoals iedereen weet, zijn hyacinten gezegend met een scherp zicht. Daar staat dan weer tegenover dat ze een ruime blik ontberen. Het zij zo. Hoewel ze het zicht dikwijls fout interpreteren is hetgeen ze zagen wel belangrijk voor het verhaal. Belangrijker nog. Er was ook overeenstemming over hetgeen ze zagen. Allen zagen en interpreteerden datgene wat ze zagen overeenstemmend. De vitrage die voor de caféraampjes hingen konden het niet verhullen. Dat gold ook voor de vrouwentongen die strak, groen, messcherp, fier en witbehaard, recht overeind stonden. Heel, heel, heel langzaam had Raakhout aangelegd met het luidruchtig mooie paddenmeisje Maria. Maria Magdalenenja was er even stil van geworden. Zo’n gladde tong had ze nog nooit meegemaakt. Er leek ook geen einde aan te komen. Raakhout rolde hem heel langzaam en uitdagend uit. Zijn tong gleed langzaam over de tafel richting Maria. Die raakt meteen erg opgewonden. Dat was te zien aan haar rode koontjes. De tong gleed langzaam om haar heen. Eerst over haar stoelleuning en vervolgens achter haar rug om langzaam richting nek. Dat kriebelde wel een beetje. Het prikkelde haar erogene zones. Gelukkig hielden die zich verdacht stil. Boshyacinten hebben overigens naast een scherpe blik ook een scherp gehoor. Maar dat terzijde. De tong van Raakhout begon nu ook wat lichtjes te zweten. Dat vond Maria niet erg want zo te zien rook het best lekker. Ze trok haar neus er niet voor ook. Het hoogtepunt was ook bijna daar. De grote rode plakkerige tong gleed losjes via Maria’s nek langzaam onder haar oor, richting wang. De tong produceerde een licht slissend geluid en dat maakte Maria botergeil. Heel even gleed de tong weg van haar gezicht en maakte een draai van 180 graden. Heel eventjes was er oogcontact. De tong verdronk bijna in de ogen Maria en ging over tot een ultieme amoureuze aanval. Met huid en haar verslond de tong Maria’s hoofd. Kirrend van plezier kroelde Maria met haar hoofd tegen de huig van de plakkerige tong. De boshyacinten zuchtten diep. Ze waren getuige van een bijzonder fenomeen. Een viermeter lange liefdesdans. Het huigelen. Nog nooit eerder vertoond.


Blonde manen man / Gein & ongein / 29-01-2013

Brittzl … djeu. Gris mich nich. Het moet niet gekker worden in mijn bos. Er loopt hier weer een huilende man rond. Hij draagt blonde manen. Een veertigplusser schat ik in. Dit keer niet een rode trui met witte bolletjes. Nee hij loopt een beetje gebukt, in een oranje tuniek. De handen op zijn rug. IJsberend. Hij mompelt wat in zichzelf. Ik kan het gemompel amper verstaan. Iets over scepter zwaaien en feestjes vieren. Appeltje, eitje. Zwart bont. Het lijkt wel of ie ijlt. Tussen de bedrijven door recht hij af en toe zijn rug en roept met krachtige stem. "Sterk blijven. Rechtop. Kin en borst vooruit. Presenteer geweer." Nerveus blikt ie om zich heen. Ziet niemand hem? Hoort niemand hem? Hij loopt nu van boom tot boom. Inspecteert bij iedere boom de stam, de takken en de bladeren. Het staat ze goed. Het vol ornaat. Met een droog kuchje hoest hij over de epauletten van zijn oranje tuniek. Met zijn mouw veegt hij er lichtjes over heen. Zo dat blinkt tenminste weer. Hij moet er onberispelijk uitzien. Dat is het minste dat van hem verlangd wordt. Lang houdt hij zijn rug niet recht. De blonde manen man vlijt zich zachtjes neer op een steen vlakbij het bosven. Om vervolgens in huilen uit te barsten. Een orkaan van tranen. Tijd voor bespiegeling gunt hij zichzelf niet. Driftig gooit hij wat takken en kleine steentjes in het water. Zijn eigen aanzien in de waterspiegel is te confronterend. Absoluut niet koninklijk. Vreemd voor een waterman in hart en nieren. Ooit vertoefde hij prinsheerlijk onder het gewone volk. In gedachten waant hij zich terug student. Achter kippetjes en pils aan. Op zoek naar licht vertier. Wetend, beseffend dat de dag ooit komen zal. Altijd die dreiging. Het monster der verantwoordelijkheid. Liever speelde hij voor eeuwig nar. Hofnar. Tot in lengte der dagen. Hij mist zijn vader. Dat was nog eens een goede clown. Langzaam richt de blonde manen man zichzelf weer op. Het huilen heeft hem goed gedaan. Misschien een laatste snik. Wie zal het zeggen. Non de djeu, brittzl mich. Daar staat waarachtig een houten prins koning te wezen. Springend over zijn eigen schaduw en over de schaduw van vrouw en kinderen. Koek en tango. Dat is zijn lot. Polderpolka’s moet hij dansen. Knarsetandend. Maar hij kan het. Hij moet.


Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.