De elektricien is doorgeslagen. Voor het eerst in vierentwintig jaar. Nog nooit heeft hij dit meegemaakt. Vlak voor zijn jubileum slaan zijn stoppen door. Vastgenageld staat hij aan de grond. Alsof hij door de bliksem getroffen is. Vurig staan zijn ogen. Bol van de drank. De whisky bleek van zeer slechte kwaliteit. Maar dat niet alleen. Het vuurwater weliswaar naar zijn hoofd gestegen, als wilde indiaan is hij wel wat gewend. De omscholing naar het elektravak legde aanvankelijk geen windeieren. Maar dit. Dit is onbetaalbaar. Een golfstroomstopcontact midden in de woestijn. En hij moet dat nog zien te repareren. Hij vertrouwt het niet en belt met zijn vriend Winnetoetietochniet in Winipic. Via rookwolken komt een bericht terug. Haast onleesbaar door een flinke westenwind. Niet onderhandelen maar negeren. Dat is de boodschap. Maar niet in de stijl van Dansenooitnietja. Hij is meer van de actie. Nog voor het onderhandelen. Maar om nu de raad van Winnetoetietochniet in de wind te slaan, gaat tegen al zijn principes in. Gevolg. Hij kiest voor een status quo. Geen suzie q en ook geen santana. Nee, gewoon status quo. Basta met al die onzin. Het golfstroomstopcontact mag gewoon blijven zitten waar het zit. Amen.
Posts tonen met het label woestijn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label woestijn. Alle posts tonen
08-10-2023
19-12-2017
Vlucht naar Egypte
Er zijn moppen die beklijven, nergens over gaan en toch alleszeggend zijn. Die persoonlijke smaak overstijgen, verbinden in gulle lach, desnoods onbegrip. Bevrijden, wringen. Contradicties in terminussen.
Behalve als ze door dezelfde oom urenlang orakelt worden op lange winteravonden. In de zomer kun je ze ontvluchten door simpelweg naar buiten te rennen. Maar in de winter zijn het soms ware martelingen. Beslagen ten ijs moet je dan komen om die ludieke saaie oom de moppenmond te snoeren.
Ik waan me dan altijd op een grote zandvlakte, in bloedhete zon, ergens in Egypte of Marokko. En wanneer het blijft knellen gooi ik hem eruit:
‘Het is geel en trekt door de woestijn?’
‘Een kudde vanille-yoghurt'.
Niemand lacht. Te absurd voor woorden.
Behalve als ze door dezelfde oom urenlang orakelt worden op lange winteravonden. In de zomer kun je ze ontvluchten door simpelweg naar buiten te rennen. Maar in de winter zijn het soms ware martelingen. Beslagen ten ijs moet je dan komen om die ludieke saaie oom de moppenmond te snoeren.
Ik waan me dan altijd op een grote zandvlakte, in bloedhete zon, ergens in Egypte of Marokko. En wanneer het blijft knellen gooi ik hem eruit:
‘Het is geel en trekt door de woestijn?’
‘Een kudde vanille-yoghurt'.
Niemand lacht. Te absurd voor woorden.
31-03-2016
Schrijfveren Maart 2016
Dagelijkse oefening in het schrijven van Schrijfveren. In maximaal 15 minuten tijd, associatief schrijven zonder correcties, naar aanleiding van een opgegeven titel. Met dank aan Hella Kuipers.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice
Een flessenrek (01-03-2016)
Met mijn ragebol stof ik het flessenrek in de slaapkamer af. Stof tot nadenken. Waarom flessen wijn en sterke drank in de slaapkamer? Hoe lang liggen ze er al? Is het nog wel te drinken? En wat moet ik in hemelsnaam met al die kruiken kruidendrank? Ik krijg ze nooit op tijd op. Er zitten een paar hele oudjes bij. De etiketten amper nog te lezen. Ik durf ze niet eens meer open te trekken. Waar komen ze vandaan? Van sommigen weet ik het nog. Die zijn me dierbaar. Ze komen uit verre oorden. Ik proef de oorden op mijn tong met de kurk nog op de fles. Waan me even terug in Toscane, Ligurië, Napels en Florence. En wat te denken van de Oriënt, het Chileense hooggebergte en niet te vergeten Dundee-Greenock, Kintyre en de Speyside. De eerlijkheid gebied te zeggen. Groningen, Leeuwarden en Den Haag vallen dan toch even in het niet. Sorry jongens, jullie blijven hier nog even liggen. Welterusten.
Thuis in de bergen (02-03-2016)
Heidi is blij. Vandaag gaat ze Peter zien. Ze plukt bloemen in de alm. De zon schijnt al hoog aan de hemel. Het dauw op de gentiaan en de klaver weerspiegelt Heidi's olijke gezicht. Een konijntje huppelt lieflijk door het gras en de koeien luiden rebels de ochtend langzaam uit. Het zal niet lang meer duren. Het mandje van Heidi raakt langzaam vol. Op een bankje tegen de hut vlecht ze een prachtige haarkrans. Ze wil Peter verrassen. Op het tafeltje spreidt Heidi een blauw geruit tafelkleed uit. Ze duikt in haar rugzak en haalt er een klein flesje wijn uit en twee plastic glazen. Een stukje kaas en een hompje vlees. Boerenham. Daar houdt Peter van. Beneden in het dal hoort Heidi de kerkklok 11:00 uur beieren. Hoogste tijd voor haar lied. Ze geeft haar borst de adem die het nodig heeft en vlecht de touwtjes van haar bloesje ietsiepietsie uit elkaar. Niet te ver. Stel dat Peter vroeger komt. Eerst maar even oefenen. Ze gaat op de tweede sport van de ladder staan en oefent de hoge tonen. De jo en de del komen er prachtig uit vandaag. Vol verlangen stiet ze tot slot de en eruit. De hoogste noot. Het is de wijn en de zon die haar keeltje smeren. Laat Peter nu maar komen.
Een fietstas waar prei uit steekt (07-03-2016)
De kleine kon de slaap niet vatten. En dat had grote gevolgen voor het hele huishouden. Daar werd node rust verlangd. Een week van strijd en knokken had het energielevel van beide ouders tot een minimum gebracht. Ze hadden zich noodgedwongen bezig moeten houden met kinderziektes en puberpraat. De pubers die vatten de slaap nog wel. De kinderen, met name de kleine, dat was een heel ander verhaal. Zij hadden de stress opgesnoven en weigerden het strijdtoneel vroeg in de avond te verlaten. Ze klampten zich vast aan moeders benen en lieten niet los. Ergens voelden zij dat ze onmisbaar waren. Voor intern geluk en de nodige rust van beide ouders. Kinderen voelen dat naadloos aan. Ook die van vier en vijf. Wat ga je die kinderen dan voorhouden? Met voorlezen maak je veel goed. Maar vindt dan maar eens een geschikt boek. Eentje dat binnen het bevattingsvermogen past.
Rekening houdend met kleine opnamecapaciteit is dan een sprookje het geschiktst. Dat zit bovendien ook nog eens boordevol met verborgen schatten en verwoord meestal, zeer analoog aan de fantasie van het jonge kind, de realiteit die schrijnend vaak verborgen blijft, een ongewenste werkelijkheid. Moeilijk te verteren. En dat doet kinderen nooit goed. Nee, een boek moet het niet zijn. Daarin is alles bij voorbaat vastgelegd en overdacht. Veel liever gebruiken we een gezond sprookje. Een sprookje dat rust biedt en slaap. Vooral veel slaap. En om dan de gedachten ook maar helemaal vrij te maken, verzinnen we het sprookje. Alledaags. Wel zo gemakkelijk. Iets over groen en gezond. Over voortbewegen, groene energie, fietsen, fietstas. Een sprookje over een fietstas waar prei uit steekt. Zoiets.
Een rijke smaak (09-03-2016)
De hofdames vermaakten zich prima aan het hof. Op zijn tijd een potje kaarten en borduren. Heel veel borduren. Uren en uren achter elkaar trokken zij de dikke naald door het bord. Hoeveel borduren ze wel niet maakten is tot aan de dag van vandaag onbekend gebleven. Maar ik kan u vertellen dames en heren, het waren veel uren. Tijdens het borduren oreerden de hofdames over van alles en nog wat. Over de koeien van freule Bertha von Lippenstein en over de pasgeboren kalveren van barones Kalbsgut von Preusen. De koeien waren wel een beetje van de leg. Ze stonden al dagen aan een stuk met hun hoeven in de modder. Ook de kalveren van Kalbsgut hadden hun probleempjes. Ze hadden veel moeite om op eigen benen te gaan staan.
Safed by the bell werden de hofdames van hun borduurtafel gerukt. Maar goed ook, want de conversatie over koeien en kalveren begon hoog op te lopen. Net als het water van de dames. De buik er goed van vol haasten ze zich een voor een naar het kleine kabinetje. Het kabinet stond al spoedig onder water. Het drukte ook de stemming. Erg lastig want er waren ook zo weinig hokjes. De hofdames hadden nog wel hevig geprotesteerd toen het tweede kamertje had besloten in te krimpen op de hokjes. Ondemocratisch vonden ze maar wel beter voor Europa.
Europa edoch begreep er niets van. Ze had haar hazewind zojuist uitgelaten en gekamd en vond dat de hofdames zich druk maakten om niets. Smakeloos had ze het gevonden dat de hofdames buiten haar weten om zo geklaagd hadden over de hokjes. Ongepast en armoedig. Het getuigde bepaald niet van een rijke smaak.
In onderwijsland (10-03-2016)
De directrice wist er geen raad meer mee. De amanuensis en de conciërge maakten nu al vijf maanden lang ruzie over de inrichting van het scheikundelokaal. De scheikundeleraar had er nota bene een burn-out aan overgehouden. Tot overmaat van ramp was ook nog eens de docent lichamelijke opvoeding uit het klimrek gevallen. Hij had geprobeerd een pubermeisje van de hoogste sport te plukken. Zij durfde niet meer naar beneden te komen. Toen de docent zijn hand op een verkeerde plek had gelegd had ze direct gereageerd. Uit boosheid, ingegeven door angst en hevige hoogtevrees, had ze met een hand het klimrek vastgehouden en met de andere de docent van zich af geslagen. Die had vervolgens kortstondig door de lucht gezweefd en was onaangenaam op zijn rug naast de mat gevallen. Dwarslaesie. De burn-out van de scheikundeleraar was er peanuts bij.
Blauw dat moest de kleur worden. Aldus de amanuensis. Groen bleef de conciërge volhouden. Daar was immers nog 25 liter van over. De kleur groen paste ook veel beter bij de filosofie, die de school een beetje zweverig droeg. Ecogroen. De directrice wist dat ze het probleem nu langzamerhand moest tackelen. Alle overlegorganen hadden al hun zegje gedaan. Twaalf lijvige rapporten waren er geschreven, met als slotsom, tevens eindconclusie, groenblauw. De gulden middenweg zou men denken. Mooi niet. Blauwgroen, werd nog ingebracht, maar zelfs dat was geen optie. In onderwijsland bleek alles mogelijk, maar soms ook helemaal niets.
In de gang klonk muziek. Status Quo. Down down, deeper and down.
Een parachute (14-03-2016)
Vandaag had ik hem maar heel even nodig gehad. Gewoon om door de lucht te vliegen. Bij een koude Noord-Oosten wind en tevens onder een stralende zon. Wat bijten die twee weersinvloeden elkaar. Hemeltje. Ik zou dan een windjack aan willen hebben, handschoenen, liefst lederen, een winddichte broek en zware schoenen. Dat hangt namelijk lekker uit. Wijdbeens zou ik het uitkraaien van plezier. Zeker weten. Ik zou vergenoegd naar de naderende aarde kijken. In vertraging en liefst met een hele lange bocht. Ik zou de loden schoenen dan in het gras stampen en me een paar keer voorover laten stuiteren door het lange gras. Hals over kop zou de parachute mij mummificeren om vervolgens heerlijk te cocoonen met alleen mijn gezicht en loden schoenen vrij. Mijn hakken in de grond. Mijn gezicht in de brandende zon. Ik zou dan dromen dat de blauwe lucht voor immer blauw zou blijven en dat uit het struikgewas een lieve dame zou verschijnen met in haar hand een klein dienblaadje. Een dienblad met een bakje pinda's en een blond schuimend bier. Bij voorkeur een Triple Moine of een Vieille Salme, uiteraard in bijbehorend glas. Wat zou dat een mens gelukkig maken. Het biermeisje zou me voeren en vervoeren, om vervolgens in vervoering samen met mij een prachtig lijflied te zingen. Bij voorkeur een zigeunerhymne. Wat zouden we dan samen eventjes gelukkig zijn. Daar kan geen parachute meer tegenop.
Een kist vol knikkers (16-03-2016)
Snuitje snuift zijn zakdoek eens goed vol. Zo'n grote rode boerenzakdoek. Een minuut geleden zat hij nog op zijn hoofd. Met vier knopen op iedere hoek. Een piratenmuts. Nu doet hij dienst als snotlap. Nou ja, snotlap, eerder traanlap. De sluizen van Eustachius staan nog maar kort open. In no-time is de piratenmuts vol gewaterd. Met zijn knoestige handen en dikke blauwgeaderde onderarmen draait Snuitje de geruite zakdoek stevig droog. Nog een keer huilt hij hem vol. Het is ook niet niets wat daar voor hem staat. Jarenlang is hij er naar op zoek geweest en daar gloort ie dan eindelijk in de volle zon. De schatkist. Vol met knikkers. Het zijn niet zo maar knikkers. Nee, nee, het zijn hele ouderwetse. En ze zien er nog gaaf uit. Het brengt al snel de waterlanders weer terug in Snuitje's blauwe ogen. Dat ie dat nog mag meemaken op zijn oude dag. Duizenden zijn het. Het lijken wel kattenogen. Gele, groene, blauwe, rode, alle kleuren zijn aanwezig.
Trots is Snuitje dat hij de kist eindelijk gevonden heeft. Op aanwijzing van zijn speelkameraadje Doris, nee niet Day maar Maand, heeft hij goede koers gehouden. De crew on board heeft ook goed haar best gedaan. Moe maar voldaan zagen ze na drie weken het beloofde eiland. Het was achteraf nog lastig zoeken in de archipel. Zoveel water en zoveel eilanden. Gelukkig wisten ze waar ze naar moesten zoeken. Het eiland met de grote houten knikkerbaan. Van verre hadden ze hem al snel gezien. Wat een enorme grote hoge knikkerbaan was het. De crew en Snuitje waren beide erg nieuwsgierig geworden wat voor formaat knikkers er op die baan gelanceerd konden worden. En hoe die knikkers dan naar boven kwamen. En de belangrijkste vraag. Waren ze van glas? Nee. Had de schatbewaarder geantwoord. Het is slechts poppenkast. Om de schat te camoufleren. Vele piraten hadden al hun hoofd gestoten aan de grote knikkerbaan, gemaakt van bamboe. De zon had vervolgens de rest gedaan. Afgevoerd met zonnesteek, een voor een. Gelukkig had Snuitje zijn rode zakdoek op zijn hoofd gelaten. Hij had eruit gezien als Pipo de Clown, maar what the fuck ... alles voor de kist met knikkers.
Een bestoft hoofd (21-03-2016)
Mijn enige zorg vandaag is het hoofd onbestoft houden. Zou mij dat lukken, om te beginnen vijftien minuten? Ik zit nu al vast. Grote vreze. Ik heb opgeslagen, 08:53 uur, en houdt de bovenkant van de iPad nauwlettend in de gaten. Tot dusver geen stof te bekennen. Langzaam glijdt het kleine invulscherm naar beneden en vult zich vol letters en woorden die ik razendsnel verzin. In het luchtledige, omdat het mag. Het is niet voor niets een oefening in schrijven. Stof tot nadenken denkt een van de lezers vast. Misschien zelfs allemaal.
Een Swiffer trek ik door mijn hoofd. Een kleine ragebol schudt heftig nee. Nee, ik wil geen woorden vreten. En zeker geen woorden waar het hart van vol is. Wat ik uitspuw schrijf ik neer. Onbevangen. Allemaal losse woorden in stijgers. Ze zoeken elkaar op in onlogische volgorde. Tot stof zullen letters wederkeren. Met poeder klei ik ze. Met water en rivier. Schreefloos over de schreef. Sommigen kapitaal en fier rechtop. Ik plaats de grote monumentale letters in het zand. Het zand van de rivier die niet wegspoelt. Hij bestaat uit regen. En dat heeft het lang niet gedaan. Regenen. Het zou mijn stoffig hoofd een groot plezier doen, Pluvius.
Plu en plumaux strekken zich uit naar de grijze hemel die tranen huilt en rivieren vult. Op jacht naar de zee slingert de slang zich een weg door bergen, heuvels. Een stortvloed aan woorden pikt het onderweg op en bundelt het tot verhalen, volks en vol beklag. Hier en daar ook lieve woorden. Van stelletjes in lover langs de kant. Daar waar vlinders door hoofden en buiken waaien. De eerste dag der lente breekt de liefde aan. Pover nog, pril en preuts. Bochtig stoten de woorden zich in strofes en in rijm, dichten dorstige gaten waar water niet wil komen. Het einde komt in zicht, ik heb nog twee minuten. Wat zeg ik een minuut. De tijd die zit me in mijn nek. Laat mijn haren rijzen. Stoffig. Zo ook het hoofd. Het spoelt nooit leeg.
Onteigende ochtenden (23-03-2016)
De gordijnen blijven voorlopig dicht. Ik wil de ochtend even niet zien. Bang voor wat ie niet te bieden heeft. Donkerrood staart het velours me aan en ik denk na. Over het gesprek dat ik gisteren met mezelf voerde. Voor de eerste keer sinds lange tijd was ik het niet met mezelf eens. Iets wat zelden voorkomt. Waarom de overtuiging van gelijk me juist vandaag in de steek laat is verklaarbaar. De heftigheid waarmee gisteren afliep stelt moeilijke vragen. Vragen die beklijven een nacht lang.
Ik slaak een paar diepe zuchten en doe de zonnegroet. Misschien helpt het de nieuwe dag te verwelkomen. Vannacht heb ik de volle maan welterusten gewenst. Hij liet me niet slapen. De spoken in mijn hoofd voerden oorlog. Gooiden spijkerbommen in mijn brein, verstikten, duwden kussens op mijn hoofd. Ik worstelde de hele nacht en kwam gelukkig steeds boven. Doodvermoeid. Waarom draait de wereld toch voortdurend door? Mijn wereld en de werelden die erachter liggen. De wereld van anderen. De dag van anderen. De nacht.
Op het donkerrode velours verschijnt plots een driekleur. Zwart, geel, rood. Nee. Niet ook hier. Zwart voor ogen. Geel om goed na te denken, intelligent. Rood de kleur van het hart, de liefde, geluk. Grensoverschrijdend komt de oorlog nabij. Niemand die hem tegenhoudt. Waar is het leger? Waar bivakkeert de vrijheid? Verstopt diep in de nacht, ergens achter de bosjes schuilt de vrede. Boos en verontwaardigd. Gegijzeld, onteigend door demonen in mijn heilig ochtendwaken trek ik voorzichtig de gordijnen open. Een nieuwe dag komt binnen. Grijs en triest maar ondanks alles, toch hoopvol. Gisteren drukt nog na. De tijd loopt door, neemt me bij de hand. Geen ontkomen aan in verder gaan. Stroom, stroom, stroom.
Een amulet (29-03-2016)
Ik heb er geen plaats meer voor. Dat wil ik de handelaar duidelijk maken. Maar hij luistert niet. In de ban van verkoop is hij blind voor tegenargumenten. Voorargumenten heb ik trouwens ook niet. Alhoewel. Het zou me wel goed staan natuurlijk. Maar er is eenvoudigweg geen plaats voor. Hoeft ook niet, wil de handelaar me doen geloven. Ah, hij luistert dus toch. De kracht zit hem namelijk in het dragen. Waar, hoe, al dan niet zichtbaar, is van minder belang. Ja, ja. Maar geheel belangeloos is niets. Zeker in werelden waar economische principes de boventoon voeren. Zelfs in de woestijn.
De berber kijkt me nu recht in de ogen. Ik verdrink bijna in de donkere spiegels. Het lijken wel donkere vennen. Bodemloos lijkt de inkijk. Zou ik er een steen ingooien hij zou onmiddellijk zinken. Oneindig zinken. Alleen het zuigende geluid dat zou blijven klinken. Niet doen, denk ik dan. Trap en val er niet in. In deze donkere bodemloze put die smeekt. Koop mij? Koop mij? Ik doe het niet. Ik wil het niet. Nog een keer probeer ik met voorzichtige zingeving de berber in te laten zien dat er niets aan mij wordt verkocht. Kijk het vloekt met al mijn tattoes en piercings. Er is gewoon geen plek. Ik wil ook niet dat dat ding ergens achter blijft haken. Ik ben als de dood dat ik dan gewurgd zal worden. Het staat ook nog eens in mijn laatste horoscoop geschreven. Horoscoop? Horrorscoop kan ik beter zeggen. Geen horo maar horror wordt er over mij heen geroepen. Ik moet deze week oppassen voor verstikkende situaties. Ha, ha. En dat in de Sahara?
Het moet niet gekker worden. Ik kijk wel uit. Mijn vrouw probeert me nu langzaam weg te trekken van de handelaar. Ze voorziet een ongelooflijk dispuut. Nauwelijks de moeite van het bedrijven waard. Maar ik denk daar anders over. Wat denkt die berber wel? Hij probeert nog om me in te laten zien dat ik mijn geluk vergooi indien ik niet inga op zijn nobel bod. Ik hoef niet eens te onderhandelen. Af te pingelen. Dat doet hij wel. Straks krijg ik er nog gratis een kameel bij. Nee, lieve berber. Voor mij geen amulet.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice
Een flessenrek (01-03-2016)
Met mijn ragebol stof ik het flessenrek in de slaapkamer af. Stof tot nadenken. Waarom flessen wijn en sterke drank in de slaapkamer? Hoe lang liggen ze er al? Is het nog wel te drinken? En wat moet ik in hemelsnaam met al die kruiken kruidendrank? Ik krijg ze nooit op tijd op. Er zitten een paar hele oudjes bij. De etiketten amper nog te lezen. Ik durf ze niet eens meer open te trekken. Waar komen ze vandaan? Van sommigen weet ik het nog. Die zijn me dierbaar. Ze komen uit verre oorden. Ik proef de oorden op mijn tong met de kurk nog op de fles. Waan me even terug in Toscane, Ligurië, Napels en Florence. En wat te denken van de Oriënt, het Chileense hooggebergte en niet te vergeten Dundee-Greenock, Kintyre en de Speyside. De eerlijkheid gebied te zeggen. Groningen, Leeuwarden en Den Haag vallen dan toch even in het niet. Sorry jongens, jullie blijven hier nog even liggen. Welterusten.
Thuis in de bergen (02-03-2016)
Heidi is blij. Vandaag gaat ze Peter zien. Ze plukt bloemen in de alm. De zon schijnt al hoog aan de hemel. Het dauw op de gentiaan en de klaver weerspiegelt Heidi's olijke gezicht. Een konijntje huppelt lieflijk door het gras en de koeien luiden rebels de ochtend langzaam uit. Het zal niet lang meer duren. Het mandje van Heidi raakt langzaam vol. Op een bankje tegen de hut vlecht ze een prachtige haarkrans. Ze wil Peter verrassen. Op het tafeltje spreidt Heidi een blauw geruit tafelkleed uit. Ze duikt in haar rugzak en haalt er een klein flesje wijn uit en twee plastic glazen. Een stukje kaas en een hompje vlees. Boerenham. Daar houdt Peter van. Beneden in het dal hoort Heidi de kerkklok 11:00 uur beieren. Hoogste tijd voor haar lied. Ze geeft haar borst de adem die het nodig heeft en vlecht de touwtjes van haar bloesje ietsiepietsie uit elkaar. Niet te ver. Stel dat Peter vroeger komt. Eerst maar even oefenen. Ze gaat op de tweede sport van de ladder staan en oefent de hoge tonen. De jo en de del komen er prachtig uit vandaag. Vol verlangen stiet ze tot slot de en eruit. De hoogste noot. Het is de wijn en de zon die haar keeltje smeren. Laat Peter nu maar komen.
Een fietstas waar prei uit steekt (07-03-2016)
De kleine kon de slaap niet vatten. En dat had grote gevolgen voor het hele huishouden. Daar werd node rust verlangd. Een week van strijd en knokken had het energielevel van beide ouders tot een minimum gebracht. Ze hadden zich noodgedwongen bezig moeten houden met kinderziektes en puberpraat. De pubers die vatten de slaap nog wel. De kinderen, met name de kleine, dat was een heel ander verhaal. Zij hadden de stress opgesnoven en weigerden het strijdtoneel vroeg in de avond te verlaten. Ze klampten zich vast aan moeders benen en lieten niet los. Ergens voelden zij dat ze onmisbaar waren. Voor intern geluk en de nodige rust van beide ouders. Kinderen voelen dat naadloos aan. Ook die van vier en vijf. Wat ga je die kinderen dan voorhouden? Met voorlezen maak je veel goed. Maar vindt dan maar eens een geschikt boek. Eentje dat binnen het bevattingsvermogen past.
Rekening houdend met kleine opnamecapaciteit is dan een sprookje het geschiktst. Dat zit bovendien ook nog eens boordevol met verborgen schatten en verwoord meestal, zeer analoog aan de fantasie van het jonge kind, de realiteit die schrijnend vaak verborgen blijft, een ongewenste werkelijkheid. Moeilijk te verteren. En dat doet kinderen nooit goed. Nee, een boek moet het niet zijn. Daarin is alles bij voorbaat vastgelegd en overdacht. Veel liever gebruiken we een gezond sprookje. Een sprookje dat rust biedt en slaap. Vooral veel slaap. En om dan de gedachten ook maar helemaal vrij te maken, verzinnen we het sprookje. Alledaags. Wel zo gemakkelijk. Iets over groen en gezond. Over voortbewegen, groene energie, fietsen, fietstas. Een sprookje over een fietstas waar prei uit steekt. Zoiets.
Een rijke smaak (09-03-2016)
De hofdames vermaakten zich prima aan het hof. Op zijn tijd een potje kaarten en borduren. Heel veel borduren. Uren en uren achter elkaar trokken zij de dikke naald door het bord. Hoeveel borduren ze wel niet maakten is tot aan de dag van vandaag onbekend gebleven. Maar ik kan u vertellen dames en heren, het waren veel uren. Tijdens het borduren oreerden de hofdames over van alles en nog wat. Over de koeien van freule Bertha von Lippenstein en over de pasgeboren kalveren van barones Kalbsgut von Preusen. De koeien waren wel een beetje van de leg. Ze stonden al dagen aan een stuk met hun hoeven in de modder. Ook de kalveren van Kalbsgut hadden hun probleempjes. Ze hadden veel moeite om op eigen benen te gaan staan.
Safed by the bell werden de hofdames van hun borduurtafel gerukt. Maar goed ook, want de conversatie over koeien en kalveren begon hoog op te lopen. Net als het water van de dames. De buik er goed van vol haasten ze zich een voor een naar het kleine kabinetje. Het kabinet stond al spoedig onder water. Het drukte ook de stemming. Erg lastig want er waren ook zo weinig hokjes. De hofdames hadden nog wel hevig geprotesteerd toen het tweede kamertje had besloten in te krimpen op de hokjes. Ondemocratisch vonden ze maar wel beter voor Europa.
Europa edoch begreep er niets van. Ze had haar hazewind zojuist uitgelaten en gekamd en vond dat de hofdames zich druk maakten om niets. Smakeloos had ze het gevonden dat de hofdames buiten haar weten om zo geklaagd hadden over de hokjes. Ongepast en armoedig. Het getuigde bepaald niet van een rijke smaak.
In onderwijsland (10-03-2016)
De directrice wist er geen raad meer mee. De amanuensis en de conciërge maakten nu al vijf maanden lang ruzie over de inrichting van het scheikundelokaal. De scheikundeleraar had er nota bene een burn-out aan overgehouden. Tot overmaat van ramp was ook nog eens de docent lichamelijke opvoeding uit het klimrek gevallen. Hij had geprobeerd een pubermeisje van de hoogste sport te plukken. Zij durfde niet meer naar beneden te komen. Toen de docent zijn hand op een verkeerde plek had gelegd had ze direct gereageerd. Uit boosheid, ingegeven door angst en hevige hoogtevrees, had ze met een hand het klimrek vastgehouden en met de andere de docent van zich af geslagen. Die had vervolgens kortstondig door de lucht gezweefd en was onaangenaam op zijn rug naast de mat gevallen. Dwarslaesie. De burn-out van de scheikundeleraar was er peanuts bij.
Blauw dat moest de kleur worden. Aldus de amanuensis. Groen bleef de conciërge volhouden. Daar was immers nog 25 liter van over. De kleur groen paste ook veel beter bij de filosofie, die de school een beetje zweverig droeg. Ecogroen. De directrice wist dat ze het probleem nu langzamerhand moest tackelen. Alle overlegorganen hadden al hun zegje gedaan. Twaalf lijvige rapporten waren er geschreven, met als slotsom, tevens eindconclusie, groenblauw. De gulden middenweg zou men denken. Mooi niet. Blauwgroen, werd nog ingebracht, maar zelfs dat was geen optie. In onderwijsland bleek alles mogelijk, maar soms ook helemaal niets.
In de gang klonk muziek. Status Quo. Down down, deeper and down.
Een parachute (14-03-2016)
Vandaag had ik hem maar heel even nodig gehad. Gewoon om door de lucht te vliegen. Bij een koude Noord-Oosten wind en tevens onder een stralende zon. Wat bijten die twee weersinvloeden elkaar. Hemeltje. Ik zou dan een windjack aan willen hebben, handschoenen, liefst lederen, een winddichte broek en zware schoenen. Dat hangt namelijk lekker uit. Wijdbeens zou ik het uitkraaien van plezier. Zeker weten. Ik zou vergenoegd naar de naderende aarde kijken. In vertraging en liefst met een hele lange bocht. Ik zou de loden schoenen dan in het gras stampen en me een paar keer voorover laten stuiteren door het lange gras. Hals over kop zou de parachute mij mummificeren om vervolgens heerlijk te cocoonen met alleen mijn gezicht en loden schoenen vrij. Mijn hakken in de grond. Mijn gezicht in de brandende zon. Ik zou dan dromen dat de blauwe lucht voor immer blauw zou blijven en dat uit het struikgewas een lieve dame zou verschijnen met in haar hand een klein dienblaadje. Een dienblad met een bakje pinda's en een blond schuimend bier. Bij voorkeur een Triple Moine of een Vieille Salme, uiteraard in bijbehorend glas. Wat zou dat een mens gelukkig maken. Het biermeisje zou me voeren en vervoeren, om vervolgens in vervoering samen met mij een prachtig lijflied te zingen. Bij voorkeur een zigeunerhymne. Wat zouden we dan samen eventjes gelukkig zijn. Daar kan geen parachute meer tegenop.
Een kist vol knikkers (16-03-2016)
Snuitje snuift zijn zakdoek eens goed vol. Zo'n grote rode boerenzakdoek. Een minuut geleden zat hij nog op zijn hoofd. Met vier knopen op iedere hoek. Een piratenmuts. Nu doet hij dienst als snotlap. Nou ja, snotlap, eerder traanlap. De sluizen van Eustachius staan nog maar kort open. In no-time is de piratenmuts vol gewaterd. Met zijn knoestige handen en dikke blauwgeaderde onderarmen draait Snuitje de geruite zakdoek stevig droog. Nog een keer huilt hij hem vol. Het is ook niet niets wat daar voor hem staat. Jarenlang is hij er naar op zoek geweest en daar gloort ie dan eindelijk in de volle zon. De schatkist. Vol met knikkers. Het zijn niet zo maar knikkers. Nee, nee, het zijn hele ouderwetse. En ze zien er nog gaaf uit. Het brengt al snel de waterlanders weer terug in Snuitje's blauwe ogen. Dat ie dat nog mag meemaken op zijn oude dag. Duizenden zijn het. Het lijken wel kattenogen. Gele, groene, blauwe, rode, alle kleuren zijn aanwezig.
Trots is Snuitje dat hij de kist eindelijk gevonden heeft. Op aanwijzing van zijn speelkameraadje Doris, nee niet Day maar Maand, heeft hij goede koers gehouden. De crew on board heeft ook goed haar best gedaan. Moe maar voldaan zagen ze na drie weken het beloofde eiland. Het was achteraf nog lastig zoeken in de archipel. Zoveel water en zoveel eilanden. Gelukkig wisten ze waar ze naar moesten zoeken. Het eiland met de grote houten knikkerbaan. Van verre hadden ze hem al snel gezien. Wat een enorme grote hoge knikkerbaan was het. De crew en Snuitje waren beide erg nieuwsgierig geworden wat voor formaat knikkers er op die baan gelanceerd konden worden. En hoe die knikkers dan naar boven kwamen. En de belangrijkste vraag. Waren ze van glas? Nee. Had de schatbewaarder geantwoord. Het is slechts poppenkast. Om de schat te camoufleren. Vele piraten hadden al hun hoofd gestoten aan de grote knikkerbaan, gemaakt van bamboe. De zon had vervolgens de rest gedaan. Afgevoerd met zonnesteek, een voor een. Gelukkig had Snuitje zijn rode zakdoek op zijn hoofd gelaten. Hij had eruit gezien als Pipo de Clown, maar what the fuck ... alles voor de kist met knikkers.
Een bestoft hoofd (21-03-2016)
Mijn enige zorg vandaag is het hoofd onbestoft houden. Zou mij dat lukken, om te beginnen vijftien minuten? Ik zit nu al vast. Grote vreze. Ik heb opgeslagen, 08:53 uur, en houdt de bovenkant van de iPad nauwlettend in de gaten. Tot dusver geen stof te bekennen. Langzaam glijdt het kleine invulscherm naar beneden en vult zich vol letters en woorden die ik razendsnel verzin. In het luchtledige, omdat het mag. Het is niet voor niets een oefening in schrijven. Stof tot nadenken denkt een van de lezers vast. Misschien zelfs allemaal.
Een Swiffer trek ik door mijn hoofd. Een kleine ragebol schudt heftig nee. Nee, ik wil geen woorden vreten. En zeker geen woorden waar het hart van vol is. Wat ik uitspuw schrijf ik neer. Onbevangen. Allemaal losse woorden in stijgers. Ze zoeken elkaar op in onlogische volgorde. Tot stof zullen letters wederkeren. Met poeder klei ik ze. Met water en rivier. Schreefloos over de schreef. Sommigen kapitaal en fier rechtop. Ik plaats de grote monumentale letters in het zand. Het zand van de rivier die niet wegspoelt. Hij bestaat uit regen. En dat heeft het lang niet gedaan. Regenen. Het zou mijn stoffig hoofd een groot plezier doen, Pluvius.
Plu en plumaux strekken zich uit naar de grijze hemel die tranen huilt en rivieren vult. Op jacht naar de zee slingert de slang zich een weg door bergen, heuvels. Een stortvloed aan woorden pikt het onderweg op en bundelt het tot verhalen, volks en vol beklag. Hier en daar ook lieve woorden. Van stelletjes in lover langs de kant. Daar waar vlinders door hoofden en buiken waaien. De eerste dag der lente breekt de liefde aan. Pover nog, pril en preuts. Bochtig stoten de woorden zich in strofes en in rijm, dichten dorstige gaten waar water niet wil komen. Het einde komt in zicht, ik heb nog twee minuten. Wat zeg ik een minuut. De tijd die zit me in mijn nek. Laat mijn haren rijzen. Stoffig. Zo ook het hoofd. Het spoelt nooit leeg.
Onteigende ochtenden (23-03-2016)
De gordijnen blijven voorlopig dicht. Ik wil de ochtend even niet zien. Bang voor wat ie niet te bieden heeft. Donkerrood staart het velours me aan en ik denk na. Over het gesprek dat ik gisteren met mezelf voerde. Voor de eerste keer sinds lange tijd was ik het niet met mezelf eens. Iets wat zelden voorkomt. Waarom de overtuiging van gelijk me juist vandaag in de steek laat is verklaarbaar. De heftigheid waarmee gisteren afliep stelt moeilijke vragen. Vragen die beklijven een nacht lang.
Ik slaak een paar diepe zuchten en doe de zonnegroet. Misschien helpt het de nieuwe dag te verwelkomen. Vannacht heb ik de volle maan welterusten gewenst. Hij liet me niet slapen. De spoken in mijn hoofd voerden oorlog. Gooiden spijkerbommen in mijn brein, verstikten, duwden kussens op mijn hoofd. Ik worstelde de hele nacht en kwam gelukkig steeds boven. Doodvermoeid. Waarom draait de wereld toch voortdurend door? Mijn wereld en de werelden die erachter liggen. De wereld van anderen. De dag van anderen. De nacht.
Op het donkerrode velours verschijnt plots een driekleur. Zwart, geel, rood. Nee. Niet ook hier. Zwart voor ogen. Geel om goed na te denken, intelligent. Rood de kleur van het hart, de liefde, geluk. Grensoverschrijdend komt de oorlog nabij. Niemand die hem tegenhoudt. Waar is het leger? Waar bivakkeert de vrijheid? Verstopt diep in de nacht, ergens achter de bosjes schuilt de vrede. Boos en verontwaardigd. Gegijzeld, onteigend door demonen in mijn heilig ochtendwaken trek ik voorzichtig de gordijnen open. Een nieuwe dag komt binnen. Grijs en triest maar ondanks alles, toch hoopvol. Gisteren drukt nog na. De tijd loopt door, neemt me bij de hand. Geen ontkomen aan in verder gaan. Stroom, stroom, stroom.
Een amulet (29-03-2016)
Ik heb er geen plaats meer voor. Dat wil ik de handelaar duidelijk maken. Maar hij luistert niet. In de ban van verkoop is hij blind voor tegenargumenten. Voorargumenten heb ik trouwens ook niet. Alhoewel. Het zou me wel goed staan natuurlijk. Maar er is eenvoudigweg geen plaats voor. Hoeft ook niet, wil de handelaar me doen geloven. Ah, hij luistert dus toch. De kracht zit hem namelijk in het dragen. Waar, hoe, al dan niet zichtbaar, is van minder belang. Ja, ja. Maar geheel belangeloos is niets. Zeker in werelden waar economische principes de boventoon voeren. Zelfs in de woestijn.
De berber kijkt me nu recht in de ogen. Ik verdrink bijna in de donkere spiegels. Het lijken wel donkere vennen. Bodemloos lijkt de inkijk. Zou ik er een steen ingooien hij zou onmiddellijk zinken. Oneindig zinken. Alleen het zuigende geluid dat zou blijven klinken. Niet doen, denk ik dan. Trap en val er niet in. In deze donkere bodemloze put die smeekt. Koop mij? Koop mij? Ik doe het niet. Ik wil het niet. Nog een keer probeer ik met voorzichtige zingeving de berber in te laten zien dat er niets aan mij wordt verkocht. Kijk het vloekt met al mijn tattoes en piercings. Er is gewoon geen plek. Ik wil ook niet dat dat ding ergens achter blijft haken. Ik ben als de dood dat ik dan gewurgd zal worden. Het staat ook nog eens in mijn laatste horoscoop geschreven. Horoscoop? Horrorscoop kan ik beter zeggen. Geen horo maar horror wordt er over mij heen geroepen. Ik moet deze week oppassen voor verstikkende situaties. Ha, ha. En dat in de Sahara?
Het moet niet gekker worden. Ik kijk wel uit. Mijn vrouw probeert me nu langzaam weg te trekken van de handelaar. Ze voorziet een ongelooflijk dispuut. Nauwelijks de moeite van het bedrijven waard. Maar ik denk daar anders over. Wat denkt die berber wel? Hij probeert nog om me in te laten zien dat ik mijn geluk vergooi indien ik niet inga op zijn nobel bod. Ik hoef niet eens te onderhandelen. Af te pingelen. Dat doet hij wel. Straks krijg ik er nog gratis een kameel bij. Nee, lieve berber. Voor mij geen amulet.
30-11-2015
Columns van Harrie (November 2015)
IS en ZIJN / Verkeer / 03-11-2015
Ik ben op zoek naar het land van IS. Voorzichtig parkeer ik mijn TARDIS in een grote bak met zand. Het schijnt dat zand nogal kan opwaaien. Dat kan dan in de ogen vliegen. Mensen met zand in de ogen ogen verstrooid. Dat is wat zand kan doen. Verstrooien. Zeker in de grote zandbak waarin ik ben geland is dit aan de orde. Dagelijks. Aan mij de taak om de verstrooiing op te heffen. Een ijdele zaak, aldus mijn chef aan de Andere Kant. Hij heeft me dan ook veel succes gewenst.
Eerst maar eens de weg vragen. Ik zie een man met achter zich een raar groot harig beest en twee afgezakte bulten op zijn rug. Het beest dan. Zelf draagt de man een geruite doek op zijn hoofd. Vanwege de zon waarschijnlijk. Die is onnoemelijk heet in de woestijn. De zon dan. Hij heeft nog nooit gehoord van een land IS. Het komt niet voor in zijn geologisch vocabulaire. De man blijkt een wetenschapper te zijn, een wiskundige, een filosoof. Ik heb heel even moeite hem te verstaan. Moet vreselijk wennen aan zijn gebrabbel, dat van diep achteruit de keel naar voren rolt. Ik schakel voor de zekerheid mijn translator in.
De man is een musliman. Ik snap nu ook zijn gebrabbel. Hij vertelt nogmaals dat hij geen land kent dat IS heet. Hij kent het woord wel als een uitgang van het werkwoord ZIJN. Aha, naast wiskundige en filosoof ook een taalman. Alfa meets beta. Dat mag ik wel. We belanden in een interessante discussie over taal en wiskunde. De musliman draaft wel door merk ik. Dat is niet te zeggen van het harig beest achter hem. Die kauwt zich helemaal sappel met de ogen dicht. Het beest stinkt ook. Het ruikt bepaald niet aangenaam. Gelukkig staat er een windje en ik vraag de musliman of hij met het harig beest een kwart slag wil draaien. Maar daaraan blijkt de musliman een broertje dood te hebben. Aan draaien. Daar houdt hij helemaal niet van. Volgens hem is er maar een weg. En die is rechtdoor. Vreemde man. Hij heeft het ook voortdurend over een zekere Alla. De enige weg. Ik snap er niets van. Ik denk, alla, laat maar even gaan. Ik weet bij god niet waarover hij het heeft. Vast iets filosofisch.
In mijn oor krijg ik nu wat instructies ingefluisterd. Het interdigitaal contact met de Andere Kant bevalt mij geenszins. Mijn chef zegt dat ik alles met betrekking tot Alla even moet mijden omdat het tot zinloze discussie lijdt. Ik moet mijn eigen pad volgen en verder op zoek gaan naar IS. Ik neem afscheid van de musliman. Zeer tegen zijn zin in. Het harig beest achter hem spuwt gemeen op de grond. Raar stel, die twee.
Aan de horizon klinkt gedonder. Daar moet ik zijn. Het is een teken. Vast. Het land van IS schijnt in oorlog te verkeren. En waar donder en rook is daar is vuur. Omdat de horizon verder is dan ik dacht en niet in een fata morgana valkuil wil vallen besluit ik nog een stukje te reizen met mijn TARDIS. Al snel beland ik in strijdgewoel. Ik zie een hele hoop mannetjes in jurken en hoofddoekjes als bezetenen met hamers en bijlen indrukwekkend grote gebouwen bestormen. Grote torens slaan en hakken ze in puin. Gelijk zandkastelen storten ze in. De gebouwen dan. Ik vraag aan een van de mannen waar hij mee bezig is? Waar hij oorlog tegen voert? De man kijkt me verwilderd aan en antwoord fel.
Tegen Zijn. Ze voeren oorlog tegen ZIJN. Ze kunnen het niet verdragen. Al dat ZIJN. Ik begrijp er even niets van. Is dit dan het land van IS? Ja, dit is het land van IS. Het voert oorlog tegen ZIJN.
Het gaat mij nu even boven mijn pet. De muslimannen hameren en hakken oorlogszuchtig verder. De gebouwen van ZIJN houden niet lang stand. Op iedere ingestorte hoop zand plaatsen de muslimannen een grote vlag. IS. De enorme zandbak die zich voor mij uitstrekt staat er vol mee. Ik ben aangekomen in het land van IS. Een land vol grote witte wapperende windmolens. Zo lijkt het. Mensen kom ik niet meer tegen. Alleen maar lichamen en hoofden. Ik moet enorm huilen. Het zand is besmeurd met bloed. Ik begrijp nu ook ineens de verstrooiing. Hoe haal ik in vredesnaam het zand nu uit de ogen? Het zand uit de ogen van muslimannen die verkeren in blinde woede. Er is geen beginnen aan. Goede gesprekken helpen hier niet meer. De rede is in de woestijn allang vermoord. Hamers, bijlen, geweren en kanonnen regeren. Stukken mensheid zijn verdwaald. In tijd en zand. Zand- en landlopers, ze zijn op hol geslagen. Kon ik de gaten maar dichten in de zandlopers. Maar, helaas, ik heb alleen maar stenen van Sisyphos tot mijn beschikking. Geslepen zand glijdt tussen vingers. Ik kan alleen nog maar hopen, op vrede tussen IS en ZIJN.
Mijn TARDIS en ik worden terug geroepen naar de Andere Kant. Het is trop tard, non de dieu!
Brabants licht / Verkeer / 08-11-2015
Het is laat in de avond en al behoorlijk donker. Voor november ongekend warm. Het komt niet door de vreemde lichtobjecten die hier rond mij gloeien. Maar het blijft een vreemde gewaarwording. Al dat licht in november.
Ik ben op pad gestuurd door mijn chef. Hij werd geïntrigeerd door lichtflitsen die van de aardbal stuiterden. Een echte klus voor mij. Mijn TARDIS flink gas gegeven en in no time ergens midden in Brabant geland. De Brabantse kempen. Je moet er maar op komen. Ik moet altijd aan hanen en vechten denken, bij kempen. En een beetje aan boeren natuurlijk. Dat volgt als vanzelf. Gelukkig heb ik altijd goed opgelet bij aardgeschiedenis en wist ik van de hoed en de rand.
Daar liep ik dan vol verwondering. De stad waarin ik mij bevond liep leeg. Met aan boodschappentassen vastgeklonken mensen. Waar was ik ook alweer naar op zoek? Naar lichtflitsen gekatapulteerd richting ruimte, om precies te zijn, richting intergalactica. En ik vond ze. Maar pas na lang zoeken. Iedereen was het paadje kwijt.
Waar loopt nu toch die route? Die gigantisch mooie lichtroute? Dat was wat de mensen zich afvroegen. Ze zagen gewoonweg het licht niet meer. Waren het kwijt. Jarenlang liep het licht als lopend vuur over dezelfde weg. Maar nu niet meer. De kerk als centrum van licht dat zou een goed startpunt zijn geweest. De kerk die dit jaar, naar ik vernam, niet in 2 maar in 3D genomen was. Vanuit het treinstation had ik mij graag verrast willen zien. Maar dat was ook dit jaar geen optie. Er stond geen enkel lichtobject voor het station. Vreemd. Heel vreemd.
Architectuur en natuur waren de drijfveren die dit jaar lagen onder de route. De route? Over welke route hebben we het nu in hemelsnaam? Maar het werd me al snel duidelijk. Een plattegrond leidde me dwars door aaneengeklit, ongeduldig dringend mensenvlees, door stad, tuin en park. Op vele plaatsen was koek en zopie voorzien. Chic, dom en best lastig als je pakweg honderd mensen tegelijkertijd bij een pleisterplek, espresso wil serveren. Is daar over nagedacht? Nee. Dat doen we in het intergalacticum wel beter. Daar serveren we gewoon DE koffie. Een betere bestaat er niet. Gelukkig had ik een goedgevulde thermoskan bij me.
Nou, ik heb de lichtflitsen uiteindelijk gevonden. Het waren er veel. Heel veel. De indrukwekkendste gaf vuur. Echt vuur. Meters omhoog gezwiept door ventilatoren en benzine in een grote circuswand van plastic. Spectaculair. Daarvoor moest je wel eerst een bos betreden in de vorm van een kathedraal. De zijbeuken van het schip bleken warempel echte beuken. Knap hoe hier het huis van een lieve heer met licht tot leven werd gewekt. Helemaal filosofisch werd het bij de paardenbloemen van plastic. Naar ik mij liet vertellen waren er pakweg 70.000 plastic flesjes aan gespendeerd. Eerst gefileerd en daarna zorgvuldig uit elkaar geknipt, daarna in het licht gezet. In bolvorm op een stokje. Mooi. Ik kan niet anders zeggen. Maar dat onze chef daar nu wakker van ligt is mij een raadsel.
Langs het water in het park schoot ik even vol van lichtgolven. Ze spiegelden in het water en maakten iedereen stil. Het vormde een brug in stilte tussen alle aanwezigen. Dan maak je indruk. Op publiek en op het gemoed. Ook deze lichtflits was niet besteed aan mijn chef. Heb er toch maar een foto van gemaakt. Ter inspiratie. Streepjes licht voor en achter in vierkante vlakken hangend tussen bomen riepen herinneringen op aan oude televisies en testbeelden. Nachtelijke regenbogen maar dan horizontaal. Het geklapper van de linten gaf het licht een nieuwe dimensie. Het prikkelde aangenaam in ogen en oren. Die aardlingen wisten toch wel van wanten. Dit wist mijn chef zeker te waarderen.
Tot slot het klapstuk voor het stadhuis. Mocht je niet op vakantie kunnen naar zonnige oorden dan is een bezoek absoluut aan te bevelen. Op het plein is een raamwerk van exotisch wandtapijten van licht opgetrokken dat de vormen aanneemt van een Oosterse stad. Een feestelijke sfeer wordt gecreëerd door een Brabantse crooner die zijn tophit vertaald hoort in alle talen van de wereld. Wet twintig minuten lang. Ja, ik weet het, het is een lange zit. Maar daarna weet je voor eeuwig, in Brabant daar brandt nog licht.
Met een gerust hart nam ik afscheid van de lichtshow en meldde mijn chef het goede nieuws. De lichtflitsen waren allen zeer milieuvriendelijk en roerend en duurden nog slechts zeven nachten. Wie ligt daar nu wakker van? Aldus sprak Dr. Glow.
Tumbleweeds / Verkeer / 16-11-2015
Het zand waait door mijn ogen en ik probeer de trein te volgen. Een bijzonder vervoersmiddel in een woestijn. Zorgvuldig wordt de trein geïnspecteerd door een vrouw op een kameel. Zij is op zoek naar wat. Wat is niet onbestemd. Iedereen is wel op zoek naar wat.
Ik ben op een bijzondere missie en mijn chef wil dat ik direct rapporteer. Hij is zeer geïnteresseerd in het wat. Niet in het waarom. Dat vindt ie veel minder interessant. Het wat daar draait het om. Dat heeft te maken met zijn onbedwingbare behoefte aan duidelijkheid en directheid. Een diep intens consumptief verlangen. Zo noem ik het. Ook het wie vindt hij nauwelijks interessant. Hij wil weten wat er speelt, niet wie en waarom? Ja, ik weet het, ik heb een vreemde chef. Een tumbleweedje, noem ik hem wel eens schattig.
Het zandcentrum bevindt zich op moeder aarde. Dit keer in geslepen vorm. Vervelend spul dat zand. Met verstrooide ogen speur ik de einder af. Ik draag een folder bij me van de Efteling. Mijn chef vertelde mij dat de aarde een groot pretpark is en duwde mij vlak voor vertrek een folder in de handen. Het mooiste en beste pretpark van moeder aarde. Daar moet ik het mee doen. Als richtingwijzer. Ik sla de folder open op bladzijde dertig en zie een sprookjesbos voor mij. Een fakir die door de lucht zweeft op een vliegend tapijt. Vreemd heel vreemd. Moet ik daar naar op zoek?
Aan de einder van de zandbak waarin ik mij bevind zie ik nu ook een fakir rondzweven. Zijn tulband trilt los op zijn hoofd en ontspint zich als een grote vlag. Die wappert blauw, wit en rood door de lucht. De kleuren wapperen in de verkeerde volgorde. Althans, volgens mijn folder van de Efteling. Toch?
Een huilende kameel staat plots achter mij. Hij weent zoute zandtranen. Op de kameel zit een vrouw met een grote filmcamera. Zij maant mij even stil te staan. Ze kijkt gefascineerd naar mijn kleurrijke sjaal. Ik vraag haar waarom de kleuren die als een vlag boven de horizon waaien in de verkeerde volgorde staan. Hoezo verkeerde volgorde? Ik geef haar mijn folder. Ze begint te lachen.
De kleuren van de vlag in de folder wapperen boven elkaar en niet achter elkaar, zo legt ze uit. En ook nog eens omgedraaid. Dat is de reden van mijn verwarring. De kleuren in de lucht staan voor vrijheid, gelijkheid, broederschap. Van links naar rechts, in die volgorde. Blauw, wit en rood. In de folder ligt de broederschap bovenop de gelijkheid. Bijna verstikkend. De gelijkheid duwt de vrijheid dan weer compleet tegen de vlakte. Ik probeer het te verbeelden en moet nu ook lachen. Van links naar rechts duwt de vrijheid de gelijkheid richting broederschap, dat is veel fijner.
Aan de einder zie ik de fakir nu van zijn kameel vallen. Spiernaakt loopt hij op ons af. Hij geeft zich volledig bloot, wat best raar is voor een fakir. Meestal houden deze zich gehuld in groot mysteries. Maar deze niet. Hij lijkt lichtelijk in paniek te verkeren. Ook al vreemd. Meestal is een fakir de rust zelve. Ga heen, ga heen, roept ie ons toe. Ga heen. Waarheen vraag ik me af. Naar wat? Waarom en naar wie laat ik even aan me voorbij gaan. Op advies van mijn chef.
De vrouw met de filmcamera is weer op haar kameel gestapt en filmt de fakir in vol ornaat. Dat gaat tegen zijn religie in en snel houdt hij zijn handen voor zijn heiligdom. Helaas kan hij nu niet meer gebaren. Ik versta dan ook niets meer van wat hij zegt. De vrouw op de kameel lijkt niet meer bij te komen van het lachen. Ik ga er vanuit dat het op een of andere manier lachwekkend is wat de fakir verkondigt. Hij lacht nu ook. Zijn tanden bloot. Mooi.
Tumbleweeds rollen intussen keihard door de woestijn. Zij zijn op dit moment mijn enige richtingwijzers. Zij laten achter wat niet nodig is en nemen alleen datgene mee dat noodzakelijk is, voor een goede reis. Symbolisch dan, heel Zen. Moeder aarde verkeert in Zen, aldus de laatste berichtgeving die ik binnen krijg via radio Galactica. Alle windrichtingen schijnen er baat bij te hebben. Bij Zen. Eveneens de regio’s die eraan verbonden zijn. Maar van welk standpunt uit gezien dan? Vanuit het centrum? Vanuit de buik? Vanuit de buik. Dan is het goed.
Ik neem afscheid van de fakir en de filmvrouw. Zij hebben elkaar gevonden. En ik, ik ga verder met mijn missie. Op zoek naar wat. Wat waar is. Want wat is altijd waar. Dat rapporteer ik naar mijn chef. Wat is daar, waar wat waar is. Tastbaar. Dat vindt hij fijn. Voor luttele nanoseconden ben ik heel even zijn wie en waarom, ook al boeit hem dat niet, blijvend op zoek naar wat. Voortdurend op reis, onrustig en speels, als een tumbleweed. Stuiterend in het zand en zuigend als een spons. Nieuwe ervaringen stromen binnen. Ze vullen mijn verse reiskoffers met luchtspiegelingen en zandkastelen. Ik weet niks. Gelukkig maar. De fakir lacht. De vrouw filmt.
Stof tot nadenken / Verkeer / 22-11-2015
Ik land met mijn TARDIS op een nieuwe planeet. Mijn chef van de Andere Kant had hem gespot en ik mag op verkenning uit. De planeet is niet rond. Althans niet volgens het plaatje onder de microscoop. Onder de microscoop? Ja, onder de microscoop. In de minimicros tussen glasplaatjes heeft mijn chef nieuw leven ontdekt.
Leven? Wat is leven? Iets met pootjes, iets wat beweegt? Zwemt, vliegt, loopt of kruipt? Iets met organen, een hart, longen? Of iets met een ziel misschien? Plant, dier, ding? Happend naar zuurstof of andere ijle gassen? Iets met honger? Naar eten of avontuur?
Ik wil het hem allemaal vragen. Maar geen tijd. Er is haast geboden. Wat mijn chef tussen de glaasjes spot maakt hem erg ongerust. Ik twijfel heel even aan zijn gezondheid. Zijn ongerustheid is apert en latent. Het vreet aan hem en vraagt om nader onderzoek. Het gaat tot op zijn bot. Dat is niet goed. Het snijdt dwars door zijn vlees. Roze. Wordt dun, haast vloeibaar. Spam!
De micros tussen de glasplaten is nogal zweverig. Met niets te vergelijken. Al mijn kennis en ervaring verdwijnen in een groot gat en worden betekenisloos. Hoe maak ik hier verslag van? Hoe duid ik wat ik zie? Beschrijven lijkt nu verschrikkelijk ouderwets. Ik kan het opnemen met mijn Galacticus 7.0, maar wat zie ik dan?
Tussen de glasplaatjes verlies ik al het begrip en besef van ruimte. De TARDIS en ik worden opgenomen in een vreemd soort vacuüm waarin het moeizaam bewegen is. De lucht, voor zover daar sprake van is voelt plakkerig en stroef. Het kleeft aan mijn ruimtepak dat ik voor de zekerheid toch maar even heb aangetrokken. De helm knelt op mijn hoofd. Is mijn pak gekrompen of ben ik gegroeid?
Eerst maar even verkennen waar de begrenzing van deze bijzondere minimicros ophoudt. Niet dus. Eindeloos lijkt hij. Tenzij ik rondjes loop. Is ie dan toch rond? Begrensd? Als een punt? Aangezien ik niet kan duiden wat ik zie met fysieke middelen, ogen, oren, huid, mond en neus, besluit ik mijn omgeving te verkennen met verstand en gevoel. Vaag. Ik weet het. Maar nood breekt wet. Ik bedenk en voel dat de micros waarin ik mij bevind niet echt vriendelijk is. Vierkant vijandig eerder.
Iets heeft mijn chef aangetrokken in deze minimicros maar wat? Het is zaak dat ik het snel vindt. De glaasjes lijken steeds harder te drukken op de vloeistoffen en gassen die ook nog eens in rap tempo lijken te stollen en vervliegen. Veel tijd heb ik niet meer. De verbinding met mijn chef, die ik via de oortjes van mijn Galacticus 7.0 heb, is dun. Heel dun. Ik heb nog vijf minuten. ‘Ga naar rechts’, hoor ik in mijn oortjes.
En daar vind ik dan eindelijk de sleutel, de code van het mysterie van deze maffe micros. Een getallenreeks. Hoe kan het anders? Nu begrijp ik ook de fascinatie van mijn chef. Hij denkt dat alles is op te lossen met nulletjes en eentjes. Ik denk daar anders over. Een en nul, in de juiste volgorde achter elkaar gezet, is altijd nog tien. Van een tot tien tellen geeft mij de tijd om de code te decoderen. Er bestaat duidelijk meer tussen hemel en aarde, tussen een en tien.
Ik pak mijn tienzijdige dobbelsteen, gooi en gok. Zeven. Wedden? Ik hoor in mijn oortjes mijn chef keihard lachen. Tien! Een dubbeltje op zijn kant. Wie niet weg is is gezien.
Ik zit weer in mijn TARDIS en ben een behoorlijk stuk van mijn reis en onderzoek kwijt. Gelukkig heb ik nog de beelden op mijn Galacticus 7.0. Beelden hebben altijd gelijk. Nu maar hopen dat de beelden te duiden zijn. Tussen de glasplaatjes zag het er allemaal maar vaag en onduidelijk uit. Beklemmend ook. En dat kwam niet alleen door mijn helm. Eigenlijk zag, hoorde, voelde, proefde en rook ik helemaal niets. Was er dan wel iets tussen de glasplaatjes? Ja. Stof tot nadenken. Dat rapporteer ik naar mijn chef. Maar of ie daar blij mee is? Ik betwijfel het. Het is vast niet wat ie zocht. Mijn chef vangt dit keer bot, spambot, roze. Voortaan moet ie maar een goed geoutilleerde whizzkid mee op pad sturen. Als stagiaire. Mijn oude wiskundekit volstaat niet meer, laat staan mijn TARDIS.
In de ban van hoge torens / Verkeer / 26-11-2015
Zweven is het liefste dat ik doe. Sterker nog, ik heb er mijn beroep van gemaakt. Heel aards. Want daar komt de term beroep vandaan. Er wordt vaak een beroep gedaan op mijn vakkennis. Als meesterzwever heb ik al heel wat erkenning verdiend. Het liefste zweef ik in situaties en ruimtes die een twijfelachtige geschiedenis kennen. Dat is mijn specialiteit. Dubbelheid een plek geven. Ambiguïteit klaren. Ik doe dat lang niet altijd beroepsmatig. Nee, het is tevens een hobby. Ook al zo´n aards woord. In de spaarzame vrije tijd die ik heb doe ik vaak de meest interessante ontdekkingen.
Dan vlieg ik met mijn TARDIS door de ruimte en laat me inspireren door mysterieuze zaken. Afgelopen week raakte ik volledig in de ban van torens. Eerst vloog ik langs het midden van de aarde. Een prachtige toren lokte mijn aandacht. Hij gloeide fier in de juist ondergaande zon. Dat zag ik goed, waakzaam zoals ik altijd ben. Vlak voor de toren zag ik een naambord staan. Minas Anor stond erop. Doorgestreept. En vlak daarachter stond geschreven, Minas Tirith. Alsof de eerste naam niet goed was. Dat zie je ook wel eens op aardse toiletten. Doorgestreepte namen. De namen stonden geschreven in graffiti-schrift. Toen de zon was ondergegaan hulde ik mij heel even in duister. Maar niet voor lang. Plots verscheen aan het linkerraam van mijn TARDIS nog een toren. Het was blijkbaar mijn lucky day.
Deze toren was van een geheel andere orde. Hij verrees voor een prachtige wassende maan. Als een duvel uit een doosje. Het leek wel black magic. Ook hier zag ik een naambord staan voor de toren. En ook hier weer twee namen waarvan eentje doorgestreept. Minas Morgul en Minas Ithil. De eerste naam was doorgestreept. Ik beschik niet over een talenknobbel maar voor mij was wel duidelijk dat Minas moest staan voor toren. Maar waarom waren nu de namen doorgestreept?
Ik vloog verder met mijn TARDIS, nog nagenietend van wat ik zojuist had gezien. Ik begaf me nu boven een rotsachtig woestijngebied. Mijn boordcomputer gaf Jordanië aan. Mijn oog viel wederom op een vreemde toren. Hij stond fier omhoog, midden op Petra. Conway stond er bijgeschreven, op een naambord. Dit keer een bord zonder doorgestreepte naam. Was ik verdwaald? Bij mijn weten lag Conway in Wales. Ja, ik had goed opgelet bij aardgeologie. Weet je wat? Ik check het even. Onderweg bleef ik bijna haken achter een brug. Een brug tussen twee torens. Een van de torens maakte ontzettend veel lawaai. Staccato sloeg een klok met een ontzettend grote klepel de tijd. Acht uur. Tijd om weer eens naar huis te vliegen.
Ik besloot om over de grote oceaan, richting het westen naar huis te gaan. Ik wist dat daar ergens aan de overkant ooit twee torens hadden gestaan die een merkwaardige geschiedenis kenden. Niemand wist wat er precies gebeurd was met die torens. Ik noemde ze altijd voor de gein, de tweelingtorens. Omdat ze zo dicht bij elkaar stonden en als twee druppels water op elkaar leken. Hoewel de ene wel wat hoger was dan de andere. De torens waren zo sterk met elkaar vervlochten dat ze elkaar ook altijd imiteerden. Droeg de ene een vlag, dan moest de andere ook een vlag hebben. Vloog er tegen de ene toren een vliegtuig, dan vloog er tegen de andere ook een vliegtuig. Op een of andere manier had de architect van de torens de vliegtuigongelukken voorzien. Dit pikte ik op tijdens een interessant college aardbouwkunde. Daar werd verteld dat hoge torens die in extreem dichtbevolkte gebieden worden gebouwd altijd voorzien zijn van explosieven. Mocht een hoge toren dreigen in te storten (om welke reden dan ook), dan gaan bij een zeker break-even-point, automatisch de explosieven af. Dit ingenieuze systeem is gepatenteerd door Alcada, een hightechbedrijf gespecialiseerd in toepassingen van explosieven. Nadat de vliegtuigen in de tweeling waren gevlogen zijn de torens keurig ingestort. Hetzelfde gold voor de omringende gebouwen. Het blijven toch slimme mannetjes, die architecten. Ik wilde op de terugreis even kijken hoe ver de aardlingen nu waren met de herbouw. Busjes van Alcada stonden op het plein. Die verdienden natuurlijk weer goud geld.
Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.
Abonneren op:
Posts (Atom)