Posts tonen met het label nicoles. Alle posts tonen
Posts tonen met het label nicoles. Alle posts tonen

30-03-2017

Schuurprobleem vraagt om oplossing

In mijn hoedanigheid als mens schuurt het soms een beetje. Zowel thuis als op vakantie. Op mijn werk heb ik er nooit zoveel last van. En tijdens het uitoefenen van mijn vele hobby’s ook niet. Het schuren bedoel ik uiteraard overdrachtelijk. Niet in zijn ware betekenis. Ik ben geen schuurspons noch van papier. Mijn omgeving heeft er thuis en op vakantie ook best last van. Dat vind ik nog het ergste van het schuren. De uitwerking die het heeft. Pillen heb ik aan de dokter nog niet durven vragen. Ik durf geeneens naar de dokter. Waarom heb ik er nu vooral thuis en op vakantie last van? Dat is wat ik me afvraag. Als ik dat nu eens kon achterhalen.

“Waarom ga je niet lekker vissen?”, stelt Hannie, mijn vrouw voor.

Ze is dat duimengedraai meer dan zat, zei ze gisteren. Het ergert haar dat ik zo om haar heen schuif de hele tijd. Ik denk er serieus over na. Wil ik vissen? Nee, dat wil ik niet. Maar wat wil ik dan wel? Dat is de vraag die nog het meest schuurt.

“Je gaat morgen”, deelt Hannie mee nadat ze de was buiten heeft opgehangen.

“Wat?”

“Nou, vissen. Ik heb Wim Napels al gebeld. Die zit zijn vrouw ook zo vreselijk in de weg.”

Mooi is dat, niet alleen word ik mijn eigen huis uitgezet om te gaan vissen, nu moet ik ook nog mee met Wim Napels. Over schuren gesproken.

“Hoi Wim.”

“Morgen Sjors.”

“Bijten ze al?”

“Nee, ze zijn stuurs vanochtend.”

“Pilsje?”

“Ach, waarom niet!”

“Proost!”

“Proost!”

De vissen willen maar niet happen. Nog niet.

“Wat ik jou eens wil vragen Wim, schuurt het ook wel eens bij jou?”

“Regelmatig Sjors, hoezo?”

“Ach, zo maar, en waar schuurt het dan bij jou!”

“Nou, meestal thuis en op vakantie?”

“Je meent het, heb ik ook!”

“Joh!”

“Op mijn werk en tijdens mijn hobby’s heb ik er nooit last van.”

“Ik ook niet!”

“Hoe zou dat nou toch komen? Dat vraag ik me nu af?”

“Verrek, nu je dat zo benoemt, Sjors, ben ik eigenlijk ook wel nieuwsgierig naar hoe dat kan.”

“Had jij zin in vissen vanmorgen, Wim? Eerlijk zijn hè?”

“Nou, eigenlijk niet zo. Maar mijn Marga zei dat jij met je kop al in de strop zat, dus moest ik wel mee.”

“Met mijn kop in de strop? Hoe komt ze daar nou bij?”

“Wat dacht je te maken van jouw Hannie?”

Het blijft even stil. Wim zwijgt en ook ik denk na. Het water in de sloot rimpelt opeens. Het ziet er naar uit dat Wim toch beet heeft. Hij heeft het alleen zelf niet in de gaten. Ik zie de vis met zijn onnozele bolle ogen omhoog komen om, nog voor ik iets kan uitbrengen, vervolgens met hengel en al weg te zwemmen.

“Wim! Wim! Wat doe je nou?”

Wim duikt het water in achter zijn dure Shimano Tribal Ultra A. Hij is pas nieuw. De karper die eraan hangt heeft er lak aan en geeft gas. Een komisch gezicht. Een spartelende Wim (zwemmen heeft ie nooit echt gekund) achter drie meter zestig centimeter hengel, zes meter lijn en een lepe grote vis. Hij is fors de karper. Sjors twijfelt. Wim kan echt niet goed zwemmen. Erachter aan dan maar. Maar niet voordat Sjors zijn kleren netjes op een stapeltje langs de kant heeft gelegd. Zijn rode Björn Borg houdt ie aan.

Het water is koud. Hoe lang is dat meer ook alweer? En komt het niet uit in zee? Wim houdt het langer vol dan Sjors denkt. Maar karpers houden toch niet van zout water? Die zal toch wel stoppen zo meteen? Duizend vragen tollen in Sjors zijn hoofd. Wim heeft geen enkele vraag. Hij krijgt niet eens de kans om stevig te vloeken. Ieder spatje lucht heeft hij nodig om de flinke karper bij te benen. Het gehijg en gespartel achter de vis maakt de karper niet bepaald rustiger. Sterker nog. Hij geeft nog eens extra gas. Ook Wim zet nog een tandje bij.

Wim doet een wilde greep naar zijn dure hengel, en verhip, hij heeft hem! Maar het feit dat de hengel ‘gevangen’ is, wil niet zeggen dat het zelfde geldt voor de wilde karper, die nog altijd zwemt voor zijn leven. Enne, zwemmen kan ie. Met wilde bokkensprongen springt de recalcitrante vis alle kanten op, met de hengel en Wim daaraan vast, erachteraan. Het is een doldriest plaatje. Het lijkt er eigenlijk meer op dat Wim door de vis is gevangen in plaats van andersom. Geen van beiden, Wim noch vis, is van plan om op te geven.

“Je moet die karper een naam geven Wim, dat helpt. Kunnen die beesten moeilijk tegen, dan geeft ie wel op.”

Wim begint te piepen, te weinig lucht, alleen hoge tonen komen er nog uit.

“Hi … hi … hi … hoe dan?”

“Harpo … Ik zou hem Harpo noemen Wim.”

“Hi … hi … hi … Harpi … Harpi … Harpoooo … Laat los!”

Eureka! Karper Harpo laat los.
Wim draait zich op zijn rug. Effe drijven. Hij kan niet meer. Het had niet langer moeten duren.

“Ik haal hem wel binnen Wim, blijf maar effe liggen, vasthouden die hengel!”

Met flinke krachtsinspanning trekt Sjors hengel Shimano, inclusief karper Harpo al watertrappelend naar zich toe en wikkelt deze in de zes meter draad. Die kan geen kant meer uit. Gelukkig was Sjors in zijn jonge jaren Lifeguard, wat nu goed van pas komt. Al rugzwemmend, met links in zijn hand hengel Shimano en pakketje Harpo, en rechts in zijn hand Wim, keert Sjors terug naar lager wal.

En dan begint karper Harpo plots te praten.

“Zeg, jullie hebben toch beiden een probleem met schuren, niet? Jij en Wim?”

“Zeg jij dat nou, Harpo? Of zat er wat in het zeewater?”

“Ik heb het ook gehoord, Sjors. Dat was beslist geen Spaans.”

Harpo lacht. Een vreemd gezicht is het wel, een lachende vis.

“Ik weet alles van schuren,” schept hij op, ”als jullie mij niet opeten beloof ik jullie dat te vertellen.”

“Wat weet jij nou van schuren? Op vakantie en thuis? Je bluft,” zegt Wim geërgerd.

“Oh ja, bluf ik? Hoe weet ik dan dat jouw vrouw Marga heet?”, vraagt Harpo, “en die van Sjors Hannie?”

“Hoe weet die vis dat allemaal?”, vraagt Wim een beetje bang. De vis schudt met zijn staart.

“De naam is Harpo. James Harpo.”

” Misschien moeten we die vis toch vertrouwen, Sjors, wat vind jij?”

“Prima Wim, laten we maar eens horen wat Harpo te zeggen heeft.”

“Oké dan, vermits ik niet beland in de koekenpan! Het antwoord op jullie schuurprobleem is heel simpel. Thuis en op vakantie denk je dat het mag, misschien wel moet. Schuren. Op je werk en tijdens hobby’s kan het eenvoudigweg niet. Het is niet gepast. Het zijn mensen die je dagelijks, wekelijks ontmoet. Dat vraagt om gepaste afstand. Toch? Ga dan ook nooit dichtbij koffieautomaten en kopieerapparaten staan. Heel gevaarlijk. Uitdagende situaties liefst mijden. Kijk met je partner thuis schuren, daar is niets mis mee. Op vakantie met wildvreemden die je daarna nooit meer ziet, hetzelfde verhaal. Maar op je werk en tijdens hobby’s. Niet doen! As simpel as that!”

“Verrek Wim, die karper weet van wanten, dat is het natuurlijk, dat we daar niet zelf opkwamen.”

“Ik zal het jullie ook demonstreren”, gaat Harpo verder. “Maar denk eraan, mij niet opnieuw vangen dan, nooit meer.”

Harpo floept rechtop en stuitert op zijn staartpunt richting Sjors. Hij begint gigantisch tegen diens linkerbeen te schuren. Wim weet niet wat ie ziet en begint keihard te lachen. Sjors schopt van schrik en verbazing Harpo linea recta het water in.

“Harpo! Kom terug!”, roept Wim. Maar die laat zich niet meer zien.

“Goh”, zeg ik, “ik wist niet dat vissen zo enerverend kon zijn. Jij?”

Wim staat aan wal naar het water te kijken. Hij lijkt haast wel een vis op het droge.

“Hoe kon je Harpo nou laten wegglippen?” Zegt hij teleurgesteld.

“Wegglippen? Jij hield hem ook niet tegen!”, roep ik verontwaardigd.

Er klinkt een vreemd langgerekt piepend geluid, steeds harder en harder. Wat is het toch, dat geluid? Dan opeens weet ik het. De wekker. Het is de wekker. Mijn vrouw hangt boven me als ik mijn ogen open. Natuurlijk heb ik gedroomd. Want pratende vissen genaamd Harpo bestaan toch zeker niet?

“Je was zo diep in slaap,” zegt Hannie, ”misschien wel door je visavonturen met Wim. Jullie hadden het over ene Harpo. Gaan jullie vandaag weer?”

Co-column geschreven door NicoleS en Mien

29-03-2017

Het kleine geluk van klikoman Piet Metselaar

De man was rond de veertig. Dat vond hij bezwaarlijk, niet zozeer vanwege de voortschrijdende jaren, dan wel vanwege het feit dat hij niets noemenswaardigs bereikt had. Hij wierp een blik in de spiegel. Zijn evenbeeld beviel hem evenmin. Hij zag een slap pafferig gezicht, met loensende bruine ogen. De dunne haren waren grijzend. Als die van een grijze iele muis. Hij wilde verschil maken. Om het even hoe. Kon hij maar zingen, of schilderen of desnoods goed koken. Helaas, hij kon niets van dit alles. Hij was vuilnisman. Meer niet. Vijf dagen per week kliko’s legen. Het was om te huilen. Maar nu had hij een man gezien op televisie.

Don Stone Hilton, heette de man. Hij werd geïnterviewd bij De Wereld Draait Door. Een beroemde schrijver. Normaal keek Piet Metselaar nooit naar De Wereld Draait Door, maar nu was hij getipt door zijn beste maat Ties Dorus. Die volgde sinds kort een cursus ‘Schrijven voor beginners’. Ties was daar helemaal lyrisch van geworden en had Piet getipt.
“Kijk vanavond naar De Wereld Draait Door, daar worden beroemde schrijvers besproken. Adriaan van Dis interviewt Don Stone Hilton.”
Piet was bijna gestikt in zijn boterham met leverworst. Don, Dis, De Wereld Draait Door? Waar ging dit over? Was Ties nu helemaal doorgedraaid? Zijn held? Waar hij het klikolegen van had geleerd? Nee!

Hij moest en zou een plekje vinden in dat publiek. Deze man wilde hij zien, voelen, snuiven, indrinken. Alsof hij zodoende Don’s talent en skills kon absorberen. Een telefoontje naar de redactie bleek voldoende. Dus toog hij, gehuld in het enige knappe pak dat hij rijk was, naar de studio. Hij was best nerveus. Piet Metselaar, de klikoleger, zou zijn idool Don Stone Hilton van nabij aanschouwen.
Iets verderop zat een man. Luid schaterend vertelde hij zijn toehoorders over zijn vak. Jawel, een vak. Okkie Durham was namelijk meesterinbreker, en dat was een vak.

“Ik heb zijn laatste manuscript gestolen”, liet Okkie het publiek weten. “Alleen weet hij het nog niet. Hij gaat het straks bespreken met Matthijs. Dat wordt lachen. Let maar op!”
Met een grote glimlach trok hij een pak papieren uit zijn zwartleren tas die naast hem stond en zwaaide ermee boven het hoofd. Een echte boeventas. Piet had met zijn scherpe metselaarsoog gezien dat er nog andere zaken in de boeventas zaten. Daar schrok ie toch wel even van. Was het …? Nee.
Snel drukte Piet zijn gedachte weg. Het publiek reageerde verbaasd en enthousiast. Het laatste manuscript van de beroemde schrijver Don Stone Hilton? Dat kon niet waar zijn.
“Staat er een titel op?”, schreeuwde iemand uit het publiek.
“Jazeker”, riep Okkie, “The last journey of Phaedrus. En ja het is een vervolg.”
Kreten van verwondering klonken door de ruimte. Daarna grote stilte.

Piet stond op. Zijn knieën bibberden, waardoor zijn benen op trekdroppen leken. De meesterboef zag hem staan en trok een wenkbrauw op.
“Had je wat?” Vroeg hij, met een spottende twinkeling in zijn ogen.
Een moment lang zag Piet zichzelf door Okkie’s ogen. Een onbeduidend mannetje, in tweedehands pak, gevonden tussen de vuilnis, met een vaal gezicht en zielig postuur.
“U kunt dat niet maken,” stotterde hij toch moedig.
De boef grinnikte.
“Hoezo kan ik dat niet? Het is maar een grapje.”

Wat een flauwe grap, dacht Piet. Hij wist niet goed raad met de situatie. Een situatie die hij zelf had gecreëerd. Hij was immers opgestaan en had gereageerd op Okkie. Nu kende hij op zijn werk ook wel wat boeven, witteboordcriminelen noemde hij ze, maar dit soort boef had Piet nog niet eerder ontmoet. En hij wist, of vermoedde wat Okkie in zijn zwartleren tas had zitten. Als dat waar was? Beter zou hij verder niet reageren en ging weer zitten.

Maar dat vond boefmans niet oké. Die bukte zich naar de tas, borg het manuscript erin op en trok vervolgens een vreemd apparaat uit zijn tas. Wat was dat nu voor een vreemd ding?
Angstkreten klonken door de ruimte en het publiek baande zich hals over kop een weg richting uitgang. Complete chaos. Stoelen vielen om.

In een spontane reactie was Piet weer rechtop gaan staan.
Daar stonden de twee, tegenover elkaar. Als twee cowboys in een Western. Okkie met het vreemde ding in zijn hand en Piet met lege handen.

Dit was zijn kans. Het moment om te ontstijgen aan het laffe, onbeholpen kereltje dat hij altijd was geweest.

Okkie knikte waarderend.
“Dus jij blijft staan,” zei hij, klakkend met zijn tong, “ben je dan niet bang?”

Piet wilde ontkennend antwoorden, maar de waarheid was dat hij te bang was geweest om een stap te verzetten. Sommige mensen handelen bij een crisissituatie, anderen bevriezen. Hij behoorde tot de laatste groep. Toch wilde hij zich niet laten kennen tegenover die enge meesterboef en dus lachte hij als een boer met kiespijn.

“Ik ben niet bang. Schiet maar.”
Okkie lachte. Het was een kakelende onaangename lach, die hem de rillingen op het lijf bezorgde.

“Schieten? Man waar heb je het over?” Stootte de inbreker uit.

“Nou, met dat ding, dat is toch om mee te schieten?”
Okkie kwam niet meer bij van de lach.
“Schieten? Schieten? Met een typemachine?”

Verhip, nu zag Piet het ook. Hij had de rare metalen returnhengel aan het vreemde apparaat aangezien voor de loop van een geweer. Dom, dom, dom. Hij had zich ook al afgevraagd hoe je met zo’n lomp ding kan schieten.
Maar waarom was het publiek dan weggerend? Door de situatie natuurlijk? Een dreigende situatie met een maffe boef. De typemachine werd natuurlijk aangezien voor een bom. Bom? Bom? Zou de typemachine een …? Nee!

“Is het een soort bom?” Liet Piet zich ongewild ontvallen.
Okkie keek hem scherp aan.
“Zeg, wat denk jij nou? Ik ben een INBREKER, ja? Ik houd niet van geweld. Nog NOOIT heb ik iemand bedreigd of van het leven beroofd. Hoor je me?”
Hij kwatte op de grond en keek Piet weer fel aan.
“Mijn vak is KUNST man. KUNST. Alleen al het juist kleden voor een kraak is kunst te noemen. Dan de route te plannen, het jezelf klein en onzichtbaar maken. Dat vereist kennis en souplesse.”
Zijn stem stierf weg. Hij nam Piet van boven tot onder in zich op.
“Jij zou het kunnen, weet je,” sprak hij toen nadenkend, “je bent tenslotte onopvallend genoeg.”
Piet zette grote ogen op.
“Wie? Ik?”

“En nou is het genoeg geweest Marc-Marie, zit je nu weer de show te stangen? Niet leuk!”

Daar stond ineens midden in de arena die De Wereld Draai Door heet, gouden leeuw Matthijs. Hij schudde driftig met zijn nepmanen.

“Vandaag is Dis aan de beurt, dat weet je toch? We hebben vandaag Don Stone Hilton op bezoek. Morgen mag jij weer de tafelheer zijn. Dus berg die typemachine nu maar weer op. Je maakt het publiek én de gasten alleen maar bang. Niet doen Marc-Marie, mislukte clown. Ga zitten.”

Piet Metselaar wist niet meer hoe die het had. Morgen stond hij weer gewoon kliko’s te legen, maar nu, nu was hij deel van een geheel andere show. Een liveshow. Wat een fanfare. Hij zou het zijn leven lang niet meer vergeten. Met dank aan zijn beste maat Ties Dorus en Okkie Durham (alias Marc Marie Huidenhuigrechts).
En dan moest Don Stone Hilton nog optreden, Piet’s favoriete schrijver. Piet’s geluk zou nooit meer opgaan. Zo zie je maar. Zelfs het geluk van een schlemiel van rond de veertig had zo zijn mooie kanten. Hoe bizar!

Co-column geschreven door NicoleS en Mien

09-08-2016

Apenstreken op Ibiza

Ik heb wahaanzinnig genoten met wat harige soortgenoten van een dagje languit liggen op het gouden strand in Ibiza. De zon scheen zoals ie nog nooit geschenen had en de zandvlooien hadden gelukkig een rustdag. Helaas stonken de half vergane kwallen in de branding wel een uur in de wind. Het deed ons besluiten om het maar weer eens wat hogerop te gaan zoeken, zeker ook omdat Thomas zijn broek vol had van paprikachips. Zijn buik klotste terwijl hij onderweg een aanloop nam voor een flinke sprong op het drillende vlees van een afgedwaalde rottende kwal.

Wat Thomas niet wist was dat de kwal nog leefde, rottend weliswaar, maar bij leven en vreselijk stinkend uit zijn bek. De kwal zette zijn stekel al verontwaardigd klaar. Waarom moest zo’n jong hem op een delicaat moment bespringen? Net op tijd zag Thomas kwal’s gevaarlijke vlaggenmast en draaide snel zijn harige rug richting stekel om zich eens goed te laten krabben. De overdadig behaarde rug verdiende een goede kambeurt. Wat beter dan de stekelige stekel van een kwal te gebruiken?
Dylan en ik wisten genoeg, dit ging lang duren, dus besloten we van de gelegenheid gebruik te maken; ook wij waren wel toe aan een flinke vlooibeurt. Al die harige ruggen, het werd de arme kwal jammer genoeg wat te veel. Hij spatte dan ook met een gigantische knal uit elkaar.

‘Thomas, Dylan, tijd om te gaan, waar gaan we naartoe, hebben jullie een idee, ik wil wel naar het casino!?’

‘Jaah, goed plan. Maar hoe komen we aan geld? Het statiegeld op de flessen levert vast niet voldoende op,’ sprak Thomas bezorgd.

‘We gaan wel naar een bank, overvalletje doen, verkleden hoeft niet zo, ha, ha!’ Ik lachte om mijn eigen ingeving.

Dylan bonkte met zijn beide knuisten op zijn stoere borst. Het testosterongehalte steeg met de minuut. Misschien kwamen we nog een hitsige chick tegen. Thomas, met de langste haren, zou het woord voeren, in dichtvorm, want dat maakte indruk en had grote impact op de ontvanger, de bankemployee in dit geval. En ik zou op de uitkijk wachten, met onder elke oksel een overrijpe banaan.

‘Dag meneer Bank, graag de kassa! Nee, geen dank! Biljetten hier in de tassa ja!’ De bankemployee viel bijna van zijn stoel.

‘Grote stapels man, schiet op pennenlikker, komt er nog wat van?’

Dylan tikte Thomas op de schouder: ‘Dat rijmt niet man, dat komt niet binnen!’

‘Ik ben niet zo’n beste pikker, een beetje hangen in de mat vind ik mans zat.’

Thomas was duidelijk de kluts kwijt, het rijmen ging hem niet meer zo goed af, waardoor Dylan maar een ding kon doen, bankbiljetten en biezen pakken en wegwezen, richting casino. Hop, hop, hop. We vluchtten in een Vespacar en slipten de bocht om. Het casino was gelukkig dicht in de buurt.

‘Of de heren zich kunnen legitimeren?’, vroeg een droogkloot van een portier aan de deur. Hij wierp een afkeurende blik op de harige poten van het zootje ongeregeld dat voor hem stond.

‘Natuurlijk!’, riepen we in koor en duwden gedrieën tegelijk onze buiknavel naar voren, ‘van ons mam!’

De buiken waren rond en ook was er flinke borstvorming zichtbaar bij Dylan, de stevigste van ons drie.

‘Vooruit dan maar, het is dat jullie zo aandringen, ik zie de legitimatie voor deze ene keer door de vingers!’ sprak de portier nasaal, zijn neus stevig dichtgeknepen.

Als drie dolle kokosnoten stortten Dylan, Thomas en ik ons in het feestgedruis, waarbij we eerst ons geluk beproefden op de blackjacktafel. Thomas sprong meteen op tafel, hij liet zich dit mooie podium niet ontgaan, ging helemaal los op het groene vilt en zong uit volle borst:
‘And throw your hands up in the air!’

Alle kaarten en munten vlogen in het rond, de croupier trok wanhopig aan een harig been. Onze Thomas beschouwde het blijkbaar als een uitnodiging en slingerde het meisje in uniform, midden op de tafel, voor een aardig stukje breakdance. Ik was behoorlijk onder de indruk van zijn moves.

Het beduusde meiske wankelde wat op de hoge tafel terwijl Thomas haar stevig tegen zich aantrok. De rechterhak van haar muiltje brak af en ze verloor het evenwicht. Het sprookje was onmiddellijk over, de casinobaas gooide ons naar buiten, wat een afknapper.

Wat nu te doen, wij aapjes werden niet snel moe. Daar reed een ons zeer bekende kar, we moesten vluchten voordat ze ons zouden snappen. Getsie, het was Glutus Zanikhaar, de oppasser, met een … met een … (‘rennen … rennen jongens’, riep ik nog tevergeefs) … vlijmscherpe antislappelachslaapspeer, en een ding wisten we zeker, die Glutus die ging schieten, zeker weten, drie keer.

Maar ja, mijn broertjes aap, eigenwijs als altijd, lieten zich door mij niets vertellen, en dat was het einde van onze strooptocht. Een waar genoegen.

Apiloog:
Aldus eindigden Bob, Dylan en Thomas na een mooie dag in Zoo ‘El Mono Alegre’ in het kleine dorpje Santa Gertrudis de Fruitera te Ibiza; daar waar ze nooit vandaan kwamen. Ze hoorden, keken en zwegen nog lang en gelukkig.

Co-column geschreven door NicoleS en Mien

01-08-2016

Sgerat en inslag 3 (Boy Plukharos)

Relaxed zit Boy Plukharos achter zijn notenhouten bureau. Achterover geleund in een kalfslederen stoel met de benen nonchalant op zijn bureau. De gelakte krokodillenleren schoenen steken loodrecht naar het plafond omhoog. Af en toe lacht ie hardop. Zijn kamerheer schrikt er telkens een beetje van. Die snapt het echt niet. Eigenlijk zou Minister Plukharos beter zijn administratie moeten doen. Er ligt een grote stapel Burgerregistratieformulieren op het bureau. Klaar om nagekeken te worden.

Boy prefereert echter lezen uit het op zijn knieën opengeslagen stripboek: Klukkluk en Pipo de Clown, op jacht naar eeuwige roem. Het schijnt nogal een humorvolle strip te zijn. Als hij even niet leest zit hij op zijn mobiele telefoon. Twitter, Facebook, Het Riool en Onmiddellijk.nl. Plukharos is een allesvreter. De kamerheer ziet in zijn werkgever een soort Rupsje Nooitgenoeg, het hongerige rupsje uit een ander kinderboek.

Ook de televisie staat dag en nacht aan. Zonder onderbreking wordt het nieuws herhaald. Het lijkt wel een dwangneurose. De Donald Duck is een graag gelezen weekblad bij de baas. Voor de broodnodige ontspanning, zegt hij dan. De kamerheer moet er schamper om lachen. Want er wordt nauwelijks werk gedaan. Laatst had Plukharos een vriendinnetje. Met zijn oor aan de deur stond de kamerheer uren de wacht te houden. Is dat werken? Schandalig.

Na een nadrukkelijk ‘hummetje’ van de kamerheer trekt Boy met veel tegenzin het bovenste Burgerregistratieformulier naar zich toe.
‘Sgerat Omniboes’ staat bovenaan het formulier geschreven. Oemniboes, Oemniboes … Maar die naam kent Boy. Is dat niet … Verrek ja. De man van Granika. Dat lekkere ding dat hij vorige maand nog stevig onder handen had genomen. Het kwijl loopt Boy weer in de mond.

‘Beroep: Taxichauffeur’, leest Boy verder. ‘Aanvraag voor permanent verblijf.’ Heel even twijfelt Boy. Stapeltje links of stapeltje rechts? In of uit? Maar Boy kan niet kiezen en haalt een oude zilveren rijksdaalder uit de lade. Kop of munt? Kop voor Sgerat in. Munt voor Sgerat uit.

Oh nee, het kop en munt verhaal. Afkeurend kijkt de kamerheer toe hoe Plukharos de daalder hoog de lucht in werpt. Met een zachte plof landt hij op het harde tapijt. Reikhalzend staart de kamerheer naar de uitkomst. Hij kent de methodes van de baas wel.
Shit, kop! Haastig kijkt Boy van links naar rechts, dan draait hij de daalder stiekem naar munt. Dat is vals, meent de kamerheer en hij nadert de valsspeler met rappe schreden.

‘Dat u dit spelletje speelt is toch al dubieus, maar als u dan een uitslag heeft dient u die wel te accepteren. Draai hem om!’
Dreigend staart hij naar de doortrapte Boy. Die heeft geen keus en kleurt het vakje ‘In’ rood.
‘In de envelop!’ commandeert de kamerheer.
‘Oké, oké!’
Met een kwade blik trekt Boy het stripboek weer naar zich toe. Voor vandaag genoeg gedaan.

Zodra de kamerheer de ruimte verlaat trekt Boy vliegensvlug de envelop naar zich toe. Hij knipt vakkundig een klein vierkantje uit een A4 en plakt het zorgvuldig over het vakje ‘In’. Snel naar de kopieermachine. Nieuw rood kruisje in vakje ‘Uit’ en klaar is Kees … Boy. Geen kind die er naar kraait. Dat is wat Boy denkt.

Een maand later zit hij nietsvermoedend te lezen in een nieuw stripverhaal, als er plots drie keer hard op zijn deur wordt gebonkt. Vreemd.
Een verwilderd ogende man aan de deur. Maar wat wil hij in godsnaam. Gestotter en gestamel. Een zweterig uitziend figuur, gehuld in een ranzig shirt. Jakkes, daar moet Plukharos toch niets van hebben. De ogen draaien vreemd in de kassen.
‘Wat wenst u?’ buldert Boy.

Als hij naar de man kijkt moet hij zomaar denken aan zijn lievelingsstripfiguur Klukkluk. Zonder veer. Is hij malende? De artsen hadden hem voorzichtig meegedeeld dat de medicijnen tegen een droplul vreemde bijwerkingen zouden opleveren. Maar of hallucineren er één van is?
‘Ik heb geen tijd voor deze onzin. Jij idiote Klukkluk zonder veer!’
De man doet, uit zijn evenwicht gebracht, een pas naar voren en dan naar achteren. Hij trekt verbeten aan een rood touwtje, zonder resultaat. Is dit allemaal echt? Of is hij zijn verstand soms verloren?

Razendsnel schat Boy het vreemde gedrag van de man in. Bij twijfel altijd overbluffen.
‘Wat doet u nu? Eh… is dat een nepbom?’
Nu begint Boy toch heel even te twijfelen.
‘…Van meneer Rustigs toch zeker?’
Een enorme knal volgt. Confetti vliegt door de lucht. Heel even waant Boy zich dood. En nee, nee, … daar verschijnt ook nog Granika achter Sgerat. Het is niet waar?!

De kamerheer komt toegeschoten, overziet de situatie en begint keihard te lachen. Dat hij dit nog mag meemaken tijdens zijn meer dan vijftigjarige loopbaan. Granika begint ook te lachen. Het is best een komisch gezicht. Bullebak Plukharos met confetti in zijn dunne haar. En dan die blik van hem. Als blikken konden doden. Hij bibbert als een juffershondje, die stoere Boy. De kamerheer staat er schuddebuikend bij en neemt snel zijn mobiel ter hand. Deze situatie is te koddig om te laten lopen.

Hij drukt op camera en is nog net op tijd om de liefdesverklaring van Granika vast te leggen. Hij heeft nog een mannetje bij de pers die hier graag van op de hoogte gesteld wil worden. Genietend wrijft hij zich met zijn vrije hand over de maag. Dit wordt een groot schandaal! De ogen glimmen als die van een kwaadaardige kobold. Eindelijk vrij van die foute Boy Plukharos.
En terwijl Boy zichzelf schaapachtig lachend feliciteert met het overleven van een nep-aanslag, worden de kranten van de volgende dag al gedrukt.
De rijksdaalder is eindelijk op munt gevallen bij de juiste persoon.

Co-thriller geschreven door NicoleS en Mien

Zie ook:
Sgerat en inslag 1 (Het verhaal van Sgerat)
Sgerat en inslag 2 (Granika) (Het verhaal van Granika)

27-07-2016

Sgerat en inslag 2 (Granika)

Gestommel in de badkamer. Al tijden vertoeft hij er. De deur is op slot. Het voelt alsof er uren voorbij zijn gegleden. Een tijdje geleden kreeg ze argwaan. Ze bemerkte de zenuwachtige bewegingen en zijn ontwijkende blik. Haar bezorgde vragen beantwoordde hij niet. Maar er was iets aan de hand. Ze voelde het gewoon. Haar man had haar altijd onderschat. Zij was volgens hem een domme vrouw, geen tegenstander om rekening mee te houden. Uitgehuwelijkt op haar vijftiende. Vader had haar beloofd aan de zoon van zijn oudoom. Daar werd een oude schuld mee vereffend. Een lening voor de aanschaf van jonge olijfbomen. Wat was een dochter anders waard? Zo had zij toch haar nut. Protesteren tegen het lot was zinloos. Dus huwde ze haar veel oudere neef. Hij hoopte op een zoon. Maar hun huwelijk bleef kinderloos. Kwam het door haar incompetentie, zoals hij telkens beweerde, of was hun verwantschap hier debet aan?

‘Sgerat, wat ben je allemaal aan het doen? Schiet eens op, ik moet zo dadelijk naar de kapper!’

Geen reactie. Granika legt haar oor tegen de badkamerdeur en hoort een vreemd geluid. Alsof Sgerat een grote harde scheet laat, maar dat is het niet. Zoiets zou haar brave gast nooit doen. Zelfs niet op de badkamer. Ze luistert nog eens goed. Het klinkt alsof er iets scheurt nu. Tape. Ja, het scheuren van tape. Hij heeft toch geen ongeluk gehad? Is ie nu in zijn eentje zich aan het verbinden? Hij is ook zo onhandig in die dingen. Een echt mamma’s kindje. Wat huilde hij bij het afscheid van thuis. Ze heugt het zich als de dag van gisteren. Een bizar huwelijk was het. Was? Is!

‘Sgerat, heb je hulp nodig?’

Zwijgen. Geen antwoord. Schijnbaar hoort hij haar niet eens. Waar is hij mee bezig! Gemompel. Over blauwe en rode touwtjes. Van de … BOM?! Granika draaft van links naar rechts over de overloop, als een kip met een zojuist afgehakte kop. Bij Allah! Hij doet het dus vandaag. Gaat ie die bom nu toch echt gebruiken? Bovenop al het andere dat hij al heeft uitgehaald? Zorgvuldig had hij de bom voor haar verstopt. Dat wist ze en ze had het zo gelaten. Ze durfde hem er niet op aan te spreken. Dit is haar straf. Zoals het in de Koran staat geschreven. Ze had niet naar bed moeten gaan met de buurman. Dat was natuurlijk het summum geweest. Maar ze was ook zo eenzaam al die tijd. Wat kan ze doen om haar idiote man te stoppen? Ze rent struikelend naar beneden. De reservesleutel ligt in het bakje onder de gootsteen. Snel, snel naar de achterbak!

Met een zucht laat Granika zich in de Opel Kadett ploffen en gooit de achterklep dicht. Waar zal dit reisje nu weer naartoe gaan? De vorige keer zijn ze geëindigd in België, na een veel te lange rit. Totaal geobsedeerd door Dutroux wilde Sgerat per se de meisjes vinden. Uiteindelijk was hij verdwaald en eindigde de rit bij een friteskot. Maar nu is de zaak toch wel een stuk ernstiger. Zeker gezien de actualiteiten. Bommen en granaten aan de orde van de dag. Daar raakt Granika zelfs van in paniek. Ze begrijpt nu ook waarom er een handleiding bommologie tussen het studiemateriaal van Sgerat lag. Die behoorde echt niet tot de cursus driebanden die hij onlangs was gaan volgen. Een mamma’s kind dat bommen maakt, hoe is het mogelijk? Het portier slaat open en onder veel gemompel start Sgerat de auto. Granika zet zich schrap. Dit kan wel eventjes gaan duren. Ze troost zich bij de gedachte dat ze de bomgordel van Sgerat op tijd heeft ontdekt … en gemanipuleerd. Voor de zekerheid. You never know.

De wildemansrit begint. Het is benauwd in de kofferbak. Wanneer de Opel plots een bocht omvliegt valt er iets zwaars. Er sijpelt een dikke vloeistof langs haar benen, en ze voelt hoe haar gewaad langzaam aan haar huid vastkleeft. Ongelooflijk. Is deze Sgerat dezelfde persoon als de man die tijdens een bezoek aan haar schoonmoeder om tieties vroeg? Waarop ma haar volle borsten ontblootte om zoonlief het zich goed te laten smaken? Ze hoort Sgerat mompelen over zijn geliefde Opel. Die rot Opel. Dan staan ze stil. Het portier slaat dicht, ze wacht even en bevrijdt zich uit haar benarde positie. De schade aan haar gewaad is niet gering. Een fles olijfolie is gevallen en leeggelopen. Vol haat neemt ze een kleine dolk uit haar zak, die ze er bewaart voor noodgevallen, en steekt alle vier banden van de Opel lek. Goed, dat lucht op. Waar is haar vent nu naartoe?

Ze zijn in Den Haag, dat is duidelijk. Regeringsgebouwen? Ministerie van Burgerregistratie? Het is niet waar? Haar Sgerat gaat achter Boy aan. Boy Plukharos. Daar heeft ie nog een appeltje mee te schillen. Een appeltje? Een complete fruitschaal. Door Boy staat Sgerat onterecht geregistreerd als ‘boventallahig’. Ze had nog zo tegen Sgerat gezegd, ga toch eerst eens goed Nederlands leren. Plukharos heeft niets met Allah. Je hebt hem verkeerd verstaan, echt. Maar Sgerat had tegen haar gezegd dat hij niets aan zijn oren mankeert. Wie aan Allah komt, komt aan hem. Wraak had hij gezworen.
Buiten adem komt Granika aan bij het Ministerie. Als de retescheet rent Granika naar de eerste etage. Ze kennen haar, want ze mag zo doorrennen. Bezorgd staart de juffrouw aan de ontvangstreceptie haar nog na. Als ze maar niet uitglijdt? Haar blauwe bloemetjesjurk laat een vet spoor van olijfolie na op de gladde regeringsvloer.

Oh help, Boy. Glibberend bestormt ze de trappen op weg naar zijn werkkamer. Het is een ramp. Ongewenste herinneringen vinden hun weg vanuit de krochten van haar geheugen. Beelden van Boy in Adamskostuum. Vrijend op de sofa onder het raam met uitzicht op het Torentje van Premier Grutten. Boy die liefkozend haar lichaam bespeelt, zoals een virtuoos pianist zijn piano zou bespelen. Niets mag hierover naar buiten komen. Niets. En toch … is Sgerat van haar schandelijke affaires op de hoogte?
En dan staat ze oog in oog met haar gewezen minnaar. De abortus had hij op een chique wijze voor haar geregeld. In een privé kliniek in Frankrijk. Weet Sgerat ervan af?

Perplex, sprakeloos en met grote ogen kijkt Boy Plukharos haar aan. Ze is te laat. De bom is reeds ontploft. De confetti dwarrelt nog wat in het rond en landt deels op hoofd en schouders van Boy en Sgerat. Best een komisch gezicht, ware het niet dat.

‘Granika, wat doe jij hier? Is dit een joke? Misselijkmakend, bah! Waarom, waarom? En wie is deze Klukkluk zonder veer, toch niet jouw man?’

Maar Granika heeft alleen maar oog voor Sgerat. Ze draait hem aan de schouders naar zich toe, kijkt hem aan en schrikt van de ijskoude, dodelijke vertwijfeling op zijn gezicht. Zo heeft ze hem nog nooit gezien.

‘Sgerat, mijn lieve schat, ik … ik … ik … kan het uitleggen. Ik moest … ik kon … ik wist … ik heb de spijkers vervangen door confetti … want … want … want … ik kon het niet toestaan. Nee, nee, nee … niet mijn lieve Boy … nee, nee, nee … ik weet dat je hem haat, … maar … maar … maar … ik hou van hem … nog steeds …!’

Co-thriller geschreven door NicoleS en Mien

Zie ook:
Sgerat en inslag 1 (Het verhaal van Sgerat)
Sgerat en inslag 3 (Boy Plukharos) (Het verhaal van Boy Plukharos)

23-07-2016

Sgerat en inslag 1

Nog één keer bekijkt Sgerat Oemniboes zich in de spiegel. Het is nu of nooit. Hij wil koste wat kost goed voor de dag komen. Zijn rode haren heeft hij strak naar achteren gekamd en vastgezet met een ijzeren klem. Gisteren geverfd. Stel dat er toch wat blond tevoorschijn komt. Dat kan echt niet. Wat zal hij tegen zijn vrouw zeggen, nu het grote moment aanstonds is. Voor de zekerheid checkt Sgerat de zelfgemaakte bomgordel. Zit deze goed bevestigd? De ducttape kriebelt op het zwarte borstkroeshaar. Verrekte irritant. Maar hij mag er absoluut niet meer aankomen. No way. Granika wacht beneden op de gang. Wat moet ie nu toch zeggen?

Die vrouw is hemeltergend nieuwsgierig. Ze heeft een echte speurneus. Het zweet breekt hem aan alle kanten uit. Zelfs uit gaten waar hij het bestaan niet van vermoedde gutst het zoute water. Ongeduldig maait hij met zijn klamme hand door het rommelige laatje van het nieuwe badkamermeubel. IKEA, zelf in elkaar gezet. Luid vloekend in alle talen die hij kende. De buren kwamen zelfs kijken of hij niets kwaadaardigs ten uitvoer bracht. Nou, hij zal ze een poepie laten ruiken. Hij, de grote Sgerat Oemniboes, zal op de voorpagina van elke krant verschijnen. In naam van de heilige Mohammed zal hij zich wreken. Zeventig maagden staan op hem te wachten. Ha, zijn zonnebril. Nu zal Granika, de alwetende, niet in zijn ogen kunnen kijken.

In gedachten loopt Sgerat het te volgen scenario van vandaag nog eens door. Auto parkeren, minimaal drie kilometer van locatie (hij is erg zuinig op zijn auto). Dan in stevig looptempo richting Ministerie van Burgerregistratie. Geschatte looptijd vijfenveertig minuten. Zorgen dat de plastic ID-kaart aan zijn broek bevestigd is. De pasfoto op zijn ID, gisteren gemaakt na het verven van zijn haar, is goed gelukt. De nep-ID is niet van echt te onderscheiden. Trektouwtjes checken, van ID en bomgordel. Blauw is ID. Rood is bomgordel. Niet vergeten. Naar de eerste etage lopen, kamer E 543. Checken of minister Boy Plukharos aanwezig is. Zo ja, binnenlopen. Zo nee, weglopen. Moet lukken. Met een gerust hart loopt Sgerat de trap af naar Granika, hij weet nu ook wat te zeggen en haalt zijn creditcard tevoorschijn.

Met geld is elke vrouw te paaien. En Granika wordt kort gehouden. Nou ja, kort gehouden, hij moet er eerlijkheidshalve wel bij vermelden dat er domweg nooit geld is om uit te geven. Van zijn baantje als taxichauffeur wordt niemand rijk. Hij hoorde de blanken wel praten op zijn achterbank, terwijl zij dachten dat hij te dom was om Nederlands te leren. Ze verhaalden over achterlijke moslims en hun cultuur. En dat hij daar één van was. Ze zouden hun stem gaan uitbrengen op die ongelovige Plukharos. Hij gaat ze zometeen een lesje leren. Allemaal. Genietend van het vooruitzicht opent hij de kamerdeur. Hij schrikt zich rot. Want waar is Granika nu?

Ach, wat maakt het ook uit. Eigenlijk is het maar beter zo. Een eenzijdig afscheid valt hem sowieso moeilijk. Opgelucht stapt Sgerat in zijn oude Opel Kadett. Met een brok in de keel. Afscheid nemen van zijn ‘oldie’ gaat hem veel moeizamer af. Heel voorzichtig rijdt hij over de verkeersdrempels. Stel je eens voor, dat zijn gordel afgaat. Hij moet er niet aan denken. De auto voelt vreemd zwaar en af en toe meent Sgerat ook een zucht te horen. Ach, allemaal verbeelding. Niets aan het handje. Geen enkele afwijking brengt hem van zijn missie. Hij parkeert de auto en loopt richting Ministerie van Burgerregistratie. Zijn hartslag stijgt licht, maar het voelt goed.

De vrouw achter het loket kijkt hem argwanend aan. Zijn uiterlijk geeft alle reden om achterdocht te wekken. De rode haren met klem, met hier en daar een vleugje blond, de donkere bril, het vlassige zwarte snorretje. Zenuwachtig schuift Sgerat met zijn rechtervoet.
‘Ik zweer u, ik heb een afspraak met de heer Plukharos! Hier is de bevestiging.’
Zijn stem beeft licht terwijl hij een verfrommeld formulier op de doorschuifbalie deponeert. En dan opeens tikt iemand hem aan. Een korte felle slag op zijn linkerarm. Zijn hart staat bijna stil. De bom! Hij draait zich om.
‘Granika!!’
Zijn vrouw kijkt boos.
‘Waar ben jij in godsnaam mee bezig. Jij, superidioot!’

Kortsluiting in het hoofd. Rookpluimpjes uit de oren. Sgerat kan maar één ding doen. Waar is de trappenhal? Geen moment te verliezen. Eerste etage, Kamer E 543. Sgerat verzamelt alle moed en bonkt drie keer keihard op de deur. De deur bonkt terug, of is dat zijn hart? De deur gaat open. En daar staat Boy. Hij torent hoog boven Sgerat uit.
‘Hoe komt u hier en wat wenst u?’ buldert Boy.
‘Ik’, ik..’ Sgerat komt niet uit zijn woorden.
‘Ik, ik, ik.. ben van de vlugge, met de trap, en sta nu voor uw deur, want ik, ik, ik..!’
Hij durft Minister Boy niet aan te kijken. Deze plukt wat aan zijn haar en zegt denigrerend,
‘Hier heb ik geen tijd voor, verrekte Klukkluk en je hebt je veer vergeten.’
Nog voordat Boy de deur dicht kan smijten trekt Sgerat aan het rode touwtje en sluit zijn ogen.

En dan gebeurt er niks! Het zweet stroomt Sgerat inmiddels over het gezicht. Hij kan het niet geloven.
‘Wat doe je toch daar?’ vraagt Boy, met een scherpe blik gericht op het rode draadje. Maar dan verzacht zijn gezicht.
‘Wacht eens, stop. Dat daar is vast een nepbom hé, geef maar toe. Heeft minister Rustigs je ingehuurd? Neemt hij wraak omdat ik hem onlangs in de maling heb genomen? Haha. Kom maar hier, jij clown, met je maffe pipo-outfit!’
Clown. Dat doet de deur dicht. Er schiet een rode waas voor Sgerat’s ogen.
‘Niet doen!’ roept een overslaande vrouwenstem.
Maar Sgerat doet het wel. Hij trekt en trekt. Dan vliegt Granika maar mee de lucht in. Het zij zo. Inshallah. Dat is het laatste wat hij denkt. Dan ontploft eindelijk de bom.

Co-thriller geschreven door NicoleS en Mien

Zie ook:
Sgerat en inslag 2 (Granika) (Het verhaal van Granika)
Sgerat en inslag 3 (Boy Plukharos) (Het verhaal van Boy Plukharos)