Hond, dankbaar onderwerp voor stukjes schrijven. Hond in de reclame vind ik te makkelijk. Dat is vlug scoren. Ik besluit meer verdieping te zoeken en kom terecht in een goed boek, een kynologisch woordenboek, een soort DSM-5 voor honden. Spontaan begin ik te blaffen. Ik zoek eerst mijn Kees op. Geen aardhond lees ik, hij is niet wild en zoekt al helemaal niet naar wild onder de grond. Kees aankijkgedrag is ook niet imponerend. Hij is veel meer een flegmaticus, traag en evenwichtig. Ik maak me soms wel zorgen over zijn absence-status, aberrant voor kezen. Hij vervalt dan van schrik in aërofagie. Zijn acuïteit daarentegen is erg scherp. En dan ben ik pas bij de A! Een superhond mijn Kees.
Posts tonen met het label kees. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kees. Alle posts tonen
08-10-2024
10-12-2014
Bovenaan de ladder
Met grote angst klimt Kees naar boven. Hoeveel stappen moet hij nog? Durft hij nog wel los te laten? Zijn angst te overwinnen? Ogen van beneden priemen in zijn rug. Ze prikkelen en branden. Ze lachen hem naar boven. ‘Vooruit Kees, je kunt het!’ De twijfel overmant. Waarom zou hij tot bovenaan klimmen? Maar afdalen is ook geen optie. Heel even kijkt Kees omlaag. No way.
Het huilen staat hem nader dan het lachen. Wrang. Heel wrang. Had hij immers zelf niet gelachen om enkele van zijn voorgangers? Had hij niet stoer gedacht: ‘makkie, dit doe ik wel even’. Nu mag hij zich niet laten kennen. Met zijn tengere lijf klemt hij zich tegen het hout en schuift zonder te kijken zijn linkerhand omhoog. Het reiken duurt een eeuwigheid. Opzoek naar houvast. Eindelijk voelt hij weer grip. Het zweet staat in zijn handen. Durft hij nu zijn rechtervoet te laten volgen? Of zal ie eerst even zijn rechterhand bijvoegen? Kan ie zich daarna aan beide armen optrekken.
Vanaf de grond zag het er allemaal zo eenvoudig uit. Met belangstelling had hij de bewegingen van anderen gevolgd. Hij had nu achter geen idee in welke volgorde hij het beste het laatste stukje kon voltooien. En dan moest ie ook nog over de die hoogste stok klimmen. Hoe ging ie dat toch doen? Ondersteboven? Door het laatste gat heen? Hij zou gaan vallen. Zeker weten. Nog twee vakken te gaan. Wat! Nee, nee, nee, kreeg ie nu ook nog een erectie? Zou iemand het kunnen zien? Van beneden? Fout moment. Zeker nu Kees de hoogste sport bereikt had. Hij wist nog steeds niet hoe hij deze wilde nemen.
‘Schiet eens op Kees!’ brulde de juffrouw beneden. Ze moest eens weten. Het hart klopte in zijn keel en in zijn piemel. Hier eindigde de wereld. Zeker weten. Hij zag geen mogelijkheid om over de hoogste sport te klimmen. Maar hij moest. In welke houding zou hij zich eens plooien? Niemand die hem hier kon helpen. De juffrouw zou echt niet naar boven klimmen. Hij zou hier mogelijk voor de eeuwigheid moeten bivakkeren. Gelukkig was zijn erectie geslonken naar een aangenamere pose. Broekbrand kon hij nu echt niet gebruiken. Het kwam nu aan op zelfredzaamheid.
Met de moed der wanhoop zwaaide Kees zijn rechterbeen over de laatste sport. Vanuit de lucht zag hij de klas beneden op de banken grinnikend lachen. Vooral Sjakie vond het prachtig. Hij lachte zelfs zijn tanden bloot. Van leedvermaak? Had hij de angst van Kees dan toch gezien? Met de blik op stoer klauterde Kees het klimrek omlaag. Zelfs de juffrouw lachte. Kees wilde niet weten waarom.
Zesde deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
Het huilen staat hem nader dan het lachen. Wrang. Heel wrang. Had hij immers zelf niet gelachen om enkele van zijn voorgangers? Had hij niet stoer gedacht: ‘makkie, dit doe ik wel even’. Nu mag hij zich niet laten kennen. Met zijn tengere lijf klemt hij zich tegen het hout en schuift zonder te kijken zijn linkerhand omhoog. Het reiken duurt een eeuwigheid. Opzoek naar houvast. Eindelijk voelt hij weer grip. Het zweet staat in zijn handen. Durft hij nu zijn rechtervoet te laten volgen? Of zal ie eerst even zijn rechterhand bijvoegen? Kan ie zich daarna aan beide armen optrekken.
Vanaf de grond zag het er allemaal zo eenvoudig uit. Met belangstelling had hij de bewegingen van anderen gevolgd. Hij had nu achter geen idee in welke volgorde hij het beste het laatste stukje kon voltooien. En dan moest ie ook nog over de die hoogste stok klimmen. Hoe ging ie dat toch doen? Ondersteboven? Door het laatste gat heen? Hij zou gaan vallen. Zeker weten. Nog twee vakken te gaan. Wat! Nee, nee, nee, kreeg ie nu ook nog een erectie? Zou iemand het kunnen zien? Van beneden? Fout moment. Zeker nu Kees de hoogste sport bereikt had. Hij wist nog steeds niet hoe hij deze wilde nemen.
‘Schiet eens op Kees!’ brulde de juffrouw beneden. Ze moest eens weten. Het hart klopte in zijn keel en in zijn piemel. Hier eindigde de wereld. Zeker weten. Hij zag geen mogelijkheid om over de hoogste sport te klimmen. Maar hij moest. In welke houding zou hij zich eens plooien? Niemand die hem hier kon helpen. De juffrouw zou echt niet naar boven klimmen. Hij zou hier mogelijk voor de eeuwigheid moeten bivakkeren. Gelukkig was zijn erectie geslonken naar een aangenamere pose. Broekbrand kon hij nu echt niet gebruiken. Het kwam nu aan op zelfredzaamheid.
Met de moed der wanhoop zwaaide Kees zijn rechterbeen over de laatste sport. Vanuit de lucht zag hij de klas beneden op de banken grinnikend lachen. Vooral Sjakie vond het prachtig. Hij lachte zelfs zijn tanden bloot. Van leedvermaak? Had hij de angst van Kees dan toch gezien? Met de blik op stoer klauterde Kees het klimrek omlaag. Zelfs de juffrouw lachte. Kees wilde niet weten waarom.
Zesde deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
18-11-2014
Afscheid in de toekomst
Bedeesd zit Kees aan het ontbijt. Hij heeft geen enkele trek. Niet in eten en niet in gesprek. Zijn gedachten vullen maag en hoofd, met het aanstaande afscheid, met zeurderige pijn en twijfel. Om tien uur is het zover. De groepsruimte voelt zwaarder aan dan normaal. De stoelen leger. Iedereen neemt plaats in de kring.
Hans neemt het woord en vraagt wie er af wil trappen. Kees raapt al zijn moed bij elkaar en neemt een dapper besluit. Hij heeft het er al vaker over gehad maar nog nooit aangedurfd. Hij heeft zijn groepsgenoten met hun problemen zien worstelen en nu na twee maanden is het aan hem.
Scherp stelt Kees de situatie voor. Nu zestien jaar geleden. De stoelen gaan aan de kant. Uitgezonderd twee. Zij vormen de bank. De bank waarop zijn zieke moeder ligt. Achter de bank ziet Kees de gestreepte gordijnen hangen. Gordijnen die altijd dicht zijn. Ook hartje zomer. Ze houden de hitte buiten en het drama binnen. Behalve vandaag.
Met lichte aarzeling trekt Kees de gordijnen open. Het warme zonlicht vervult de ruimte en schijnt op het gezicht van mams. Ze opent de ogen en kijkt Kees lieflijk aan. "Dag lieve jongen, kom je eindelijk afscheid nemen? Na zestien lange jaren? Weet dat ik van je gehouden heb, ook al liet ik dat niet merken. Door mijn ziekte, door mijn stoornis. Sorry dat ik zo vroeg heen moest gaan. Hier een dikke knuffel!"
"Dag lieve mams, ik ben zo verdrietig, heb je nooit kunnen vertellen dat ik van je hou ... Maar ... ineens ... zo maar ... was je weg ... Ik heb je niet zien gaan. Heb geen afscheid kunnen nemen. Mijn tranen heb ik aan de Maas gegeven. Aan moeder Maas. Ik geef ze nu aan jou. Opnieuw en met een glimlach. Dag lieve mams. Love you!"
Geschreven n.a.v. 3e schrijfopdracht op ColumnX (november 2014), van professioneel schrijfcoach Hella Kuipers (http://heldenreis.nl):
Deze opdracht gaat over een ontmoeting met iemand die je heel lang niet gezien hebt (uiteraard kan het ook weer vanuit een fictief persoon). Dat kan een hele leuke en blije ontmoeting zijn, maar natuurlijk ook een vervelende of trieste. Maximaal 300 woorden.
Hans neemt het woord en vraagt wie er af wil trappen. Kees raapt al zijn moed bij elkaar en neemt een dapper besluit. Hij heeft het er al vaker over gehad maar nog nooit aangedurfd. Hij heeft zijn groepsgenoten met hun problemen zien worstelen en nu na twee maanden is het aan hem.
Scherp stelt Kees de situatie voor. Nu zestien jaar geleden. De stoelen gaan aan de kant. Uitgezonderd twee. Zij vormen de bank. De bank waarop zijn zieke moeder ligt. Achter de bank ziet Kees de gestreepte gordijnen hangen. Gordijnen die altijd dicht zijn. Ook hartje zomer. Ze houden de hitte buiten en het drama binnen. Behalve vandaag.
Met lichte aarzeling trekt Kees de gordijnen open. Het warme zonlicht vervult de ruimte en schijnt op het gezicht van mams. Ze opent de ogen en kijkt Kees lieflijk aan. "Dag lieve jongen, kom je eindelijk afscheid nemen? Na zestien lange jaren? Weet dat ik van je gehouden heb, ook al liet ik dat niet merken. Door mijn ziekte, door mijn stoornis. Sorry dat ik zo vroeg heen moest gaan. Hier een dikke knuffel!"
"Dag lieve mams, ik ben zo verdrietig, heb je nooit kunnen vertellen dat ik van je hou ... Maar ... ineens ... zo maar ... was je weg ... Ik heb je niet zien gaan. Heb geen afscheid kunnen nemen. Mijn tranen heb ik aan de Maas gegeven. Aan moeder Maas. Ik geef ze nu aan jou. Opnieuw en met een glimlach. Dag lieve mams. Love you!"
Geschreven n.a.v. 3e schrijfopdracht op ColumnX (november 2014), van professioneel schrijfcoach Hella Kuipers (http://heldenreis.nl):
Deze opdracht gaat over een ontmoeting met iemand die je heel lang niet gezien hebt (uiteraard kan het ook weer vanuit een fictief persoon). Dat kan een hele leuke en blije ontmoeting zijn, maar natuurlijk ook een vervelende of trieste. Maximaal 300 woorden.
03-10-2014
Grote liefdes liggen op de grond
Het is zaterdagavond, de mooiste avond van de week. Vanavond gaat het gebeuren, zeker weten. Kees is nu al in zijn element. En toch slaat de twijfel toe. Als hij in de badkamerspiegel kijkt ziet hij grote tekortkomingen. Te groot en te veel. Hoe moet dat nu vanavond? De grote stapavond. Zou ze er weer zijn? Zou hij haar kunnen boeien, durven aanspreken? Zou ze hem zien staan? Het meisje uit de stad, waar iedereen verliefd op is. Is hij de moeite waard? Kees.
Het is vroeg en het stamcafé loopt nog niet echt vol. Zenuwen kriebelen hem in de buik. Op het toilet bekijkt hij nog eventjes zijn outfit. Hij draagt zijn favoriete blouse en broek. De stoere schoenen zitten stevig. Alleen is het Kees die er onzeker in beweegt. Een biertje dan maar. Zijn gabbers stromen langzaam de kroeg binnen. En de dames. Nog geen Bibi te zien. Ze komt toch wel, vanavond? Op de avond die hij bedacht heeft als zijn avond. Het is warm in de kroeg. Of ligt dat alleen aan hem? Een prachtige zomeravond en bijna iedereen die Kees kent is aanwezig. Dat wordt lastig. De zoektocht naar het juiste momentum. Maar eerst moet Bibi nog komen.
Kees’ vrienden zwermen om hem heen. ‘Wie Motten das Licht’. Heel vervelend, nu hij wat anders aan zijn hoofd heeft. De liefde plakt achter zijn oren. Gelukkig weet hij dit nog te camoufleren met stoer gedrag. Kees bestelt snel wat biertjes, ook al is het nog niet zijn beurt. Hij geniet een grote populariteit onder zijn vrienden. Dat steken ze niet onder stoelen of banken. Hij weet dat. En toch, nog nooit heeft hij zich zo alleen gevoeld. Alleen onder de mensen. Hoe moet dat nu? Hoe moet dat nu vanavond?
“Wat ben je vanavond toch afwezig Kees?” Het is Sabine die zich over Kees ontfermt. Hij weet dat zij verliefd op hem is. Hij wil eigenlijk niet gezien worden in haar gezelschap. En zeker niet nu. Kees weet niet wat hij mist. Een schat van een meid is Sabine. Alleen erg lelijk. Bijna zo lelijk als de nacht. Vreemde uitdrukking denkt Kees. Want juist de nacht kan erg mooi zijn.
Hartje zomer onder vrienden en de combi bier en brandende liefde, geven Kees een benauwd gevoel. De drank stijgt vanavond snel naar zijn hoofd. Wat moet hij doen, ten overstaan van al zijn gedachte vrienden? Het liefst zou hij wegrennen. Bibi is er niet. Het hele plein voor de stamkroeg staat vol mensen. Kees ziet het niet meer. Hij ziet haar niet. Hij durft ook niet naar Bibi te vragen. Waar ze blijft. En al zeker niet bij haar boezemvriendin, Sandra, de vriendin zonder boezem. God, wat is hij verliefd op Bibi. Het mooiste en zwoelste meisje van de stad. Met haar gitzwarte haar en reebruine ogen, haar guitige glimlach en haar goddelijke lijf. Rondingen om van te dromen. Onbereikbaar. Wat doet de liefde toch pijn.
Kees moet handelen. Nu. Een daad zetten. De liefde vraagt om daden. Niet om geduld. En zeker niet als hormonen gieren in de keel. De alcohol maakt rozig en creatief. Het kraakt en piept in Kees’ hoofd, hart, ziel en lenden. Waar is ze nu? Theatraal gooit Kees zich op de grond, te midden van zijn vrienden, voor het stamcafé, languit op het plein en krabt met zijn vingers over de grond. “Bibi, Bibi, waar ben je, waar zit je, ik hou van jou …?!” De vrienden reageren eerst verbijsterd en barsten dan in lachen uit. Weer zo’n maffe act van Kees? Totdat ze hem zien huilen. Grote tranen. Echte tranen. Frank, de beste vriend van Kees raapt het hoopje mens op en biedt troost. Diepe troost. Arme jongen.
Het is vroeg en het stamcafé loopt nog niet echt vol. Zenuwen kriebelen hem in de buik. Op het toilet bekijkt hij nog eventjes zijn outfit. Hij draagt zijn favoriete blouse en broek. De stoere schoenen zitten stevig. Alleen is het Kees die er onzeker in beweegt. Een biertje dan maar. Zijn gabbers stromen langzaam de kroeg binnen. En de dames. Nog geen Bibi te zien. Ze komt toch wel, vanavond? Op de avond die hij bedacht heeft als zijn avond. Het is warm in de kroeg. Of ligt dat alleen aan hem? Een prachtige zomeravond en bijna iedereen die Kees kent is aanwezig. Dat wordt lastig. De zoektocht naar het juiste momentum. Maar eerst moet Bibi nog komen.
Kees’ vrienden zwermen om hem heen. ‘Wie Motten das Licht’. Heel vervelend, nu hij wat anders aan zijn hoofd heeft. De liefde plakt achter zijn oren. Gelukkig weet hij dit nog te camoufleren met stoer gedrag. Kees bestelt snel wat biertjes, ook al is het nog niet zijn beurt. Hij geniet een grote populariteit onder zijn vrienden. Dat steken ze niet onder stoelen of banken. Hij weet dat. En toch, nog nooit heeft hij zich zo alleen gevoeld. Alleen onder de mensen. Hoe moet dat nu? Hoe moet dat nu vanavond?
“Wat ben je vanavond toch afwezig Kees?” Het is Sabine die zich over Kees ontfermt. Hij weet dat zij verliefd op hem is. Hij wil eigenlijk niet gezien worden in haar gezelschap. En zeker niet nu. Kees weet niet wat hij mist. Een schat van een meid is Sabine. Alleen erg lelijk. Bijna zo lelijk als de nacht. Vreemde uitdrukking denkt Kees. Want juist de nacht kan erg mooi zijn.
Hartje zomer onder vrienden en de combi bier en brandende liefde, geven Kees een benauwd gevoel. De drank stijgt vanavond snel naar zijn hoofd. Wat moet hij doen, ten overstaan van al zijn gedachte vrienden? Het liefst zou hij wegrennen. Bibi is er niet. Het hele plein voor de stamkroeg staat vol mensen. Kees ziet het niet meer. Hij ziet haar niet. Hij durft ook niet naar Bibi te vragen. Waar ze blijft. En al zeker niet bij haar boezemvriendin, Sandra, de vriendin zonder boezem. God, wat is hij verliefd op Bibi. Het mooiste en zwoelste meisje van de stad. Met haar gitzwarte haar en reebruine ogen, haar guitige glimlach en haar goddelijke lijf. Rondingen om van te dromen. Onbereikbaar. Wat doet de liefde toch pijn.
Kees moet handelen. Nu. Een daad zetten. De liefde vraagt om daden. Niet om geduld. En zeker niet als hormonen gieren in de keel. De alcohol maakt rozig en creatief. Het kraakt en piept in Kees’ hoofd, hart, ziel en lenden. Waar is ze nu? Theatraal gooit Kees zich op de grond, te midden van zijn vrienden, voor het stamcafé, languit op het plein en krabt met zijn vingers over de grond. “Bibi, Bibi, waar ben je, waar zit je, ik hou van jou …?!” De vrienden reageren eerst verbijsterd en barsten dan in lachen uit. Weer zo’n maffe act van Kees? Totdat ze hem zien huilen. Grote tranen. Echte tranen. Frank, de beste vriend van Kees raapt het hoopje mens op en biedt troost. Diepe troost. Arme jongen.
11-07-2014
Bovenaan de trap
Daar staat ze boven aan de trap. Paniek staat in haar gezicht gebeiteld. Kees begrijpt het niet. Wat doet ze daar nu eigenlijk? Buiten regent het. Het weer is guur. Zo is ook de sfeer in huis. Een vreemd soort dreiging hangt er rond. Een spanning die moeilijk te beschrijven is. Zo voelt Kees het. Het geeft hem pijn in de onderbuik. Zijn broer staat naast hem onder het trapluik.
Mam is in de war. Dat mag duidelijk zijn. De ongeruste blik in de ogen van zijn broer maakt het nare onderbuikgevoel van Kees alleen maar erger. Na de eerste schreeuw van mams, zijn ze beiden keihard naar boven gerend. De schreeuw was door merg en been gegaan. Nog nooit had Kees zijn moeder zo hard horen schreeuwen. Angstschreeuwen waren het.
Een half uur geleden had ze op haar houten klompslippers met een volle wasmand, moeiteloos de vlizotrap naar de zolder bestegen. Tijdens het uitvouwen van de lakens had ze paniek gevoeld en naar haar hoofd gegrepen. De paniek was vanuit haar hals, achter langs de oren, ongecontroleerd haar hersens binnen gestuiterd. Het had alles op tilt geslagen. Trillend van de zenuwen leek haar hoofd te ontploffen. Vuurrood was ze aangelopen.
Zo hadden Kees en zijn broer hun moeder nog nooit gezien. Ze schrokken er behoorlijk van. Maar het zou nog veel erger worden. “Ik maak er een eind aan, ik spring, ik spring, godverdomme …”, dat is wat ze had geroepen. En vloeken, dat had ze nog nooit eerder gedaan. Gelovig als ze was. Wat was hier in hemelsnaam aan de hand? Een paar seconden stonden Kees en zijn broer vastgenageld aan de grond. Wat te doen? Zonder ook maar een woord met elkaar uit te wisselen vlogen ze naar beneden. Kees kon zijn broer amper volgen, zo hard stormde die van de trap af.
Kees snapte er niets van. Allerlei gedachten en vragen schoten in flitsen door zijn hoofd. ‘Ging mams echt springen? En waarom dan? Waren ze niet beter bij haar gebleven?’ Het hart klopte in zijn borst. Hij mocht zijn broer niet uit het oog verliezen. “Wacht op mij, wacht op mij!” Maar broerlief was al de voordeur uitgerend, richting buren.
“Help, help!”, hoorde hij zijn broer roepen. Hij bonkte keihard op de deur bij de buren. “Mijn moeder wil van de trap springen. Help, help!” Het gordijn van het raam naast de voordeur werd opzij geschoven. De dochter van de buren keek verschrikt naar buiten. Tegelijkertijd ging de deur open. Gelukkig maar, de buren waren thuis. Maar de schrik was er niet minder door geworden.
De buurman stelde gerust en liep mee om poolshoogte te nemen. Hij was politieman van beroep. Die zou de angstige situatie ongetwijfeld kunnen handelen. Maar ook de buurman had de schrik in zijn ogen staan. Met lood in de schoenen en niet wetend wat er te wachten stond liep iedereen naar boven. Behalve Kees. Kees had beelden voor zijn ogen die hij maar moeilijk los kon laten. Hij zag zijn moeder onderaan het trapgat liggen, badend in bloed. Het zal toch niet waar zijn?
Kees maakte het niet meer mee. Het werd hem zwart voor de ogen en viel flauw. De spanning was hem te groot geworden. De dochter van de buurman had hem opgevangen toen ie bijkwam en in bed gelegd. Toen Kees wakker werd zat zijn vader naast hem in een stoel. “Mams voelt zich niet zo goed mijn jongen, ze ligt in bed.” Nog steeds begreep Kees er helemaal niets van. Wat was er in hemelsnaam gebeurd?
Mam is in de war. Dat mag duidelijk zijn. De ongeruste blik in de ogen van zijn broer maakt het nare onderbuikgevoel van Kees alleen maar erger. Na de eerste schreeuw van mams, zijn ze beiden keihard naar boven gerend. De schreeuw was door merg en been gegaan. Nog nooit had Kees zijn moeder zo hard horen schreeuwen. Angstschreeuwen waren het.
Een half uur geleden had ze op haar houten klompslippers met een volle wasmand, moeiteloos de vlizotrap naar de zolder bestegen. Tijdens het uitvouwen van de lakens had ze paniek gevoeld en naar haar hoofd gegrepen. De paniek was vanuit haar hals, achter langs de oren, ongecontroleerd haar hersens binnen gestuiterd. Het had alles op tilt geslagen. Trillend van de zenuwen leek haar hoofd te ontploffen. Vuurrood was ze aangelopen.
Zo hadden Kees en zijn broer hun moeder nog nooit gezien. Ze schrokken er behoorlijk van. Maar het zou nog veel erger worden. “Ik maak er een eind aan, ik spring, ik spring, godverdomme …”, dat is wat ze had geroepen. En vloeken, dat had ze nog nooit eerder gedaan. Gelovig als ze was. Wat was hier in hemelsnaam aan de hand? Een paar seconden stonden Kees en zijn broer vastgenageld aan de grond. Wat te doen? Zonder ook maar een woord met elkaar uit te wisselen vlogen ze naar beneden. Kees kon zijn broer amper volgen, zo hard stormde die van de trap af.
Kees snapte er niets van. Allerlei gedachten en vragen schoten in flitsen door zijn hoofd. ‘Ging mams echt springen? En waarom dan? Waren ze niet beter bij haar gebleven?’ Het hart klopte in zijn borst. Hij mocht zijn broer niet uit het oog verliezen. “Wacht op mij, wacht op mij!” Maar broerlief was al de voordeur uitgerend, richting buren.
“Help, help!”, hoorde hij zijn broer roepen. Hij bonkte keihard op de deur bij de buren. “Mijn moeder wil van de trap springen. Help, help!” Het gordijn van het raam naast de voordeur werd opzij geschoven. De dochter van de buren keek verschrikt naar buiten. Tegelijkertijd ging de deur open. Gelukkig maar, de buren waren thuis. Maar de schrik was er niet minder door geworden.
De buurman stelde gerust en liep mee om poolshoogte te nemen. Hij was politieman van beroep. Die zou de angstige situatie ongetwijfeld kunnen handelen. Maar ook de buurman had de schrik in zijn ogen staan. Met lood in de schoenen en niet wetend wat er te wachten stond liep iedereen naar boven. Behalve Kees. Kees had beelden voor zijn ogen die hij maar moeilijk los kon laten. Hij zag zijn moeder onderaan het trapgat liggen, badend in bloed. Het zal toch niet waar zijn?
Kees maakte het niet meer mee. Het werd hem zwart voor de ogen en viel flauw. De spanning was hem te groot geworden. De dochter van de buurman had hem opgevangen toen ie bijkwam en in bed gelegd. Toen Kees wakker werd zat zijn vader naast hem in een stoel. “Mams voelt zich niet zo goed mijn jongen, ze ligt in bed.” Nog steeds begreep Kees er helemaal niets van. Wat was er in hemelsnaam gebeurd?
23-03-2014
Trekhaaksmurf
“Nog een klein stukje kruipen en dan kun je omhoog komen Kees.” Wat is het spannend en wat duurt de kruiptocht lang. Kees heeft best schrik maar laat dat niet merken. Hij wil niet onderdoen voor zijn grote vriend en vijand, Sjakie. Maar kan hij Sjakie wel vertrouwen? Sjakie loodst hem nu onder de kolenwagen door. “Kan ik al omhoog komen?” Kees hoort niets en begint te twijfelen. Omkeren kan niet meer, maar hoe lang duurt het nu nog? Het lijkt wel een eeuwigheid. Het hart klopt in zijn keel.
“Ben ik er al Sjakie?” “Nee, nog effe Kees!” Maar Kees houdt het niet meer. Hij is ongeduldig en ziet plots weer wat meer licht onder de donkere kolenwagen doorschijnen. Hij denkt dat ie er is en kruipt onder de kolenwagen uit, met zijn hoofd omhoog. Dat had ie niet moeten doen. In een flits van een seconde lijken er in Kees zijn hoofd een aantal dingen te voltrekken. In een soort droom, een waas van acties. Hij voelt een pijnlijke steek wat wordt gevolgd door een wattig gevoel in zijn hoofd. Het lijkt alsof Kees wordt voortbewogen door iemand anders, door vreemde wezens.
Sjakie kijkt met bevreesd gezicht naar zijn vriendje Kees. Hij ziet hem onder de kolenwagen omhoog kruipen en zijn hoofd stoten tegen de trekhaak van de kolenwagen. Ai, dat doet pijn. Hij ziet Kees naar zijn hoofd grijpen en hij ziet ook boosheid en paniek in de kleine blauwe ogen. Het lijkt alleen niet tot zijn vriendje door te dringen. Een hoofdbotsing met enorm bloedverlies. Het bloed gutst uit Kees zijn hoofd. Sjakie kan niet anders dan wegrennen. Uit paniek, uit onmacht, uit schuldgevoel. Wie zal het zeggen?
Kees grijpt met twee handen zijn hoofd vast. Het bloed sijpelt door de vingers langs zijn oren op de schouders. Zijn groengrijs geblokte hemd kleurt in een mum van tijd rood. Hij ziet Sjakie wegrennen, de lafaard. ‘Wat moet ik doen, wat moet ik nu doen?’ Op de automatische piloot loopt Kees langs de garageboxen naar huis, dikke rode vette bloedstappen achter zich latend. ‘Wat zal mams schrikken en boos zijn.’ Dat is alles wat Kees kan bedenken.
Tijd voor uitleg is er amper. De paniek slaat ook bij mams toe. Ook haar piloot reageert automatisch en alert. Gelukkig maar. Een theehanddoek wordt over het hoofd gegooid van Kees. Zonder troost. Korte commando’s volgen. “Houdt vast. Stevig op je hoofd. Drukken en niet loslaten.” Moeder rent naar de telefoon. “Ja, hier met mij, Kees heeft een gat in zijn hoofd en bloedt ontzettend, wat moet ik doen? … Hij heeft zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen … Ja, daar kroop ie onder … Wat? … Je komt eraan … Alvast naar de dokter … Oké.”
“Dat is een groot gat mijn vriend, hoe heb je dat gedaan?” Er komt geen woord uit Kees. Bang kijkt hij naar de dokter, wat gaat er nu gebeuren?
De dokter heeft een schaar in zijn hand en grapt dat hij voor kapper gaat spelen. Daar ziet Kees de lol niet van in. Hij heeft een hekel aan de kapper. En met een groot gat in zijn hoofd vreest hij voor het ergste. Maar gelukkig is de knipbeurt snel voorbij. “Zo, dat is gepiept!” roept de dokter. “En nu gaan we nog even een oliesheik van je maken vriend.” Het hoofd van Kees wordt ingezwachteld met een grote rol verband. “Kijk maar even in de spiegel Keesje, en nu niet meer onder kolenwagens kruipen hè, volgende week terugkomen, oké?” Paps en mams nemen Kees weer mee naar huis. “Wie kruipt er nu ook onder een kolenwagen, jongen, jongen toch!” Ze zijn net zo hard geschrokken als Keesje zelf. Maar die heeft even geen boodschap aan het commentaar van paps en mams.
“Jongens, jongens … Nee, nee, geen grapjes vandaag. Dit is Keesje. Hij heeft gisteren een klein ongelukje gehad. Zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen. Hij is heel erg geschrokken maar nu doet het geen pijn meer. Hè Kees?” Daar staat Keesje in de schoolgymzaal. Met een groot wit verband om zijn hoofd. De hele klas buldert van de lach. Behalve Sjakie. Die staat een beetje achterin en duikt weg achter de jongen die voor hem staat. Op die manier ontwijkt hij de boze blik van Kees. Kees stroopt met zijn ogen de klas af naar zijn boosdoener. Naar zijn vriend en vijand, naar Sjakie, die hem nu ook weer in de steek laat. “Smurfje, smurfje”, joelt de klas nu. De juffrouw krijgt de klas niet stil. En eigenlijk, eigenlijk moet ze zelf ook een beetje lachen. In zijn blauwe trainingspak en met het grote witte verband om zijn hoofd lijkt Kees daadwerkelijk op een kleine smurf. “Keesje, je hoeft vandaag niet mee te doen hoor. Ga jij maar op het bankje zitten!” proest de juf. Keesje gaat zitten en denkt bij zichzelf. ‘Ik ben geen smurf, ik ben een sheik.’
“Ben ik er al Sjakie?” “Nee, nog effe Kees!” Maar Kees houdt het niet meer. Hij is ongeduldig en ziet plots weer wat meer licht onder de donkere kolenwagen doorschijnen. Hij denkt dat ie er is en kruipt onder de kolenwagen uit, met zijn hoofd omhoog. Dat had ie niet moeten doen. In een flits van een seconde lijken er in Kees zijn hoofd een aantal dingen te voltrekken. In een soort droom, een waas van acties. Hij voelt een pijnlijke steek wat wordt gevolgd door een wattig gevoel in zijn hoofd. Het lijkt alsof Kees wordt voortbewogen door iemand anders, door vreemde wezens.
Sjakie kijkt met bevreesd gezicht naar zijn vriendje Kees. Hij ziet hem onder de kolenwagen omhoog kruipen en zijn hoofd stoten tegen de trekhaak van de kolenwagen. Ai, dat doet pijn. Hij ziet Kees naar zijn hoofd grijpen en hij ziet ook boosheid en paniek in de kleine blauwe ogen. Het lijkt alleen niet tot zijn vriendje door te dringen. Een hoofdbotsing met enorm bloedverlies. Het bloed gutst uit Kees zijn hoofd. Sjakie kan niet anders dan wegrennen. Uit paniek, uit onmacht, uit schuldgevoel. Wie zal het zeggen?
Kees grijpt met twee handen zijn hoofd vast. Het bloed sijpelt door de vingers langs zijn oren op de schouders. Zijn groengrijs geblokte hemd kleurt in een mum van tijd rood. Hij ziet Sjakie wegrennen, de lafaard. ‘Wat moet ik doen, wat moet ik nu doen?’ Op de automatische piloot loopt Kees langs de garageboxen naar huis, dikke rode vette bloedstappen achter zich latend. ‘Wat zal mams schrikken en boos zijn.’ Dat is alles wat Kees kan bedenken.
Tijd voor uitleg is er amper. De paniek slaat ook bij mams toe. Ook haar piloot reageert automatisch en alert. Gelukkig maar. Een theehanddoek wordt over het hoofd gegooid van Kees. Zonder troost. Korte commando’s volgen. “Houdt vast. Stevig op je hoofd. Drukken en niet loslaten.” Moeder rent naar de telefoon. “Ja, hier met mij, Kees heeft een gat in zijn hoofd en bloedt ontzettend, wat moet ik doen? … Hij heeft zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen … Ja, daar kroop ie onder … Wat? … Je komt eraan … Alvast naar de dokter … Oké.”
“Dat is een groot gat mijn vriend, hoe heb je dat gedaan?” Er komt geen woord uit Kees. Bang kijkt hij naar de dokter, wat gaat er nu gebeuren?
De dokter heeft een schaar in zijn hand en grapt dat hij voor kapper gaat spelen. Daar ziet Kees de lol niet van in. Hij heeft een hekel aan de kapper. En met een groot gat in zijn hoofd vreest hij voor het ergste. Maar gelukkig is de knipbeurt snel voorbij. “Zo, dat is gepiept!” roept de dokter. “En nu gaan we nog even een oliesheik van je maken vriend.” Het hoofd van Kees wordt ingezwachteld met een grote rol verband. “Kijk maar even in de spiegel Keesje, en nu niet meer onder kolenwagens kruipen hè, volgende week terugkomen, oké?” Paps en mams nemen Kees weer mee naar huis. “Wie kruipt er nu ook onder een kolenwagen, jongen, jongen toch!” Ze zijn net zo hard geschrokken als Keesje zelf. Maar die heeft even geen boodschap aan het commentaar van paps en mams.
“Jongens, jongens … Nee, nee, geen grapjes vandaag. Dit is Keesje. Hij heeft gisteren een klein ongelukje gehad. Zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen. Hij is heel erg geschrokken maar nu doet het geen pijn meer. Hè Kees?” Daar staat Keesje in de schoolgymzaal. Met een groot wit verband om zijn hoofd. De hele klas buldert van de lach. Behalve Sjakie. Die staat een beetje achterin en duikt weg achter de jongen die voor hem staat. Op die manier ontwijkt hij de boze blik van Kees. Kees stroopt met zijn ogen de klas af naar zijn boosdoener. Naar zijn vriend en vijand, naar Sjakie, die hem nu ook weer in de steek laat. “Smurfje, smurfje”, joelt de klas nu. De juffrouw krijgt de klas niet stil. En eigenlijk, eigenlijk moet ze zelf ook een beetje lachen. In zijn blauwe trainingspak en met het grote witte verband om zijn hoofd lijkt Kees daadwerkelijk op een kleine smurf. “Keesje, je hoeft vandaag niet mee te doen hoor. Ga jij maar op het bankje zitten!” proest de juf. Keesje gaat zitten en denkt bij zichzelf. ‘Ik ben geen smurf, ik ben een sheik.’
17-02-2014
Maskerade
Gekleurde plastic maskers hangen aan een grijze muur. Twee clowns, een hond, een poes en een mannetje met bolhoed. Ze staren leeg voor zich uit en dragen een zure glimlach rondom hun mond. Een gladde bevroren glimlach die eventjes oplicht, zodra een waterig winterzonnetje erop schijnt. Het is feest voor de maskers. Carnaval. Al drie dagen lang.
In de mond houden ze een feesttoeter geklemd. De oranje franjes van de toeters steken flets af tegen de grijze muur. Geen enkel masker heeft haar. Is ook nergens voor nodig. Slingers in vijf bonte kleuren, zorgvuldig vastgeklemd tussen het masker en de muur, zorgen voor een kleurrijk spaghetti-toupet. Uit de muziekboxen klinken aanhoudend vrolijke deuntjes in dialect. 'Mien, wao is mien fiësneus, Mien wao is mien neus? Wao is mien fiësneus geblaeve!'
De ballonnen die aan een koperen kroonluchter hangen lijken hun laatste adem uit te blazen. Ze hangen er magertjes bij. De fut is eruit. Net als bij Kees. Kees weet dat als hij nu de ballonnen doorprikt, ze niet eens meer zullen knallen. Kees zit op de bank en draagt een comboypak. Een beetje treurig stopt ie zijn laatste knallers in zijn pistool en hoort de discussie in de woonkamer aan. Carnaval loopt op zijn laatste benen.
De zwarte snor die zijn vader hem iedere dag aanmeet loopt door. Net als zijn bakkebaarden. Het is ook zo warm binnen. De geruite zakdoek om zijn nek kriebelt. Dat doet ie al een paar dagen. Maar zonder zakdoek voelt Kees zich geen cowboy. Het luciferdoosje waarmee de zakdoek aan elkaar is geknoopt, zit strak onder zijn strottenhoofd. Het is afzien voor een kleine cowboy, maar so what. Alles liever dan verschut staan als dansmarietje of als domme indiaan.
'Ik pas vanavond niet op Kees, niet weer hoor, vanavond ga ik uit. Jullie kunnen op je kop gaan staan!' De zus van Kees, schattig verkleed als een blauw matroosje met twee vlechten, heeft haar punt gemaakt. 'Ik pas ook niet op, ik heb al afgesproken met vrienden, ik word zo opgehaald'. Kees' broer blijft ook niet thuis. Verkleed als hippie in een wit overhemd, bestift met hippiespreuken en rode hartjes, mag dit jaar voor het eerst uit. De oudste broer ziet de bui al hangen. Maar ook hij laat verstek gaan. 'Sorry jongens, maar vanavond is mijn schaakavond.' Hij houdt niet van Carnaval. Net zo min als zijn schaakvrienden dat doen.
Pa heeft vanuit de keuken alles aangehoord en loopt de woonkamer binnen. 'Dan hebben jullie nu een probleem. Drie dagen hebben jullie kunnen feesten en vanavond is het mijn beurt.' Langzaam lopen de gemoederen hoog op. Niemand wil zich opofferen. Het is een zwaar jaar geweest en iedereen heeft zich verheugd op deze Carnaval. Ma is amper acht maanden geleden gestorven en het liefst wil iedereen dat heel eventjes vergeten. Ook Kees.
Maar Kees voelt zich schuldig. Hij is weer eens de grote lastpost. Stomme Carnaval. Hij zou ook wel uit willen, maar is nog te jong. Dit gaat geen leuke avond worden. Alweer niet. Treurig kijkt Kees in de richting van het clownsmasker dat voor hem aan de muur hangt. Langzaam schiet ie vol. Dikke tranen rollen langs zijn neus, via snor over de kin op het tegeltapijt. En de clown, de clown tegenover hem huilt stilletjes mee.
In de mond houden ze een feesttoeter geklemd. De oranje franjes van de toeters steken flets af tegen de grijze muur. Geen enkel masker heeft haar. Is ook nergens voor nodig. Slingers in vijf bonte kleuren, zorgvuldig vastgeklemd tussen het masker en de muur, zorgen voor een kleurrijk spaghetti-toupet. Uit de muziekboxen klinken aanhoudend vrolijke deuntjes in dialect. 'Mien, wao is mien fiësneus, Mien wao is mien neus? Wao is mien fiësneus geblaeve!'
De ballonnen die aan een koperen kroonluchter hangen lijken hun laatste adem uit te blazen. Ze hangen er magertjes bij. De fut is eruit. Net als bij Kees. Kees weet dat als hij nu de ballonnen doorprikt, ze niet eens meer zullen knallen. Kees zit op de bank en draagt een comboypak. Een beetje treurig stopt ie zijn laatste knallers in zijn pistool en hoort de discussie in de woonkamer aan. Carnaval loopt op zijn laatste benen.
De zwarte snor die zijn vader hem iedere dag aanmeet loopt door. Net als zijn bakkebaarden. Het is ook zo warm binnen. De geruite zakdoek om zijn nek kriebelt. Dat doet ie al een paar dagen. Maar zonder zakdoek voelt Kees zich geen cowboy. Het luciferdoosje waarmee de zakdoek aan elkaar is geknoopt, zit strak onder zijn strottenhoofd. Het is afzien voor een kleine cowboy, maar so what. Alles liever dan verschut staan als dansmarietje of als domme indiaan.
'Ik pas vanavond niet op Kees, niet weer hoor, vanavond ga ik uit. Jullie kunnen op je kop gaan staan!' De zus van Kees, schattig verkleed als een blauw matroosje met twee vlechten, heeft haar punt gemaakt. 'Ik pas ook niet op, ik heb al afgesproken met vrienden, ik word zo opgehaald'. Kees' broer blijft ook niet thuis. Verkleed als hippie in een wit overhemd, bestift met hippiespreuken en rode hartjes, mag dit jaar voor het eerst uit. De oudste broer ziet de bui al hangen. Maar ook hij laat verstek gaan. 'Sorry jongens, maar vanavond is mijn schaakavond.' Hij houdt niet van Carnaval. Net zo min als zijn schaakvrienden dat doen.
Pa heeft vanuit de keuken alles aangehoord en loopt de woonkamer binnen. 'Dan hebben jullie nu een probleem. Drie dagen hebben jullie kunnen feesten en vanavond is het mijn beurt.' Langzaam lopen de gemoederen hoog op. Niemand wil zich opofferen. Het is een zwaar jaar geweest en iedereen heeft zich verheugd op deze Carnaval. Ma is amper acht maanden geleden gestorven en het liefst wil iedereen dat heel eventjes vergeten. Ook Kees.
Maar Kees voelt zich schuldig. Hij is weer eens de grote lastpost. Stomme Carnaval. Hij zou ook wel uit willen, maar is nog te jong. Dit gaat geen leuke avond worden. Alweer niet. Treurig kijkt Kees in de richting van het clownsmasker dat voor hem aan de muur hangt. Langzaam schiet ie vol. Dikke tranen rollen langs zijn neus, via snor over de kin op het tegeltapijt. En de clown, de clown tegenover hem huilt stilletjes mee.
23-01-2014
Drakenvriend
Met een zucht slaat Kees de deur van zijn nieuwe slaapkamer open. Het ruikt naar vers behang en latex. Flauwtjes neemt hij de nieuwe plek in zich op. Drie muren beige, één muur chocoladebruin. En dat op de vijftiende verdieping van een okergele flat. De verflucht kriebelt in zijn neus. “En wat vind je ervan, is ie niet mooi?” In de blik van pa ligt het antwoord hoopvol opgesloten. “Ja pa, het ziet er goed uit.” Kees liegt, om bestwil, de ruimte is veel te klein.
Hij kan zijn kont amper keren. De spullen uit zijn vorige kamer lijken de muren van dit hol omver te duwen. Tussen het bed en het bureau is nauwelijks loopruimte. Als de stoel naar achteren is geschoven kan er niemand door. Kees ziet al snel dat hij voortaan op zijn linkerzij moet slapen. Op de rechterzij is het risico te groot dat hij de slaapkamerdeur bij plotse entering langs zijn gezicht ziet schuren. En dat wil ie niet. Een goede slaper is hij niet. Daar is Kees te waakzaam voor. Op zijn buik of rug slapen kan ie niet.
Met een plof gooit Kees zich neer op het bed. Op de buik met zijn neus in het kussen. Pa rommelt wat in de keuken. Zo te horen op zoek naar nieuwe orde. Een orde die hij maar moeilijk lijkt te vinden. Sinds kort woont Kees alleen met pa. Het hoekhuis in de volksbuurt waarin Kees geboren en getogen is, is noodgedwongen verkocht. Alle mensen uit het huis zijn vertrokken. Twee broers en een zus. Verliefd, verloofd, getrouwd. Weggerend, zo voelt het toch. Mams had het huis allang verlaten, zwevend naar de sterrenhemel. De tranen biggelen Kees over de wangen. Hij drukt zijn neus en tranen stevig in het kussen. Zelfs de geur in het kussen is niet vertrouwd. Hoe hard Kees ook snuift. Waarom? Waarom?
“Zit toch niet zo te mokken!” Kees veert op. Waar komt die stem vandaan? Een onbekende stem. Niet eerder gehoord. De slaapkamerdeur is dicht. Zijn vader is het niet. Wie leest Kees de les. “Ja, ja, je hoeft niet onder het bed te kijken hoor, ik ben het maar. Ja, hiero, hier op de deur!” Met grote verbazing kijkt Kees naar de poster op de deur. Zijn fluwelen draak is tot leven gekomen. De paarszwarte draak kwispelt wat met zijn staart en zijn fluorescerende ogen spugen vuur. Het maakt Kees en zijn koude kamer heel eventjes warm. “Bij de pakken neerzitten heeft geen zin, jongeman, je moet vooruit. Je nieuwe wereld ontdekken. Kop op. Droog je tranen!” Hoe durft de draak. Terugbrengen naar de winkel is geen optie. Zo’n brutale poster heeft Kees nog nooit gehad. “Bemoei je met je eigen zaken lelijke draak, wie denk je wel dat je bent?”
De draak bevriest onder de kou en stolt weer terug tot poster. Even twijfelt Kees aan zichzelf. Sprak die draak nu echt, of hoorde hij zichzelf praten? Zijn puberbrein haalt rare streken uit. En toch, de draak in zijn gedachten had wel een punt. Een plaatje draaien, dat is wat Kees wil doen. Muziek in droefenis maakt zijn lijden zacht. Hij kan alleen niet kiezen. Tussen Dylan en de Groot. Ach, arm kind, wat lig je hier stil, dertien lentes zo pril met het antwoord in de wind.
Hij kan zijn kont amper keren. De spullen uit zijn vorige kamer lijken de muren van dit hol omver te duwen. Tussen het bed en het bureau is nauwelijks loopruimte. Als de stoel naar achteren is geschoven kan er niemand door. Kees ziet al snel dat hij voortaan op zijn linkerzij moet slapen. Op de rechterzij is het risico te groot dat hij de slaapkamerdeur bij plotse entering langs zijn gezicht ziet schuren. En dat wil ie niet. Een goede slaper is hij niet. Daar is Kees te waakzaam voor. Op zijn buik of rug slapen kan ie niet.
Met een plof gooit Kees zich neer op het bed. Op de buik met zijn neus in het kussen. Pa rommelt wat in de keuken. Zo te horen op zoek naar nieuwe orde. Een orde die hij maar moeilijk lijkt te vinden. Sinds kort woont Kees alleen met pa. Het hoekhuis in de volksbuurt waarin Kees geboren en getogen is, is noodgedwongen verkocht. Alle mensen uit het huis zijn vertrokken. Twee broers en een zus. Verliefd, verloofd, getrouwd. Weggerend, zo voelt het toch. Mams had het huis allang verlaten, zwevend naar de sterrenhemel. De tranen biggelen Kees over de wangen. Hij drukt zijn neus en tranen stevig in het kussen. Zelfs de geur in het kussen is niet vertrouwd. Hoe hard Kees ook snuift. Waarom? Waarom?
“Zit toch niet zo te mokken!” Kees veert op. Waar komt die stem vandaan? Een onbekende stem. Niet eerder gehoord. De slaapkamerdeur is dicht. Zijn vader is het niet. Wie leest Kees de les. “Ja, ja, je hoeft niet onder het bed te kijken hoor, ik ben het maar. Ja, hiero, hier op de deur!” Met grote verbazing kijkt Kees naar de poster op de deur. Zijn fluwelen draak is tot leven gekomen. De paarszwarte draak kwispelt wat met zijn staart en zijn fluorescerende ogen spugen vuur. Het maakt Kees en zijn koude kamer heel eventjes warm. “Bij de pakken neerzitten heeft geen zin, jongeman, je moet vooruit. Je nieuwe wereld ontdekken. Kop op. Droog je tranen!” Hoe durft de draak. Terugbrengen naar de winkel is geen optie. Zo’n brutale poster heeft Kees nog nooit gehad. “Bemoei je met je eigen zaken lelijke draak, wie denk je wel dat je bent?”
De draak bevriest onder de kou en stolt weer terug tot poster. Even twijfelt Kees aan zichzelf. Sprak die draak nu echt, of hoorde hij zichzelf praten? Zijn puberbrein haalt rare streken uit. En toch, de draak in zijn gedachten had wel een punt. Een plaatje draaien, dat is wat Kees wil doen. Muziek in droefenis maakt zijn lijden zacht. Hij kan alleen niet kiezen. Tussen Dylan en de Groot. Ach, arm kind, wat lig je hier stil, dertien lentes zo pril met het antwoord in de wind.
01-01-2014
Eindejaars gein en ongein
De kamer is veel te klein voor zoveel gasten. Een hoek van de kamer wordt volledig opgezogen door een grote kerstboom die reikt tot aan het plafond. De piek lijkt het plafond te kussen maar doet dat net niet. Het is een fantastische boom, wederom. Opgetuigd met mooie lampjes, oude kerstballen en engelenhaar. Voor ieder lampje hangt een plukje haar.
Kees is apetrots op de boom. Het is de mooiste en grootste kerstboom van heel de buurt. En dat geldt ook voor de kerststal. Die neemt bijna een kwart van de woonkamer in beslag. Eigenlijk is het geen kerststal maar een kerstgrot. De onderste takken van de kerstboom heeft papa afgeknipt. Anders past de grot er niet onder. Aan de onderste tak zweeft een grote engel. Die heet Gloria. Een rare naam vindt Kees. En zijn achternaam is ook heel maf. Excelsis Deo staat geschreven op het bord dat Gloria met beiden handen boven zijn hoofd houdt. “Ekselsisdeo”, leest papa altijd hardop aan Kees voor. Wie verzint dat nou, zo’n naam?
De engel hangt met zwevende beentjes net boven een bakje waarin een klein baby’tje ligt. Een os en een ezel plukken wat aan het stro dat uit het bakje komt. Een mooi tafereel. Kees tuurt over het bultige en gekreukte rotspapier dat met mos bedekt is en vol staat met beeldjes. Koningen, schapen, herders, van alles loopt er rond. Bijna een heel weekend heeft zijn vader erover gedaan om de kerstgrot en de kerstboom op te tuigen. En wat zijn ze weer mooi. Kees kent de geheimen en de inspanningen die schuil gaan achter deze pracht. En het gevloek.
De kartonnen dozen waarin de kerstballen jaarlijks worden opgeborgen, dienen als bodem en grondvlak van de kerstgrot. Het rotspapier ruikt muf en naar zolder. Telkens als Kees langs de kerstgrot loopt aait ie over het mos. Het voelt lekker zacht en sponsig. Het ruikt een beetje naar bos. Het bos waar hij samen met zijn broers en papa het mos vandaan heeft gehaald. Net als de hulst en de mooie takken. Ze geven de kerstgrot een knusse en warme sfeer.
De beeldjes worden jaarlijks in een vast patroon in het veld geplaatst. Met militaire precisie. Het is een groot feest om alle beeldjes uit te pakken. Vooral de kameel, die heel zwaar weegt. Dat is de favoriet van Kees. Samen met zijn broer en zus vecht hij ieder jaar wie hem mag uitpakken, uit het vergeelde krantenpapier.
Kees is zo in de ban van de kameel dat hij er dagelijks van droomt. In zijn droom kruipt ie dicht tegen de kameel aan. Lekker warm. Maar als Kees ‘s morgens wakker wordt, is het bed altijd koud. Nat en koud. Weer in bed geplast, voor de zoveelste keer. Bah. Van de spanning, zeggen papa en mama. En hij is al zeven.
Vandaag wordt het extra spannend. Dat weet Kees. Want vanavond komen alle oma’s en opa’s op visite. Het is vandaag oud en nieuw. Hij mag opblijven tot in de late uurtjes. Hij krijgt zelfs bowl. Kinderbowl. Al gauw loopt het huis vol en is het gezellig druk. Het past allemaal maar net in de kleine woonkamer, maar dat geeft niks. Kees geniet van al die drukte.
Oom moppentap is er ook. Hij heeft het grootste woord, zoals altijd. Tante moppentap doet niets anders dan snoepen. Van de kerstkransjes en de bokkenpootjes. En oma uit de stad rookt de ene sigaret na de andere. Bah. Het glaasje op tafel raakt al snel leeg. Het wordt meteen bijgevuld, met babbeleros en stuifzand. Rare namen hebben die sigaretten. Maar de volwassenen vreten ze op. Opa uit het dorp niet. Die rookt alleen maar hofnar. Eén hooguit twee, de hele avond. De sigarenbandjes mag Kees houden. Hij heeft al een hele verzameling.
Langzaam begint de stemming in de kamer te stijgen. Het uur u nadert. Iedereen is lollig. En dat komt volgens papa niet door oom moppentap. Nee, dat komt door meneer Hermans op tv en de grote mensen bowl. Oma uit de stad en opa uit het dorp hebben het er warm van gekregen. Ze hebben beiden het bovenste knoopje van hun witte hemd los gemaakt en hebben allebei een vuurrood hoofd. Ze lijken op lucifers. Kees moet lachen. Die kunnen straks makkelijk het vuurwerk aansteken. Kees is er klaar voor.
De glazen worden nog eens gevuld en zijn broers en zus beginnen al hardop te tellen. “Nog effe wachten!”, roept pa. “De klok is nog niet zover!” En hij wijst met zijn grote kerstboomhand naar de klok die traag seconden weg tikt. Pas als papa zijn donkere stem inzet wordt het serieus. Iedereen in de kleine woonkamer valt bij. “TIEN, NEGEN, ACHT, ZEVEN, ZES, VIJF, VIER, DRIE, TWEE, EEN … ZALIG NIEUWJAAR !!!“
Broers en zus, papa en mama, oom en tante, ze pakken elkaar vast en zoenen dat het een lieve lust is. Totdat met een hele grote gil, oma uit de stad en opa uit het dorp, samen achterover vallen in de kerstboom. Iedereen barst in lachen uit. Oma en opa liggen beteuterd, op hun billen, onder de kerstboom. Opa heeft nu haar. Het engelenhaar ligt als een tulband op zijn kale kop. En oma … oma die draagt twee paddenstoelkerstballen in haar oren.
Kees houdt het niet meer. Dit moet hij aan de grote klok hangen. Als een idioot rent ie de deur uit, de straat op. Onder luid geknal en met spetterend vuurwerk in de lucht, zet ie twee handen aan zijn mond en roept keihard: “OMA EN OPA ZIJN IN DE KERSTBOOM GEVALLEN!!!”. Maar er is niemand die hem hoort. Zijn stemgeluid lost op in het grote geknal en de straat is nog leeg. Wat een teleurstelling. Van spanning plast Kees in zijn broek. Niet echt een zalig begin van het nieuwe jaar, maar wel heel eventjes, lekker warm.
Geschreven als Vaste Columnist van ColumnX (01-09-2013 tot en met 31-08-2014)
Kees is apetrots op de boom. Het is de mooiste en grootste kerstboom van heel de buurt. En dat geldt ook voor de kerststal. Die neemt bijna een kwart van de woonkamer in beslag. Eigenlijk is het geen kerststal maar een kerstgrot. De onderste takken van de kerstboom heeft papa afgeknipt. Anders past de grot er niet onder. Aan de onderste tak zweeft een grote engel. Die heet Gloria. Een rare naam vindt Kees. En zijn achternaam is ook heel maf. Excelsis Deo staat geschreven op het bord dat Gloria met beiden handen boven zijn hoofd houdt. “Ekselsisdeo”, leest papa altijd hardop aan Kees voor. Wie verzint dat nou, zo’n naam?
De engel hangt met zwevende beentjes net boven een bakje waarin een klein baby’tje ligt. Een os en een ezel plukken wat aan het stro dat uit het bakje komt. Een mooi tafereel. Kees tuurt over het bultige en gekreukte rotspapier dat met mos bedekt is en vol staat met beeldjes. Koningen, schapen, herders, van alles loopt er rond. Bijna een heel weekend heeft zijn vader erover gedaan om de kerstgrot en de kerstboom op te tuigen. En wat zijn ze weer mooi. Kees kent de geheimen en de inspanningen die schuil gaan achter deze pracht. En het gevloek.
De kartonnen dozen waarin de kerstballen jaarlijks worden opgeborgen, dienen als bodem en grondvlak van de kerstgrot. Het rotspapier ruikt muf en naar zolder. Telkens als Kees langs de kerstgrot loopt aait ie over het mos. Het voelt lekker zacht en sponsig. Het ruikt een beetje naar bos. Het bos waar hij samen met zijn broers en papa het mos vandaan heeft gehaald. Net als de hulst en de mooie takken. Ze geven de kerstgrot een knusse en warme sfeer.
De beeldjes worden jaarlijks in een vast patroon in het veld geplaatst. Met militaire precisie. Het is een groot feest om alle beeldjes uit te pakken. Vooral de kameel, die heel zwaar weegt. Dat is de favoriet van Kees. Samen met zijn broer en zus vecht hij ieder jaar wie hem mag uitpakken, uit het vergeelde krantenpapier.
Kees is zo in de ban van de kameel dat hij er dagelijks van droomt. In zijn droom kruipt ie dicht tegen de kameel aan. Lekker warm. Maar als Kees ‘s morgens wakker wordt, is het bed altijd koud. Nat en koud. Weer in bed geplast, voor de zoveelste keer. Bah. Van de spanning, zeggen papa en mama. En hij is al zeven.
Vandaag wordt het extra spannend. Dat weet Kees. Want vanavond komen alle oma’s en opa’s op visite. Het is vandaag oud en nieuw. Hij mag opblijven tot in de late uurtjes. Hij krijgt zelfs bowl. Kinderbowl. Al gauw loopt het huis vol en is het gezellig druk. Het past allemaal maar net in de kleine woonkamer, maar dat geeft niks. Kees geniet van al die drukte.
Oom moppentap is er ook. Hij heeft het grootste woord, zoals altijd. Tante moppentap doet niets anders dan snoepen. Van de kerstkransjes en de bokkenpootjes. En oma uit de stad rookt de ene sigaret na de andere. Bah. Het glaasje op tafel raakt al snel leeg. Het wordt meteen bijgevuld, met babbeleros en stuifzand. Rare namen hebben die sigaretten. Maar de volwassenen vreten ze op. Opa uit het dorp niet. Die rookt alleen maar hofnar. Eén hooguit twee, de hele avond. De sigarenbandjes mag Kees houden. Hij heeft al een hele verzameling.
Langzaam begint de stemming in de kamer te stijgen. Het uur u nadert. Iedereen is lollig. En dat komt volgens papa niet door oom moppentap. Nee, dat komt door meneer Hermans op tv en de grote mensen bowl. Oma uit de stad en opa uit het dorp hebben het er warm van gekregen. Ze hebben beiden het bovenste knoopje van hun witte hemd los gemaakt en hebben allebei een vuurrood hoofd. Ze lijken op lucifers. Kees moet lachen. Die kunnen straks makkelijk het vuurwerk aansteken. Kees is er klaar voor.
De glazen worden nog eens gevuld en zijn broers en zus beginnen al hardop te tellen. “Nog effe wachten!”, roept pa. “De klok is nog niet zover!” En hij wijst met zijn grote kerstboomhand naar de klok die traag seconden weg tikt. Pas als papa zijn donkere stem inzet wordt het serieus. Iedereen in de kleine woonkamer valt bij. “TIEN, NEGEN, ACHT, ZEVEN, ZES, VIJF, VIER, DRIE, TWEE, EEN … ZALIG NIEUWJAAR !!!“
Broers en zus, papa en mama, oom en tante, ze pakken elkaar vast en zoenen dat het een lieve lust is. Totdat met een hele grote gil, oma uit de stad en opa uit het dorp, samen achterover vallen in de kerstboom. Iedereen barst in lachen uit. Oma en opa liggen beteuterd, op hun billen, onder de kerstboom. Opa heeft nu haar. Het engelenhaar ligt als een tulband op zijn kale kop. En oma … oma die draagt twee paddenstoelkerstballen in haar oren.
Kees houdt het niet meer. Dit moet hij aan de grote klok hangen. Als een idioot rent ie de deur uit, de straat op. Onder luid geknal en met spetterend vuurwerk in de lucht, zet ie twee handen aan zijn mond en roept keihard: “OMA EN OPA ZIJN IN DE KERSTBOOM GEVALLEN!!!”. Maar er is niemand die hem hoort. Zijn stemgeluid lost op in het grote geknal en de straat is nog leeg. Wat een teleurstelling. Van spanning plast Kees in zijn broek. Niet echt een zalig begin van het nieuwe jaar, maar wel heel eventjes, lekker warm.
Geschreven als Vaste Columnist van ColumnX (01-09-2013 tot en met 31-08-2014)
11-11-2013
Oma’tje lief
Het is weekend en Kees mag weer naar oma en opa. Dit keer zonder broer. Waarom weet Kees niet. Wat hij wel weet is dat mama weer ziek is. Papa is zelfs teruggeroepen van zijn werk. Het komt steeds vaker voor. Kees vindt het maar niks. Weer een heel weekend opgesloten bij opa en oma. Met zijn broer is dat nog wel leuk. Ze timmeren dan in het schuurtje van opa eerst houten zwaarden. Met de zwaarden spelen ze dan Floris de ridder. Dat doet Kees het liefste. Zijn broer speelt Sindela de tovenaar en Kees is Floris. Met een oude handdoek of laken om de schouders geknoopt, wanen ze zich koene ridders uit de middeleeuwen. Maar helaas is zijn broer er dit keer niet bij.
Gelukkig is het mooi weer en kan Kees in ieder geval naar buiten. Op pad met een glazen potje en een blaadje groen erin. Lieveheersbeestjes vangen. Die zitten op de rode prikstruiken. Prikstruiken die in de hele buurt bij oma en opa de kleine voortuintjes van elkaar scheiden. Al snel heeft Kees zijn potje vol met Lieveheersbeestjes. Trots laat ie het jampotje aan oma zien. Maar oma heeft geen tijd voor Kees. Zij is veel te druk met de zaterdagpoets. Het huis moet schoon. In oma’s huis gelden de regels van reinheid, rust en regelmaat. En opa, waar is opa? Die dut wat in zijn stoel. Ook daar kan Kees helemaal niets mee. De verveling slaat al gauw toe. Nog een uurtje en dan is het gelukkig etenstijd. Dan mag hij zijn handen weer wassen en netjes aan tafel zitten. Met mes en vork eten, zwijgzaam, want praten wordt aan tafel niet gedaan.
Vandaag heeft Kees een kou gevat. Daar weet oma wel raad mee. Op tijd naar bed, maar niet nadat de borst is ingewreven met een flinke partij dampo. Nu nog een flanellen lap om de borst en dan stevig onder de gesteven lakens en wollen deken in bed. Kees krijgt amper adem. En dat is niet van de verkoudheid. Wat verlangt hij naar zijn eigen bedje. Het stapelbed op de jongenskamer. En naar zijn broer, die altijd een verhaal verteld voor het slapen gaan. Meestal een spannend verhaal dat steevast eindigt met het eng zwaaien van zijn broer’s arm langs het bed. Dat vindt Kees doodeng. Maar zijn broer kan het plagen niet laten. Hij is niet voor niets een grote broer.
Zal Kees vanavond weer eng dromen? Hij weet het niet. Hij is bang van wel. Wordt het weer de grote witte lege ruimten droom, met onmetelijk licht en leegheid? Of droomt Kees weer van de school tegenover oma en opa. Waar hij stiekem op het dak is gekropen, maar niet meer vanaf durft omdat er rond de school enge honden lopen met bekken vol grote tanden. De honden laten hun tanden zien telkens als hij van het dak af wil kruipen. Bonkend met zijn hoofd in het kussen probeert Kees de slaap te vatten. Morgen is het zondag. Weer een trieste eenzame dag waarbij Kees zijn familie moet missen. Moet missen omdat mama ziek is. Maar wat heeft ze dan? Kees snapt er niets van. Uiteindelijk valt hij in slaap. Droomloos dit keer. Gelukkig maar.
De zondag is vandaag zonnig en vraagt zoals iedere zondag om zondagse kleren. Dat betekent oppassen wat je doet. Want zondagse kleren mogen absoluut niet vies worden. Zeker niet bij oma en opa. Vanmiddag gaan ze op bezoek bij een zus van oma. Die woont om de hoek. Er komen nog meer oude mensen. Kees weet wat er komen gaat en vreest nu al voor de middag. Maar hij ontkomt er niet aan. Het thee- en koffiekransje, inclusief mariakoekjesdip is nog maar amper gestart of oma vertelt aan iedereen hoe mooi Keesje zingen kan. Dwepend en doordringend vraagt ze Kees te zingen.
“Ga maar op tafel staan Keesje, je kunt het, toe maar.” Hij heeft geen keus en wordt in de sterke armen van de zwager van zijn oma op de tafel geplant. Het moet een vreemd gezicht zijn, denkt Kees. Gênant ook. Hij ziet zichzelf staan als klein jongetje midden op tafel in zondagse kleren, met blauwe ogen en blonde krullen en kwijlende oudjes om hem heen. Maar Kees laat zich niet kennen. Hij weet wat er van hem verwacht wordt. Uit volle borst zet hij in: “Oma’tje lief, blijf alstublieft. Heel lang bij ons, net zo lang als u leeft. U hoort bij mij, u bent van mij. Niemand als ik die zo’n oma’tje heeft.”
Applaus volgt. Kees krijgt een kleur. Hij weet niet goed of hij dit nu leuk vindt of niet. Maar in ieder geval is er aandacht. Zou hier de liefde voor het podium bij Kees geboren zijn? Kees weet het niet. Wat hij wel weet is dat er onmiddellijk een toegift moet volgen. Luidkeels zet hij in: “Mama …, je bent de liefste van de hele wereld. Mama, de allerliefste van de hele wereld. Later, wanneer ik ga trouwen. Zal ik een huisje gaan bouwen. Als je dan soms alleen zult zijn, kom dan bij mij in huis. Mama, de liefste van de wereld ben jij. Oh, lieve mama, je bent en blijft altijd een voorbeeld voor mij.” Snikkend vliegt Keesje van tafel. Dit keer komt het allemaal te dicht bij. Mama is ziek. En Keesje wil alleen nog maar bij mama zijn.
Gelukkig is het mooi weer en kan Kees in ieder geval naar buiten. Op pad met een glazen potje en een blaadje groen erin. Lieveheersbeestjes vangen. Die zitten op de rode prikstruiken. Prikstruiken die in de hele buurt bij oma en opa de kleine voortuintjes van elkaar scheiden. Al snel heeft Kees zijn potje vol met Lieveheersbeestjes. Trots laat ie het jampotje aan oma zien. Maar oma heeft geen tijd voor Kees. Zij is veel te druk met de zaterdagpoets. Het huis moet schoon. In oma’s huis gelden de regels van reinheid, rust en regelmaat. En opa, waar is opa? Die dut wat in zijn stoel. Ook daar kan Kees helemaal niets mee. De verveling slaat al gauw toe. Nog een uurtje en dan is het gelukkig etenstijd. Dan mag hij zijn handen weer wassen en netjes aan tafel zitten. Met mes en vork eten, zwijgzaam, want praten wordt aan tafel niet gedaan.
Vandaag heeft Kees een kou gevat. Daar weet oma wel raad mee. Op tijd naar bed, maar niet nadat de borst is ingewreven met een flinke partij dampo. Nu nog een flanellen lap om de borst en dan stevig onder de gesteven lakens en wollen deken in bed. Kees krijgt amper adem. En dat is niet van de verkoudheid. Wat verlangt hij naar zijn eigen bedje. Het stapelbed op de jongenskamer. En naar zijn broer, die altijd een verhaal verteld voor het slapen gaan. Meestal een spannend verhaal dat steevast eindigt met het eng zwaaien van zijn broer’s arm langs het bed. Dat vindt Kees doodeng. Maar zijn broer kan het plagen niet laten. Hij is niet voor niets een grote broer.
Zal Kees vanavond weer eng dromen? Hij weet het niet. Hij is bang van wel. Wordt het weer de grote witte lege ruimten droom, met onmetelijk licht en leegheid? Of droomt Kees weer van de school tegenover oma en opa. Waar hij stiekem op het dak is gekropen, maar niet meer vanaf durft omdat er rond de school enge honden lopen met bekken vol grote tanden. De honden laten hun tanden zien telkens als hij van het dak af wil kruipen. Bonkend met zijn hoofd in het kussen probeert Kees de slaap te vatten. Morgen is het zondag. Weer een trieste eenzame dag waarbij Kees zijn familie moet missen. Moet missen omdat mama ziek is. Maar wat heeft ze dan? Kees snapt er niets van. Uiteindelijk valt hij in slaap. Droomloos dit keer. Gelukkig maar.
De zondag is vandaag zonnig en vraagt zoals iedere zondag om zondagse kleren. Dat betekent oppassen wat je doet. Want zondagse kleren mogen absoluut niet vies worden. Zeker niet bij oma en opa. Vanmiddag gaan ze op bezoek bij een zus van oma. Die woont om de hoek. Er komen nog meer oude mensen. Kees weet wat er komen gaat en vreest nu al voor de middag. Maar hij ontkomt er niet aan. Het thee- en koffiekransje, inclusief mariakoekjesdip is nog maar amper gestart of oma vertelt aan iedereen hoe mooi Keesje zingen kan. Dwepend en doordringend vraagt ze Kees te zingen.
“Ga maar op tafel staan Keesje, je kunt het, toe maar.” Hij heeft geen keus en wordt in de sterke armen van de zwager van zijn oma op de tafel geplant. Het moet een vreemd gezicht zijn, denkt Kees. Gênant ook. Hij ziet zichzelf staan als klein jongetje midden op tafel in zondagse kleren, met blauwe ogen en blonde krullen en kwijlende oudjes om hem heen. Maar Kees laat zich niet kennen. Hij weet wat er van hem verwacht wordt. Uit volle borst zet hij in: “Oma’tje lief, blijf alstublieft. Heel lang bij ons, net zo lang als u leeft. U hoort bij mij, u bent van mij. Niemand als ik die zo’n oma’tje heeft.”
Applaus volgt. Kees krijgt een kleur. Hij weet niet goed of hij dit nu leuk vindt of niet. Maar in ieder geval is er aandacht. Zou hier de liefde voor het podium bij Kees geboren zijn? Kees weet het niet. Wat hij wel weet is dat er onmiddellijk een toegift moet volgen. Luidkeels zet hij in: “Mama …, je bent de liefste van de hele wereld. Mama, de allerliefste van de hele wereld. Later, wanneer ik ga trouwen. Zal ik een huisje gaan bouwen. Als je dan soms alleen zult zijn, kom dan bij mij in huis. Mama, de liefste van de wereld ben jij. Oh, lieve mama, je bent en blijft altijd een voorbeeld voor mij.” Snikkend vliegt Keesje van tafel. Dit keer komt het allemaal te dicht bij. Mama is ziek. En Keesje wil alleen nog maar bij mama zijn.
03-10-2013
Te huis
Bij ieder woord dat Kees hoort schrikt hij op. Heeft hij dat goed gehoord? Kees kruipt wat dichter tegen de trap en legt zijn oor vlak langs een van de spijlen die onder de leuning omlaag krult. Zo kan hij zich beter concentreren op wat er binnen wordt verteld. Iets vreselijks. Hij vangt lossen flarden op van een gesprek waarvan de toon hem niet aanstaat. Ze hebben weer ruzie.
Kees had allang in bed moeten liggen, maar de vertwijfeling in zijn vaders vlakke stem, nagelt hem vast aan de trap. Hij vraagt zich af wat er allemaal achter de deur besproken wordt.
De discussie wordt vinniger. De emoties laaien op. Kees heeft moeite om te verstaan wat er nu precies wordt gezegd. De losse flarden vormen langzaam een triest verhaal. Het kan toch niet waar zijn? Het hart bonkt Kees in de keel. Nee, nee, nee, het is niet waar.
Een hoge vrouwenstem slaat een verontwaardigde toon aan. “Het kan zo niet langer. Jouw zoon is onaangepast, hij ruimt niets op en hij luistert niet naar wat ik hem zeg. En dan dat vieze lange haar. Ik mag zijn kamer niet opruimen. Ik mag het niet. Maar hij doet het ook niet.”
Vanaf de trap fluistert Kees zijn vader denkbeeldig woorden in. Boze woorden van verzet en lieve woorden van troost. Die vrouw maakt zijn broer zwart. Hoe durft ze? Maar Kees beseft dat zijn vader de woorden niet kan horen. Wat daar achter de deur gebeurt vreet aan Kees. Wat haalt dat mens zich in haar hoofd? Wat doet het er toe? Niet opruimen is toch geen doodzonde? Moet ie daarvoor , moet ie daarvoor ….
Zijn vader verheft nu eindelijk zijn stem. De donkere bas overstemt de hoge klaagzang van de dame. De nieuwe moeder, sinds kort. ‘Mam’ moeten ze tegen haar zeggen. Ze smeekt er bijna om, ze huilt er bijna bij. Dat vertikt Kees. Het is niet zijn moeder. Het is een koude kille tante die zijn vader afblaft en afpikt.
“Ik vind dat je het allemaal te zwaar overdrijft, mens! Oké, hij is geen doorsnee zoon, en hij doet dingen die niet allemaal door de beugel kunnen, hij heeft lang haar, komt te laat thuis voor het eten, ruimt zijn kamer niet op, rookt stiekem en dan … en dan … dat is toch geen reden om … om … om …”
Om wat? Kees hoort niet hoe zijn vader de zin afmaakt. Hij hoort wel hoe boven aan de trap iemand aanschuift. Hij kijkt niet op, hij voelt en weet dat het zijn broer is. Gemeenschappelijk horen ze de strijd aan die achter de deur plaatsvindt.
“En ik wil, dat je kiest. Ik kan met die jongen niet verder. Hij gaat naar een tehuis. Hij eruit of ik eruit!” Er volgt een korte stilte. De stilte is ondraaglijk. De lucht is dik en Kees kan amper ademhalen. De stilte is ook hoorbaar boven aan de trap. De lucht in de gang voelt loodzwaar, lijkt zwanger van oorlog.
“Dat meen je niet. Hoe kun je … hoe kun je … het is wel mijn zoon hoor!” Wat een ongelofelijk kreng is dat vrouwmens. Kees kan wel janken. Zijn broer, zijn eigen broer, … naar een tehuis? Echt niet? Zal hij de kamer in rennen en die vrouw eens goed de waarheid zeggen? Hij kan het niet langer aanhoren. Hoort hij het nu goed? Huilt zijn vader? Nee, nee?
Boven hem klinkt ongemakkelijk geschuifel. Zijn broer komt de trap af, schuift stilletjes naast hem, legt een arm om de schouder. “Het komt allemaal goed Kees!”, lijkt hij met zijn arm te zeggen. Vol spanning wachten ze samen op de trap af wat er verder gebeurt.
Het gesnik van pa wordt gevolgd door een tirade. Kees kan het niet helemaal volgen. De woordenstroom van zijn vader klinkt dof in zijn oren. Alsof de woorden in water in zijn oor klotsen. Wil hij dit wel horen? De spanning achter de deur en in de gang is te snijden.
“Hij gaat er niet uit. Jij gaat er dan maar uit, hoe durf je? Mijn vier kinderen zijn me alle dierbaar. Dat moet je toch weten. Geef ze een beetje tijd, ja? Hun moeder is nog geen jaar geleden overleden. Je hebt helemaal niets met de kinderen. Je geeft hen geen enkele vorm van aandacht. Een kille koele tante, dat ben je!”
Achter de deur klinkt nu schel en droevig gejammer. Door het gesnik heen hoort Kees de vrouw schreeuwen tegen zijn vader. “Ik hou alleen van jou en niet van de kinderen. Ik ben niet met je kinderen getrouwd, maar met jou. Jij zit niet de hele dag thuis met hen. Ze maken de boel vies en ze luisteren niet. En die zoon van jou die gaat eruit. Naar een tehuis. Jij kunt hem niet opvoeden en ik ook niet. Hij zal er beter van worden, geloof me!”
Kees voelt geen arm meer om zich heen. Zijn broer is naar zijn kamer gegaan. Triest kijkt Kees naar beneden. Hij voelt nattigheid. Nee, niet weer. Van spanning heeft hij in zijn broek geplast. Verdomme, ook dat nog. Maar Kees kan nu niet aankloppen. Hij durft niet. Stilletjes gaat hij naar boven en kruipt in bed. Door het onderlaken voelt ie het koude kille bruine zeiltje. Het is al laat. Beneden is het stil. Onheilspellend. Bonkend met zijn hoofd, van links naar rechts, schudt Kees zichzelf in slaap. Droomloos.
Kees had allang in bed moeten liggen, maar de vertwijfeling in zijn vaders vlakke stem, nagelt hem vast aan de trap. Hij vraagt zich af wat er allemaal achter de deur besproken wordt.
De discussie wordt vinniger. De emoties laaien op. Kees heeft moeite om te verstaan wat er nu precies wordt gezegd. De losse flarden vormen langzaam een triest verhaal. Het kan toch niet waar zijn? Het hart bonkt Kees in de keel. Nee, nee, nee, het is niet waar.
Een hoge vrouwenstem slaat een verontwaardigde toon aan. “Het kan zo niet langer. Jouw zoon is onaangepast, hij ruimt niets op en hij luistert niet naar wat ik hem zeg. En dan dat vieze lange haar. Ik mag zijn kamer niet opruimen. Ik mag het niet. Maar hij doet het ook niet.”
Vanaf de trap fluistert Kees zijn vader denkbeeldig woorden in. Boze woorden van verzet en lieve woorden van troost. Die vrouw maakt zijn broer zwart. Hoe durft ze? Maar Kees beseft dat zijn vader de woorden niet kan horen. Wat daar achter de deur gebeurt vreet aan Kees. Wat haalt dat mens zich in haar hoofd? Wat doet het er toe? Niet opruimen is toch geen doodzonde? Moet ie daarvoor , moet ie daarvoor ….
Zijn vader verheft nu eindelijk zijn stem. De donkere bas overstemt de hoge klaagzang van de dame. De nieuwe moeder, sinds kort. ‘Mam’ moeten ze tegen haar zeggen. Ze smeekt er bijna om, ze huilt er bijna bij. Dat vertikt Kees. Het is niet zijn moeder. Het is een koude kille tante die zijn vader afblaft en afpikt.
“Ik vind dat je het allemaal te zwaar overdrijft, mens! Oké, hij is geen doorsnee zoon, en hij doet dingen die niet allemaal door de beugel kunnen, hij heeft lang haar, komt te laat thuis voor het eten, ruimt zijn kamer niet op, rookt stiekem en dan … en dan … dat is toch geen reden om … om … om …”
Om wat? Kees hoort niet hoe zijn vader de zin afmaakt. Hij hoort wel hoe boven aan de trap iemand aanschuift. Hij kijkt niet op, hij voelt en weet dat het zijn broer is. Gemeenschappelijk horen ze de strijd aan die achter de deur plaatsvindt.
“En ik wil, dat je kiest. Ik kan met die jongen niet verder. Hij gaat naar een tehuis. Hij eruit of ik eruit!” Er volgt een korte stilte. De stilte is ondraaglijk. De lucht is dik en Kees kan amper ademhalen. De stilte is ook hoorbaar boven aan de trap. De lucht in de gang voelt loodzwaar, lijkt zwanger van oorlog.
“Dat meen je niet. Hoe kun je … hoe kun je … het is wel mijn zoon hoor!” Wat een ongelofelijk kreng is dat vrouwmens. Kees kan wel janken. Zijn broer, zijn eigen broer, … naar een tehuis? Echt niet? Zal hij de kamer in rennen en die vrouw eens goed de waarheid zeggen? Hij kan het niet langer aanhoren. Hoort hij het nu goed? Huilt zijn vader? Nee, nee?
Boven hem klinkt ongemakkelijk geschuifel. Zijn broer komt de trap af, schuift stilletjes naast hem, legt een arm om de schouder. “Het komt allemaal goed Kees!”, lijkt hij met zijn arm te zeggen. Vol spanning wachten ze samen op de trap af wat er verder gebeurt.
Het gesnik van pa wordt gevolgd door een tirade. Kees kan het niet helemaal volgen. De woordenstroom van zijn vader klinkt dof in zijn oren. Alsof de woorden in water in zijn oor klotsen. Wil hij dit wel horen? De spanning achter de deur en in de gang is te snijden.
“Hij gaat er niet uit. Jij gaat er dan maar uit, hoe durf je? Mijn vier kinderen zijn me alle dierbaar. Dat moet je toch weten. Geef ze een beetje tijd, ja? Hun moeder is nog geen jaar geleden overleden. Je hebt helemaal niets met de kinderen. Je geeft hen geen enkele vorm van aandacht. Een kille koele tante, dat ben je!”
Achter de deur klinkt nu schel en droevig gejammer. Door het gesnik heen hoort Kees de vrouw schreeuwen tegen zijn vader. “Ik hou alleen van jou en niet van de kinderen. Ik ben niet met je kinderen getrouwd, maar met jou. Jij zit niet de hele dag thuis met hen. Ze maken de boel vies en ze luisteren niet. En die zoon van jou die gaat eruit. Naar een tehuis. Jij kunt hem niet opvoeden en ik ook niet. Hij zal er beter van worden, geloof me!”
Kees voelt geen arm meer om zich heen. Zijn broer is naar zijn kamer gegaan. Triest kijkt Kees naar beneden. Hij voelt nattigheid. Nee, niet weer. Van spanning heeft hij in zijn broek geplast. Verdomme, ook dat nog. Maar Kees kan nu niet aankloppen. Hij durft niet. Stilletjes gaat hij naar boven en kruipt in bed. Door het onderlaken voelt ie het koude kille bruine zeiltje. Het is al laat. Beneden is het stil. Onheilspellend. Bonkend met zijn hoofd, van links naar rechts, schudt Kees zichzelf in slaap. Droomloos.
04-01-2012
That will be the day
Met een zwaar hoofd wordt Kees wakker. Langzaam opent hij zijn ogen en knippert met zijn lange wimpers doelloos in het donker. Achter in zijn oren hoort hij vaag en dof iets wat lijkt op muziek. Het is de wekkerradio die dagelijkse rituelen afdraait. Begin de dag met een dansje. Begin de dag met een lach. Want wie vrolijk kijkt in de morgen. Ja die lacht de hele dag. Ja die lacht de hele dag ...
Ja, maar nu even niet. Kees’ hoofd staat niet naar Giel’s geluksriedel. Vandaag is een bijzondere dag.
Met lichte weerstand schuift Kees langzaam uit zijn bed. Liever was hij deze dag niet begonnen. Voor hem had hij gewoon voorbij mogen gaan. Overgeslagen desnoods. Al heel lang lag hij in het verschiet. Nu is deze dag aangebroken. Hij voelt als een loodzware deken. Kees overweegt om voor de gelegenheid speciale kleding aan te trekken. Maar welke? Hij denkt terug aan wat er toentertijd gedragen werd. Bruin, paars, oranje. Wijde pijpen, lange rokken. Zijn gedachten dwalen af als een gouwe ouwe uit de wekkerradio klinkt. Eres tu. Touch the wind.
I woke up this morning and my mind fell away. And looking back sadly from tomorrow. As I heard an echo from the past softly say. Come back, come back, won't you stay. And only forever can I say I love you. And only forever have I lost you. But only a dreamer could wake up. As I do and hope it's still yesterday.
Met een zachte plof en zwaar gemoed zinkt Kees neer op de oude zitzak in de slaapkamer. Met tegenzin schuift hij in zijn sokken. Geitenwol vandaag, want het is winter. Voor de gelegenheid dan toch maar een corduroy broek aan. Een paarse blouse met grote kraag en een bijbehorend vest. Klaar is Kees. Nu nog even de sluipers zoeken. Zijn outfit is bijna compleet. Alleen de groene pukkel ontbreekt nog. In gedachten ziet Kees zijn gerafelde pukkel op de oude nappa leren bank liggen. Verstild in een armetierige grijze woonkamer. Hij denkt terug aan kapotte knieën, opengehaald aan een veel te harde kokosmat. Ruw. Wreed. Maar ach. Everybody was wounded, wounded at Wounded Knee.
Kees hoeft zijn gedachten niet langer te ordenen. Ze achtervolgen hem al sinds zijn jeugd. Haunted by days and numbers. Deze dag zou vroeg of laat komen. Daarvoor heeft hij geen glazen bol nodig. Ook geen visnet en ook geen macramé. Achtenveertig jaar is zij geworden. Droef en moederziel alleen, 17656 dagen lang. Vandaag wordt hij net zo oud. Een speciale aangelegenheid. Troostvol bindt Kees een verjaardagskaart aan zijn vlieger. Een verjaardagskaart voor zijn moeder. Die hoog in de hemel is. Een kaart met 17656 digitale kaarsjes. Voor als het donker is daarboven. Stroom, stroom, stroom, de loop van het leven gaat steeds maar voort.
Mien eres tu
Ja, maar nu even niet. Kees’ hoofd staat niet naar Giel’s geluksriedel. Vandaag is een bijzondere dag.
Met lichte weerstand schuift Kees langzaam uit zijn bed. Liever was hij deze dag niet begonnen. Voor hem had hij gewoon voorbij mogen gaan. Overgeslagen desnoods. Al heel lang lag hij in het verschiet. Nu is deze dag aangebroken. Hij voelt als een loodzware deken. Kees overweegt om voor de gelegenheid speciale kleding aan te trekken. Maar welke? Hij denkt terug aan wat er toentertijd gedragen werd. Bruin, paars, oranje. Wijde pijpen, lange rokken. Zijn gedachten dwalen af als een gouwe ouwe uit de wekkerradio klinkt. Eres tu. Touch the wind.
I woke up this morning and my mind fell away. And looking back sadly from tomorrow. As I heard an echo from the past softly say. Come back, come back, won't you stay. And only forever can I say I love you. And only forever have I lost you. But only a dreamer could wake up. As I do and hope it's still yesterday.
Met een zachte plof en zwaar gemoed zinkt Kees neer op de oude zitzak in de slaapkamer. Met tegenzin schuift hij in zijn sokken. Geitenwol vandaag, want het is winter. Voor de gelegenheid dan toch maar een corduroy broek aan. Een paarse blouse met grote kraag en een bijbehorend vest. Klaar is Kees. Nu nog even de sluipers zoeken. Zijn outfit is bijna compleet. Alleen de groene pukkel ontbreekt nog. In gedachten ziet Kees zijn gerafelde pukkel op de oude nappa leren bank liggen. Verstild in een armetierige grijze woonkamer. Hij denkt terug aan kapotte knieën, opengehaald aan een veel te harde kokosmat. Ruw. Wreed. Maar ach. Everybody was wounded, wounded at Wounded Knee.
Kees hoeft zijn gedachten niet langer te ordenen. Ze achtervolgen hem al sinds zijn jeugd. Haunted by days and numbers. Deze dag zou vroeg of laat komen. Daarvoor heeft hij geen glazen bol nodig. Ook geen visnet en ook geen macramé. Achtenveertig jaar is zij geworden. Droef en moederziel alleen, 17656 dagen lang. Vandaag wordt hij net zo oud. Een speciale aangelegenheid. Troostvol bindt Kees een verjaardagskaart aan zijn vlieger. Een verjaardagskaart voor zijn moeder. Die hoog in de hemel is. Een kaart met 17656 digitale kaarsjes. Voor als het donker is daarboven. Stroom, stroom, stroom, de loop van het leven gaat steeds maar voort.
Mien eres tu
19-07-2011
Avventura di Chiesa
Na een lange rit van bijna vier dagen stapt Kees uit de vrachtwagen van zijn oom en komt er een einde aan de lift. Het einddoel is bereikt, de Italiaanse stad Florence. Het oponthoud bij grenspost Vipiteno heeft bijna één extra dag gekost. De vakantie van Kees kan nu eindelijk beginnen. Na een moeizaam eindexamen en een verbroken liefdesrelatie is Kees toe aan rust en vrede. Hij is een gezonde knaap van negentien en de wereld ligt aan zijn voeten. Wat kan hem gebeuren?
Kees is een verschijning. Hij ziet er sportief uit in zijn korte groene kakibroek met legerprint en wit t-shirt met korte mouwen. Zijn bruine armen, benen en snoet steken mooi af tegen zijn zomerse outfit. Op zijn frisgeschoren hoofd draagt hij een petje, als bescherming tegen de zon. Het goddelijk lichaam van Kees is afgetraind en stevig gespierd. Jarenlange hockeytraining heeft hem gezegend met ballonkuiten en een kippenkontje. Apetrots is Kees. Een maand geleden doorstond hij de selectieprocedure van de Katholieke Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Een brugklasdroom kwam uit. In de toekomst zal hij sportleraar worden, vast en zeker.
Zijn oom heeft hem afgezet bij het station van Florence. De avonturenreis kan beginnen. Flink zet Kees de pas in. Het aluminium frame van de grote rugzak prikt in zijn rug en de geitenwollen sokken kriebelen in de bergschoenen. Bijna op iedere hoek van de straat wordt hij nagekeken, vooral door mannen. Die zijn in de wijk rondom het station volop aanwezig. Het laat hem koud. Hij is veel meer benieuwd naar de mooie Italiaanse vrouwen. Maar waar zijn ze? Le belle donne?
Een grote kerk met plein, grasveld en fontein ervoor, trekt zijn aandacht. Het is de Santa Maria Novella. De houten bankjes rondom het plein zitten vol mensen. Er heerst een vrolijke sfeer. Hoge schelle geluiden van spelende kinderen klinken in de lucht. Kees ploft neer op één van de bankjes om even op adem te komen. Midden op het grasveld klinkt plots een enorm gekerm. Twee hondjes lukt het niet op z’n hondjes. Ineens staan ze met de konten tegen elkaar gekeerd. Ze zitten letterlijk en figuurlijk aan elkaar vast. Een omstander gooit een emmer water over de hondjes heen en bevrijdt ze uit hun lijden. De reu druipt af met een enorme rode kegel. Je zult het maar hebben als reu, last van je Santa Maria Novella.
Kees zwoegt verder door Florence. Al snel heeft de zon haar hoogste punt van de middag bereikt. Het is bloedje heet. Zevendertig graden Celcius is toch iets te veel van het goede. Hij besluit de eerstvolgende kerk te bezoeken. Kerken zijn namelijk koel en gratis toegankelijk en je hoeft er niets te drinken. Het wordt de San Lorenzo. Amper twee seconden binnen wordt Kees aangesproken door een klein mannetje in net pak met witte boord. Die gebaart met wuivende wijsvinger dat hij iets doet wat niet mag. Druk nee schuddend met zijn hoofd strijkt hij over de benen van Kees en knijpt hem in zijn arm. Vervolgens wijst hij naar een klein bordje bij de entree. Kees begrijpt het. Het is niet toegestaan om met onbedekte armen en benen de kerk te betreden en maakt aanstalte om naar buiten te lopen. Maar dat staat het kleine mannetje niet toe. Hij trekt Kees amicaal naar zich toe.
In gebrekkig Engels legt het mannetje uit dat hij kapelaan is en dat hij voor deze keer de foute kleding door de vingers zal zien. Sterker nog. Hij zal Kees een rondleiding geven door het heilige der heiligen. Vol trots wordt hij door de prachtig mooie kerk geloosd. Overal krijgt Kees tekst en uitleg, in Italiaans en gebrekkig Engels. De kapelaan murmelt wat over Medici, Brunelleschi, Donatello en Michelangelo, allemaal namen die Kees niets zeggen. Af en toe kletst de kapelaan met zijn hand op de armen en benen van Kees. Een beetje maf vindt Kees, maar het hoort ongetwijfeld bij de open en vriendelijke volksaard van de Italianen.
Nog één bijzondere plek wil de lieve kapelaan aan Kees laten zien. Heel speciaal. Daarvoor maakt de kapelaan eerst het rode koord los dat voor het altaar is gespannen. Achter het altaar bevindt zich een ruimte afgeschermd door een zwaar roodfluwelen gordijn. Achter het gordijn bevindt zich een hoge ruimte met glazen deuren, een soort serre. Door het glas ziet Kees een kleine giardino met prachtige struiken en fel gekleurde bloemen. Achter hem hoort hij de kapelaan het gordijn zenuwachtig sluiten. Vreemd, denkt Kees. Als Kees zijn fototoestel te voorschijn haalt om een foto te maken voelt hij plotseling een klam handje over zijn bovenbeen glijden. De hand kruipt langzaam omhoog. Achter hem hoort Kees de kapelaan geil en hijgerig ademhalen. Alle alarmbellen gaan onmiddellijk af. Met de hand voor zijn klokkenspel duwt Kees verontwaardigd de kapelaan van zich af en rent zo snel ie kan de kerk uit. Plagerig prikt de zon hem buiten in zijn gezicht. San Lorenzo! Waar haalt die kapelaan het in hemelsnaam vandaan om zijn goddelijk lijf zo ongevraagd en brutaal te betasten? De viespeuk.
Mien Avventura
Kees is een verschijning. Hij ziet er sportief uit in zijn korte groene kakibroek met legerprint en wit t-shirt met korte mouwen. Zijn bruine armen, benen en snoet steken mooi af tegen zijn zomerse outfit. Op zijn frisgeschoren hoofd draagt hij een petje, als bescherming tegen de zon. Het goddelijk lichaam van Kees is afgetraind en stevig gespierd. Jarenlange hockeytraining heeft hem gezegend met ballonkuiten en een kippenkontje. Apetrots is Kees. Een maand geleden doorstond hij de selectieprocedure van de Katholieke Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Een brugklasdroom kwam uit. In de toekomst zal hij sportleraar worden, vast en zeker.
Zijn oom heeft hem afgezet bij het station van Florence. De avonturenreis kan beginnen. Flink zet Kees de pas in. Het aluminium frame van de grote rugzak prikt in zijn rug en de geitenwollen sokken kriebelen in de bergschoenen. Bijna op iedere hoek van de straat wordt hij nagekeken, vooral door mannen. Die zijn in de wijk rondom het station volop aanwezig. Het laat hem koud. Hij is veel meer benieuwd naar de mooie Italiaanse vrouwen. Maar waar zijn ze? Le belle donne?
Een grote kerk met plein, grasveld en fontein ervoor, trekt zijn aandacht. Het is de Santa Maria Novella. De houten bankjes rondom het plein zitten vol mensen. Er heerst een vrolijke sfeer. Hoge schelle geluiden van spelende kinderen klinken in de lucht. Kees ploft neer op één van de bankjes om even op adem te komen. Midden op het grasveld klinkt plots een enorm gekerm. Twee hondjes lukt het niet op z’n hondjes. Ineens staan ze met de konten tegen elkaar gekeerd. Ze zitten letterlijk en figuurlijk aan elkaar vast. Een omstander gooit een emmer water over de hondjes heen en bevrijdt ze uit hun lijden. De reu druipt af met een enorme rode kegel. Je zult het maar hebben als reu, last van je Santa Maria Novella.
Kees zwoegt verder door Florence. Al snel heeft de zon haar hoogste punt van de middag bereikt. Het is bloedje heet. Zevendertig graden Celcius is toch iets te veel van het goede. Hij besluit de eerstvolgende kerk te bezoeken. Kerken zijn namelijk koel en gratis toegankelijk en je hoeft er niets te drinken. Het wordt de San Lorenzo. Amper twee seconden binnen wordt Kees aangesproken door een klein mannetje in net pak met witte boord. Die gebaart met wuivende wijsvinger dat hij iets doet wat niet mag. Druk nee schuddend met zijn hoofd strijkt hij over de benen van Kees en knijpt hem in zijn arm. Vervolgens wijst hij naar een klein bordje bij de entree. Kees begrijpt het. Het is niet toegestaan om met onbedekte armen en benen de kerk te betreden en maakt aanstalte om naar buiten te lopen. Maar dat staat het kleine mannetje niet toe. Hij trekt Kees amicaal naar zich toe.
In gebrekkig Engels legt het mannetje uit dat hij kapelaan is en dat hij voor deze keer de foute kleding door de vingers zal zien. Sterker nog. Hij zal Kees een rondleiding geven door het heilige der heiligen. Vol trots wordt hij door de prachtig mooie kerk geloosd. Overal krijgt Kees tekst en uitleg, in Italiaans en gebrekkig Engels. De kapelaan murmelt wat over Medici, Brunelleschi, Donatello en Michelangelo, allemaal namen die Kees niets zeggen. Af en toe kletst de kapelaan met zijn hand op de armen en benen van Kees. Een beetje maf vindt Kees, maar het hoort ongetwijfeld bij de open en vriendelijke volksaard van de Italianen.
Nog één bijzondere plek wil de lieve kapelaan aan Kees laten zien. Heel speciaal. Daarvoor maakt de kapelaan eerst het rode koord los dat voor het altaar is gespannen. Achter het altaar bevindt zich een ruimte afgeschermd door een zwaar roodfluwelen gordijn. Achter het gordijn bevindt zich een hoge ruimte met glazen deuren, een soort serre. Door het glas ziet Kees een kleine giardino met prachtige struiken en fel gekleurde bloemen. Achter hem hoort hij de kapelaan het gordijn zenuwachtig sluiten. Vreemd, denkt Kees. Als Kees zijn fototoestel te voorschijn haalt om een foto te maken voelt hij plotseling een klam handje over zijn bovenbeen glijden. De hand kruipt langzaam omhoog. Achter hem hoort Kees de kapelaan geil en hijgerig ademhalen. Alle alarmbellen gaan onmiddellijk af. Met de hand voor zijn klokkenspel duwt Kees verontwaardigd de kapelaan van zich af en rent zo snel ie kan de kerk uit. Plagerig prikt de zon hem buiten in zijn gezicht. San Lorenzo! Waar haalt die kapelaan het in hemelsnaam vandaan om zijn goddelijk lijf zo ongevraagd en brutaal te betasten? De viespeuk.
Mien Avventura
12-07-2011
Getapte mop
Vrijdagavond. Kees fietst naar het werk. Hij heeft er niet zoveel zin in vandaag. Maar plicht roept. Langzaam stromen de arbeiders op het industrieterrein de poorten binnen. Het distributiecentrum waar Kees werkzaam is ruikt naar meel, verpakkingsmateriaal en weeë zure lucht. Snel stopt hij zijn kaart in de prikklok en bergt zijn jas op. Door de grote speakers in de megahal klinkt Skyradio. Hol en leeg. De muziek zal zich vannacht herhalen. Moonlight shadow. Wel drie keer.
Zwijgzaam haalt Kees een pallettruck op, ook wel BT genoemd. De accu’s van de BT zijn gelukkig al opgeladen voor de nachtploeg. Bij de magazijnchef haalt Kees zijn eerste orderbon op. Het wordt een vrachtje toiletpapier en chips laden. Lekker makkelijk. Kees stuurt zijn BT de toiletpapier- en chipsgang in en kan nog net de heftruck ontwijken die midden in de gang staat. Het is de heftruck van dronken Willem. Die laat zich altijd omhoog takelen door zijn collega Dries. Hij heeft weer eens flink gedronken en gaat zijn roes uitslapen op stelling 44, tussen het toiletpapier. Na de nachtlunch gaat hij pas aan de slag. Hij hoeft maar 20 orders te verwerken. Met zijn ervaring a piece of cake.
Om het uur gaat de pauzezoemer. Heel fijn want een bak koffie gaat er altijd in en houdt de nachtploeg wakker en scherp. Kees is nog niet echt opgenomen bij de nachtploeg. Hij is student en uitzendkracht. In de stoere distributiewereld kost het dan extra moeite om een plek te veroveren. Na de pauze checkt Kees of zijn BT niet stiekum is vastgebonden aan een stelling. Zijn twee pallets staan hoogopgestapeld en propvol. Het moment om waakzaam te zijn. De vaste krachten zijn dol op breukpakketten. Het is hun extra bonus. Een stukje verder staat een nieuweling zijn omgevallen vracht uit te pluizen. Hij is het slachtoffer van de nacht. De vaste krachten lachen in hun vuistje. Op de pallet stond veel wijn. Dat wordt een mooi breukpakket.
De lunch is altijd het breekpunt van de nachtdienst. De pauze duurt veel te lang. Tijd voor een praatje. Onderwerp van gesprek zijn steevast gore moppen. De mannen met de meeste tattoes lachen het hardst. Kees lacht schaapachtig mee. Hij wil er graag bij horen. Ook de magazijnchef lacht mee. Heel belangrijk om hem te vriend te houden. Hij deelt namelijk de orders uit. De moppen zijn van bedenkelijk niveau. “Wat krijg je als je pinokkio pijpt?” “Splinters in je mond!” Er wordt hard gelachen. “Waarom mag sperma niet heter zijn dan 40 graden?” “Anders gaat je leuter fluiten”.
De nachtdienst zit er op. Het is 06:00 uur. Kees is blij dat ie naar huis kan. Met een leeg en slaperig hoofd glijdt hij op z’n fiets door de ochtendnevel. In de woonwijken staan de rozen in bloei en hangen de vlaggen en boekentassen in top. Vanavond heeft hij weer een eindexamenfeest. Thuis duikt Kees snel in bed. Hij heeft vanmiddag nog strafcornertraining. Die mag hij niet missen. Kees speelt tophockey en zondag staat een belangrijke wedstrijd op het programma. Gauw dus effe een paar uurtjes vooruitslapen.
Het is een half uur fietsen naar het hockeyveld. Kees stroopt zijn kousen omlaag en doet zijn scheenbeschermers uit. Het is veel te warm. Aanvoerder Gerard spreekt hem aan. “Hee kerel hoe gaat ie? Hoezo moe? Werk je nog steeds in dat distributiecentrum? Je bent gek.” Gerard vindt het maar niks dat Kees in een distributiecentrum werkt en nachtploegen draait. Dat gaat ten koste van slagkracht. De hockeywedstrijd van aanstaande zondag is een hele belangrijke. Kees denkt er het zijne van.
De warming-up is van korte duur. Tijdens de rekkingsoefeningen is er tijd voor een praatje. Onderwerp van gesprek zijn steevast gore moppen. De mannen met de grootste mond lachen het hardst. Kees lacht schaapachtig mee. Hij is nog niet lang bij de club en wil er graag bij horen. De moppen zijn van bedenkelijk niveau. “Wat krijg je als je pinokkio pijpt?” “Splinters in je mond!” Er wordt hard gelachen. “Waarom mag sperma niet heter zijn dan 40 graden?” “Anders gaat je leuter fluiten.” Gegrinnik in de groep.
Kees ligt in een deuk van het lachen. Alle hockeyers kijken hem bedenkelijk aan. De anders zo nuchtere en stille Kees moet nog harder lachen. Hij kan het niet uitleggen. Het is frapant hoezeer zijn hockeymaten overeenkomstig gedrag vertonen met de arbeiders uit het distributiecentrum? Alleen de tattoes ontbreken. Ze moesten eens weten. Kees herinnert zich plots het gesprek met de directeur van zijn school, dat hij afgelopen week had. De directeur van de Academie Beeldende Vorming had hem gevraagd hoe hij in hemelsnaam zijn kunststudie kon combineren met het spelen van tophockey. Dat waren toch totaal verschillende werelden? De directeur moest eens weten? Bulderend van het lachen hervat Kees de rekkingsoefeningen, zijn hockeymaten in verwarring achterlatend. Zou dronken Willem alweer aan het bier zitten?
Mien BT
Zwijgzaam haalt Kees een pallettruck op, ook wel BT genoemd. De accu’s van de BT zijn gelukkig al opgeladen voor de nachtploeg. Bij de magazijnchef haalt Kees zijn eerste orderbon op. Het wordt een vrachtje toiletpapier en chips laden. Lekker makkelijk. Kees stuurt zijn BT de toiletpapier- en chipsgang in en kan nog net de heftruck ontwijken die midden in de gang staat. Het is de heftruck van dronken Willem. Die laat zich altijd omhoog takelen door zijn collega Dries. Hij heeft weer eens flink gedronken en gaat zijn roes uitslapen op stelling 44, tussen het toiletpapier. Na de nachtlunch gaat hij pas aan de slag. Hij hoeft maar 20 orders te verwerken. Met zijn ervaring a piece of cake.
Om het uur gaat de pauzezoemer. Heel fijn want een bak koffie gaat er altijd in en houdt de nachtploeg wakker en scherp. Kees is nog niet echt opgenomen bij de nachtploeg. Hij is student en uitzendkracht. In de stoere distributiewereld kost het dan extra moeite om een plek te veroveren. Na de pauze checkt Kees of zijn BT niet stiekum is vastgebonden aan een stelling. Zijn twee pallets staan hoogopgestapeld en propvol. Het moment om waakzaam te zijn. De vaste krachten zijn dol op breukpakketten. Het is hun extra bonus. Een stukje verder staat een nieuweling zijn omgevallen vracht uit te pluizen. Hij is het slachtoffer van de nacht. De vaste krachten lachen in hun vuistje. Op de pallet stond veel wijn. Dat wordt een mooi breukpakket.
De lunch is altijd het breekpunt van de nachtdienst. De pauze duurt veel te lang. Tijd voor een praatje. Onderwerp van gesprek zijn steevast gore moppen. De mannen met de meeste tattoes lachen het hardst. Kees lacht schaapachtig mee. Hij wil er graag bij horen. Ook de magazijnchef lacht mee. Heel belangrijk om hem te vriend te houden. Hij deelt namelijk de orders uit. De moppen zijn van bedenkelijk niveau. “Wat krijg je als je pinokkio pijpt?” “Splinters in je mond!” Er wordt hard gelachen. “Waarom mag sperma niet heter zijn dan 40 graden?” “Anders gaat je leuter fluiten”.
De nachtdienst zit er op. Het is 06:00 uur. Kees is blij dat ie naar huis kan. Met een leeg en slaperig hoofd glijdt hij op z’n fiets door de ochtendnevel. In de woonwijken staan de rozen in bloei en hangen de vlaggen en boekentassen in top. Vanavond heeft hij weer een eindexamenfeest. Thuis duikt Kees snel in bed. Hij heeft vanmiddag nog strafcornertraining. Die mag hij niet missen. Kees speelt tophockey en zondag staat een belangrijke wedstrijd op het programma. Gauw dus effe een paar uurtjes vooruitslapen.
Het is een half uur fietsen naar het hockeyveld. Kees stroopt zijn kousen omlaag en doet zijn scheenbeschermers uit. Het is veel te warm. Aanvoerder Gerard spreekt hem aan. “Hee kerel hoe gaat ie? Hoezo moe? Werk je nog steeds in dat distributiecentrum? Je bent gek.” Gerard vindt het maar niks dat Kees in een distributiecentrum werkt en nachtploegen draait. Dat gaat ten koste van slagkracht. De hockeywedstrijd van aanstaande zondag is een hele belangrijke. Kees denkt er het zijne van.
De warming-up is van korte duur. Tijdens de rekkingsoefeningen is er tijd voor een praatje. Onderwerp van gesprek zijn steevast gore moppen. De mannen met de grootste mond lachen het hardst. Kees lacht schaapachtig mee. Hij is nog niet lang bij de club en wil er graag bij horen. De moppen zijn van bedenkelijk niveau. “Wat krijg je als je pinokkio pijpt?” “Splinters in je mond!” Er wordt hard gelachen. “Waarom mag sperma niet heter zijn dan 40 graden?” “Anders gaat je leuter fluiten.” Gegrinnik in de groep.
Kees ligt in een deuk van het lachen. Alle hockeyers kijken hem bedenkelijk aan. De anders zo nuchtere en stille Kees moet nog harder lachen. Hij kan het niet uitleggen. Het is frapant hoezeer zijn hockeymaten overeenkomstig gedrag vertonen met de arbeiders uit het distributiecentrum? Alleen de tattoes ontbreken. Ze moesten eens weten. Kees herinnert zich plots het gesprek met de directeur van zijn school, dat hij afgelopen week had. De directeur van de Academie Beeldende Vorming had hem gevraagd hoe hij in hemelsnaam zijn kunststudie kon combineren met het spelen van tophockey. Dat waren toch totaal verschillende werelden? De directeur moest eens weten? Bulderend van het lachen hervat Kees de rekkingsoefeningen, zijn hockeymaten in verwarring achterlatend. Zou dronken Willem alweer aan het bier zitten?
Mien BT
25-06-2009
A day in the life
Een mooie dag in juni. Het is heet. En ik, ik ben opgewonden, heetgebakerd. Adrenaline stroomt door mijn lijf. Want Sjakie treitert. Sjakie mijn boezemvriend tevens grootste vijand. Zo gaat dat onder kindervrienden, negen lentes jong. De zomervakantie staat voor de deur, en ik verkeer in oorlogsstand. Zou ik het nu eindelijk durven, die vervelende Sjakie een mep verkopen.
Samen lopen we door vertrouwde straten. Daar zie ik de speelgoedwinkel al. Ik moet nu toeslaan, zo dadelijk zijn we thuis. Ik pep mezelf op en haal het uiterste in mij boven. Kwaad en bangelijk tegelijk kijk ik Sjakie aan. We zijn bijna in onze straat. De gordijnen van ons huis zijn dicht. Mijn moeder heeft dat graag. Zeker in de zomer. Sjakie loopt nu aan de overkant. Zou hij mijn dreiging en onrust voelen.
Het is nu of nooit. Ik loop op Sjakie af, pak hem vast, duw en trek en verkoop hem trillend van de zenuwen een halve muilpeer. Ik durfde hem niet echt te raken. Maar toch, het heeft effect. Van schrik en met de hand op de wang spurt Sjakie naar huis. Nooit heb ik hem zo bang gezien. De adrenaline keert terug op z’n plek en ik voel een zoete trots opborrelen. Mijn hart bonst in mijn keel. Eindelijk heb ik dat rotjoch een verdiend pak rammel gegeven.
Mijn blik valt op de zwarte achterpoort, die schittert in de zon. Als ik de klink van de poort vastgrijp vliegt ie piepend open. Mijn vader stormt naar buiten. Compleet overstuur. Zijn ogen betraand. De schrik vliegt om mijn oren. Mijn kinderbrein maakt kilometers overuren, wat is hier aan de hand? Pa is niet op zijn werk, en waar is mams? De poort wordt snel dichtgetrokken en mijn vader trilt en stottert: “Lieve … lieve jongen, … mam is dood.”
Ik barst in tranen uit, want een bangelijk vermoeden is bewaarheid. Mijn vader neemt me mee naar de buren, twee deuren verderop. We huilen beiden tranen met tuiten. Ik schreeuw het uit en wordt bang van mijn eigen diepe angst. De buren waken over mij, maar weten eigenlijk met mij geen blijf. Pa keert terug naar wat ooit heel veilig was. Wat nu verworden is tot onheilsplek. En ik, ik wil mee. De buren houden mij tegen, ik stribbel tegen, ik wil mijn moeder zien. Bezorgdheid en paniek staan in hun ogen geschreven.
Ik kan en wil het niet weten. Het enige wat ik wil is mamma zien. Ik storm naar buiten en zie in een dramatisch ogenblik, mams in een metalen kist naar binnen schuiven. De mond in van een zwarte auto. Ik schreeuw het nogmaals uit en mijn pappa vangt mij op. Hemel en aarde storten in. Tranen prikken droog achter mijn ogen en we houden elkaar vast. Waar is nu iedereen? Het is midden op de dag. Mijn zus en mijn broers waar zijn ze? Ik mis ze in dit verschrikkelijk onheilsuur? Na minuten, die wel uren lijken, druipen ze één voor één naar binnen. Droefheidrituelen volgen elkaar op.
Terneergeslagen neemt iedereen het slechte nieuws in ontvangst. Onze lieve mams is niet meer. De buurvrouw heeft haar gevonden, onder een tuinslang die nog sproeide, op deze hete junidag.
De gordijnen blijven nu voorgoed gesloten. Geel en roze gebaand. Waar is mijn moeder nu gebleven? Zo maar uitgevlogen, zonder iets te zeggen? Vier kinderen proberen pa te troosten. Mams is in de hemel. Voorgoed genezen van ziek zijn en haar kwalen. Moeilijk te bevatten. A day in a life.
Mien
Samen lopen we door vertrouwde straten. Daar zie ik de speelgoedwinkel al. Ik moet nu toeslaan, zo dadelijk zijn we thuis. Ik pep mezelf op en haal het uiterste in mij boven. Kwaad en bangelijk tegelijk kijk ik Sjakie aan. We zijn bijna in onze straat. De gordijnen van ons huis zijn dicht. Mijn moeder heeft dat graag. Zeker in de zomer. Sjakie loopt nu aan de overkant. Zou hij mijn dreiging en onrust voelen.
Het is nu of nooit. Ik loop op Sjakie af, pak hem vast, duw en trek en verkoop hem trillend van de zenuwen een halve muilpeer. Ik durfde hem niet echt te raken. Maar toch, het heeft effect. Van schrik en met de hand op de wang spurt Sjakie naar huis. Nooit heb ik hem zo bang gezien. De adrenaline keert terug op z’n plek en ik voel een zoete trots opborrelen. Mijn hart bonst in mijn keel. Eindelijk heb ik dat rotjoch een verdiend pak rammel gegeven.
Mijn blik valt op de zwarte achterpoort, die schittert in de zon. Als ik de klink van de poort vastgrijp vliegt ie piepend open. Mijn vader stormt naar buiten. Compleet overstuur. Zijn ogen betraand. De schrik vliegt om mijn oren. Mijn kinderbrein maakt kilometers overuren, wat is hier aan de hand? Pa is niet op zijn werk, en waar is mams? De poort wordt snel dichtgetrokken en mijn vader trilt en stottert: “Lieve … lieve jongen, … mam is dood.”
Ik barst in tranen uit, want een bangelijk vermoeden is bewaarheid. Mijn vader neemt me mee naar de buren, twee deuren verderop. We huilen beiden tranen met tuiten. Ik schreeuw het uit en wordt bang van mijn eigen diepe angst. De buren waken over mij, maar weten eigenlijk met mij geen blijf. Pa keert terug naar wat ooit heel veilig was. Wat nu verworden is tot onheilsplek. En ik, ik wil mee. De buren houden mij tegen, ik stribbel tegen, ik wil mijn moeder zien. Bezorgdheid en paniek staan in hun ogen geschreven.
Ik kan en wil het niet weten. Het enige wat ik wil is mamma zien. Ik storm naar buiten en zie in een dramatisch ogenblik, mams in een metalen kist naar binnen schuiven. De mond in van een zwarte auto. Ik schreeuw het nogmaals uit en mijn pappa vangt mij op. Hemel en aarde storten in. Tranen prikken droog achter mijn ogen en we houden elkaar vast. Waar is nu iedereen? Het is midden op de dag. Mijn zus en mijn broers waar zijn ze? Ik mis ze in dit verschrikkelijk onheilsuur? Na minuten, die wel uren lijken, druipen ze één voor één naar binnen. Droefheidrituelen volgen elkaar op.
Terneergeslagen neemt iedereen het slechte nieuws in ontvangst. Onze lieve mams is niet meer. De buurvrouw heeft haar gevonden, onder een tuinslang die nog sproeide, op deze hete junidag.
De gordijnen blijven nu voorgoed gesloten. Geel en roze gebaand. Waar is mijn moeder nu gebleven? Zo maar uitgevlogen, zonder iets te zeggen? Vier kinderen proberen pa te troosten. Mams is in de hemel. Voorgoed genezen van ziek zijn en haar kwalen. Moeilijk te bevatten. A day in a life.
Mien
Abonneren op:
Posts (Atom)