Posts tonen met het label kamperfoelie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kamperfoelie. Alle posts tonen

30-09-2016

Schrijfveren September 2016

Oefening in het schrijven van Schrijfveren. In maximaal 15 minuten tijd, associatief schrijven zonder correcties, naar aanleiding van een opgegeven titel. Met dank aan Hella Kuipers.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice


Het behang bewoog (02-09-2016)

De flessen liggen op de grond en rollen in de wind af en toe richting plint. Het maakt een vervreemdend geluid op de kale vloer in het tochtige huis. Het heeft zojuist geregend en de zon schijnt door het gebroken raam. De zonnestralen kaatsen af op de lege flessen en toveren een prachtig spectrum op het behang. Dansend licht in alle kleuren. De luie poes is er zelfs wakker van geworden. Ze springt speels achter de kleurengolven aan maar heeft nooit beet. In een laatste poging schiet ze met een katachtige reactie, haar toevertrouwd, zo hoog mogelijk tegen de muur omhoog en hecht met haar klauwen in het behang dat door al haar vochtigheid meegeeft. Maar niet volledig. Twee repen behang scheuren mee aan de kleine nageltjes van poes.

Het geluid klinkt vreemd. Alsof het behang een grote scheet laat. Wat vervolgens weer bekend klinkt in de oren van de man die half onderuit gezakt tegen de muur aanleunt. Zijn benen steken bewegingloos recht naar voren. Ze zien eruit als twee benen van een grote pop. De man vertoont het uiterlijk van Jan Klaassen. Grote rode lange neus. Warrig haar. Klein blauw mutsje op. Grote handen. Waarvan de linkerhand een lege groene wijnfles omklemt. En grote druilerige ogen die al eventjes het licht niet meer zien. Hij is wakker geschoten van de scheten uit het behang. Behang dat lijkt te bewegen. De kat is inmiddels gevlucht, door het kattenluik dat van onmetelijke grote is. Er kan met gemak een leeuw doorheen. Althans in de ogen van Jan Klaassen. Hijzelf is van minimale proportie. Buiten proportie in de ruimte waarin hij zich bevindt. Dit is niet zijn vertrouwde poppenkast. Integendeel. Dit is een heel naar theater.

Maar wat een mooi licht. Twee reepjes behang dansen op drankorgelmuziek. Stilletjes in het houten hoofd van Jan Klaassen. Hij nipt tevergeefs aan de lege fles.


Een koffer pakken (04-09-2016)

Het is niet erg gebruikelijk om te vertellen hoe je een koffer pakt. Laat staan een rolkoffer. Meestal pak ik een rugzak of boodschappentas. Het gaat eenvoudigweg wat makkelijker. Ik zal het even toelichten. En voor deze keer in detail. Nogmaals niet gebruikelijk dat ik dat doe.

Ik begin bij de boodschappentas. Twee hengsels en geen poespas. Wel zo makkelijk. Ik grijp ze stevig vast met beide handen. En dan laat ik het gebeuren. As simple as that. Ik hoef er niet veel voor te doen. Het gat is groot genoeg. De boodschappentas zorgt voor de grootste overgave. Slaan is niet nodig. Met twee neukteugels in handen gaat dat ook best moeilijk.

Een rugzak pakken. Dat wordt wat moeilijker. Het ligt eraan of deze nog een binnenbeugel draagt, een frame, zo'n ouderwetse. Het geeft een extra handicap. Maar ik zeg altijd. Op een oude fiets moet je het leren. Gewoon alle ritsen open, en het zijn er veel, heel veel. En dan maar rijden. Jammer alleen dat de meeste rugzakken niet rechtop blijven staan.

De rolkoffer. Mijn favoriet. Ik hou wel van een beetje beweging. Met een rolkoffer kun je ook nog wel een scheve schaats rijden. De twee wieltjes laten je lekker rijden. Maar wel oppassen dat hij er niet tussen komt. Dat doet toch wel erg zeer. Het hengsel dat er aan de bovenkant uitfloept is dan weer erg handig. Zeker bij het rechtstandig rijden.

Tot slot de koffer. Ja die vind ik uiteindelijk het lekkerst om te pakken. Daar duik ik nu het liefste in. Op bed met de klep open en dan lekker volproppen. Van leren koffers houd ik het meest. Die zijn niet zo stug als die plastieken. En laat ik nu eens helemaal eerlijk zijn. Wat vrijt nu het lekkerst? Gewoon leer of met plastic? Ik weet het wel.


Een vreemde trekpleister (06-09-2016)

Er ligt een grote bult op het strand van Ameland. Een Duitse bult, want er staat een Duits vlaggetje op. Nog geen meter van de bult steken twee voeten uit het zand. Rode voeten. Ze hebben blijkbaar al heel wat uurtjes zon gehad. Zie ik het nu goed. De bult gaat heel zachtjes op en neer. Er zit beweging in de zandbult. Van de andere kant komt een vreemd geluid. Het komt onder een opengevouwen krant vandaan. Die Zeit. Die Zeit ronkt als een bezetene. Onregelmatig, wat mij bij het luisteren een verstikkend gevoel geeft. Alsof ik zelf geen adem krijg. Laat staan het wezen dat onder de krant ligt. Dat het een wezen is weet ik zeker. Ik herken die geluiden namelijk. Ze vinden ook plaats op mijn slaapkamer en het heet snurken.

Een merkwaardig tafereel. Naast de bult zitten twee kleine kinderen te spelen met emmer en schop. Ze hebben een lange gracht gegraven naar zee. Een zee die rust in eb. Vijf meter lang is hun gracht en hij loopt ingenieus af richting bultbuik. De Duitser die onder het zand begraven ligt is vast een ingenieur. Een ingenieur die heel veel houdt van bier en worst. Gefascineerd kijk ik naar de handelingen van de kinderen. Ze peuteren wat aan de voeten die uit het zand steken en trekken een vette pleister van de kleine teen. Bah, denk ik. Wat een viespeuken. En niemand die op hen let. Waar is de moeder? Nergens te bekennen. Totdat het ijskoude zeewater uit de gracht de dikke half in het gestoken buik bereikt.

“Scheisse!”, hoor ik een hele hoge sopraanstem roepen. De buik klapt omhoog en daar zit moeders. Rechtop in het zand met grote ogen opengesperd. Er staat moord en doodslag geschreven in de donkere pupillen. De kinderen zijn in geen wegen of velden te bekennen. Ook wel best moeilijk aan het strand. Vanachter een winddoek zie ik echter vier ogen angstig gluren. Ze zouden eigenlijk op ondeugend moeten staan. Je zult maar zo’n Duitse moeder hebben?


Zwerfplastic (08-09-2016)

De walvis sperde zijn mond wagenwijd open en slikte een paar kuub water in een keer naar binnen. Slikte? Nee zoog. Hij was immers een zoogdier. Het grootste ter wereld. Dinosaurussen daargelaten. Een zwemmend zoogdier. Mobile heette de grootte walvis. Het stond op zijn dikke buik getatoeëerd. Zo vernoemd omdat hij zich voortdurend verplaatste, wapperend met zijn grote staartvin van wel zes meter. Die sleepte hij al zijn hele leven achter zich aan. Soms jeukte dat ding verschrikkelijk en sloeg hij er extra hard mee. De onrust werkte als speedmotor. Zo croste hij de oceanen door. In no time.

Met een grote hoest proestte Mobile het water weer uit. Er was iets meegekomen dat hem niet beviel. Hij voelde nu ook dat er iets was blijven steken bij zijn navelfontein. Een foutje der natuur. De navel was door zijn lieve heer op de rug geplaatst. Althans dat dacht Mobile. Hij had het voor de zekerheid nog nagevraagd bij zijn mamma. Wat doet dat spuitding op mijn rug? Maar die had toch een andere verklaring. Logisch heel logisch. Dat komt door de stuitligging lieverd. Daardoor is het een en ander verdraaid. Sorry. Ach, wat maakte het ook uit. Mobile vond het prima zo. Een beetje in de lucht spuiten vond hij helemaal geen probleem. Maar nu zat zijn gaatje verstopt. En dat was wel heel vervelend. Door wat?

Op het water dobberden wel duizend kleine plastic flesjes lege Flügel. Had hij die ingeslikt? Hij begreep onmiddellijk de oprisping. De lucht in de kleine flesjes was in zijn grote bek ontsnapt en opgewarmd en dat veroorzaakte natuurlijk een enorme hoestprikkel. Zo warm had hij het lang niet meer gehad. Hij werd ook nog een beetje draaierig van de lucht. Maar het verklaarde niet de verstopping van zijn navelfontein. Totdat een ingedaald flesje Flügel spontaan uit zijn navel plopte. Wat een opluchting. Hij kon weer spuiten. Mobile zwom weer lekker verder. Nadat ie eerst nog een grote boer had gelaten.


Zwarte sokken (10-09-2016) Zie ook Schrijfveer 29-11-2015 met dezelfde titel

Ik heb helemaal niets met zwarte sokken. Anderen zweren erbij. Lekker neutraal en het past overal bij. Ik vind het kleurloos. Mijn sokkenkast is dan ook zeer kleurrijk. Zowel in kleur als in formaat. En ja, ik heb zo mijn favorieten. Neem nu de olifantensokken. Ruim van formaat, roze, en uiteraard met aan de voorkant een klein slurfje en aan de zijkanten flaporen. Zit dat niet allemaal in de weg denkt u nu? Nee hoor, ik pas mijn schoenen er altijd op aan. Maatje pipo. Succes gegarandeerd, zeker als ik ze uittrek in het bijzijn van kinderen. Heerlijk die snoetjes van die lieve verkleedde Maja's. De kleine vleugeltjes van de kiddo's beginnen altijd spontaan te flapperen. Daarnaast draag ik graag mijn opasokken. Lekkere dikke wollen sokken, niet van geit, maar van kameel. Heerlijk warm. Ja, ik weet het grijs is geen kleur, maar zwart al evenmin. Bovendien bevat het grijs nog een wit streepje en een paar accenten magenta. Door de ouderdom spontaan ingegroeid. Hoe? Een merkwaardige zon die mijn was bestrijkt. Mijn sokken verdienen het beste en drogen altijd buiten in de zon. Hoe ik dat dan bij slecht weer doe? Met een zonkanon en een klein windmolentje. Daarvan worden de sokken lekker fris. Van alle markten thuis zogezegd. Mijn favoriete stek sowieso, de markt. Lekker snuffelen in de sokkenkramen. Laatst nog een voltreffer gevonden. Laarskousen, zweetvrij. Ze verzinnen het tegenwoordig. Maar ik moet zeggen, het werkt. Ook tegen zweethanden. Heb daardoor een paar extra gekocht en daarvan het tenenbed ingeknipt. Nu heb ik ook heerlijke handschoenen. De kleur? Vleeskleurig. Dan valt het niet zo op. Krijg daardoor wel van die Michelinhanden, maar what the fuck. Wie geeft daar nu om? Zoveel handen schud ik niet op een doordeweekse dag.


's Nachts op het balkon (12-09-2016)

Er gebeuren vreemde dingen ’s nachts op het balkon. Maar eerst zal ik even het balkon beschrijven. Het is van gietijzer gemaakt, telt dertig spijlen met een onderlinge afstand van net geen tien centimeter waardoor het twee meter lang is en een meter diep. De spijlen zijn bekleed met rode pluche. Het hangt pakweg drie meter boven de grond, vast aan de ouderlijke slaapkamer. En belangrijk. Het beweegt niet. Logisch zou je denken, maar zelfs balkons zijn in de huidige tijd niet meer stabiel. Er is geen enkele architect die het nog in het hoofd haalt om daar garanties over te geven. En ja, in de nabije omgeving zijn reeds drie balkons omlaag gedonderd. Overbelasting zegt de verkering. Ze keren niet uit. Hebben foto’s van Facebook gehaald waarop de eigenaren een flink feestje geven op het balkon. Zeg nu eerlijk, het is ook een geweldig podium, een pluche balkon. Met zeven mensen dansen op zo’n balkon, ook al lijkt het meer op schuren, is niet slim.

Maximaal met zes personen betreden had de architect nog in de bijsluiter vermeld. In stilstand. Verder geen meubelstukken plaatsen die zwaarder zijn dan vijftig kilo. En vooral niet ’s nachts. De luchtvochtigheid kan dan erg toenemen, wat een negatief effect heeft op de maximale belasting. De flatbewoners voelen zich gedupeerd en hebben gezamenlijk een rijdende rechter in de arm genomen. Beter hadden ze een stijgende rechter genomen. Met een auto naar etage vijf is best lastig. Maar met een fietst moet het goed kunnen, denken de bewoners. Helaas paste ook de fiets niet in de lift. Een lift berekend op maximaal zes personen. Wat een toeval. Van afstand heeft de rechter aldus de zaak beoordeeld en de gedaagde partij gelijk gegeven. Alles stond immers duidelijk in de voorwaarden en kleine regeltjes van de koopcontracten uitgelegd. Geen speld tussen te krijgen. Nu staan er drie balkons in het plaatselijke leugenaartje aangeboden. Wel zelf demonteren en ophalen. Het lijkt Marktplaats wel.


Tot je recht komen (14-09-2016)

Ik kan op dit moment alleen maar denken aan september. Midden september met 32 graden Celsius. Dat kan toch niet? Mocht ik in het Middellandse Zeegebied wonen dan zou ik nog kunnen denken, alla, het hoort erbij. Een vanzelfsprekendheid een natuurlijke loop der natuur. Maar in het noorden van Europa deze temperaturen? Het zou verboden moeten worden. En dat, dat kan nu net niet. Op een ding hebben we als mens geen invloed. Het weer, het klimaat. Tenminste niet onmiddellijk. Op de lange termijn is dat nog een ander verhaal. Ik kan me het zuur van de zure-regen-problematiek nog levendig voor de geest halen. Gelukkig hoeven we ons daar geen zorgen meer over te maken. De zure regen heeft plaatsgemaakt voor bloedhete zon op onverwachte en onaangekondigde momenten. En ook al proberen we met z'n allen controle uit te oefenen en alle situaties te beheersen, ons klimaat, de temperatuur, de neerslag, de techniek, ze lachen ons keihard uit. De zon en buienradar voorop.

Hoe moet ik nu in hemelsnaam tot mijn recht komen? Als de zon de zon niet meer is en de regen de regen niet meer. Want laat ik het u maar meteen vertellen. Ik twijfel eraan. Aan het weer en bijbehorende voorspellingen. Of ik dan afhankelijk ben van het weer en de verwachtingen? Zeker. Ik stem alles af op het weer. Kleding, vakantie, afspraken, uitgaan. En vaak achteraf met grote weerzin, als het niet klopt. Weerzin. O wat zou ik dat woord graag eens een andere lading geven. Niet langer negatief maar positief. Weerzin, zin in weer. Dat is al even geleden, weerzin, gewoon weer zin in het weer. Maar nee, het glas is in deze half leeg en niet half vol. Met grote weerzin, weertegenzin. Nee, dat werkt ook niet.

Hoe laat ik nu een woord tot zijn recht komen in het gevoel en in de gedachte die ik momenteel beleef? Tegenweerzin kan ook niet. Ik houd het dan toch maar voorlopig bij weerzin, positief gelabeld. Ik wil weer zin krijgen in het weer. Zodat ik kleren aan kan die ik van te voren heb bedacht en klaargelegd. Kleren die weerzinwekkend zijn. Juist ja. Daarin komt mijn gedachte en gevoel beter tot zijn recht. Weerzinwekkend. Nee, ook weer ambigue. Tweeledig, drieledig zelfs. Weer zin wekkend of weerzin wekkend. Dus weer zin krijgen of zin in weerzin. Trek in het weer. Niet waarom. Ach, verdorie. Laat ook maar zitten. Ik krijg het toch niet opgelost. Weerzin. De zon mag edoch gerust blijven schijnen. Maar niet te hard.


Helm (16-09-2016) Zie ook Schrijfveer 26-11-2015 met dezelfde titel

Ik ben zo trots op mijn helm en aai hem dagelijks. Koesteren doe ik hem al jaren. Zorg ook dat ie niets te kort komt en stevig blijft glimmen. Daarvoor gebruik ik speciale zalfjes. Milieuvriendelijk uiteraard, want mijn helm moet nog jaren mee en mag het milieu niet belasten. Dat doet ie tot nu toe nog niet. Maar wie weet komt daar op korte termijn verandering in. Milieuwetgeving is de laatste jaren zo grillig. Misschien worden er wel beperkingen opgelegd aan helmen. Moeten ze aan een bepaald formaat voldoen en worden er eisen gesteld aan de substantie en viscositeit. Het metaalgehalte, de glimfactor, de omvang, de riem. En dan heb ik nog geeneens gesproken over de aankleding.

Onlangs is er nog hevige kritiek geuit op het bekleden van de helm met een visnet. Ongepast vonden een aantal fanatiekelingen. Dat hebben de helmdragers geweten. De fanatiekelingen, voor het grootste deel bestaand uit sportfanaten die dagelijks de sportschool bezoeken en altijd de fiets nemen, hielden een demonstratie. Bij het Malieveld. Gewapend met zilveren bestek en gekleed in maliënkolder maakten ze hun punt. Ze liepen echter zo snel dat niemand hen kon volgen. De demonstratie miste daardoor volledig doel. Ook waren er weinig helmdragers aanwezig. Dat het te maken met festiviteiten elders. Zo viel de dag van de demonstratie samen met een massale kortingsactie bij een bekende fastfoodketen en de nationale bierdag.

Deze laatste werd voor het eerst gevierd in Nederland. En ja, daar kon de belangrijkste doelgroep, de helmdragers, niet ontbreken. Zo ook ik niet. De demonstratie had dan ook geen enkel effect. Maar netjes als wij helmdragers zijn werd uit solidariteit met de demonstranten het netje weggelaten. Met blote helm bestormden we die dag de beruchte fastfoodketenfilialen, café's, biertenten en aanverwante horecazaken. Met grote honger en dorst. Nou, die werd gelaafd. Onze helmen hadden de dag van hun leven. Slechts een enkeling liet kortstondig het leven, viel af, uitgestrekt, gevloerd en plat op de grond. Mateloos en grenzeloos. Maar ja, het blijven helmdragers.


Een oud feest (18-09-2016)

Het feest zucht. Het is al zo oud. Al minstens honderd jaar. Heeft al een lintje gehad en de burgemeester op bezoek. En onder ons gesproken. Het is op. Zo laat het oude feest weten. Geen trek meer in oude kaas en zoutstengels. In slingers of ballonnen. Stoeltjes naast elkaar, netjes op een rij, aan met plastic zeil gedekte tafels. De beste stoelen voor de oude oudjes, met een zacht kussen om de tere billen wat beter en aangenaam te ondersteunen. Een stoel is op voorhand bezet. Die is voor het feestvarken. Ja die met de krul in de staart. En in zijn neus. De jarige heeft namelijk ook geen trek. Het is het zoveelste moetje. En hij weet het. Er is geen ontkomen aan. Samen met het oude feest trekt hij ten strijde. Met zijn beste pakje aan. Gesteven hemd en terlenka broek. Bretels losjes over de schouder, knellen mag niet meer.

Een kleinkind van zo’n jaar of vijftig vertelt de schuinste moppen. Opa kent ze al. Het oude feest zucht en de slingers slaan haast neer. Al honderd keer gehoord. Ongehoord. En oma pruilt haar lip, knipt haar doffe ogen dicht. Is het nog geen tijd? Het feest schudt nee. We beginnen pas. En we hebben ook nog geeneens gezongen. Lang zal ie leven klinkt wat cru, maar gaat uit volle borst. En opa die zingt mee. Heeft ie eigenlijk wel keus. Daar komt dan eindelijk het cadeau. Een grote doos wordt de kamer binnengereden. Iedereen staat op en lacht. Wat is er dan zo lachwekkend? Vraagt opa zich in stilte af. Het lint zakt makkelijk van de doos. En nu begint het feest ook hard te lachen. Zo oud als het feest en opa zijn, deze ruim gevulde doos kan echt de pret niet drukken. Daar staat ze dan. Getogen in zijden lingerie. Het hartenrood spat van haar lijf. Zie haar armen kronkelen. En uit gaan haar handschoenen. De sfeer komt er nu goed in. Met een van hare blote handen verdwijnt heel langzaam het linkerbandje van haar BH, de rug naar opa gekeerd. Het rechterbandje gaat wat stroever. Ze komt er niet meer uit. Opa die moet helpen. Maar helaas. Opa gaat nu onderuit.


Een spannende pageturner (20-09-2016)

Het boek dat Briele leest is van ongekende schoonheid en megaspannend. Hij vreet de letters, woorden, zinnen en houdt het boek zo nu en dan ver van zich vandaan. Te eng om door te lezen. Maar Briele durft haast niet te pauzeren. Hij zit de hoofdpersoon op zijn hielen. Eigenlijk zit ie in zijn nek. En de hoofdpersoon weet dat. Hij sleept lezer Briele met zich mee. Tijd voor conversatie is er nauwelijks. Briele zou wel willen. Klopt het wel wat de schrijver over zijn hoofdpersoon schrijft? Het liefst zou Briele het de hoofdpersoon vragen. Maar deze geeft geen krimp. Die heeft wel wat beters te doen. Hij rent van pagina naar pagina. De schrijver houdt hem amper bij. En dat ook nog eens in Times Roman. Hij struikelt bijna over de schreven en wurmt zich tussen de zinnen door. Op de hielen gezeten door dat vreselijke monster.

Ook Briele slaat het beest van zich af. Soms voelt hij de adem van het beest tegen zijn blote voeten kriebelen. Het stinkt ook nog eens verschrikkelijk. Naar bedorven eten. Een aaseter is het beest. Stevig drukt Briele zijn teennagels in de rug van de hoofdpersoon. Om hem aan te sporen sneller te gaan. Het is een kwestie van seconden en dan lust het beest hun rauw. Maar het lukt niet om naar de volgende pagina te komen. Waarom niet? Vraagt Briele zich af. Al snel wordt het duidelijk. De tekst die op de pagina geschreven staat is niet de minste. Hier stopt het verhaal. En Briele leest hardop in gedachten. ‘Beste lezer, ik wil u rekenschap geven. Indien u deze pagina omdraait begaat u mogelijk een grote fout. Er is geen weg meer terug. U zult ook niet vrolijk worden van wat er nog te lezen staat. Aan u de keus. Maar ik zou het wel weten. Ik zou het niet doen. Het kan mogelijk het einde betekenen.’

Het einde betekenen! Wat bedoelt de schrijver daar nu mee? Is dit een dubbele boodschap? In dit fictieve verhaal, zoals het stond beschreven op de flap? Of is dit verhaal toch niet zo fictief als het zich doet voorkomen? De vieze adem van het beest die is toch ook levensecht. De hoofdpersoon houdt stil en denkt hardop na. Net als Briele. ‘De dood of de gladiolen!’ En beiden draaien ze de pagina om. De rest is geschiedenis. Iedereen leefde nog lang en gelukkig.


Daar zou ik nooit naartoe gaan (22-09-2016) Zie ook Schrijfveer 25-11-2015 met dezelfde titel

Naar de vierde wereld. Of de tweede. Daar zou ik nooit naartoe gaan. Pas als het goed gaat met de eerste en derde, zou ik het mogelijk ooit overwegen. Ik geloof namelijk in oneven. Even werelden bestaan namelijk niet. Een wereld in balans, het is een onmogelijke wensdroom. Als eender welke wereld in evenwicht is, dan staat ie stil. Voor beweging is disbalans nodig. Zo ook voor groei. Het is wel vervelend voor mensen die op een onevenwichtige wereld vertoeven. Je weet amper waar je aan toe bent. Er kan je vanalles overkomen.

Voor mensen die naar zekerheid zoeken is de queeste naar evenwicht vaak een drama. Niets om aan vast te houden, angst om eraf te vallen. Van wereld en geloof. En waarom op zoek naar een tweede wereld? Hoe is er überhaupt een derde gekomen? Waren de eerste twee niet goed genoeg? En hoeveel werelden moeten er nog uitgezocht, ontdekt of gemaakt worden? En dan heb ik het nog geeneens gehad over een eigen wereld. Die zijn er veel. Een paar miljard. Uniek. Stuk voor stuk.

Ik zou misschien wel samen met iemand anders naar een even wereld willen. Om dan samen gelukkig te worden. Geluk, ook al zo'n groot woord. Net als wereld. Ik zou dan samen met die persoon via Trivago het meest voordelige hotel boeken op die wereld. Dan weet ik zeker dat ik goedkoop uit ben. Er even uit. Van de wereld. Mijn eigen wereld. En samen vertoeven in de wereld van een ander. Samen een nieuwe wereld bouwen. Een imperfecte uiteraard. In disbalans en in beweging. Drie werelden die bij elkaar komen. Een derde wereld. Maar dan anders dan alle anderen. Het einde lijkt me dat. Heerlijk. Geen tweede of vierde voor mij. Ammenooitniet. Aan drie heb ik genoeg.


Kamperfoelie (24-09-2016) Zie ook Schrijfveer 21-11-2015 met dezelfde titel

'We zijn Kamperfoelie vergeten!', roept pa keihard door de auto en trapt op zijn rem.
Met z'n allen vliegen ze half door de auto. Moeder bijna met het hoofd door het raam.
'Nou en, dat kreng wilde toch niet mee?', antwoordt moeder verbolgen. 'Doorrijden'.
Maar dat is vaders eer te na. Op de Gouden Steenweg draait hij à la Verstappen om, maar dan zonder te spinnen, want dat doen ze achter in de auto al. De drie meiden op de bank vinden het fantastisch dat pa omkeert.

'Nou, nou, stop dan maar even hier klojo, en laat mij er maar uit. Dan pik je me later maar op. Ik heb zo mijn bezwaren. Hier bij de Macro. Stop!'
Met piepende remmen en met zijn hoofd op rood, rookwolkjes uit neus- en oorgaten, stopt pa de oude Ford Capri. Moeders stopt boos uit en smijt het portier dicht. 'Jullie mogen ook zonder mij doorrijden strakkies, ik hoef die Kamperfoelie nooit meer te zien. Ik red me wel. Doeg!
Dit moet pa toch wel even tot zich laten doordringen. Meent ze dat nu.
'IJsje, ijsje, ijsje', roepen de drie meiden op de achterbank.
'Straks dames, we gaan eerst Kamperfoelie ophalen.'

Aan de grote villa in de Boslaan van Tietjerksteradeel wapperen voorzichtig de gordijntjes open. Daar staat Kamperfoelie parmantig op de vensterbank en kwispelt met zijn staart hard tegen het raam. Snel stapt pa uit en doet de deur open. Kamperfoelie springt blij en uitgelaten tegen hem aan. De meiden kijken strak voor zich uit achter op de autobank. Ze plagen Kamperfoelie, die er niets van begrijpt. Hij springt via het portier dat pa heeft open laten staan de Capri in, wurmt zich over de versnellingsbank richting meiden en springt bij hen op schoot. Toe maar, aaien, strelen, kietelen! Maar er komt geen reactie van de dames. Wat flauw. Intussen haalt pa wat spullen uit het huis en dropt die in de achterbak. Op naar de Macro, op naar miss Chagrijn.

Buiten zit moeder op een bankje naast de Macro in de zon te genieten van een enrom groot schepijs met wel liefst vier grote bollen. Chocola, mokka, hazelnoot en pistache. Pa en de meiden kennen hun pappenheimster al wat langer.
'Wij willen ook!', roepen de meiden keihard.
Kamperfoelie springt bijna tegen het plafond en pa schiet bijna door de voorruit. De ijscokaart belt hard en vertrekt naar het volgende pand op het grote industrieterrein.
'Erachteraan, snel!', gillen de meiden.
'En moeders dan!'
'Laten zitten, dat soepkreng!'
Pa glundert en draait zijn auto richting ijscokar. Ook hij heeft wel zin in een koele versnapering.


Ik heb met een ander niks te maken (26-09-2016)

Jantje zit in de kleuterklas. Hij is alweer vijf jaar. Trakteren daar had ie even geen zin in. Wat de anderen kinderen ervan vonden boeide hem niet. Al die traktaties, hij had er een bloedje hekel aan. At ook altijd met grote tegenzin het snoep van anderen op als die jarig waren. Veel liever at ie liga. Met een klein laagje crème ertussen. Vanillecrème, want die at hij het liefst.

De kleuters in de klas vonden Jantje maar een vreemd jongetje. Hij bleef altijd een beetje achter bij de rest en had zo zijn bijzondere gewoonten. Zo zong ie iedere dag wel een of twee refreinen van zijn favoriete liedje: Ooit zag ik pruimen hangen. Dat kende de kleuters nu ook uit hun hoofd. Heel af en toe zomgen ze het met Jantje mee. Dan zagen ze hem glunderen van oor tot oor.

Ja, ja, een raar mannetje was Jantje wel. Hij hoefde nooit te plassen. Ook al zo iets vreemd. Waar liet ie dan zijn plas? Dat vroegen de kleuters zich regelmatig af. Zo ook de juf. Die begreep niet zoveel van Jantje. Hadden ze maar een gebruiksaanwijzing gegeven, de ouders van. Niemand wist wie de ouders waren. Ze hadden het mannetje gewoon achtergelaten voor de deur van de school. Aan een ketting. Best zielig.

De kleuters en de juf vermoedden dat het te maken had met het liedje dat Jantje dagelijks zong. Want na vijf keer het refrein gezongen te hebben, al dan niet met inzet van de kleuters, moest Jantje altijd keihard huilen. Haast niet te stoppen was dan het gesnik. De juf probeerde Jantje dan te troosten. Maar dat lukte haast nooit. Ook niet als de juf aanbood om samen met de andere kleuters in de klas een mooie tekening te maken.

Jantje had helemaal niets met anderen te maken. En al zeker niet een tekening. Zingen dat mochten ze van hem. Tot vijf keer toe. En dan was het genoeg. Dan verzonk Jantje in gedachten. In zichzelf. Had niet langer iets met anderen te maken. Alleen maar met zichzelf. Eigenlijk ook wel best een beetje te begrijpen. Het deed pijn. Voor iedereen. De verlatenheid van Jantje.

30-11-2015

Schrijfveren November 2015 (16 t/m 30)

Dagelijkse oefening in het schrijven van Schrijfveren. In maximaal 15 minuten tijd, associatief schrijven zonder correcties, naar aanleiding van een opgegeven titel. Met dank aan Hella Kuipers.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice


16. Gesmoorde geluiden

Ze huilen overdreven met groot kabaal. Draaien zich naar elkaar toe en wentelen zich in druipend vet. De tranen spetteren even later de pan uit. De kok heeft het niet in de gaten. Het drama dat zich in zijn koekenpan afspeelt. Hij is er met zijn gedachten niet bij. Zijn ogen turen over een plakkerige bladzijde van zijn kookbijbel. 'Houd de pan in de gaten en het vuur laag'. Te laat. De worstjes schreeuwen moord en brand en staan doodsangsten uit. Het vet spettert uit de pan op de hand van de onhandige kok. Maar dit keer is hij goed voorbereid. Snel stopt hij zijn hand in de wijnkoeler gevuld met Kellergeister, ijs en ijskoud. De hand sist heel even. Het vet stolt onmiddellijk en komt in bolletjes bovendrijven. Snel draait de kok met zijn andere hand het vuur laag. De worstjes komen tot rust en sputteren niet langer tegen. Van kwaadheid zijn ze zojuist uit hun vel gesprongen. Nu berusten ze in gebarsten huid. Zwijgzaam. Woede gesmoord.


17. Een inheems woord

De 'Bond tegen Vloeken' staat voor mijn deur. Er zijn zo van die momenten dat je liever niet de bel had gehoord. Batterij leeg. Zoiets. Maar nee. Voor me staat een klein vrouwtje in plissérok met grote ijzeren speld. Haar bruine regenjas hangt open en aan haar linkerarm, om precies te zijn, in de holte tussen onderarm en bovenarm bungelt een grote tas. Ze houdt haar hand in een knuist ter hoogte van haar platte borst stevig tegen haar lichaam geklemd. Ik was nochtans niet van plan haar tas af te nemen. Mocht ze dat denken. Ik vraag me af of ze in de gaten heeft hoe non-sexy ze aan mijn deur staat. Ze wil me iets verkopen dat is duidelijk. Maar dit is niet de juiste aanpak en aankleding. Bovendien ook niet het geschikte moment. Het is negen uur in de ochtend. En ik, ik ben geen ochtendmens. Ze steekt een folder naar me uit. Bond tegen Vloeken.
Ik vertel haar dat ik daar niets mee op heb. Vloeken lucht juist op. Zeker bij de inzet van krachttermen en vruchtvlees. Het vrouwtje trekt een zuur gezicht. Ik kom dus blijkbaar binnen en zet door. Kijk mevrouw, 'kut' is een inheems woord en daarnaast kort en krachtig. Het wordt door iedereen gebruikt. Al jaren. Nee, ik maak geen onderscheid in sekse. Mannen en vrouwen bezigen het voortdurend. Het is van alle tijden. Je kunt het in je mond prettig uitstoten. Het geeft aangename perslucht, voor in de mond en geeft ontspanning en een aangenaam gevoel op de lippen. Doet u het maar eens. Ja, een paar keer achter elkaar. En ... en ... lucht het op? Ja, hè. Ziet u wel. Nou, dag mevrouw. O ja. De buren slapen nog. Slaat u die gerust over. Prettige dag nog verder.


18. Zoveel manieren om een sjaaltje te strikken

De man stond op de stoel en wist voor een moment geen blijf met zichzelf. Hij hield een sjaaltje in zijn hand en vroeg zich af waarom? De man was blijkbaar in de war. Hij keek wat verdwaasd om zich heen. Leek om hulp te vragen. Maar er was niemand in de ruimte aanwezig. De zolder was niet bepaald een plek waar veel mensen kwamen. Stoffig en vol herinneringen pijnigde de man zijn hersenen en keek staand op de stoel nog eens naar het sjaaltje. Vervolgens tuurde hij de ruimte af, een beetje wezenloos. Totdat zijn oog viel op het plafond. Hij keek beurtelings naar het plafond en naar de hand die het sjaaltje droeg. Het was een open plafond. Je kon duidelijk de balkconstructie zien van de Franse kap. Het was een oud huis met een oude zolder waar de man zich bevond. Zelf was ie ook behoorlijk oud. Samen waren ze oud geworden. Het huis, de zolder en de man. Vroeger deelde de man het huis en de zolder met veel mensen. Nu voelden ze alle drie verlaten en eenzaam. Het sjaaltje had hij uit de oude klerenkast gehaald. Een mooi zijden sjaaltje. Nog eens keek de man naar het plafond, naar de grote eiken balk. Vroeger had daar nog een schommel gehangen. De tranen liepen uit zijn ogen. Hij frutselde wat aan de sjaal en vroeg zich nog eens af, hoe die sjaal nu het beste te strikken? In een keer.


19. Graanvelden

De onmetelijkheid van graanvelden fascineert mij telkens weer. Dat geldt ook voor de begrenzing. Vreemd eigenlijk die dubbelheid. Want hoe kan iets dat onmetelijk oogt toch een gevoel van begrenzing geven? Mijn hersenen raken in tweestrijd. Enerzijds maken ze een voorzichtige berekening. Tot aan de horizon reikt het graanveld. Maar hoeveel meters is dat eigenlijk? Iets in mij zoekt controle en meet afstand. Alsof de afstand bepalend is voor mijn controle. Ik schat zo'n tweehonderd meter. Het is een groot graanveld. Anderzijds dwingen mijn hersenen me het graanveld in te lopen. De begrenzing te doorbreken. Een weg te zoeken naar de horizon. Het is dan wel noodzaak de grensbewaking te doorbreken. Los te laten. Daar is moed voor nodig. En brood. Brood is broodnodig voor ieder onderzoekspad. Al is het maar om de weg aan te duiden. In een graanveld kun je immers makkelijk verdwalen. Daar sta ik dan met mijn dilemma's. Ach, was ik maar Klein Duimpje. Dan had ik door de hoge graanbomen het graanbos nooit hoeven zien.


20. Vitrage

Droevig tuurt de sanseveria vanachter de vitrage naar de straat. De vitrage ruikt muf geel. De mensen, de fietsers en de auto's die achter het raam passeren lijken allemaal vol geplakt te zitten onder vitragerag. In een fijnmazig net met hele kleine miniruitjes. De sanseveria kijkt kort op de klok die achter de bar hangt. Nog heel even en dan komt de vitragespin zijn buit bekijken. Althans dat hoopt de vitrage. Kijk hij zit al in de hoek van de vensterbank. Klaar voor zijn inspectieronde. Misschien neemt de spin vandaag weer wat tijd om een praatje te maken met de sanseveria. Het zijn dikke vriendjes met elkaar. Tot voor kort. Wat er eergisteren gebeurde heeft de vriendschap behoorlijk op spanning gezet. De spin had een vette bromvlieg in zijn net gespot. Omdat hij een enorme berenhonger had was hij in zijn haast wat onhandig over de vitrage gelopen. Zo hard dat de vitrage opwaaide en in de sanseveria was gevlogen. Daar was de vitrage blijven hangen. Precies op het puntig blad waar de ogen van de sanseveria zaten. Die kon daardoor niets meer zien. Hij was enorm uitgevallen tegen de spin. De spin was daar zo van geschrokken dat hij zonder zijn buit te plukken weer terug in zijn vensterbankhoek is gaan zitten. Twee dagen al had ie niet meer gesproken met de sanseveria. Dat was too much voor de sanseveria. Hij had zich dan ook voorgenomen om het vandaag goed te maken met de spin. De sanseveria telde de tijd langzaam af. In de spin zat geen enkele beweging. Leefde die nog wel?


21. Kamperfoelie

Mijn tuin houdt van kruiden en onkruiden. Het is een bijzondere tuin. De tuinman is er niet blij mee. Het onkruid overwoekerd alles. Wat te doen? Wel duizend boeken heeft de tuinman gelezen. Een complete letteren- en kruidenstudie heeft de tuinman erg belezen gemaakt. Nu wordt het tijd om het gelezene eens toe te passen. Maar het wil niet echt vlotten. De meeste boeken gaan over kruiden. De onkruiden worden op een of andere manier uit de boeken gelaten. Een onkruidcomplot lijkt hieraan ten grondslag te liggen. Maar een beetje tuinman geeft nooit op. Dat is nogal wiedes. Tijd om raad te vragen. Nou wil het toeval dat achter de tuin van de tuinman, die overigens behoorlijk diep doorloopt, mensen wonen. Omdat de tuinman wat schuw is heeft hij deze mensen nog nooit aangesproken. Dat is ook ingegeven door de melkman, die dagelijks als een van de weinigen in de kennissenkring van de tuinman een praatje maakt met de tuinman. De melkman heeft de tuinman gewaarschuwd voor zijn achterburen. Het zijn kampers. Maar nood breekt wet. De kampers hebben namelijk helemaal geen onkruid in hun tuin. En nu wil de tuinman wel eens weten waarom? Had die dat maar eerder gedaan. Het antwoord en daarmee de oplossing is zo simpel. De kampers, die uit Engeland kwamen, hadden een hele simpele tip. You know man. Kampers fool je niet. Put some kamperfoelie in your garden and everything will be all right. This herb herbs the worst onherbs. Look at our garden. Do you see any onherb? Daar hadden ze een punt. Er groeide werkelijk waar geen sprietje onkruid in hun tuin. Daarbij moet wel gezegd dat dat ook haast onmogelijk was tussen alle stoeptegels.


22. Wat staat er op je bureau?

Een aquarium met twee goudvissen. Ik kijk er iedere dag na en denk dan. Wat hebben wij het toch eigenlijk als mens goed. Ik zie de vissen almaar rondjes zwemmen. Soms wisselen dat af met afwisselend naar de bodem duiken en naar de waterspiegel. Dit doen ze kussend. Met hun oranje lippen zoenen ze beide oppervlakten. Het ondervlak en het bovenvlak. In het dalen en opstijgen geven ze het water de hele tijd kusjes. In het op en neer zwemmen eigenlijk ook. Het zijn echte zoenvissen, die goudvissen op mijn bureau. Hoe langer ik er naar kijk hoe meer jaloers ik word. Ik wil dat ook wel. De hele dag zoenen. Iets mooiers is er toch niet? Een beetje badderen in het water en de hele dag kusjes geven. Of zou dat op den duur toch saai worden? Aan de vissen is het niet af te lezen. Zij zoenen de hele dag alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. En dat is in een mensenleven natuurlijk niet. Daar moet geld verdiend worden, het huishouden gedaan worden, de kinderen opgevoed, de hond uitgelaten, dag in dag uit. Gen tijd voor kusjes. Nou, vooruit dan, bij het afscheid nemen in de ochtend en bij het thuiskomen in de avond, voor het slapen gaan als toetje. De vrouw en de kinderen dan. Niet de hond. Dat is vies. Hij wil wel. Maar mag niet. Een knuffel daar blijft het bij. Thuis hebben we ook een vissenkom. Nu begrijp ik ook waarom onze hond regelmatig voor het glas naar de vissen tuurt en zo nu en dan blaft. Pure jaloezie. Kussende vissen. Het blijft een genot om naar te kijken. Zelfs op kantoor.


23. Borstvoeding

Ik geef mijn borst regelmatig te eten. Zalfjes heeft ie het liefste. Daar houdt mijn borst van. Hij slurpt ze op. Nivea, dag- en nachtcrème, massageolie, jij kan het allemaal hebben. In de zomer aftersun in de winter soms een pakking. Gewoon omdat het lekker is. Mijn borst is het meest vertroetelde lichaamsdeel dat ik bezit. Fier ben ik erop. Hij is ook fier op mij. Dat laat ie mij regelmatig zien in de spiegel. Dan blaast hij zich extra stevig op, waarbij heel soms de tietjes ondeugend omhoog steken. Ze denken dat ik dat niet zie. Maar ik weet beter. Ze proberen zich te verstoppen in het borsthaar als ik te lang kijk. Maar ze ontkomen niet aan mijn blik. In het weekend ga ik er stevig met de borstel doorheen. Niet door mijn tietjes natuurlijk, maar door mijn borsthaar. Na het douchen maak ik er dan kleine krulletjes van. Die voelen lekker zacht. Een vers T-shirt aan en ik ben klaar voor de dag. Winterdag of zomerdag, het maakt niet uit. Altijd gekleed in een wit T-shirt met smal boordje. Ik heb een hekel aan T-shirts met een grote boord. Het is geen gezicht. Zeker niet met een blouse erover heen. Het borsthaar mag ook niet boven het T-shirt uitkomen. Ik scheer het dan ook altijd een beetje tot vijf centimeter onder de rand. Ik zorg goed voor mijn borstje. Dagelijks zijn portie voeding en zo af en toe een borstelbeurt.


24. Die keer dat je geen hulp bood

Ja, ik weet het. Ik ben hulpverlener. Bedrijfshulpverlener om precies te zijn. En ja, ik draag een hesje. Een oranje hesje met hele grote letters in fluo. BHV. Ik mag een keer per maand in de baas zijn tijd brandjes blussen. Dat is mooi meegenomen. Buiten de baas zijn tijd doe ik het ook hoor. Brandjes blussen. Met water, schuim en ook met deksels en zand. Gewoon een kwestie van een van de essentiële bronnen wegnemen. Zuurstof, brandstof of ontsteking. Ik houd dan ook altijd mijn adem in als ik mijn elektrische auto stekker. Gewoon voor de zekerheid. Als hulpverlener mag je nooit de hulp weglaten. Ik heb dan ook altijd een hulpje bij me. Die zet ik in bij de meest gevaarlijke situaties. In hoge uitzondering bied ik in de zware gevallen ook hulp. Maar dat doe ik alleen bij mensen die boven de 150 kilo wegen. Gelukkig zijn dat er niet zoveel. Al zeker niet op mijn werk. Twee om precies te zijn. Mijn hulpje en ik. Jammer maar helaas. Ik weet het. Ik ben geen goede hulpverlener. Niet echt geschikt voor de job. Maar ja. Niemand wilde op mijn afdeling. Helemaal niemand. Dan bied ik hulp. Dan spring ik in. Dan red ik de zaak. Mijn afdeling. Had ik het maar niet gedaan. Die ene keer. Maar ik deed het wel. Aan iedereen uiteindelijk. Behalve mezelf.


25. Daar zou ik nooit naartoe gaan

Naar het voetbal. Daar wil ik nooit naartoe. Ik houd er gewoon niet van. Al die idioten die zich als een malloot verkleden. Begrijp me niet verkeerd. Ik houd best van ballen. Maar niet die met de voet. Ik wil meer. Bij mij houdt het verkleden niet op bij de voet. Ja, ik weet het, er zijn genoeg manieren om een leuke of sexy sok of kous aan te trekken. Ik heb het een keer geprobeerd. Het was ook nog eens gemaskerd. Een gemaskerd voetbal. Nou, ik kan het je vertellen. Nooit meer. Allemaal van die flauwe liedjes ook. Seksuele hieling. Ik doe het niet meer. Het soks. Nee, geef mij maar ballen waarbij goed wordt ingepakt. Dan valt er ook veel meer uit te pakken, achteraf. Mijn favoriet zijn de gemaskerde ballen. Op zijn Middeleeuws. Dan kun je nog eens lekker onder de hoepels duiken. Korsetten ontrijgen. Pruiken snuiven. Veel meer uitdaging. Nee, een voetbal vind ik helemaal niks. Al helemaal niet als het ook nog eens een kinky voetbal is. Met roze maillots of gatenkousen. Bah. Niets voor mij.


26. Helm

Dat vind ik nou zo mooi. Helm. Zeker in de duinen. Ook erg handig. Je kunt er niet genoeg van meenemen. Van helm. Groen, blauw, rood. Het maakt niet uit. Het helpt tegen gierende wind. Het beschermt de oren en ogen. Tegen zand. Tenminste als je de helm een beetje gebukt houd. Helm heeft ook een erotische werking. Zeker las je het heel zacht en fluisterend uitspreekt. 'Helm, helm, helm ....!' Onweerstaanbaar zwoel klinkt dit woord. Ik kan er uitermate opgewonden van raken. In helm kun je ook makkelijk kledij verbergen. Nadat je vol overgave natuurlijk eerst het woord een aantal keren zwoel hebt uitgesproken. Zorg dan wel dat je in de buurt van een pan bent. In helm en pan kun je je uitstekend verbergen. Zelfs uitstekende voorwerpen worden hierin goed verborgen. Desnoods steek je ze in het zand. Als de nood echt hoog wordt. Zorg ook altijd dat je voldoende zonnecrème bij je hebt. De zon kan je zomaar overvallen in helm en pan. Je wil echt geen panne krijgen aan je lijf en leden op het moment suprême, echt niet. Helm. Iets mooiers bestaat er niet.


27. Opgesloten in de lift

Heeft u dat nu ook. U zit in de lift en ineens heeft u er genoeg van. Genoeg van in de lift zitten. Veel liever begeeft u zich op de begane grond. U weet wel, met beide voeten. Op de grond ja. Oké, de opwinding ban het in de lift zitten heeft natuurlijk ook zijn charme. Maar het put ook uit. U weet namelijk niet waar uw lift eindigt. Waar is de horizon? Waar is het plafond? U kunt boven uw lift uitstijgen en wat dan. Dan wordt mogelijk uw kop afgehakt. Boven het maaiveld. Weet u wel. Niet doen zeg ik dan. Retourtje begane grond bij voorkeur. Desnoods laag bij de grond. Ik bekijk ook altijd het aantal verdiepingen, zeg maar hindernissen die ik moet nemen, als ik in de lift zit. Voor je het weet wordt je op handen gedragen naar de bovenste etage en zit je zo aan je plafond. Niet leuk. Saai. De verveling neemt toe. En de angst. Angst? Ja, angst. Om weer te dalen. Waar dacht je dat die lift je naartoe bracht dan. Naar het einde misschien? Niet doen. Gewoon retourtje begane grond. Houdt het zweven vanzelf op. Wordt je veel gelukkiger van.


28. Een lijstje van metaforen voor 'zonsondergang'

Ik wil het niet meemaken. De ondergang van de zon. Veel te dramatisch. Waar moeten we dan van leven? Ik wil niet dat de zon ondergaat. Ik wil de zon ondergaan. Eeuwig. Maar hij mag dat zelf niet doen. Dat ie dat maar uit zijn hoofd laat. Als de zon ondergaat zijn we overgeleverd aan de maan. Wie wil dat nu? Altijd maar verblijven in het donker. Het is een schemerlamp vergeleken bij de zon. Laat de maan maar ondergaan. Ik koop zelf wel een paar lampen. Voor dat stukje nacht en duisternis. Nee de zon mag nooit niet ondergaan. De maan wil ik desnoods wel ondergaan. Dat schijnt romantisch te zijn. De liefde bedrijven in de maneschijn. Maar het is niet echt. Toch? Het is maar schijn. Veel liever verblijf ik onder zonnegloed. Een zonsondergang wil ik never nooit niet meemaken. Ook niet op de foor. De zon zien ondergaan op een foor is het meest dramatische wat er bestaat. Met de zon gaat ook de foor ten onder. Metadramatisch. Metaforisch. Niet doen zon. Ik wil je graag nog even bij me houden.


29. Zwarte sokken

Ik heb ze geteld. Vijfhonderdduizend paren heb ik al gesleten. Voor mijn gevoel dan. Ik ben een echte gevoelsteller. Sorry hoor. Ik draag ze zwart omdat ze overal bij passen. Net als mijn ondergoed. Behalve bij een witte doorschijnende broek. Kort of lang maakt dan niet uit. De broek bedoel ik. Het schijnt dan door de sokken en de onderbroek. Geen gezicht. Het ziet uit als een vale zebra. Ik heb het een keertje gedaan. Gekleurde sokken gekocht. Lichtgrijs waren ze. Maar nee hoor. Het voelde niet goed. De hele dag liep ik aan de lichtgrijze sokken te denken. Zou iemand het zien? Ik voelde me heel bloot. Bij de Zeeman heb ik toen onmiddellijk nieuwe zwarte sokken gekocht. Tien halen, vijf betalen. Ik moest wel zelf in de bak de linker- en rechtersokken bij elkaar zoeken. De juiste maten ook nog. Ben bijna drie uur bezig geweest met zoeken en passen. Tijd is geld. Ik heb dan ook bij de kassa geld terug gevraagd. Hoeveel ik in gedachten had? Nou mijn uurloon is tachtig euro. Ik heb ze gematst. Heb maar twee uur doorgerekend. Ging ik toch mooi naar huis met tien sokken en honderdzestig euro. Zwart geld. Wat moet ik ermee?


30. Ontsnappen

Niets zo vervelend dan winderig zijn in gezelschap dat opgevoed is met etiquette. Ontsnappen lukt eenvoudig niet. Het is namelijk not done om van tafel te gaan tijdens de maaltijd. Ik besluit het toch maar even bespreekbaar te maken. Dat lucht in ieder geval op.

Beste mensen, mag ik even uw aandacht. Freule Stoeterwaal van Derrière valt bijna van haar stoel. Wie durft hier onaangekondigd aandacht te vragen? Hoe brutaal? Dat is toch alleen aan haar? Ze wipt vlug op het puntje van haar stoel richting rugleuning. Affront, hopelijk ziet niemand het.

Ik zit met een klein probleem. Het kan twee kanten op en het heeft alles te maken met ontsnappen. Ha, ontsnappen, een raadsel, zie ik een hoop mensen denken. En nee, het is geen spelletje Cluedo. Er is niemand vermoord. Nou ja, niemand. Hooguit de mosselen die ik zojuist gegeten heb. En daar zit juist mijn kleine probleem.

Ik wordt een aantal blikken gewaar van freules en baronnen die in ieder geval nooit de oorlog hebben meegemaakt. Gepoederd wereldvreemd kijken ze afwisselend naar elkaar, naar het plafond en naar mij. Zegt u het maar. Roept de freule aan de andere kant van de tafel. Ze houdt een koehoorn tegen haar rechteroor. Luid graag.

Nou kijk. Er zijn twee zaken die op dit moment willen ontsnappen. Ik in zijn geheel en daarnaast een tijdelijke gedeelte in mij. Een hoopje zogezegd. Het vervelende is dat het hoopje klaar ligt om mijn lijf te verlaten. Met andere woorden als ik niet in zijn totaliteit heel even mag ontsnappen, dan ontsnapt een gedeelte van mij. Met een vleugje wind zogezegd. En ik vind. Dat er in deze lastige situatie een uitzondering gemaakt moet worden op de etiquette. Ik zie zelf geen andere uitweg. Aan u de keuze.

Gaan, gaan, gaan. Roept het gezelschap in koor. Te laat. Gone is the wind.