Ooit van beticht, goed fout? Klinkt in ieder geval ernstiger dan fout goed. Dat laatste ken ik wel. Het zigeunerjongetje met traan. Ooit gezien? Vast wel. Anders onmiddellijk even opzoeken. Googlen desnoods. Gewoon zoeken op zigeunerjongetje met traan. Het zigeunerinnetje komt u misschien dan ook tegen. Dat is dan weer een goed voorbeeld van ...
Nee, wacht. Ik laat goed hier weg. Zo subjectief anders. Dat is dan een voorbeeld van goed fout. Zoek maar eens op. Ja, op Google. Zigeunerinnetje afbeelding of schilderij. Ja dat laatste woord is wel nodig. Anders zou u zo waar zomaar in de ogen kunnen turen van Sophia Loren. Van wie? Sophia Loren. Een Italiaanse schone. Een lelijke is het zeer zeker niet. Dat zou hetzelfde zijn als niet van aardbeien houden. Bestaat niet. Hoewel? Uitzonderingen bevestigen dan weer de regel. Net zo goed als spreekwoorden dat doen. En gezegdes. Niet te vergeten. Het is gezegd bij deze.
Even terug naar de materie. Wat maakt een zigeunerjongetje met traan nu fout goed en een zigeunerinnetje goed fout. Kijk ik leg het u uit lieve lezer. Een tranend jongetje doet het altijd. Hoeft het jongetje geeneens een zigeuner voor te zijn. Ook een huilend ballenjongetje is fout goed. Ernstig fout goed eigenlijk. Maar daar ga ik verder even niet op in. Huilen is altijd goed.
Maar het zigeunermeisje is andere koek. Een beetje zwoel het schilderij uitkijken. Met supergrote kijkers. Neuuu. Dat is goed fout. Ze zuigen je helemaal naar binnen die grote donkere kijkers. Als man dan. Als vrouw kan natuurlijk ook. Maar dat komt minder vaak voor, nietwaar? Laten we het onderzoek kwantitatief houden. Van kwaliteit is hier überhaupt geen sprake. Iedereen kan zo'n zigeunerinnetje bedenken en schilderen. De Mona Lisa wordt dan weer een ander verhaal. Of het Melkmeisje ook zo'n moeilijk te vatten meisje. Een beetje melk uit een kan gieten. Hoe dubbelzinnig.
Nee, geef dan toch maar het zigeunerinnetje dat er geen gras over laat groeien. Ook al is het goed fout. Lekker poeh. Ik laat me graag meezuigen. Als man. Als vrouw is dat dan weer net anders. Dan wordt het ineens weer fout goed. Vrouwen die er pap van lusten. Nou, misschien wordt het nu weer wat te ingewikkeld. Onthou dit gewoon. Zigeunerjongetje met traan, fout goed. Zigeunermeisje zonder traan, maar met grote donkere ogen, goed fout. Deze uiteenzetting gaat zowel natuurkundig als metafysisch op. Weemoed en geilheid zijn in beiden vat- en vloeibaar gemaakt.
Posts tonen met het label mona lisa. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mona lisa. Alle posts tonen
18-07-2017
30-03-2015
Stilleven (9): Pablo, Venus en Amor
Amor strekt zijn roze linkerarm en linkerhand recht omhoog. De hand draagt een lange pijl met scherpe punt. Heel eventjes wankelt hij op zijn blauwe tenen, ze pletten plagerig het groene gras. Maar helaas, het reiken volstaat niet. Hij probeert met zijn pijl de naakte oksel van het lief dat naast hem staat te raken. Bijna valt hij om. Volhardend in een onnavolgbaar enthousiasme, blijft hij aanleggen. Maar het wil niet lukken. De rechter beschermhand van de grote vrouw weert al zijn pijlen af. Hier wordt de liefde niet getroffen.
Reuzin Venus slaat de linkerhand voor haar mond. Ze slaakt korte zuchtjes van minachting. En toch … een kleine lach kan ook zij niet onderdrukken. Stiekem kruipt een flinke portie humor het schilderij naar binnen. Degene die het schilderstuk aanschouwt ligt haast dubbel van het lachen. Wat vermag de lezer van het schilderij anders? Pablo P., de maker van dit bijna twee meter hoge doek is een geduchte rokkenjager gebleken. En nu staat hij waarachtig, in lustige ijdelheid, zelf dubbel geportretteerd. Twee selfies vechten om de eer van de kijker. De kleine veroveraar Pablo Amor, links in beeld, onder een witte wolkgestreepte blauwe hemel. De grote Pablo Venus, playing hard to get, rechts in beeld, nakend in het groen.
Wat in deze scène nog zou passen, zijn twintig liefdesgedichten en een lied van wanhoop. De ene Pablo helpt de andere zogezegd, tegen beter weten in. Het is vast en zeker de lente die allen in de bol geslagen is. De roze lans van kleine Pablo Amor steekt parmantig vooruit, hij staat vrijwel op springen. Op de volumineuze borsten van Pablo Venus pronken twee flinke rode bullseyes. Ze wiegen beide kanten uit. Onder de borsten doet een zijdelings gedraaide navel een poging om met getuite lippen een liefdeslied te fluiten. Zonder succes. Het zal de kleine bescheiden Pablo vandaag niet lukken de grote te bestieren. De kans dat hier de liefde raak gaat schieten is nihil. Zeer waarschijnlijk zal door de onrust in het schilderij, het liedje weer hetzelfde zijn. Daar komt alleen maar oorlog van. Nee, wat hier juist nodig is, is een nieuw lied. Een soort canto general.
Het kan kunstenmaker Pablo P. niet bommen. In een Parijse kroeg beraamt hij slinkse plannen voor een ludieke act. Daar zal de wereld nog van staan kijken. Hij zal de schone kunsten eens een lesje leren. Kleine geile Pablo Amor die Pablo Venus eventjes niet aan kan? Dat kan niet waar zijn. Heeft Botticelli Venus voor de eeuwigheid betoverd en alleen maar aan zichzelf toegedicht? Botticelli, de toegenaaide kunstenaar der Middeleeuwen die niet wil delen? So what! Pablo’s oog is allang gevallen op een andere godin. Een godin van vlees en bloed, piepklein neergezet in olieverf, oh zo mysterieus en ondeugend. Op naar het Louvre. Veni Vidi da Vinci. Op naar Mona Lisa. Are you warm, are you real? The girl is mine.
Geschreven naar aanleiding van bezoek (29-03-2015) aan de expositie Hockney, Picasso, Tinguely en meer: hoogtepunten uit de Kunstsammlung Würth in Het Noordbrabants Museum. Onder de indruk van Picasso's Venus y Amor uit 1968.
Reuzin Venus slaat de linkerhand voor haar mond. Ze slaakt korte zuchtjes van minachting. En toch … een kleine lach kan ook zij niet onderdrukken. Stiekem kruipt een flinke portie humor het schilderij naar binnen. Degene die het schilderstuk aanschouwt ligt haast dubbel van het lachen. Wat vermag de lezer van het schilderij anders? Pablo P., de maker van dit bijna twee meter hoge doek is een geduchte rokkenjager gebleken. En nu staat hij waarachtig, in lustige ijdelheid, zelf dubbel geportretteerd. Twee selfies vechten om de eer van de kijker. De kleine veroveraar Pablo Amor, links in beeld, onder een witte wolkgestreepte blauwe hemel. De grote Pablo Venus, playing hard to get, rechts in beeld, nakend in het groen.
Wat in deze scène nog zou passen, zijn twintig liefdesgedichten en een lied van wanhoop. De ene Pablo helpt de andere zogezegd, tegen beter weten in. Het is vast en zeker de lente die allen in de bol geslagen is. De roze lans van kleine Pablo Amor steekt parmantig vooruit, hij staat vrijwel op springen. Op de volumineuze borsten van Pablo Venus pronken twee flinke rode bullseyes. Ze wiegen beide kanten uit. Onder de borsten doet een zijdelings gedraaide navel een poging om met getuite lippen een liefdeslied te fluiten. Zonder succes. Het zal de kleine bescheiden Pablo vandaag niet lukken de grote te bestieren. De kans dat hier de liefde raak gaat schieten is nihil. Zeer waarschijnlijk zal door de onrust in het schilderij, het liedje weer hetzelfde zijn. Daar komt alleen maar oorlog van. Nee, wat hier juist nodig is, is een nieuw lied. Een soort canto general.
Het kan kunstenmaker Pablo P. niet bommen. In een Parijse kroeg beraamt hij slinkse plannen voor een ludieke act. Daar zal de wereld nog van staan kijken. Hij zal de schone kunsten eens een lesje leren. Kleine geile Pablo Amor die Pablo Venus eventjes niet aan kan? Dat kan niet waar zijn. Heeft Botticelli Venus voor de eeuwigheid betoverd en alleen maar aan zichzelf toegedicht? Botticelli, de toegenaaide kunstenaar der Middeleeuwen die niet wil delen? So what! Pablo’s oog is allang gevallen op een andere godin. Een godin van vlees en bloed, piepklein neergezet in olieverf, oh zo mysterieus en ondeugend. Op naar het Louvre. Veni Vidi da Vinci. Op naar Mona Lisa. Are you warm, are you real? The girl is mine.
Geschreven naar aanleiding van bezoek (29-03-2015) aan de expositie Hockney, Picasso, Tinguely en meer: hoogtepunten uit de Kunstsammlung Würth in Het Noordbrabants Museum. Onder de indruk van Picasso's Venus y Amor uit 1968.
10-06-2014
Stilleven (4): Molly's droom
Ze weet niet of ze moet lachen of huilen. Zo gaat dat wel vaker met vrouwen. Nou ja, vrouwen. Ook mannen hebben daar soms last van. En hoezo last? Daar hoef je toch geen last van te hebben. Van een lach of een traan? Je hoeft je er ook niet voor te schamen. Ze laat het maar even in het midden, de emotie. Liever schuilt ze haar gezicht in een omslagdoek.
Haar donkere ogen glijden langs het zachte doek naar buiten en verkennen het gezichtsveld en de omgeving. Voorzichtig want ze wil niet betrapt worden. Betrapt op emotie. Dat gunt ze de kijker niet. Dat ze bekeken wordt dat mag duidelijk zijn. Soms vallen de mensen, en met name die van het mannelijk geslacht, bijna in katzwijm voor haar voeten neer. Haar moeder heeft het al op jonge leeftijd over haar heen geroepen. “Ze zullen je aanbidden, Molly. Let op mijn woorden.” Ach, niets is de mens vreemd, dat beseft Molly maar al te goed. Het is kijken en bekeken worden.
Voor de verandering besluit Molly maar eens haar kijkers de rug toe te draaien. Vol bewondering neemt ze de prachtige omgeving die al jaren achter haar ligt in zich op. Het riekt naar Italië. Ze snuift de warme zomerlucht op. Een mengeling van tomaat en scherpe kruiden, tijm, oregano en basilicum. In geen velden of wegen zijn de kruiden te zien. Maar wel te ruiken. Zo blijkt maar weer eens dat niet alleen geuren maar ook zichten soms vertroebelen. Wat je ruikt is lang niet altijd wat je ziet en vice versa.
Zintuiglijke misleiding dat is het, daar is hier sprake van. Dat geldt dus ook voor de aanblik die Molly neemt van haar omgeving. Voor het eerst ziet ze, ruikt ze en voelt ze wat er al die jaren achter haar rug verscholen lag. Een landschap van mogelijkheden. Had ze dat maar eerder geweten en beseft. Het had haar vast troost geboden en rust. De aanschouwing van de rivier, de bergen, het water, de brug. Glorend onder de Italiaanse zon. Een zon ruikend naar citroen. Althans tussen de oren van Molly.
Enfin, de eerste stap is gezet. Molly heeft zich losgemaakt van haar omgeving. Een omgeving die vanuit haar positie nauw en klein omkaderd was. Met grote stappen verkent ze het nieuwe landschap. Ze stapt voor het eerst het leven in. Onder haar voeten voelt ze bodem, aarde. En dat voelt goed. Ze was het zweven al langer beu. Zweven in emotie daar was ze altijd goed in. De kijker in verwarring brengen. Nu heeft ze nog maar slechts een doel. En dat is genieten. Met volle teugen. Van de rivier, de bergen, het water en de brug.
Ach, als ze toch eens op die brug kon staan. Daar aan de einder. En dan vanuit de verte terugkijken, naar het gezichtspunt dat jarenlang bevroren stond en naar de andere kant keek. Het gezichtspunt dat niet terug maar vooruit keek. Verwachtingsvol en mysterieus. Wat zou dat mooi zijn. Vanuit het achterveld, zonder schalkse blik, de kijkers begluren. Een omgekeerde wereld. De bekekene die de kijkers spot. Ze zouden op zoek gaan naar haar, dat weet Molly zeker. Maar ze zouden haar niet zien. Daar op die brug, eeuwig glimlachend. Van alles had de kijker zich al die jaren voorgesteld bij haar glimlach. Dat had Molly al jarenlang gespot in de ogen van de kijkers. Ja zelfs een beetje geroken. Haast bespottelijk. Heel vervelend ook. Het enige voordeel was dat ze daardoor gedachten leerde lezen. Hoewel lezen, de kijkers gaven eigenlijk open boek.
Molly beseft maar amper welke vrijheid ze tegemoet treedt. Als een jonge hinde huppelt ze door het zonnige landschap richting brug. Het hoge gras kriebelt aan haar blote voeten en benen. Het is niet ver meer als plotseling haar oog valt op een bijzonder tafereel. Ze treft midden in het veld een stilleven aan dat haar hart doet stokken in de keel. Op een pas gemaaid veld zit op een kleurrijk geruite deken een zigeunerin, schrijlings met haar benen, geleund tegen een boom. In haar donkere ogen glijdt heel langzaam een traan naar beneden. Wat is ze mooi. Ze is van een alles verpletterende klassieke schoonheid. Alles klopt in haar gezicht. De donkere haren, de gebruinde tint, de roze volle lippen en haar ogen om in te verdrinken. Maar een ding klopt er niet. De omlijsting van het tafereel past niet in het kader en plan dat Molly voor ogen had. De brug aan de einder heeft Molly daarna nooit gehaald. In het zigeunerinnetje vond ze de herkenning waarnaar ze jaren op zoek was. Het zusje dat ze altijd al had willen hebben. Het zusje dat ze zelf had willen zijn. Het raakt haar diep.
Het beeld, het stilleven zal voor altijd op Molly’s netvlies blijven staan. De zigeunerin in het open veld met het oog vol traan. Ooit, ooit, zal ze de brug bereiken die achter haar ligt. De brug die prikt, duwt, priemt en lonkt. Je ziet het aan Molly’s ogen. Maar vooral aan haar glimlach. Een glimlach verborgen opgehangen in een Italiaans berglandschap, hangend aan een spijker en een touw, ingekaderd vooralsnog, ergens in Parijs. Veelzeggend niets.
Haar donkere ogen glijden langs het zachte doek naar buiten en verkennen het gezichtsveld en de omgeving. Voorzichtig want ze wil niet betrapt worden. Betrapt op emotie. Dat gunt ze de kijker niet. Dat ze bekeken wordt dat mag duidelijk zijn. Soms vallen de mensen, en met name die van het mannelijk geslacht, bijna in katzwijm voor haar voeten neer. Haar moeder heeft het al op jonge leeftijd over haar heen geroepen. “Ze zullen je aanbidden, Molly. Let op mijn woorden.” Ach, niets is de mens vreemd, dat beseft Molly maar al te goed. Het is kijken en bekeken worden.
Voor de verandering besluit Molly maar eens haar kijkers de rug toe te draaien. Vol bewondering neemt ze de prachtige omgeving die al jaren achter haar ligt in zich op. Het riekt naar Italië. Ze snuift de warme zomerlucht op. Een mengeling van tomaat en scherpe kruiden, tijm, oregano en basilicum. In geen velden of wegen zijn de kruiden te zien. Maar wel te ruiken. Zo blijkt maar weer eens dat niet alleen geuren maar ook zichten soms vertroebelen. Wat je ruikt is lang niet altijd wat je ziet en vice versa.
Zintuiglijke misleiding dat is het, daar is hier sprake van. Dat geldt dus ook voor de aanblik die Molly neemt van haar omgeving. Voor het eerst ziet ze, ruikt ze en voelt ze wat er al die jaren achter haar rug verscholen lag. Een landschap van mogelijkheden. Had ze dat maar eerder geweten en beseft. Het had haar vast troost geboden en rust. De aanschouwing van de rivier, de bergen, het water, de brug. Glorend onder de Italiaanse zon. Een zon ruikend naar citroen. Althans tussen de oren van Molly.
Enfin, de eerste stap is gezet. Molly heeft zich losgemaakt van haar omgeving. Een omgeving die vanuit haar positie nauw en klein omkaderd was. Met grote stappen verkent ze het nieuwe landschap. Ze stapt voor het eerst het leven in. Onder haar voeten voelt ze bodem, aarde. En dat voelt goed. Ze was het zweven al langer beu. Zweven in emotie daar was ze altijd goed in. De kijker in verwarring brengen. Nu heeft ze nog maar slechts een doel. En dat is genieten. Met volle teugen. Van de rivier, de bergen, het water en de brug.
Ach, als ze toch eens op die brug kon staan. Daar aan de einder. En dan vanuit de verte terugkijken, naar het gezichtspunt dat jarenlang bevroren stond en naar de andere kant keek. Het gezichtspunt dat niet terug maar vooruit keek. Verwachtingsvol en mysterieus. Wat zou dat mooi zijn. Vanuit het achterveld, zonder schalkse blik, de kijkers begluren. Een omgekeerde wereld. De bekekene die de kijkers spot. Ze zouden op zoek gaan naar haar, dat weet Molly zeker. Maar ze zouden haar niet zien. Daar op die brug, eeuwig glimlachend. Van alles had de kijker zich al die jaren voorgesteld bij haar glimlach. Dat had Molly al jarenlang gespot in de ogen van de kijkers. Ja zelfs een beetje geroken. Haast bespottelijk. Heel vervelend ook. Het enige voordeel was dat ze daardoor gedachten leerde lezen. Hoewel lezen, de kijkers gaven eigenlijk open boek.
Molly beseft maar amper welke vrijheid ze tegemoet treedt. Als een jonge hinde huppelt ze door het zonnige landschap richting brug. Het hoge gras kriebelt aan haar blote voeten en benen. Het is niet ver meer als plotseling haar oog valt op een bijzonder tafereel. Ze treft midden in het veld een stilleven aan dat haar hart doet stokken in de keel. Op een pas gemaaid veld zit op een kleurrijk geruite deken een zigeunerin, schrijlings met haar benen, geleund tegen een boom. In haar donkere ogen glijdt heel langzaam een traan naar beneden. Wat is ze mooi. Ze is van een alles verpletterende klassieke schoonheid. Alles klopt in haar gezicht. De donkere haren, de gebruinde tint, de roze volle lippen en haar ogen om in te verdrinken. Maar een ding klopt er niet. De omlijsting van het tafereel past niet in het kader en plan dat Molly voor ogen had. De brug aan de einder heeft Molly daarna nooit gehaald. In het zigeunerinnetje vond ze de herkenning waarnaar ze jaren op zoek was. Het zusje dat ze altijd al had willen hebben. Het zusje dat ze zelf had willen zijn. Het raakt haar diep.
Het beeld, het stilleven zal voor altijd op Molly’s netvlies blijven staan. De zigeunerin in het open veld met het oog vol traan. Ooit, ooit, zal ze de brug bereiken die achter haar ligt. De brug die prikt, duwt, priemt en lonkt. Je ziet het aan Molly’s ogen. Maar vooral aan haar glimlach. Een glimlach verborgen opgehangen in een Italiaans berglandschap, hangend aan een spijker en een touw, ingekaderd vooralsnog, ergens in Parijs. Veelzeggend niets.
Abonneren op:
Posts (Atom)