Posts tonen met het label auteur. Alle posts tonen
Posts tonen met het label auteur. Alle posts tonen

29-03-2017

Het kleine geluk van klikoman Piet Metselaar

De man was rond de veertig. Dat vond hij bezwaarlijk, niet zozeer vanwege de voortschrijdende jaren, dan wel vanwege het feit dat hij niets noemenswaardigs bereikt had. Hij wierp een blik in de spiegel. Zijn evenbeeld beviel hem evenmin. Hij zag een slap pafferig gezicht, met loensende bruine ogen. De dunne haren waren grijzend. Als die van een grijze iele muis. Hij wilde verschil maken. Om het even hoe. Kon hij maar zingen, of schilderen of desnoods goed koken. Helaas, hij kon niets van dit alles. Hij was vuilnisman. Meer niet. Vijf dagen per week kliko’s legen. Het was om te huilen. Maar nu had hij een man gezien op televisie.

Don Stone Hilton, heette de man. Hij werd geïnterviewd bij De Wereld Draait Door. Een beroemde schrijver. Normaal keek Piet Metselaar nooit naar De Wereld Draait Door, maar nu was hij getipt door zijn beste maat Ties Dorus. Die volgde sinds kort een cursus ‘Schrijven voor beginners’. Ties was daar helemaal lyrisch van geworden en had Piet getipt.
“Kijk vanavond naar De Wereld Draait Door, daar worden beroemde schrijvers besproken. Adriaan van Dis interviewt Don Stone Hilton.”
Piet was bijna gestikt in zijn boterham met leverworst. Don, Dis, De Wereld Draait Door? Waar ging dit over? Was Ties nu helemaal doorgedraaid? Zijn held? Waar hij het klikolegen van had geleerd? Nee!

Hij moest en zou een plekje vinden in dat publiek. Deze man wilde hij zien, voelen, snuiven, indrinken. Alsof hij zodoende Don’s talent en skills kon absorberen. Een telefoontje naar de redactie bleek voldoende. Dus toog hij, gehuld in het enige knappe pak dat hij rijk was, naar de studio. Hij was best nerveus. Piet Metselaar, de klikoleger, zou zijn idool Don Stone Hilton van nabij aanschouwen.
Iets verderop zat een man. Luid schaterend vertelde hij zijn toehoorders over zijn vak. Jawel, een vak. Okkie Durham was namelijk meesterinbreker, en dat was een vak.

“Ik heb zijn laatste manuscript gestolen”, liet Okkie het publiek weten. “Alleen weet hij het nog niet. Hij gaat het straks bespreken met Matthijs. Dat wordt lachen. Let maar op!”
Met een grote glimlach trok hij een pak papieren uit zijn zwartleren tas die naast hem stond en zwaaide ermee boven het hoofd. Een echte boeventas. Piet had met zijn scherpe metselaarsoog gezien dat er nog andere zaken in de boeventas zaten. Daar schrok ie toch wel even van. Was het …? Nee.
Snel drukte Piet zijn gedachte weg. Het publiek reageerde verbaasd en enthousiast. Het laatste manuscript van de beroemde schrijver Don Stone Hilton? Dat kon niet waar zijn.
“Staat er een titel op?”, schreeuwde iemand uit het publiek.
“Jazeker”, riep Okkie, “The last journey of Phaedrus. En ja het is een vervolg.”
Kreten van verwondering klonken door de ruimte. Daarna grote stilte.

Piet stond op. Zijn knieën bibberden, waardoor zijn benen op trekdroppen leken. De meesterboef zag hem staan en trok een wenkbrauw op.
“Had je wat?” Vroeg hij, met een spottende twinkeling in zijn ogen.
Een moment lang zag Piet zichzelf door Okkie’s ogen. Een onbeduidend mannetje, in tweedehands pak, gevonden tussen de vuilnis, met een vaal gezicht en zielig postuur.
“U kunt dat niet maken,” stotterde hij toch moedig.
De boef grinnikte.
“Hoezo kan ik dat niet? Het is maar een grapje.”

Wat een flauwe grap, dacht Piet. Hij wist niet goed raad met de situatie. Een situatie die hij zelf had gecreëerd. Hij was immers opgestaan en had gereageerd op Okkie. Nu kende hij op zijn werk ook wel wat boeven, witteboordcriminelen noemde hij ze, maar dit soort boef had Piet nog niet eerder ontmoet. En hij wist, of vermoedde wat Okkie in zijn zwartleren tas had zitten. Als dat waar was? Beter zou hij verder niet reageren en ging weer zitten.

Maar dat vond boefmans niet oké. Die bukte zich naar de tas, borg het manuscript erin op en trok vervolgens een vreemd apparaat uit zijn tas. Wat was dat nu voor een vreemd ding?
Angstkreten klonken door de ruimte en het publiek baande zich hals over kop een weg richting uitgang. Complete chaos. Stoelen vielen om.

In een spontane reactie was Piet weer rechtop gaan staan.
Daar stonden de twee, tegenover elkaar. Als twee cowboys in een Western. Okkie met het vreemde ding in zijn hand en Piet met lege handen.

Dit was zijn kans. Het moment om te ontstijgen aan het laffe, onbeholpen kereltje dat hij altijd was geweest.

Okkie knikte waarderend.
“Dus jij blijft staan,” zei hij, klakkend met zijn tong, “ben je dan niet bang?”

Piet wilde ontkennend antwoorden, maar de waarheid was dat hij te bang was geweest om een stap te verzetten. Sommige mensen handelen bij een crisissituatie, anderen bevriezen. Hij behoorde tot de laatste groep. Toch wilde hij zich niet laten kennen tegenover die enge meesterboef en dus lachte hij als een boer met kiespijn.

“Ik ben niet bang. Schiet maar.”
Okkie lachte. Het was een kakelende onaangename lach, die hem de rillingen op het lijf bezorgde.

“Schieten? Man waar heb je het over?” Stootte de inbreker uit.

“Nou, met dat ding, dat is toch om mee te schieten?”
Okkie kwam niet meer bij van de lach.
“Schieten? Schieten? Met een typemachine?”

Verhip, nu zag Piet het ook. Hij had de rare metalen returnhengel aan het vreemde apparaat aangezien voor de loop van een geweer. Dom, dom, dom. Hij had zich ook al afgevraagd hoe je met zo’n lomp ding kan schieten.
Maar waarom was het publiek dan weggerend? Door de situatie natuurlijk? Een dreigende situatie met een maffe boef. De typemachine werd natuurlijk aangezien voor een bom. Bom? Bom? Zou de typemachine een …? Nee!

“Is het een soort bom?” Liet Piet zich ongewild ontvallen.
Okkie keek hem scherp aan.
“Zeg, wat denk jij nou? Ik ben een INBREKER, ja? Ik houd niet van geweld. Nog NOOIT heb ik iemand bedreigd of van het leven beroofd. Hoor je me?”
Hij kwatte op de grond en keek Piet weer fel aan.
“Mijn vak is KUNST man. KUNST. Alleen al het juist kleden voor een kraak is kunst te noemen. Dan de route te plannen, het jezelf klein en onzichtbaar maken. Dat vereist kennis en souplesse.”
Zijn stem stierf weg. Hij nam Piet van boven tot onder in zich op.
“Jij zou het kunnen, weet je,” sprak hij toen nadenkend, “je bent tenslotte onopvallend genoeg.”
Piet zette grote ogen op.
“Wie? Ik?”

“En nou is het genoeg geweest Marc-Marie, zit je nu weer de show te stangen? Niet leuk!”

Daar stond ineens midden in de arena die De Wereld Draai Door heet, gouden leeuw Matthijs. Hij schudde driftig met zijn nepmanen.

“Vandaag is Dis aan de beurt, dat weet je toch? We hebben vandaag Don Stone Hilton op bezoek. Morgen mag jij weer de tafelheer zijn. Dus berg die typemachine nu maar weer op. Je maakt het publiek én de gasten alleen maar bang. Niet doen Marc-Marie, mislukte clown. Ga zitten.”

Piet Metselaar wist niet meer hoe die het had. Morgen stond hij weer gewoon kliko’s te legen, maar nu, nu was hij deel van een geheel andere show. Een liveshow. Wat een fanfare. Hij zou het zijn leven lang niet meer vergeten. Met dank aan zijn beste maat Ties Dorus en Okkie Durham (alias Marc Marie Huidenhuigrechts).
En dan moest Don Stone Hilton nog optreden, Piet’s favoriete schrijver. Piet’s geluk zou nooit meer opgaan. Zo zie je maar. Zelfs het geluk van een schlemiel van rond de veertig had zo zijn mooie kanten. Hoe bizar!

Co-column geschreven door NicoleS en Mien

24-03-2017

Liefdeswoede

Woedend is ze. Sandra uit IJsselstein. En terecht. Komt er een gerenommeerd auteur zijn liefde voor literatuur bij haar op school door haar strot drukken en die van haar klasgenoten; wordt ze door hem eerst te kakken gezet om daarna hetzelfde te doen met haar favoriete band Broederliefde, om vervolgens haar en de band op een voetstuk te plaatsen, een podium dat ze als ontluikende puber helemaal niet wil. Wat denkt die koekenbakker wel, of niet? Maar hij heeft wel schattige pretoogjes en een lief baardje. Hij spreekt heel zorgvuldig Nederlands, haast accentloos. Het Brabants plakt nog wel een beetje in zijn keel en ze ziet hoe hij zijn best doet omdat vooral niet te verbloemen. Knappe gast.

De auteur vraagt aan de klas of iemand bekend is met broederliefde. De hele klas steekt zowat de vinger op. De auteur schrikt ervan. Hebben ze dan allemaal een broertje. Zelf heeft de auteur een broertje dood aan zijn eigen broer. Maar allez, is het Germaanse spreekwoord niet 'Was sich neckt, das liebt sich'?

Sandra kijkt nog steeds boos naar de auteur die erg zijn best doet om zijn vak te verkopen. Maar de auteur heeft niet in de gaten dat hij ook wat anders verkoopt met zijn uitstraling. Hij kijkt Sandra niet meer aan. En Sandra baalt. Haar onderbuikgevoelens worden op deze manier niet beantwoord. En dat terwijl hij haar eerst op een podium plaatste, met haar zelf verzonnen woord liefdeswoede. Ja, nu is ze echt boos. Woedend.

Toelichting:
Geschreven naar aanleiding van een idee van Hella Kuipers.
Zie ook: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Schrijfveer: Liefdeswoede (05-02-2017)

15-01-2017

Niet ontmoeten en verstaan

Nieuw. Post, gevolgd door permalink. Koud. Steenkoud. Meteen in de prullenbak of inzenden voor beoordeling? Ik kies voor direct optekenen, zonder verpozing. Menu gladstrijken, invouwen. Vreemde tekens opslaan als concept. Geen selectie op dt noch op witregels. Voorlopige stadia die in toekomst wellicht zichtbaar worden. Voor wie? Hoe lang? Waarom? Voor iedereen, totdat internet ophoudt, gewoon omdat het kan.

Maar permalink baart zorgen. Gehackt door boze geesten uit de onderwereld. Blauwe, zwarte, bruine, in alle schakeringen, in diverse categoriën meest gebruikt. Permalink bevriest voor mijn ogen in een toendra van kapitale letters, schots en scheef. Een Barentszee vol dikke inkt draagt droeve schrijvers van weleer. Ze spartelen spartaans, Bacon en Byron, Reve en Ribault, Dylan en Demeter, Nabakov, Neruda, in lettervermicellisoep.

Datagedichten, samengebald in kleine enen en nullen leiden tot een vierde macht en schieten wortel in drijfzand. Oorlog is het nog lang niet. Het is maart 2017. Stemhokken worden aangekleed met kruiswoordpuzzels en cryptogrammen. Niemand loopt nog door. Dit jaar stem ik Zweeds, op Sudoko. Ik oefen thuis alvast met een rode pen. Dat is een stok gevuld met inkt die in de punt taps toeloopt. Belangrijk is een goede doorstroming. Blijven schrijven is de kunst.

De bel gaat. Shit. Geen zin in deur. Laat staan in mens. Dieren bellen nooit aan. Ze vliegen gewoon binnen. Bij de beesten af. Ik kijk door het kleine zeemansgat in de deur. Guido. Nee, niet Guido. Hij heeft nog iemand bij zich. Wie is zijn gezelle? Het is een vrouw. Connie? Kannie. Die reist niet meer. Ze dragen beiden een boek. Nee, geen boeken vandaag. Geen zin in. Ik loop terug de kamer in. Daar wordt op de deur geklopt. Hard geklopt, zacht geklopt. Ik kruip over de vloer door de gang naar de woonkamer en verstop me achter de bank. Ik voel ze gluren. Guido en Connie, door het raam. Ze mogen me niet zien. Of hebben ze dat al?

Ach, what the fuck. Och, wat een geneuk. Ze zijn allang weg en ik loop naar de schrijftafel. Vol inspiratie. Tien kilo inspiratie stort ik uit op tafel. De pen voelt zwaar, log en groot. Ik leg het uiteinde denkbeeldig op mijn schouder en omarm zijn middel, druk de punt op het witte vel dat voor me ligt. Ik schrijf alsof mijn leven ervanaf hangt. Luchtletters stollen op het papier. Eerst maar eens een titel verzinnen. Het halve werk. Een niet-ontmoeting met Palmen en Gezelle.