Twee vrienden zitten op een hoge tribune van stadion ‘Largos de Parasol’. Een stadion tijdelijk gebouwd ter gelegenheid van de Olympische Spelen 2016 te Rio de Janeiro. Gelegen aan het halve-maan-vormige strand, in de wijk ‘Prinsesje van de Zee’. Ze zitten de eerste week te evalueren van het vierjaarlijkse sportfeest, dat zo ongeveer een kwart van de wereldbevolking, verdeeld over diverse tijdzones, bij tijd en wijle, aan verschillende beeldtoestellen gekluisterd houdt.
Tiet Chritulaer is van de techniek en Hoon Termans van de poëzie. Beiden disciplines zijn onontbeerlijk voor goede prestaties in de sport. Daar gaat hun discussie over. Discussiëren vinden Tiet en Hoon zo ongeveer het mooiste dat er is. Zeker onder het genot van choco-copacabana-melk en brandbier. Literaire- en technodorst moeten immers gelest, en niet alleen met woorden. Bovendien zijn beiden mannen gewaarschuwd. Op hun leeftijd dient er veel gedronken te worden.
Zonder fiets vaart niemand wel.
Qua techniek is deze stelling best vol te houden, maar met poëzie heeft het weinig van doen. De eerste fietsenstelling is daarmee meteen omver geworpen. Een – nul voor techneut Tiet.
Voornaam in voornaam zegt niets over vooraan.
Qua poëzie is deze stelling ook best vol te houden, maar met techniek heeft het idem dito weinig van doen. De tweede fietsenstelling is daarmee tevens omver geworpen. Stand, op stand, gelijk getrokken dus. Een – een.
Tot zover de gedachtespinsels van twee Limbo’s op zijn Rio’s. Nu hun uitspraken, samengevat in dialoogvorm. Waarbij ik vermeld dat dia’s nooit liegen, maar dat ter zijde. U mag zelf kant kiezen. De dialoogvorm is in een taal (Klukkluks) die allang niet meer in de Amazone gebezigd wordt. Edoch, het is geen indianenverhaal.
Tiet: Neem nu Vanessa Ferrari. Huppelt van de pindakazerige op de houten balk. Floepes floepes mis! Dat meisje niet geschikt voor het wiebele wagenleven.
Hoon: Even denken met de hoofd en dan van de domme houden, het is toch van de gekke! Ik mis haar coach en kleine gedichtjes tussen de voeten.
Tiet: ‘Ja, ja, gossie possie ze vergeten de mij, klap toe de malle mond’. Dat zei ie achteraf. De Italiaanse joker.
Hoon: Mij zijn van de geldloze, en toch kostelijk geamuseerd, haastige spoed, zere voet. Eigen schuld, dikke bult.
Tiet: Mij zijn van de snelle! Ik hou niet van die lastpost meneertjes. Hij had geeneens een trompet die coach. Dan niet blazen hé.
Hoon: Zeepersonen zijn het die Italianen, geen denkhoofden, zoutzeemannen. Verdwaald op de balk.
Tiet: Het leven is van de opschrikbarende. Vanessa Ferrari nog een keer terug op die balk. Niet goed. Weer gevallen.
Hoon: Zijn de koffie al van de bruine, ik heb last van bierbrand. Effe blussen hoor, met mooie woorden.
Tiet: Kijk nou Hoon, driedubbel overgehaalde hamerhaaien zwemmen in zee. Daar, kijk, daar!
Hoon: Ach Tiet, allemaal kermistroep, het is alleen zeer van de akelige voor wie in het water ligt.
Tiet: Mij zijn niet van de bange, mij zijn alleen van de voorzichtige.
Hoon: Een boterham met pindakaas en hagelslag dat vinden mij lekker bij de koffie.
Tiet: Jij zijn van de hebberige.
Hoon: En jij van de aangelaatse! Duizend zeekakkelobessen in een haring ton!
Tiet: Wel vriendelijk blijven Hoon, het zijn maar de Olympische Spelen.
Hoon: En toch zijn gedichtjes en schietgebedjes van het belangrijkst en gewichtheftigs.
Tiet: Nee, nee, de fysiek naast de techniek. Mij hebben een lastige tril-spier in mijn schiet-arm. Daardoor maken de pijlens altijd zo’n rare baan! Mij zijn een flop!
Voordat de discussie uit de hand loopt stopt het hier. De zon schijnt intussen zo hard dat langer op de tribune zitten ondraaglijk wordt. Hoon en Tiet verkassen naar de kroeg. Hoon zet in op mooie namen. Dat is wat de sport zo mooi maakt. Verbintenis in woorden en daden, liefst op oude voetbalschoenen, want wie is nu hier het gekst?
Hoon staat op. Brengt een aubade aan de poëzie der sportnamen. Een ABC van Olympische deelnemers, gekozen uit landen die beginnen met een A, B of C. Jawel alfabetisch gerangschikt op land. Gelieve hardop uit te spreken.
Andranik Karapetyan – Philipine van Aanholt – Michelle Jenneke – Teymur Mammadov – Demetrius Pinder – Edidiong Ofonime Odiong – Mohd Siddikur – Tia-Adana Belle – Loïck Luypaert – Renick James – Yémi Apithy – Flora Duffy – Lenchu Kunzang – Óscar Soliz – Amel Tuka – Nijel Amos – Nenê – Eldred Henry – Jaspar Yu Woon Chai – Ivet Lalova – Hugues Fabrice Zango – Elsie Uwamahoro – Sovijja Pou – Kirsten Sweetland – David Boui – Matias del Solar – Ma Long – Chia-Chia Chuang – Jarlinson Pantano – Soule Soilihi Athoumane – Deo Gracia Ngokaba – Teau Moana McKenzie – Marie Meza – Leuris Pupo – Apóstolos Paréllis
En tot slot, naar willekeur van land, een aantal favorieten van Tiet:
Sergio Llull – Mohammad Tawfiq Bakhshi – Luiza Gega – Abdelhafid Benchabla – Eddie Lovett – Jordan Mageo – Pol Moya – Pedro Pinotes – Daniel Bailey – Juan Martin del Potro – Alja Moestafina – Eytora Thorsdottir – Daria Spiridonova – Ellie Downie – Tabea Alt – Yuki Uchiyama – Oleh Vernyayev – Eleftherios Petrounias – Francisco Barreto Junior – Yoo Won-chul – Ma Long – Chad le Clos – Callum Skinner – Islam El Shehaby
What’s in the name!
Posts tonen met het label stilleven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label stilleven. Alle posts tonen
12-08-2016
02-06-2016
Stilleven (13): Borduurwerk
Borduurwerken ik heb er grote bewondering voor. Altijd al gehad. Het zigeunerinnetje, het melkmeisje, het jongetje met de traan, n'importe quoi. Noeste arbeid borduurwerk. Het ligt ook in de naam opgesloten. Bord uur werk. Eigenlijk zou het bordurenwerk moeten heten, uren werken op een bord. Met een beetje visueel vermogen, is van iedere ondergrond een bord te maken, beeldend beeldig werk. Grote kunst. Uren en uren bezig zijn met het vullen en rijgen van puntjes, lijntjes en vlakjes. Geduld op de proef gesteld. Behalve bij mensen die alle tijd hebben. Hoewel? Zelfs tijd biedt geen garantie voor geduld. Je kunt ook heel lang ongeduldig zijn. Dan is borduurwerk niet aan je besteed. Het is ook heel aards, borduren. Ik heb nog nooit zwevende borduurders gezien. Zelfs niet als deze de draad lang doorhalen. Meestal gebeurt het borduren zittend. Borduurders maken veel zituren, geen vlieguren, want dan gaat het mis.
Goede ogen, dunne vingers, geduld, zit- en uithoudingsvermogen, vasthoudendheid, doorzettingsvermogen, vlijt, het zijn lichaamsdelen en competenties waarover succesvolle borduurders moeten bezitten. Succesvol? Ja, succesvol, zeker indien er prestaties verwacht worden. In de meeste gevallen is dat zo. ‘Ik borduur nog tot vanavond en dan ga ik naar bed’, of ‘Ik borduur het blauw nog af’, zijn veel gebezigde termen die tijdens borduursessies te horen zijn. Het is en blijft een ambacht dat vasthoudendheid en doorzettingsvermogen vraagt. Maar om het naar kunst te tillen, dat is een heel ander verhaal. Borduurkunst. De kunst zit hem in de omdraaiing, beter gezegd omkering. Letterlijk en figuurlijk. Ook al zo Zen, aarden en omkeren. Het vraagt veel van een borduurder. Het resultaat mag er uiteindelijk zijn. Zodra een borduursel zijn voltooiing vindt, de punten, lijnen en vakken op de juiste manier zijn ingekleurd, het ‘schilderij’ af is, alle stukjes van de puzzel in elkaar vallen, dan keert de rust terug in het lijf van de borduurder. Hij of zij komt dan in een kleine extase, te zien aan een brede glimlach rond de mond. Eindelijk mag de kurk van de fles. Lijstje eromheen of de vorm vullen met veertjes of dons, het lijstje inpakken in kleurrijk cadeaupapier, of ophangen aan de muur, of de vorm neerleggen op de bank of in de stoel. Grote voldoening sowieso.
En deze gave, die zo ogenschijnlijk eenvoudig nietig overkomt en resulteert in kleurrijke landschappen, stillevens, voorstellingen, portretten, die mag, die moet gezien worden. En niet alleen in de huiskamer. Het ambacht schreeuwt om erkenning en exposure. De exponenten van deze vorm van kunst mogen niet alleen maar toebedeeld en voorbehouden zijn aan familie, vrienden en vage kennissen. Niet verstopt op toiletten, slaapkamers en zolders, verdwijnen in containers, verpieteren bij kringloopwinkels. Nee, deze vorm van kunst die moet getoond aan iedereen, shinen aan museummuren, erkenning krijgen. Niets mooiers dan bloed, zweet en tranen, gevlochten met een draad. Alle draden tezamen vertellen verhalen, roddels over voor- en tegenspoed, over geluk, pijn, eenzaamheid en verdriet. De tijd van alle tijden geregen op een bord. Wat wil een mens nog meer?
Het zoeken kan beginnen.
‘Ja, doe die ook maar. Wat? Nee, doe ze maar allemaal. Inpakken? Hoeft niet. Doei!’
Tien jaar later heeft hij drie loodsen vol. Zijn werk kan beginnen. De grond ligt bezaaid met doek. Meer dan duizend werken. Gesorteerd op dradig alfabet, maakt hij keuzes in klank en kleur. De juiste toets de juiste toon het juiste palet. Alles komt bij elkaar. Van blijdschap rolt hij door zijn atelier. Hier gaat het om.
‘Draai ze nu eens allemaal om. Wauw, die abstractie, de vervaging, de expressie die impressie kust, de orde versus wanorde, geniaal. Kijk de stukken gaan allemaal iets met elkaar aan. De variaties op een thema. De aanpak. De discipline. Ieder borduursel vertelt zijn eigen verhaal. Aan de achterkant, geweldig! Niets meer aan doen. De achterkant van het gelijk! Jeder ist ein Künstler. De show kan beginnen.
Geschreven naar aanleiding van de Embroidery Show van Rob Scholte in Museum de Fundatie
Klik hier voor een link naar mijn blog op de website www.robscholtemuseum.nl.
Goede ogen, dunne vingers, geduld, zit- en uithoudingsvermogen, vasthoudendheid, doorzettingsvermogen, vlijt, het zijn lichaamsdelen en competenties waarover succesvolle borduurders moeten bezitten. Succesvol? Ja, succesvol, zeker indien er prestaties verwacht worden. In de meeste gevallen is dat zo. ‘Ik borduur nog tot vanavond en dan ga ik naar bed’, of ‘Ik borduur het blauw nog af’, zijn veel gebezigde termen die tijdens borduursessies te horen zijn. Het is en blijft een ambacht dat vasthoudendheid en doorzettingsvermogen vraagt. Maar om het naar kunst te tillen, dat is een heel ander verhaal. Borduurkunst. De kunst zit hem in de omdraaiing, beter gezegd omkering. Letterlijk en figuurlijk. Ook al zo Zen, aarden en omkeren. Het vraagt veel van een borduurder. Het resultaat mag er uiteindelijk zijn. Zodra een borduursel zijn voltooiing vindt, de punten, lijnen en vakken op de juiste manier zijn ingekleurd, het ‘schilderij’ af is, alle stukjes van de puzzel in elkaar vallen, dan keert de rust terug in het lijf van de borduurder. Hij of zij komt dan in een kleine extase, te zien aan een brede glimlach rond de mond. Eindelijk mag de kurk van de fles. Lijstje eromheen of de vorm vullen met veertjes of dons, het lijstje inpakken in kleurrijk cadeaupapier, of ophangen aan de muur, of de vorm neerleggen op de bank of in de stoel. Grote voldoening sowieso.
En deze gave, die zo ogenschijnlijk eenvoudig nietig overkomt en resulteert in kleurrijke landschappen, stillevens, voorstellingen, portretten, die mag, die moet gezien worden. En niet alleen in de huiskamer. Het ambacht schreeuwt om erkenning en exposure. De exponenten van deze vorm van kunst mogen niet alleen maar toebedeeld en voorbehouden zijn aan familie, vrienden en vage kennissen. Niet verstopt op toiletten, slaapkamers en zolders, verdwijnen in containers, verpieteren bij kringloopwinkels. Nee, deze vorm van kunst die moet getoond aan iedereen, shinen aan museummuren, erkenning krijgen. Niets mooiers dan bloed, zweet en tranen, gevlochten met een draad. Alle draden tezamen vertellen verhalen, roddels over voor- en tegenspoed, over geluk, pijn, eenzaamheid en verdriet. De tijd van alle tijden geregen op een bord. Wat wil een mens nog meer?
Het zoeken kan beginnen.
‘Ja, doe die ook maar. Wat? Nee, doe ze maar allemaal. Inpakken? Hoeft niet. Doei!’
Tien jaar later heeft hij drie loodsen vol. Zijn werk kan beginnen. De grond ligt bezaaid met doek. Meer dan duizend werken. Gesorteerd op dradig alfabet, maakt hij keuzes in klank en kleur. De juiste toets de juiste toon het juiste palet. Alles komt bij elkaar. Van blijdschap rolt hij door zijn atelier. Hier gaat het om.
‘Draai ze nu eens allemaal om. Wauw, die abstractie, de vervaging, de expressie die impressie kust, de orde versus wanorde, geniaal. Kijk de stukken gaan allemaal iets met elkaar aan. De variaties op een thema. De aanpak. De discipline. Ieder borduursel vertelt zijn eigen verhaal. Aan de achterkant, geweldig! Niets meer aan doen. De achterkant van het gelijk! Jeder ist ein Künstler. De show kan beginnen.
Geschreven naar aanleiding van de Embroidery Show van Rob Scholte in Museum de Fundatie
Klik hier voor een link naar mijn blog op de website www.robscholtemuseum.nl.
21-09-2015
Stilleven (12): Gestold geschreeuw
Bevroren hangen de schreeuwen aan de muur. Niemand die meer luistert. Wat valt er nog te zeggen? De beelden spreken immers voor zich. Ze hangen naast elkaar. Voor het eerst. Zoekend naar verbinding. De kijker bepaalt. Het schouwen van angst dringt diep door. Wat er achter de verf ligt is tot voor kort microscopisch onderzocht. Maar angstzweet laat geen DNA achter. Sommige geheimen zijn niet te ontrafelen. Zelfs niet met een zesde zintuig. De techniek en de geschiedenis ook zij kennen hun beperking. De angst blijft bevroren op de muur. Het lokt grote bezoekersaantallen. Records zullen mogelijk breken. Maar de angst die blijft. In sombere kleuren.
Mijn oog gaat uit naar de bedden. Ook die hangen naast elkaar. Zou daar ook nog angstzweet uit te destilleren zijn? Wat moet er in gewoeld zijn. Onrust onder de lakens. Niet de slaap kunnen vatten. Het grote mysterie laat zich niet vangen op doek. Hoe hard er ook gewerkt wordt. Tot het depressieve toe. Want als hard werken geen vruchten oplevert verzuurt de inspiratie. En heel veel zuur kunnen de hersens niet verdragen. Hersens op sterk water geven geen lucht. De natuur opzoeken en verfluchten vastleggen op canvas is een nobel streven. Maar wat als materie en materiaal niet doen wat hoofd en handen willen vastleggen? Uit woede worden ezels onderuit geschopt, wetend dat zij er ook niets aan kunnen doen. Het lucht heel even op.
Het liefst wil de schilder in het schilderij kruipen. In het bed dat zojuist geschilderd is. De natte olieverf snuiven en links en recht nog wat bij plamuren. Maar het kan niet, het mag niet. De verf is nog te nat, net als de angst. Pas als deze opdroogt is het goed. Dan kan het zout van het schilderij gesnoven worden. Suikerzoet hangen ze naast elkaar. De twee bedden. Als metaforen van stille arbeid. De bedden die de ruggen hebben gekend. Van vermoeide geesten.
Ik kijk nog even naar de vloer. Die is spijkervast en haarscherp in bruin gevangen. Noestig, knoestig vastgelegd. Snel en onbetaalbaar, haast onzichtbaar. Onbeweeglijk schilderbaar. De schilder in het schilderij veert op. Het is de vloer die schreeuwt en wakker houdt. Zweven kan niet meer.
Mijn oog gaat uit naar de bedden. Ook die hangen naast elkaar. Zou daar ook nog angstzweet uit te destilleren zijn? Wat moet er in gewoeld zijn. Onrust onder de lakens. Niet de slaap kunnen vatten. Het grote mysterie laat zich niet vangen op doek. Hoe hard er ook gewerkt wordt. Tot het depressieve toe. Want als hard werken geen vruchten oplevert verzuurt de inspiratie. En heel veel zuur kunnen de hersens niet verdragen. Hersens op sterk water geven geen lucht. De natuur opzoeken en verfluchten vastleggen op canvas is een nobel streven. Maar wat als materie en materiaal niet doen wat hoofd en handen willen vastleggen? Uit woede worden ezels onderuit geschopt, wetend dat zij er ook niets aan kunnen doen. Het lucht heel even op.
Het liefst wil de schilder in het schilderij kruipen. In het bed dat zojuist geschilderd is. De natte olieverf snuiven en links en recht nog wat bij plamuren. Maar het kan niet, het mag niet. De verf is nog te nat, net als de angst. Pas als deze opdroogt is het goed. Dan kan het zout van het schilderij gesnoven worden. Suikerzoet hangen ze naast elkaar. De twee bedden. Als metaforen van stille arbeid. De bedden die de ruggen hebben gekend. Van vermoeide geesten.
Ik kijk nog even naar de vloer. Die is spijkervast en haarscherp in bruin gevangen. Noestig, knoestig vastgelegd. Snel en onbetaalbaar, haast onzichtbaar. Onbeweeglijk schilderbaar. De schilder in het schilderij veert op. Het is de vloer die schreeuwt en wakker houdt. Zweven kan niet meer.
09-06-2015
Stilleven (11): Eeuwigheid in positie
Ik knip het schilderij aan stukken. In heel veel vierkant. Zuinig ben ik op de randjes. Die wijzen mij de weg. Het mag niet kloppen en hussel alle stukken door elkaar. Het roze verdrijft het blauw. Zoals een dame haar koning. Schaakmat hollen paarden over de vloer. Dat mag niet. Ze moeten stilstaan. Schuin voor de overgang.
Oorlog op het bord. Stilte aan tafel. Stukken aan kop nemen nieuw positie in. Gulden sneden doorklieven het vlees en kerven de ziel. Modellen komen tot leven, staan op uit de verf, als aimabele amandelbloesem, ooit gezien onder een warme zon ergens in het zoete Zuiden.
Perfect perforeer ik kleine ronde gaatjes in alle hoeken van de puzzelstukjes. Uitzonderlijk is de lichtval die door de gaten schijnt. Op de grond schuif ik de stukken op zijn plaats. In een nieuwe orde. Het mag niet kloppen. Grillig zoeken de amandeltakken elkaar op. Kronkelend scheef, omringd door roze blauw en groen, in hele kleine beetjes bruin.
Het schilderij tovert zichzelf weer in elkaar. Ik hecht de stukken in de hoeken opnieuw aaneen. Met kleine witte toverkruisjes. Ingenieus plastic uit een nieuwe tijd. Vierkant is het midden, rechthoekig de totale vorm, glanzend de inhoud. De afbeelding vlak gestreken, schittert in valse schijn. De verf is helaas al jaren haar diepgang kwijt.
De bank wordt aan de kant geschoven. Onbetaalbaar is de lege muur. Hoeveel kunstjes kan zij nog verdragen? Het is niet het moment om vragen te stellen. Zwijgzaam hecht ik strippen op de muur, haaks geraamd. Kromme stukjes amandeltak lachen me vierkant vanaf de grond toe. Nooit, nooit zullen zij nog water proeven.
Ik vat het totaalplaatje van de grond. Het wiebelt en waggelt en wil niet plooien. Horizontaal spreid ik mijn armen en hang het kersverse amandelskelet in positie aan de muur. Het klopt. Alles valt samen en ineen. De muur, de bank, de vloer, het licht. In roze, blauw, groen en bruin. Voor de eeuwigheid? Voor de eeuwigheid.
Bron: Amandelbloesem (van Gogh featuring IXXI)
Oorlog op het bord. Stilte aan tafel. Stukken aan kop nemen nieuw positie in. Gulden sneden doorklieven het vlees en kerven de ziel. Modellen komen tot leven, staan op uit de verf, als aimabele amandelbloesem, ooit gezien onder een warme zon ergens in het zoete Zuiden.
Perfect perforeer ik kleine ronde gaatjes in alle hoeken van de puzzelstukjes. Uitzonderlijk is de lichtval die door de gaten schijnt. Op de grond schuif ik de stukken op zijn plaats. In een nieuwe orde. Het mag niet kloppen. Grillig zoeken de amandeltakken elkaar op. Kronkelend scheef, omringd door roze blauw en groen, in hele kleine beetjes bruin.
Het schilderij tovert zichzelf weer in elkaar. Ik hecht de stukken in de hoeken opnieuw aaneen. Met kleine witte toverkruisjes. Ingenieus plastic uit een nieuwe tijd. Vierkant is het midden, rechthoekig de totale vorm, glanzend de inhoud. De afbeelding vlak gestreken, schittert in valse schijn. De verf is helaas al jaren haar diepgang kwijt.
De bank wordt aan de kant geschoven. Onbetaalbaar is de lege muur. Hoeveel kunstjes kan zij nog verdragen? Het is niet het moment om vragen te stellen. Zwijgzaam hecht ik strippen op de muur, haaks geraamd. Kromme stukjes amandeltak lachen me vierkant vanaf de grond toe. Nooit, nooit zullen zij nog water proeven.
Ik vat het totaalplaatje van de grond. Het wiebelt en waggelt en wil niet plooien. Horizontaal spreid ik mijn armen en hang het kersverse amandelskelet in positie aan de muur. Het klopt. Alles valt samen en ineen. De muur, de bank, de vloer, het licht. In roze, blauw, groen en bruin. Voor de eeuwigheid? Voor de eeuwigheid.
Bron: Amandelbloesem (van Gogh featuring IXXI)
23-04-2015
Stilleven (10): Open boek
Om het half jaar draai ik het halve boek dat aan de muur hangt om. Soms is het boek gesloten en soms open. Als het open is, dan altijd op pagina negenhonderd en een. Het beschrijft de klaproos en eindigt met klimop. Tussendoor heel kleinzielig nog wat kleinzoon. Het halve boek is moeilijk te lezen. Uitgesneden in het midden zijn de pagina's. Schimmig lonkt een gat. Een opberggat. Wat heeft er in het boek gelegen, dat niemand weten mag? Vergeeld is de pagina, aan alle drie de zijden van het boek. Dat geldt ook voor al zijn onderliggende volgers. Het is een oud boek, liggend op een grijze stoep. De titel is al lang gevlogen, onzichtbaar. Mijn fantasie vult de titel dan maar in. Wisselend op alle dagen van de week.
Het is dertig juni. Tijd om het halve boek weer eens om te draaien. Wat lonkt aan de linkerzijde van het boek is een donker zwart gat. Het boek lijkt in de stoep gevallen. Opgezogen door het gat. Een klein stuk gekantelde stoeptegel is nog zichtbaar aan de zijkant van het gat. Ik zie het goed. De grond onder de stoep is weggeslagen. Mosgroen zijn de omringende tegels. Ze omzomen een groot geheim. Zeker weten. Wat ik zie verward mij. Ik draai het halve boek vlug weer om. En kijk, daar springt het uit de stoep, uit het zwarte gat omhoog. Het blijft een groot mysterie. De wereld op zijn kop.
Ik splijt het beeld dat ik voor mij zie in twee. Rechts, een half boek opengesneden, vormt de ene helft. Mijn ogen vullen het boek automatisch aan met de andere helft. Het donkere gat in de stoep sluit qua vorm en formaat naadloos aan. De bovenrand van het gat links volgt de bovenzijde van het boek rechts. De onderrand van het gat links sluit aan op de binnenrand van de opengesneden pagina's rechts. Precies in het midden van het beeld, formaat A4 landscape, worden gat en boek gescheiden door een smalle stenen border. De klaproos en de klimop staan in Times Roman heel klein in de uithoeken van de bladzijde van het boek geprint. Net als kleinzielig en kleinzoon. Maar dan boven elkaar. Het boek dat open ligt, tuiniert. Dat mag duidelijk zijn.
Verhaal geschreven naar aanleiding van een fotowerk van Paul Bogaers
Het is dertig juni. Tijd om het halve boek weer eens om te draaien. Wat lonkt aan de linkerzijde van het boek is een donker zwart gat. Het boek lijkt in de stoep gevallen. Opgezogen door het gat. Een klein stuk gekantelde stoeptegel is nog zichtbaar aan de zijkant van het gat. Ik zie het goed. De grond onder de stoep is weggeslagen. Mosgroen zijn de omringende tegels. Ze omzomen een groot geheim. Zeker weten. Wat ik zie verward mij. Ik draai het halve boek vlug weer om. En kijk, daar springt het uit de stoep, uit het zwarte gat omhoog. Het blijft een groot mysterie. De wereld op zijn kop.
Ik splijt het beeld dat ik voor mij zie in twee. Rechts, een half boek opengesneden, vormt de ene helft. Mijn ogen vullen het boek automatisch aan met de andere helft. Het donkere gat in de stoep sluit qua vorm en formaat naadloos aan. De bovenrand van het gat links volgt de bovenzijde van het boek rechts. De onderrand van het gat links sluit aan op de binnenrand van de opengesneden pagina's rechts. Precies in het midden van het beeld, formaat A4 landscape, worden gat en boek gescheiden door een smalle stenen border. De klaproos en de klimop staan in Times Roman heel klein in de uithoeken van de bladzijde van het boek geprint. Net als kleinzielig en kleinzoon. Maar dan boven elkaar. Het boek dat open ligt, tuiniert. Dat mag duidelijk zijn.
Verhaal geschreven naar aanleiding van een fotowerk van Paul Bogaers
30-03-2015
Stilleven (9): Pablo, Venus en Amor
Amor strekt zijn roze linkerarm en linkerhand recht omhoog. De hand draagt een lange pijl met scherpe punt. Heel eventjes wankelt hij op zijn blauwe tenen, ze pletten plagerig het groene gras. Maar helaas, het reiken volstaat niet. Hij probeert met zijn pijl de naakte oksel van het lief dat naast hem staat te raken. Bijna valt hij om. Volhardend in een onnavolgbaar enthousiasme, blijft hij aanleggen. Maar het wil niet lukken. De rechter beschermhand van de grote vrouw weert al zijn pijlen af. Hier wordt de liefde niet getroffen.
Reuzin Venus slaat de linkerhand voor haar mond. Ze slaakt korte zuchtjes van minachting. En toch … een kleine lach kan ook zij niet onderdrukken. Stiekem kruipt een flinke portie humor het schilderij naar binnen. Degene die het schilderstuk aanschouwt ligt haast dubbel van het lachen. Wat vermag de lezer van het schilderij anders? Pablo P., de maker van dit bijna twee meter hoge doek is een geduchte rokkenjager gebleken. En nu staat hij waarachtig, in lustige ijdelheid, zelf dubbel geportretteerd. Twee selfies vechten om de eer van de kijker. De kleine veroveraar Pablo Amor, links in beeld, onder een witte wolkgestreepte blauwe hemel. De grote Pablo Venus, playing hard to get, rechts in beeld, nakend in het groen.
Wat in deze scène nog zou passen, zijn twintig liefdesgedichten en een lied van wanhoop. De ene Pablo helpt de andere zogezegd, tegen beter weten in. Het is vast en zeker de lente die allen in de bol geslagen is. De roze lans van kleine Pablo Amor steekt parmantig vooruit, hij staat vrijwel op springen. Op de volumineuze borsten van Pablo Venus pronken twee flinke rode bullseyes. Ze wiegen beide kanten uit. Onder de borsten doet een zijdelings gedraaide navel een poging om met getuite lippen een liefdeslied te fluiten. Zonder succes. Het zal de kleine bescheiden Pablo vandaag niet lukken de grote te bestieren. De kans dat hier de liefde raak gaat schieten is nihil. Zeer waarschijnlijk zal door de onrust in het schilderij, het liedje weer hetzelfde zijn. Daar komt alleen maar oorlog van. Nee, wat hier juist nodig is, is een nieuw lied. Een soort canto general.
Het kan kunstenmaker Pablo P. niet bommen. In een Parijse kroeg beraamt hij slinkse plannen voor een ludieke act. Daar zal de wereld nog van staan kijken. Hij zal de schone kunsten eens een lesje leren. Kleine geile Pablo Amor die Pablo Venus eventjes niet aan kan? Dat kan niet waar zijn. Heeft Botticelli Venus voor de eeuwigheid betoverd en alleen maar aan zichzelf toegedicht? Botticelli, de toegenaaide kunstenaar der Middeleeuwen die niet wil delen? So what! Pablo’s oog is allang gevallen op een andere godin. Een godin van vlees en bloed, piepklein neergezet in olieverf, oh zo mysterieus en ondeugend. Op naar het Louvre. Veni Vidi da Vinci. Op naar Mona Lisa. Are you warm, are you real? The girl is mine.
Geschreven naar aanleiding van bezoek (29-03-2015) aan de expositie Hockney, Picasso, Tinguely en meer: hoogtepunten uit de Kunstsammlung Würth in Het Noordbrabants Museum. Onder de indruk van Picasso's Venus y Amor uit 1968.
Reuzin Venus slaat de linkerhand voor haar mond. Ze slaakt korte zuchtjes van minachting. En toch … een kleine lach kan ook zij niet onderdrukken. Stiekem kruipt een flinke portie humor het schilderij naar binnen. Degene die het schilderstuk aanschouwt ligt haast dubbel van het lachen. Wat vermag de lezer van het schilderij anders? Pablo P., de maker van dit bijna twee meter hoge doek is een geduchte rokkenjager gebleken. En nu staat hij waarachtig, in lustige ijdelheid, zelf dubbel geportretteerd. Twee selfies vechten om de eer van de kijker. De kleine veroveraar Pablo Amor, links in beeld, onder een witte wolkgestreepte blauwe hemel. De grote Pablo Venus, playing hard to get, rechts in beeld, nakend in het groen.
Wat in deze scène nog zou passen, zijn twintig liefdesgedichten en een lied van wanhoop. De ene Pablo helpt de andere zogezegd, tegen beter weten in. Het is vast en zeker de lente die allen in de bol geslagen is. De roze lans van kleine Pablo Amor steekt parmantig vooruit, hij staat vrijwel op springen. Op de volumineuze borsten van Pablo Venus pronken twee flinke rode bullseyes. Ze wiegen beide kanten uit. Onder de borsten doet een zijdelings gedraaide navel een poging om met getuite lippen een liefdeslied te fluiten. Zonder succes. Het zal de kleine bescheiden Pablo vandaag niet lukken de grote te bestieren. De kans dat hier de liefde raak gaat schieten is nihil. Zeer waarschijnlijk zal door de onrust in het schilderij, het liedje weer hetzelfde zijn. Daar komt alleen maar oorlog van. Nee, wat hier juist nodig is, is een nieuw lied. Een soort canto general.
Het kan kunstenmaker Pablo P. niet bommen. In een Parijse kroeg beraamt hij slinkse plannen voor een ludieke act. Daar zal de wereld nog van staan kijken. Hij zal de schone kunsten eens een lesje leren. Kleine geile Pablo Amor die Pablo Venus eventjes niet aan kan? Dat kan niet waar zijn. Heeft Botticelli Venus voor de eeuwigheid betoverd en alleen maar aan zichzelf toegedicht? Botticelli, de toegenaaide kunstenaar der Middeleeuwen die niet wil delen? So what! Pablo’s oog is allang gevallen op een andere godin. Een godin van vlees en bloed, piepklein neergezet in olieverf, oh zo mysterieus en ondeugend. Op naar het Louvre. Veni Vidi da Vinci. Op naar Mona Lisa. Are you warm, are you real? The girl is mine.
Geschreven naar aanleiding van bezoek (29-03-2015) aan de expositie Hockney, Picasso, Tinguely en meer: hoogtepunten uit de Kunstsammlung Würth in Het Noordbrabants Museum. Onder de indruk van Picasso's Venus y Amor uit 1968.
09-03-2015
Stilleven (8): Ghetti meets Slinkachu
De eenzaamheid is groot en gaat mogelijk nog jaren duren. Twee beeldhouders zijn het daarover eens. Ze drinken samen zwarte koffie, verstopt op een zonnig terras. Ze bespreken kort hun laatste werk. Ghetti schraapt kleine potloden kaal, er valt immers niet meer mee te schrijven. Slinkachu brengt verloren minimensjes in gigantische installaties onder. Hij schept unheimische sferen in grenzeloze ruimtes. Zijn camera legt alles vast. Minutieus.
Uit keihard grafiet modelleert de potloodbeeldhouwer nieuwe objecten, nieuwe werelden. Hij doet dat heel bedachtzaam, in stilte en in rust. In een open atelier strooit hij potloodslijpsel, hoorbaar voor degene die wil zien met de ogen dicht. Intiem boetseert de beeldhouwer dagelijks potloodtranen ter nagedachtenis voor slachtoffers die van torens sprongen. Tien jaar lang doet hij daarover, misschien is ie er dan klaar mee. De tijd haalt uiteindelijk alle herinneringen in.
Pijn en verdriet zijn maar moeilijk in scenario’s te vangen en te kaderen. Plastic foto’s bedriegen. De enscenist schildert kleine plastic preisermensjes over. Hij lijmt ze vast op vreemde ondergronden, in zelf bedachte omgevingen. Wenselijk naar eigen vorm en attitude. Treinen toeteren in droomwerelden die nooit zullen bestaan. Kleine mensjes trekken bankbiljetten aan stukken. Ieder wil een eigen deel. Maar bovenal de boot, de trein niet missen. Voor wie wil aankomen op plaatsen van bestemming, staan deuren open, op een kleine kier, met daarachter grote lege loze ruimtes, waar eigenlijk niemand naar binnen durft.
De messen worden geslepen. Het graniet geeft maar moeilijk mee. Uit de punt en centraal in het midden worden de mooiste vormen gesneden. Heel soms breekt het potlood doormidden en laat de ketting los. Een kunstwerk in de dop verdwijnt dan naar het kerkhof van verloren objecten, daar mag het zijn leven slijten, als onderdeel van. Een kleine troost. Een individu, op zichzelf staand, zal het nooit meer worden. Ontsloten van alle solitude sterft het in onzichtbare verbondenheid.
Uit keihard grafiet modelleert de potloodbeeldhouwer nieuwe objecten, nieuwe werelden. Hij doet dat heel bedachtzaam, in stilte en in rust. In een open atelier strooit hij potloodslijpsel, hoorbaar voor degene die wil zien met de ogen dicht. Intiem boetseert de beeldhouwer dagelijks potloodtranen ter nagedachtenis voor slachtoffers die van torens sprongen. Tien jaar lang doet hij daarover, misschien is ie er dan klaar mee. De tijd haalt uiteindelijk alle herinneringen in.
Pijn en verdriet zijn maar moeilijk in scenario’s te vangen en te kaderen. Plastic foto’s bedriegen. De enscenist schildert kleine plastic preisermensjes over. Hij lijmt ze vast op vreemde ondergronden, in zelf bedachte omgevingen. Wenselijk naar eigen vorm en attitude. Treinen toeteren in droomwerelden die nooit zullen bestaan. Kleine mensjes trekken bankbiljetten aan stukken. Ieder wil een eigen deel. Maar bovenal de boot, de trein niet missen. Voor wie wil aankomen op plaatsen van bestemming, staan deuren open, op een kleine kier, met daarachter grote lege loze ruimtes, waar eigenlijk niemand naar binnen durft.
De messen worden geslepen. Het graniet geeft maar moeilijk mee. Uit de punt en centraal in het midden worden de mooiste vormen gesneden. Heel soms breekt het potlood doormidden en laat de ketting los. Een kunstwerk in de dop verdwijnt dan naar het kerkhof van verloren objecten, daar mag het zijn leven slijten, als onderdeel van. Een kleine troost. Een individu, op zichzelf staand, zal het nooit meer worden. Ontsloten van alle solitude sterft het in onzichtbare verbondenheid.
23-07-2014
Stilleven (7): Het kleine wereld experiment
Ion en Jean-Michel hebben elkaar nog nooit ontmoet en hebben geen weet van elkaar. Althans dat denken ze. Niets is minder waar. Volgens het kleine wereld experiment, dat sociaal psycholoog Stanley Milgram in de jaren 60 uitvoerde, is iedereen in de wereld met elkaar verbonden in 5,5 stappen, afgerond in 6 stappen. Even wat nadere uitleg. Het gaat hier om een toegepast wiskundig probleem. Stel: je hebt twee personen, via hoeveel stappen zijn ze dan als kennissen verbonden? Dat wil zeggen, als ze elkaar kennen is dat één stap, als ze een gezamenlijke kennis hebben, twee stappen, als ze ieder een persoon kennen die elkaar kennen, drie stappen, enzovoort.
Ion en Jean-Michel zitten op het terras tien meter van elkaar. Een mooi stilleven. Ze zijn volgens het kleine wereld experiment verbonden met elkaar maar weten nog even niet hoe. Ik wel. Ik schrijf namelijk dit verhaal. Het zijn kunstenaars. Op hun eigen manier. Ion hanteert papier en schaar en is gezegend met een complex, narratief en spontaan vermogen tot beeldvorming. Hij voorspelt de wereld in plaatjes. Brengt de wereld bijeen in treffende stillevens. Met liefde en ironie, zonder dat die elkaar bijten. Kortom ware kunst.
Jean-Michel doet dit ook maar dan op een geheel eigen wijze. Eigenwijs en wars van buitenkant. Met een ezel als Leitmotiv en in samenwerking met een compagnon zette hij in de jaren 80 New York op zijn kop met Same Old Shit. In graffitistijl. Dat deed hij met kinderlijke vreugde als een ware kunstenaar. New Yorkers liepen met hem weg en betaalde exorbitante bedragen voor zijn kunstwerken. Je moest er eentje hebben, aan de muur. Anders telde je niet mee. Je moest dan wel een grote muur hebben. Liefst geschilderd in acryl. Rijke dandy's hingen hun verworven spot meteen op aan gouden haken.
Voor Ion was het formaat nooit een probleem. Zijn werken pasten gewoon in kartonnen dozen, zorgvuldig verstopt onder bruggen in het centrum van Boekarest. Hij componeerde zijn kunstwerken uit tijdschriften. Daartoe ondernam hij een risicovolle weg naar niemandsland. Een niemandsland waar iedere samenleving haar maskers weggooit: de dump. Uit het niets verzamelde en creëerde hij vanalles. Hij gaf het niets terug aan de mens. Als een ware kunstenaar. Duurzame kunst. Hij toonde het aan enkele intelligentsia en voilà in no time hing het aan de muren van grote musea van naam. Met weinig of geen middelen creëerde hij filmische fotogrammen die complete verhalen vertelden. Zijn collages vormden een hybride pallet van pop art met een vleugje surrealisme en dada.
En laat dat nu net ook de stijl zijn van Jean-Michel. Ze moesten eens weten die twee. Van elkaar. Maar nee, vooralsnog blijft het een klein stilleven. Stil in leven en samen in da da. Surrealistisch naast elkaar. Onbevangen en toch met notie. Met notie voor wat echt belangrijk is. Sociale vrijheid in schone kunsten. Opgeraapt van de straat. Samen door Ion en Jean-Michel. In New York en in Boekarest.
Pilsje Ion? Nee, doe mij maar een cola. Wijntje Jean-Michel? Nee, doe mij maar champagne. Komt eraan. En Andy, terrasober maar hollen. Achter zijn eigen geluk aan. Andy Warhoofd, hij zou eens moeten praten met good old Joseph, de terrasober van het terras aan de overzijde. Praten over zijn performance. Ja, dat zou mooi zijn. Kleine intieme gesprekken over performances in stillevens. Stillevens in kleine werelden van vrijheid. Joseph en Andy, ze zijn met elkaar verbonden in de eerste graad. Alleen zij weten het nog niet. Dat heeft moeder aarde hen nog niet verteld. De eerste graad, startplaats voor kleine wereld experimenten.
Ion en Jean-Michel zitten op het terras tien meter van elkaar. Een mooi stilleven. Ze zijn volgens het kleine wereld experiment verbonden met elkaar maar weten nog even niet hoe. Ik wel. Ik schrijf namelijk dit verhaal. Het zijn kunstenaars. Op hun eigen manier. Ion hanteert papier en schaar en is gezegend met een complex, narratief en spontaan vermogen tot beeldvorming. Hij voorspelt de wereld in plaatjes. Brengt de wereld bijeen in treffende stillevens. Met liefde en ironie, zonder dat die elkaar bijten. Kortom ware kunst.
Jean-Michel doet dit ook maar dan op een geheel eigen wijze. Eigenwijs en wars van buitenkant. Met een ezel als Leitmotiv en in samenwerking met een compagnon zette hij in de jaren 80 New York op zijn kop met Same Old Shit. In graffitistijl. Dat deed hij met kinderlijke vreugde als een ware kunstenaar. New Yorkers liepen met hem weg en betaalde exorbitante bedragen voor zijn kunstwerken. Je moest er eentje hebben, aan de muur. Anders telde je niet mee. Je moest dan wel een grote muur hebben. Liefst geschilderd in acryl. Rijke dandy's hingen hun verworven spot meteen op aan gouden haken.
Voor Ion was het formaat nooit een probleem. Zijn werken pasten gewoon in kartonnen dozen, zorgvuldig verstopt onder bruggen in het centrum van Boekarest. Hij componeerde zijn kunstwerken uit tijdschriften. Daartoe ondernam hij een risicovolle weg naar niemandsland. Een niemandsland waar iedere samenleving haar maskers weggooit: de dump. Uit het niets verzamelde en creëerde hij vanalles. Hij gaf het niets terug aan de mens. Als een ware kunstenaar. Duurzame kunst. Hij toonde het aan enkele intelligentsia en voilà in no time hing het aan de muren van grote musea van naam. Met weinig of geen middelen creëerde hij filmische fotogrammen die complete verhalen vertelden. Zijn collages vormden een hybride pallet van pop art met een vleugje surrealisme en dada.
En laat dat nu net ook de stijl zijn van Jean-Michel. Ze moesten eens weten die twee. Van elkaar. Maar nee, vooralsnog blijft het een klein stilleven. Stil in leven en samen in da da. Surrealistisch naast elkaar. Onbevangen en toch met notie. Met notie voor wat echt belangrijk is. Sociale vrijheid in schone kunsten. Opgeraapt van de straat. Samen door Ion en Jean-Michel. In New York en in Boekarest.
Pilsje Ion? Nee, doe mij maar een cola. Wijntje Jean-Michel? Nee, doe mij maar champagne. Komt eraan. En Andy, terrasober maar hollen. Achter zijn eigen geluk aan. Andy Warhoofd, hij zou eens moeten praten met good old Joseph, de terrasober van het terras aan de overzijde. Praten over zijn performance. Ja, dat zou mooi zijn. Kleine intieme gesprekken over performances in stillevens. Stillevens in kleine werelden van vrijheid. Joseph en Andy, ze zijn met elkaar verbonden in de eerste graad. Alleen zij weten het nog niet. Dat heeft moeder aarde hen nog niet verteld. De eerste graad, startplaats voor kleine wereld experimenten.
15-07-2014
Stilleven (6): Heimwee naar het alles
Diepgeworteld staat het paardje in een glazen pot. Hij kan helaas maar weinig zien. Het zicht is hem deels ontnomen. Door een lepel op zijn voorhoofd. De lepel schenkt het paardje koelte en bescherming. Zowel in zomer als in winter.
Bevroren staat het paardje paard te wezen. Zijn bloed stroomt daar waar het eigenlijk niet heen kan gaan. Dwars pulseert het door zijn plastic lijf. Met het blote oog, voor mensen haast onwaarneembaar. Alleen hijzelf kan het voelen.
Gelukkig brengt het hem in stilstand nauwelijks van de kook. Anders is het gesteld met het witte poeder op zijn rug. Het jeukt verschrikkelijk en wil maar niet wegwaaien. Zo vreselijk irritant. Och arme lepelhoorn. Het lijden is een last.
In bevroren toestand kan hij slechts vanonder de lepel recht vooruit staren. De manen zijdelings en strak gekamd, staart hij in de verte naar twee gipsen vingers. Op de knokkel van de bovenste vinger danst een heel klein houten bootje. Het vaart op herinnering de tegenovergestelde kant uit, langzaam richting zuiden.
Het heeft nog een lange weg te varen. Moed put het uit een boek dat zowel als horizon als achtergrond dient. Een stormachtig boek waarvan de clou nooit vrijgegeven wordt. Mondend in een neverending story.
Het paardje gelooft het verder wel. Die boot die gaat nooit aankomen. Veel meer zorgen maakt hij zich over die maffe lepel, die voortdurend zijn uitzicht belemmerd. Wat zou hij toch graag eens even de kamer inkijken. Wat zou zich toch achter die verrekte lepel begeven? Een kleurrijk interieur of grijze massa?
Hij zal het nooit te weten komen. Voorlopig hangt ie aan de muur op afbetaling. Haver zal ie vast niet krijgen. Dat lusten plastic paardjes niet. Zijn paardenkunstgebit kan dat bovendien niet vermalen. Spinrag en huismijt zullen hem de komende tijd wel voeden. Och arme lepelhoorn, hij mag alleen maar dromen. Niets liever zou hij naar het zuiden varen. Samen met het houten bootje.
Een beetje jaloers is de lepelhoorn wel. Maar hij weet ook als geen ander: Aus Sehnsucht backt man das Brot seines Lebens. Het is moeilijk te verteren, maar helaas, het bootje is te klein om hem te dragen. Het vaart alleen de wijde wereld in op magere gedachten. Op versteende witte hersengolven. Het zuiden zal voor de lepelhoorn immer blijven lonken.
Bevroren staat het paardje paard te wezen. Zijn bloed stroomt daar waar het eigenlijk niet heen kan gaan. Dwars pulseert het door zijn plastic lijf. Met het blote oog, voor mensen haast onwaarneembaar. Alleen hijzelf kan het voelen.
Gelukkig brengt het hem in stilstand nauwelijks van de kook. Anders is het gesteld met het witte poeder op zijn rug. Het jeukt verschrikkelijk en wil maar niet wegwaaien. Zo vreselijk irritant. Och arme lepelhoorn. Het lijden is een last.
In bevroren toestand kan hij slechts vanonder de lepel recht vooruit staren. De manen zijdelings en strak gekamd, staart hij in de verte naar twee gipsen vingers. Op de knokkel van de bovenste vinger danst een heel klein houten bootje. Het vaart op herinnering de tegenovergestelde kant uit, langzaam richting zuiden.
Het heeft nog een lange weg te varen. Moed put het uit een boek dat zowel als horizon als achtergrond dient. Een stormachtig boek waarvan de clou nooit vrijgegeven wordt. Mondend in een neverending story.
Het paardje gelooft het verder wel. Die boot die gaat nooit aankomen. Veel meer zorgen maakt hij zich over die maffe lepel, die voortdurend zijn uitzicht belemmerd. Wat zou hij toch graag eens even de kamer inkijken. Wat zou zich toch achter die verrekte lepel begeven? Een kleurrijk interieur of grijze massa?
Hij zal het nooit te weten komen. Voorlopig hangt ie aan de muur op afbetaling. Haver zal ie vast niet krijgen. Dat lusten plastic paardjes niet. Zijn paardenkunstgebit kan dat bovendien niet vermalen. Spinrag en huismijt zullen hem de komende tijd wel voeden. Och arme lepelhoorn, hij mag alleen maar dromen. Niets liever zou hij naar het zuiden varen. Samen met het houten bootje.
Een beetje jaloers is de lepelhoorn wel. Maar hij weet ook als geen ander: Aus Sehnsucht backt man das Brot seines Lebens. Het is moeilijk te verteren, maar helaas, het bootje is te klein om hem te dragen. Het vaart alleen de wijde wereld in op magere gedachten. Op versteende witte hersengolven. Het zuiden zal voor de lepelhoorn immer blijven lonken.
16-06-2014
Stilleven (5): Uncanny landscapes
Stil wandelt hij door de kamers van zijn verleden. Ze ogen als een fotoboek. Een fotoboek met vergeelde foto’s. Ze trekken als een film aan hem voorbij. Troosteloos zo nu en dan, vol melancholie. Verrast is hij door de herinneringen die afgestoft worden in zijn bovenkamer. Niet meer wetend wat de noodzaak was van de dingen die aan hem verschijnen. Lelijkheid beklijft. Een bloemenvaas, een vissenkom, een mini wegwijzer, een stenen bierpul. Ze zeggen hem niets meer. Vroeger vast wel.
Het plaatsen en herschikken van de beeldtaal kost kruim en vooral veel tijd. Het streven naar perfectie blijft. Techniek helpt. Naadloos moeten de beelden op elkaar aansluiten. Kleurrijk en bezeten van herinnering, superrealistisch en unheimisch. Zijn kindje, zijn kunst. Op grote afmetingen en het liefst glashelder. De toeschouwer mag zijn eigen gedachten aan elkaar rijgen, losse flodders nieuwe betekenis geven. De verbinding komt moeilijk tot stand. Wetten van logica verdwijnen als sneeuw voor de zon. Vele lagen drijven boven. Hij heeft ze gestapeld laag voor laag en laat ze voorzichtig op de kijker los. De kijker mag nog twijfelen. Het onderwerp nooit.
Het onderwerp houdt het hoofd hoog, net boven de waterspiegel en kijkt met grote bruine ogen van nieuwsgierigheid de wereld in. Bijna naïef. De jonge kijkers mogen insecten tellen. Die zitten verscholen tussen lichtgroene lentebladeren. Maar pas op. Niet verschieten van het ree, dat zeer verrast hetzelfde pad kruist als de kijker. Bevroren van argwaan staat het ree verstopt en geurloos in de wind. De vergankelijkheid hangt zwaar in het doek, filmisch geverfd. De maan zweeft tussen de bomen en ver weg boven cactusvelden.
Grote geschilderde foto’s hangen aan de muur. Zelfgeschapen landschappen. Vertederend teer, vol liefde en respect geregisseerd, soms een beetje zwart. Het is zwarte weemoed die klopt in de borst. Een weemoed die doet denken aan het geluid van warme zomerregen, vallend in lege flessen en glazen potten. Flessen en potten, boordevol nostalgie. Ze staan op een meranti tafel. Klaar om in vele tinten bruin en oker, warm geschilderd te worden. Gelijk een Morandi stilleven. Memento meranti Morandi in uncanny landscapes.
Het plaatsen en herschikken van de beeldtaal kost kruim en vooral veel tijd. Het streven naar perfectie blijft. Techniek helpt. Naadloos moeten de beelden op elkaar aansluiten. Kleurrijk en bezeten van herinnering, superrealistisch en unheimisch. Zijn kindje, zijn kunst. Op grote afmetingen en het liefst glashelder. De toeschouwer mag zijn eigen gedachten aan elkaar rijgen, losse flodders nieuwe betekenis geven. De verbinding komt moeilijk tot stand. Wetten van logica verdwijnen als sneeuw voor de zon. Vele lagen drijven boven. Hij heeft ze gestapeld laag voor laag en laat ze voorzichtig op de kijker los. De kijker mag nog twijfelen. Het onderwerp nooit.
Het onderwerp houdt het hoofd hoog, net boven de waterspiegel en kijkt met grote bruine ogen van nieuwsgierigheid de wereld in. Bijna naïef. De jonge kijkers mogen insecten tellen. Die zitten verscholen tussen lichtgroene lentebladeren. Maar pas op. Niet verschieten van het ree, dat zeer verrast hetzelfde pad kruist als de kijker. Bevroren van argwaan staat het ree verstopt en geurloos in de wind. De vergankelijkheid hangt zwaar in het doek, filmisch geverfd. De maan zweeft tussen de bomen en ver weg boven cactusvelden.
Grote geschilderde foto’s hangen aan de muur. Zelfgeschapen landschappen. Vertederend teer, vol liefde en respect geregisseerd, soms een beetje zwart. Het is zwarte weemoed die klopt in de borst. Een weemoed die doet denken aan het geluid van warme zomerregen, vallend in lege flessen en glazen potten. Flessen en potten, boordevol nostalgie. Ze staan op een meranti tafel. Klaar om in vele tinten bruin en oker, warm geschilderd te worden. Gelijk een Morandi stilleven. Memento meranti Morandi in uncanny landscapes.
10-06-2014
Stilleven (4): Molly's droom
Ze weet niet of ze moet lachen of huilen. Zo gaat dat wel vaker met vrouwen. Nou ja, vrouwen. Ook mannen hebben daar soms last van. En hoezo last? Daar hoef je toch geen last van te hebben. Van een lach of een traan? Je hoeft je er ook niet voor te schamen. Ze laat het maar even in het midden, de emotie. Liever schuilt ze haar gezicht in een omslagdoek.
Haar donkere ogen glijden langs het zachte doek naar buiten en verkennen het gezichtsveld en de omgeving. Voorzichtig want ze wil niet betrapt worden. Betrapt op emotie. Dat gunt ze de kijker niet. Dat ze bekeken wordt dat mag duidelijk zijn. Soms vallen de mensen, en met name die van het mannelijk geslacht, bijna in katzwijm voor haar voeten neer. Haar moeder heeft het al op jonge leeftijd over haar heen geroepen. “Ze zullen je aanbidden, Molly. Let op mijn woorden.” Ach, niets is de mens vreemd, dat beseft Molly maar al te goed. Het is kijken en bekeken worden.
Voor de verandering besluit Molly maar eens haar kijkers de rug toe te draaien. Vol bewondering neemt ze de prachtige omgeving die al jaren achter haar ligt in zich op. Het riekt naar Italië. Ze snuift de warme zomerlucht op. Een mengeling van tomaat en scherpe kruiden, tijm, oregano en basilicum. In geen velden of wegen zijn de kruiden te zien. Maar wel te ruiken. Zo blijkt maar weer eens dat niet alleen geuren maar ook zichten soms vertroebelen. Wat je ruikt is lang niet altijd wat je ziet en vice versa.
Zintuiglijke misleiding dat is het, daar is hier sprake van. Dat geldt dus ook voor de aanblik die Molly neemt van haar omgeving. Voor het eerst ziet ze, ruikt ze en voelt ze wat er al die jaren achter haar rug verscholen lag. Een landschap van mogelijkheden. Had ze dat maar eerder geweten en beseft. Het had haar vast troost geboden en rust. De aanschouwing van de rivier, de bergen, het water, de brug. Glorend onder de Italiaanse zon. Een zon ruikend naar citroen. Althans tussen de oren van Molly.
Enfin, de eerste stap is gezet. Molly heeft zich losgemaakt van haar omgeving. Een omgeving die vanuit haar positie nauw en klein omkaderd was. Met grote stappen verkent ze het nieuwe landschap. Ze stapt voor het eerst het leven in. Onder haar voeten voelt ze bodem, aarde. En dat voelt goed. Ze was het zweven al langer beu. Zweven in emotie daar was ze altijd goed in. De kijker in verwarring brengen. Nu heeft ze nog maar slechts een doel. En dat is genieten. Met volle teugen. Van de rivier, de bergen, het water en de brug.
Ach, als ze toch eens op die brug kon staan. Daar aan de einder. En dan vanuit de verte terugkijken, naar het gezichtspunt dat jarenlang bevroren stond en naar de andere kant keek. Het gezichtspunt dat niet terug maar vooruit keek. Verwachtingsvol en mysterieus. Wat zou dat mooi zijn. Vanuit het achterveld, zonder schalkse blik, de kijkers begluren. Een omgekeerde wereld. De bekekene die de kijkers spot. Ze zouden op zoek gaan naar haar, dat weet Molly zeker. Maar ze zouden haar niet zien. Daar op die brug, eeuwig glimlachend. Van alles had de kijker zich al die jaren voorgesteld bij haar glimlach. Dat had Molly al jarenlang gespot in de ogen van de kijkers. Ja zelfs een beetje geroken. Haast bespottelijk. Heel vervelend ook. Het enige voordeel was dat ze daardoor gedachten leerde lezen. Hoewel lezen, de kijkers gaven eigenlijk open boek.
Molly beseft maar amper welke vrijheid ze tegemoet treedt. Als een jonge hinde huppelt ze door het zonnige landschap richting brug. Het hoge gras kriebelt aan haar blote voeten en benen. Het is niet ver meer als plotseling haar oog valt op een bijzonder tafereel. Ze treft midden in het veld een stilleven aan dat haar hart doet stokken in de keel. Op een pas gemaaid veld zit op een kleurrijk geruite deken een zigeunerin, schrijlings met haar benen, geleund tegen een boom. In haar donkere ogen glijdt heel langzaam een traan naar beneden. Wat is ze mooi. Ze is van een alles verpletterende klassieke schoonheid. Alles klopt in haar gezicht. De donkere haren, de gebruinde tint, de roze volle lippen en haar ogen om in te verdrinken. Maar een ding klopt er niet. De omlijsting van het tafereel past niet in het kader en plan dat Molly voor ogen had. De brug aan de einder heeft Molly daarna nooit gehaald. In het zigeunerinnetje vond ze de herkenning waarnaar ze jaren op zoek was. Het zusje dat ze altijd al had willen hebben. Het zusje dat ze zelf had willen zijn. Het raakt haar diep.
Het beeld, het stilleven zal voor altijd op Molly’s netvlies blijven staan. De zigeunerin in het open veld met het oog vol traan. Ooit, ooit, zal ze de brug bereiken die achter haar ligt. De brug die prikt, duwt, priemt en lonkt. Je ziet het aan Molly’s ogen. Maar vooral aan haar glimlach. Een glimlach verborgen opgehangen in een Italiaans berglandschap, hangend aan een spijker en een touw, ingekaderd vooralsnog, ergens in Parijs. Veelzeggend niets.
Haar donkere ogen glijden langs het zachte doek naar buiten en verkennen het gezichtsveld en de omgeving. Voorzichtig want ze wil niet betrapt worden. Betrapt op emotie. Dat gunt ze de kijker niet. Dat ze bekeken wordt dat mag duidelijk zijn. Soms vallen de mensen, en met name die van het mannelijk geslacht, bijna in katzwijm voor haar voeten neer. Haar moeder heeft het al op jonge leeftijd over haar heen geroepen. “Ze zullen je aanbidden, Molly. Let op mijn woorden.” Ach, niets is de mens vreemd, dat beseft Molly maar al te goed. Het is kijken en bekeken worden.
Voor de verandering besluit Molly maar eens haar kijkers de rug toe te draaien. Vol bewondering neemt ze de prachtige omgeving die al jaren achter haar ligt in zich op. Het riekt naar Italië. Ze snuift de warme zomerlucht op. Een mengeling van tomaat en scherpe kruiden, tijm, oregano en basilicum. In geen velden of wegen zijn de kruiden te zien. Maar wel te ruiken. Zo blijkt maar weer eens dat niet alleen geuren maar ook zichten soms vertroebelen. Wat je ruikt is lang niet altijd wat je ziet en vice versa.
Zintuiglijke misleiding dat is het, daar is hier sprake van. Dat geldt dus ook voor de aanblik die Molly neemt van haar omgeving. Voor het eerst ziet ze, ruikt ze en voelt ze wat er al die jaren achter haar rug verscholen lag. Een landschap van mogelijkheden. Had ze dat maar eerder geweten en beseft. Het had haar vast troost geboden en rust. De aanschouwing van de rivier, de bergen, het water, de brug. Glorend onder de Italiaanse zon. Een zon ruikend naar citroen. Althans tussen de oren van Molly.
Enfin, de eerste stap is gezet. Molly heeft zich losgemaakt van haar omgeving. Een omgeving die vanuit haar positie nauw en klein omkaderd was. Met grote stappen verkent ze het nieuwe landschap. Ze stapt voor het eerst het leven in. Onder haar voeten voelt ze bodem, aarde. En dat voelt goed. Ze was het zweven al langer beu. Zweven in emotie daar was ze altijd goed in. De kijker in verwarring brengen. Nu heeft ze nog maar slechts een doel. En dat is genieten. Met volle teugen. Van de rivier, de bergen, het water en de brug.
Ach, als ze toch eens op die brug kon staan. Daar aan de einder. En dan vanuit de verte terugkijken, naar het gezichtspunt dat jarenlang bevroren stond en naar de andere kant keek. Het gezichtspunt dat niet terug maar vooruit keek. Verwachtingsvol en mysterieus. Wat zou dat mooi zijn. Vanuit het achterveld, zonder schalkse blik, de kijkers begluren. Een omgekeerde wereld. De bekekene die de kijkers spot. Ze zouden op zoek gaan naar haar, dat weet Molly zeker. Maar ze zouden haar niet zien. Daar op die brug, eeuwig glimlachend. Van alles had de kijker zich al die jaren voorgesteld bij haar glimlach. Dat had Molly al jarenlang gespot in de ogen van de kijkers. Ja zelfs een beetje geroken. Haast bespottelijk. Heel vervelend ook. Het enige voordeel was dat ze daardoor gedachten leerde lezen. Hoewel lezen, de kijkers gaven eigenlijk open boek.
Molly beseft maar amper welke vrijheid ze tegemoet treedt. Als een jonge hinde huppelt ze door het zonnige landschap richting brug. Het hoge gras kriebelt aan haar blote voeten en benen. Het is niet ver meer als plotseling haar oog valt op een bijzonder tafereel. Ze treft midden in het veld een stilleven aan dat haar hart doet stokken in de keel. Op een pas gemaaid veld zit op een kleurrijk geruite deken een zigeunerin, schrijlings met haar benen, geleund tegen een boom. In haar donkere ogen glijdt heel langzaam een traan naar beneden. Wat is ze mooi. Ze is van een alles verpletterende klassieke schoonheid. Alles klopt in haar gezicht. De donkere haren, de gebruinde tint, de roze volle lippen en haar ogen om in te verdrinken. Maar een ding klopt er niet. De omlijsting van het tafereel past niet in het kader en plan dat Molly voor ogen had. De brug aan de einder heeft Molly daarna nooit gehaald. In het zigeunerinnetje vond ze de herkenning waarnaar ze jaren op zoek was. Het zusje dat ze altijd al had willen hebben. Het zusje dat ze zelf had willen zijn. Het raakt haar diep.
Het beeld, het stilleven zal voor altijd op Molly’s netvlies blijven staan. De zigeunerin in het open veld met het oog vol traan. Ooit, ooit, zal ze de brug bereiken die achter haar ligt. De brug die prikt, duwt, priemt en lonkt. Je ziet het aan Molly’s ogen. Maar vooral aan haar glimlach. Een glimlach verborgen opgehangen in een Italiaans berglandschap, hangend aan een spijker en een touw, ingekaderd vooralsnog, ergens in Parijs. Veelzeggend niets.
05-06-2014
Stilleven (3): Idolatrie in film en kleur
Over de brug loopt een man. De kraag hoog opgestoken. Het weer is guur en de wind fluit in zijn gezicht. Elders in de wereld loopt op hetzelfde moment een man door de regen. In New York om precies te zijn. Hij luistert niet naar de naam James. Ook hij loopt in zijn kraag, in de regen maar uit de wind. Met dank aan de wolkenkrabbers. Langs de weg roepen de mensen hem aan. “James, James, ben jij het?” Maar James luistert niet naar zijn naam. Hij is diep in gedachten verzonken.
Onderwijl loopt de andere man aan de overzijde van de oceaan naar een grote ruimte met veel glas. Hij heeft zijn stiel gevonden. Al jaren geleden. Het is nu alleen nog een kwestie van uitwerken. Zijn leven. Zijn ziel. Het liefst doet hij dat bloot en dagenlang. Een beetje gek is ie wel. Maar ach, wie niet? In de grote lege ruimte staat een tafel. Op de tafel liggen veel doeken. Witte doeken, onaangetast. Een doek in de lege ruimte trekt aandacht. Het ligt niet op tafel maar hangt aan de muur.
De man in New York wordt nu toch wel door heel veel mensen herkent als ‘James’. Maar James wil van niets weten. Hij loopt stoer in zijn kraag verder. Het begint steeds harder te regen. Het liefst zou hij de boot nemen. Het is echt weer om op een boot te zitten. Een boot naar Noorwegen. Zijn favoriete land. Met favoriete inwoners. De gelatenheid van de Noor schuurt tegen die van Finnen aan. Gelatenheid en nuchterheid daar houdt James van. Diep van binnen, in zijn ziel, is James ook een Scandinaviër. Maar geen Zweed. Dat is te gemakkelijk.
Intussen heeft de andere man zijn focus gericht op het doek aan de muur. Hij belaagt het doek met sombere kleuren. Somber maar fel. Ze passen prima op het doek en bij de mood waarin hij verkeert. Somberheid ten top. Met een schuin oog kijkt hij het doek een beetje schichtig aan. Het doek beweegt zich niet naar hem toe. En dat is juist wat hij wil. Maar nee. Het doek met al zijn sombere, felle kleuren negeert hem volledig. Iets wat de man niet echt kan accepteren. Het schuurt en maakt hem angstig.
James in New York heeft intussen de haven gevonden. De haven en zijn weg. Weg is ie. Met de eerste de beste boot. Hij heeft al veel gemist in zijn leven. Maar deze escape kan hij niet laten gaan. Acteren op het juiste moment. Daar gaat het in het leven om. Niet in stomme films. En zeker niet in van die mega gigantische Hollywood producties. Pulp, pulp, allemaal pulp fiction. Geef good old James maar een echte film. Rebels trekt hij zijn kraag nog hoger tegen zijn oren aan. Hij kan het geschreeuw van de menigte langs de kant niet langer aanhoren.
Aan de andere kant van de oceaan trekt de doekenman zwarte en lila strepen over het doek dat niet luisteren wil. Hij krijgt het niet naar zijn hand gezet en besluit even rust te nemen. Maar dat is het doek te na. “Laat jij me hier nu in mijn somberheid en ellende hangen, verrekte amateur? Kom hier met die kwasten. Dan schilder ik zelf wel even dit plaatje af.” De doekenman schrikt zich een hoedje en valt bijna van zijn paard. Van zijn paard? Ja van zijn paard. Niet van zijn geloof. De doekenman komt alleen tot rust op een paard. Het paard heet Ed. Maar dat doet er voor het verhaal even niet toe. Belangrijker is dat de man die bijna van het paard viel alleen maar heel hard kan schreeuwen. Van ellende.
Op de boot is het niet veel anders. De wannabe Scandinaviër koerst weliswaar richting het beloofde land, maar vooralsnog raakt hij steeds verder van huis. Een homeland zal deze jongeman niet snel vinden. Zijn lot vaart hem gewoon achterna. Het zal slecht met hem aflopen. Het gillen van de meisjes aan gene zijde zal daar niets aan veranderen. Van verzachting van het lot is geen sprake. In idolatrie zal hij sterven. Veel te jong. Hij weet het alleen nog niet. De dood loert en komt meestal onverwacht.
De doekenman staat langzaam op naast zijn paard. Met Ed valt niet te praten. Met het doek ook niet. Het doek buldert en schreeuwt. Snel raapt de doekenman een penseel van de grond en grijpt naar een tube lila. Met een paar vegen geeft hij het doek zijn zin. Het kronkelt van plezier. Het staat op zijn strepen. “Hier nog graag een lijntje, en daar, ja daar een contourtje … die hand mag ook wat scherper. Houdt hem eens tegen je oor. Voel je de angst? De angst van Vincent. Ja, je voelt hem hè? Dan is het goed. Leg die kwast maar neer. Het is goed zo. Rust maar uit. Ik vind mijn weg wel naar het museum. Ere wie ere toekomt. Daar zal ik sterven aan de muur, achter glas. Telkens opnieuw. Van idolatrie. Mijn onbestemd lot. Ik schreeuw het uit.”
Onderwijl loopt de andere man aan de overzijde van de oceaan naar een grote ruimte met veel glas. Hij heeft zijn stiel gevonden. Al jaren geleden. Het is nu alleen nog een kwestie van uitwerken. Zijn leven. Zijn ziel. Het liefst doet hij dat bloot en dagenlang. Een beetje gek is ie wel. Maar ach, wie niet? In de grote lege ruimte staat een tafel. Op de tafel liggen veel doeken. Witte doeken, onaangetast. Een doek in de lege ruimte trekt aandacht. Het ligt niet op tafel maar hangt aan de muur.
De man in New York wordt nu toch wel door heel veel mensen herkent als ‘James’. Maar James wil van niets weten. Hij loopt stoer in zijn kraag verder. Het begint steeds harder te regen. Het liefst zou hij de boot nemen. Het is echt weer om op een boot te zitten. Een boot naar Noorwegen. Zijn favoriete land. Met favoriete inwoners. De gelatenheid van de Noor schuurt tegen die van Finnen aan. Gelatenheid en nuchterheid daar houdt James van. Diep van binnen, in zijn ziel, is James ook een Scandinaviër. Maar geen Zweed. Dat is te gemakkelijk.
Intussen heeft de andere man zijn focus gericht op het doek aan de muur. Hij belaagt het doek met sombere kleuren. Somber maar fel. Ze passen prima op het doek en bij de mood waarin hij verkeert. Somberheid ten top. Met een schuin oog kijkt hij het doek een beetje schichtig aan. Het doek beweegt zich niet naar hem toe. En dat is juist wat hij wil. Maar nee. Het doek met al zijn sombere, felle kleuren negeert hem volledig. Iets wat de man niet echt kan accepteren. Het schuurt en maakt hem angstig.
James in New York heeft intussen de haven gevonden. De haven en zijn weg. Weg is ie. Met de eerste de beste boot. Hij heeft al veel gemist in zijn leven. Maar deze escape kan hij niet laten gaan. Acteren op het juiste moment. Daar gaat het in het leven om. Niet in stomme films. En zeker niet in van die mega gigantische Hollywood producties. Pulp, pulp, allemaal pulp fiction. Geef good old James maar een echte film. Rebels trekt hij zijn kraag nog hoger tegen zijn oren aan. Hij kan het geschreeuw van de menigte langs de kant niet langer aanhoren.
Aan de andere kant van de oceaan trekt de doekenman zwarte en lila strepen over het doek dat niet luisteren wil. Hij krijgt het niet naar zijn hand gezet en besluit even rust te nemen. Maar dat is het doek te na. “Laat jij me hier nu in mijn somberheid en ellende hangen, verrekte amateur? Kom hier met die kwasten. Dan schilder ik zelf wel even dit plaatje af.” De doekenman schrikt zich een hoedje en valt bijna van zijn paard. Van zijn paard? Ja van zijn paard. Niet van zijn geloof. De doekenman komt alleen tot rust op een paard. Het paard heet Ed. Maar dat doet er voor het verhaal even niet toe. Belangrijker is dat de man die bijna van het paard viel alleen maar heel hard kan schreeuwen. Van ellende.
Op de boot is het niet veel anders. De wannabe Scandinaviër koerst weliswaar richting het beloofde land, maar vooralsnog raakt hij steeds verder van huis. Een homeland zal deze jongeman niet snel vinden. Zijn lot vaart hem gewoon achterna. Het zal slecht met hem aflopen. Het gillen van de meisjes aan gene zijde zal daar niets aan veranderen. Van verzachting van het lot is geen sprake. In idolatrie zal hij sterven. Veel te jong. Hij weet het alleen nog niet. De dood loert en komt meestal onverwacht.
De doekenman staat langzaam op naast zijn paard. Met Ed valt niet te praten. Met het doek ook niet. Het doek buldert en schreeuwt. Snel raapt de doekenman een penseel van de grond en grijpt naar een tube lila. Met een paar vegen geeft hij het doek zijn zin. Het kronkelt van plezier. Het staat op zijn strepen. “Hier nog graag een lijntje, en daar, ja daar een contourtje … die hand mag ook wat scherper. Houdt hem eens tegen je oor. Voel je de angst? De angst van Vincent. Ja, je voelt hem hè? Dan is het goed. Leg die kwast maar neer. Het is goed zo. Rust maar uit. Ik vind mijn weg wel naar het museum. Ere wie ere toekomt. Daar zal ik sterven aan de muur, achter glas. Telkens opnieuw. Van idolatrie. Mijn onbestemd lot. Ik schreeuw het uit.”
20-05-2014
Stilleven (2): Lavendel in de mist
Het landschap is weids en gloort onder een blakende zon. Snikheet is het. Ratelslangen ritselen door het droge gras. Er staat angst en eenzaamheid in de ogen van de kleine man. Hij laat zich niet kennen en sluit zich af voor natuurlijke prikkels die hem belemmeren in zijn dadendrang. Gebukt en op zijn knieën laat hij het warme zand door zijn vingers glijden. Dit is goed. Dit is het zand waarop hij kan bouwen. Met een grote schep laadt hij het in een roestige kruiwagen. Vergenoegd en in zijn nopjes.
Daar ligt ze op de vloer. In de loods. Klaar om bestormd te worden. Zijn muze in wit. Ze hunkert naar kleur. Maar de kleur wil nog niet komen. Zijn hersenen denken in de vroege ochtend alleen maar aan zwart en wit. Grijze sluiers dringen langzaam binnen. Dringen binnen in de loods. Een megagrote loods. Pablo Johnson loopt naar de hoek van de loods en laadt zijn pick-up. Een gepinde hefarm krast korzelig droevige muziek uit het vinyl. Een bronstige stem zingt over rozen. Over plastic rozen. Grijsgedraaid. Opdat ze niet verwelken.
Omvangrijk is zijn muze. Ze ligt met haar benen wijd open. Op de koude vloer. Klaar en zuchtig voor ontvangenis. Pablo schrikt van zoveel ontwapening. Vanuit het centrum besluit hij te beginnen. Het moet. Want daar ligt de basis. Donzig zwart en grijs. Maar eerst een stevige borrel. Zonder liquid Jack is er geen beginnen aan. Zinnenprikkelend is de alcohol die langs zijn neusharen strijkt. El bandido komt tot leven. Zijn blik is veelzeggend, staat stijf van adrenaline. Tijd voor actie. Tijd voor performance.
Johnson stroopt zijn mouwen op. Bedachtzaam stuwt en sproeit hij sporen van lavendel over de witte dijen van zijn muze. Ze geniet en zuigt de lavendel met volle teugen naar binnen. Ze vraagt naar meer. Zwarte lijnen krioelen over het doek. Heel langzaam gaan ze op zoek naar kleur. Gulzig geeft Pablo zich aan zijn muze over. Met zijn neus volgt hij het lijnenspel en snuift grijs, zwart en wit naar binnen. De lijnen splijten zich in punten en vormen kleine poelen van verderf. Heel, heel langzaam lijkt Pablo de controle te verliezen. Maar niet voor lang.
Met zijn grote handen gooit hij het nog warme zand, uit de kruiwagen, over zijn muze. Het vocht van het warme zand verdampt en vermengt zich met de muze. Lavendel in de mist. Niets, maar dan ook niets wordt aan het toeval overgelaten. In fracties van gespleten secondes neemt Pablo zijn besluiten. In lavendel dansen nu de lijnen in speelse choreografie. Niets is wat het lijkt. Lavendel in de mist.
Daar ligt ze op de vloer. In de loods. Klaar om bestormd te worden. Zijn muze in wit. Ze hunkert naar kleur. Maar de kleur wil nog niet komen. Zijn hersenen denken in de vroege ochtend alleen maar aan zwart en wit. Grijze sluiers dringen langzaam binnen. Dringen binnen in de loods. Een megagrote loods. Pablo Johnson loopt naar de hoek van de loods en laadt zijn pick-up. Een gepinde hefarm krast korzelig droevige muziek uit het vinyl. Een bronstige stem zingt over rozen. Over plastic rozen. Grijsgedraaid. Opdat ze niet verwelken.
Omvangrijk is zijn muze. Ze ligt met haar benen wijd open. Op de koude vloer. Klaar en zuchtig voor ontvangenis. Pablo schrikt van zoveel ontwapening. Vanuit het centrum besluit hij te beginnen. Het moet. Want daar ligt de basis. Donzig zwart en grijs. Maar eerst een stevige borrel. Zonder liquid Jack is er geen beginnen aan. Zinnenprikkelend is de alcohol die langs zijn neusharen strijkt. El bandido komt tot leven. Zijn blik is veelzeggend, staat stijf van adrenaline. Tijd voor actie. Tijd voor performance.
Johnson stroopt zijn mouwen op. Bedachtzaam stuwt en sproeit hij sporen van lavendel over de witte dijen van zijn muze. Ze geniet en zuigt de lavendel met volle teugen naar binnen. Ze vraagt naar meer. Zwarte lijnen krioelen over het doek. Heel langzaam gaan ze op zoek naar kleur. Gulzig geeft Pablo zich aan zijn muze over. Met zijn neus volgt hij het lijnenspel en snuift grijs, zwart en wit naar binnen. De lijnen splijten zich in punten en vormen kleine poelen van verderf. Heel, heel langzaam lijkt Pablo de controle te verliezen. Maar niet voor lang.
Met zijn grote handen gooit hij het nog warme zand, uit de kruiwagen, over zijn muze. Het vocht van het warme zand verdampt en vermengt zich met de muze. Lavendel in de mist. Niets, maar dan ook niets wordt aan het toeval overgelaten. In fracties van gespleten secondes neemt Pablo zijn besluiten. In lavendel dansen nu de lijnen in speelse choreografie. Niets is wat het lijkt. Lavendel in de mist.
15-05-2014
Stilleven (1): Petmans ziet kraaien
Met een droevige blik zet hij zijn bierglas neer. Petmans heeft de afgelopen drie uur de omgeving goed in zich opgenomen. Het kleine terras, genesteld onder populieren, doet hem denken aan vroegere tijden. Toen alles beter zou zijn geweest. Tenminste als hij de oude mensen, die aan het tafeltje naast hem zitten moet geloven. Geloven doet Petmans eigenlijk nergens meer in. Na drie uur schouwen kan hij maar een ding concluderen. De oudjes hebben gelijk. Vroeger was alles beter.
“Wat zit je toch te mopperen mens, geniet een beetje van het leven, het is veel te kort”.
Petmans kijkt verbaasd om zich heen. De oude mensen naast hem turen het weiland in en houden hun mond stijf dicht. De lippen staan bevroren in hun gerimpelde gezichten. Een stralende zon probeert ze tevergeefs te ontdooien. Maar waar komt die stem dan toch vandaan?
“Ja hier, koekenbakker, hallo, ben ik in beeld?”
Petmans valt bijna van zijn stoel. Het geluid komt onder zijn bierglas vandaan. Hij tilt het bierglas op en kijkt met grote ogen naar het portret dat geschilderd staat op het bierviltje. Het portret geeft een vette knipoog. Wat een rare kwast, denkt Petmans.
“Rare kwast, rare kwast, hoor wie het zegt. Heb je jezelf al eens goed bekeken?”
Dat is een goede vraag. Wanneer heeft hij zichzelf ook alweer voor het laatst bekeken. Als hij het zich goed kan herinneren was dat toen hij zichzelf een oor aannaaide. In een donkere spiegel van zijn ziel. Maar dat lijkt alweer een eeuwigheid geleden.
“Nou, je hoeft niet zo vreemd te kijken hoor. Je weet verrekte goed waar ik op lijk. Zal ik het even voor je spellen? Of nee, nee wacht. Ik zal het voor je zingen?
Spiegelbeeld vertel eens even
Ben ik heus zo oud als jij
Is het waar, ben ik al zestig
Is m’n leven voorbij
‘k Ben wel jong maar ik ben toch niet zo jong meer als toen
‘k zou zo graag nog hier en daar
nog eens iets overdoen
Ennehhhh … Brings back memories?”
Petmans begrijpt er helemaal niets van. Wat wil die rare kwast toch van hem? En wat is dat voor een maf liedje dat hij daar zingt? Petmans pijnigt zijn gedachten en verbeeldingsvermogen. Vroeger, heel vroeger had hij vast een pasklaar antwoord gehad. Maar helaas. Dass war einmal.
De vertwijfeling is blijkbaar van zijn gezicht af te lezen. Want de oude mannetjes naast hem kijken Petmans meelijwekkend aan. Het hersenknarsen komt de mannetjes welbekend voor.
Een zwarte kraai komt vanaf de akker aangevlogen en gaat op de rug van de lege stoel zitten die naast Petmans staat. Met zijn linkervleugel poetst ie even zijn bolletje en kraait daarna met krasse stem: “Willeke Alberti, het is Willeke Alberti, zeker weten!”
De oude mannetjes komen nu plots in beweging en storten zich op het bierviltje van Petmans. Ze zijn met z’n drieën en bestuderen het bierviltje aandachtig. Al snel komen ze tot een gemeenschappelijke conclusie en roepen in koor: “Dat kan niet, stomme vogel, kijk maar, dat portret heeft een baard. Heb je ooit een vrouw met een baard horen zingen?”
“Ja maar, ja maar …”, sputtert de kraai tegen, “Het lied is van Willeke, niet het portret. Ze zingt over haar spiegelbeeld, stelletje ouwe dozen!”
“Ho, ho, ho …”, valt het bierviltportret bij. “Nu verklap je bijna de clou, stomme vogel. Laat Petmans alsjeblieft zelf tot conclusies komen. Ja, wil je? En luister eens Petmans. Heb je al eens goed naar mijn streken gekeken. Ja die okeroranje streken in mijn baard, herken je ze? Heb je toch jarenlang naar lopen zoeken? En wat vind je ervan. Ja, ja, man, verf en techniek hebben zich de laatste jaren flink ontwikkeld. Met dank aan de commercie?”
Het bierviltportret krijgt geen antwoord en krabt zich aan zijn baard. Petmans is vertrokken. Naar de horizon. Achter kraaimans aan. Het bierviltportret slaakt een diepe zucht. En de oudjes turen naar de einder. Met de lippen stijf op elkaar. Ze vonden Petmans best wel aardig. Hadden ze maar gezwegen.
“Wat zit je toch te mopperen mens, geniet een beetje van het leven, het is veel te kort”.
Petmans kijkt verbaasd om zich heen. De oude mensen naast hem turen het weiland in en houden hun mond stijf dicht. De lippen staan bevroren in hun gerimpelde gezichten. Een stralende zon probeert ze tevergeefs te ontdooien. Maar waar komt die stem dan toch vandaan?
“Ja hier, koekenbakker, hallo, ben ik in beeld?”
Petmans valt bijna van zijn stoel. Het geluid komt onder zijn bierglas vandaan. Hij tilt het bierglas op en kijkt met grote ogen naar het portret dat geschilderd staat op het bierviltje. Het portret geeft een vette knipoog. Wat een rare kwast, denkt Petmans.
“Rare kwast, rare kwast, hoor wie het zegt. Heb je jezelf al eens goed bekeken?”
Dat is een goede vraag. Wanneer heeft hij zichzelf ook alweer voor het laatst bekeken. Als hij het zich goed kan herinneren was dat toen hij zichzelf een oor aannaaide. In een donkere spiegel van zijn ziel. Maar dat lijkt alweer een eeuwigheid geleden.
“Nou, je hoeft niet zo vreemd te kijken hoor. Je weet verrekte goed waar ik op lijk. Zal ik het even voor je spellen? Of nee, nee wacht. Ik zal het voor je zingen?
Spiegelbeeld vertel eens even
Ben ik heus zo oud als jij
Is het waar, ben ik al zestig
Is m’n leven voorbij
‘k Ben wel jong maar ik ben toch niet zo jong meer als toen
‘k zou zo graag nog hier en daar
nog eens iets overdoen
Ennehhhh … Brings back memories?”
Petmans begrijpt er helemaal niets van. Wat wil die rare kwast toch van hem? En wat is dat voor een maf liedje dat hij daar zingt? Petmans pijnigt zijn gedachten en verbeeldingsvermogen. Vroeger, heel vroeger had hij vast een pasklaar antwoord gehad. Maar helaas. Dass war einmal.
De vertwijfeling is blijkbaar van zijn gezicht af te lezen. Want de oude mannetjes naast hem kijken Petmans meelijwekkend aan. Het hersenknarsen komt de mannetjes welbekend voor.
Een zwarte kraai komt vanaf de akker aangevlogen en gaat op de rug van de lege stoel zitten die naast Petmans staat. Met zijn linkervleugel poetst ie even zijn bolletje en kraait daarna met krasse stem: “Willeke Alberti, het is Willeke Alberti, zeker weten!”
De oude mannetjes komen nu plots in beweging en storten zich op het bierviltje van Petmans. Ze zijn met z’n drieën en bestuderen het bierviltje aandachtig. Al snel komen ze tot een gemeenschappelijke conclusie en roepen in koor: “Dat kan niet, stomme vogel, kijk maar, dat portret heeft een baard. Heb je ooit een vrouw met een baard horen zingen?”
“Ja maar, ja maar …”, sputtert de kraai tegen, “Het lied is van Willeke, niet het portret. Ze zingt over haar spiegelbeeld, stelletje ouwe dozen!”
“Ho, ho, ho …”, valt het bierviltportret bij. “Nu verklap je bijna de clou, stomme vogel. Laat Petmans alsjeblieft zelf tot conclusies komen. Ja, wil je? En luister eens Petmans. Heb je al eens goed naar mijn streken gekeken. Ja die okeroranje streken in mijn baard, herken je ze? Heb je toch jarenlang naar lopen zoeken? En wat vind je ervan. Ja, ja, man, verf en techniek hebben zich de laatste jaren flink ontwikkeld. Met dank aan de commercie?”
Het bierviltportret krijgt geen antwoord en krabt zich aan zijn baard. Petmans is vertrokken. Naar de horizon. Achter kraaimans aan. Het bierviltportret slaakt een diepe zucht. En de oudjes turen naar de einder. Met de lippen stijf op elkaar. Ze vonden Petmans best wel aardig. Hadden ze maar gezwegen.
Abonneren op:
Posts (Atom)