Posts tonen met het label wk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label wk. Alle posts tonen

18-05-2026

Pentecostalisme

Geen enge ziekte of politieke beweging maar een moderne geloofsovertuiging in Pinksteren. Eentje die met rasse schreden toeneemt in onze huidige tijd. Het kent inmiddels zo’n 600 miljoen aanhangers wereldwijd. Dat zijn er 120.000 keer meer dan de verwachtte aanhang van het Oranjelegioen, dat in juni het Nederlands Elftal, tijdens het WK voetbal zal toejuichen. Maar pas op, de aanhangers van het pentecostalisme zijn haast net zo fanatiek. Moderne kerkgenoten die ook hun tongen durven roeren. Ze hebben daar zelfs een naam voor: Glossolalie (spreken in tongen). En net als de aanhangers van het Oranjelegioen hopen ze op een gave van de Heilige Geest. Alleen niet uitgedrukt in doelpunten en wereldbekers. Zij drinken andere bekers leeg. Hopelijk niet giftig. Santé!

15-05-2026

Hoger die handjes de lucht in

Eurovisie Songfestival, tweede halve finale en dan die handjes (of hendjes) hoger de lucht in. Met vlag en al. En Vicky Leandros erachter aan. Met Boy George als goede tweede. Schoppen mag ook. En dan die voetjes de lucht in. Hoger en hoger ... totdat ze allemaal opstijgen. Met zwevende artiesten en zingende viool de finale in. Op karakter in een mooi pakje, liefst doorschijnend; hoewel die vleeskleurige leggings toch alles strak laten uitzien, zelfs modderbenen en dito kont, en met bovenal heel veel stemmen. Tien keer minimaal stemmen op je favoriet. Dat maakt 9,99 euro betalen voor je favoriet, hopend dat die pakweg 30 keer 12 punten krijgt van de vakjury en nog meer van het publiek, Israël dus.

En nu gaat Madonna ook nog eens tijdens de halftime pauze bij de finale WK voetbal zingen. In plat Amerikaans. 68 Jaar en zo sexy als een bezemsteel. Dat wordt wat. Shakira, Shakira ... roepen de Muppets dan verbijsterd. En een Kapotband uit Japan mag dan afsluiten. Of hebben we toch liever Celine Dion? Je weet wel die van de mosterd ... na de maaltijd. Hogerhand zal Maf Donald het met Infantielo wel bekokstoven. En let op mijn woorden. De Swedish Chef gaat scoren. Lang leve Immerbramofniets en Lionel Andrés Messi Cuccittini. Nee, niet die van de koekjes ... maar van Argentina Turner. 

13-09-2017

Der Bomber

De zandloper staat op tafel. Heel langzaam zie ik het zand door het kleine gaatje stromen. En ik kan maar een ding denken. Laat het alsjeblieft heel even regenen in het bovenste deel van de zandloper. Kan dat? Nee, natuurlijk kan dat niet. Maar ik kan het wel denken, toch? Zodat het zand stroperig wordt en niet meer door het gaatje kan. Alsjeblieft. Ik moet toch ergens tijd winnen?

De zandloper staat nog steeds op tafel. Tien paar ogen staren me aan. Hoelang houd ik dit nog vol? Zie ik nu pretogen of bezorgde ogen? Ik kan het maar moeilijk peilen. Mijn eigen blik bevat maar een staat. Een staat van paniek. Ik voel ook tranen prikken. Nu al? Ik heb toch nog tijd? Mijn gedachten dwalen weer af. Wat als er nu een heel klein mannetje in de bovenste helft van de zandloper zou opstaan uit het zand? En dan, ja sorry, een heel klein poepje zou doen? Maar pas nadat hij driftig met zijn kleine handjes eerst een flinke kuil heeft gegraven. Kan dat? Ik stel het mezelf voor. Nee, dat gaat nooit lukken, graven en poepen tegelijk. Ik zie het zand steeds sneller stromen. Weg tijd.

De vraag, wat was nu ook alweer de vraag? Tien paar ogen staren me nog steeds aan. Een sportvraag. Wie scoorde in 1974 het bevrijdende doelpunt voor de Duitsers tijdens het WK voetbal? Wat een rotvraag. Hoezo bevrijdend doelpunt? Is dit een flauwe grap? Wil ik die vraag überhaupt wel beantwoorden? Maar opgeven is geen optie. Tien paar ogen kijken me op het moment suprême heel ernstig aan. Tien handen kloppen met hun vingers ongeduldig op de tafel. Hoezo tijdsdruk? De bonusvraag, in welke minuut werd er gescoord, laat ik schieten. Schieten, bombarderen? Der Bomber! Gerd. Gerd Müller! Ik zie de laatste korrel door het gaatje glijden. Shit! Weer verloren.


Schrijfopdracht Web Tales (naar een idee van Christa Sevichny)
Onderwerp: Suspense en tijdsdruk!
Een manier om suspense toe te voegen is tijdsdruk. Tijdsdruk is in feite een probleem of oplossing met een tijdsaspect. Het probleem of de oplossing daarvan zal plaatsvinden binnen een gestelde tijd (een week, een dag, een uur). Bijvoorbeeld: de bom gaat af over een half uur of morgen hoort jouw personage of hij is aangenomen voor zijn droombaan. Het kan ook gebeuren dat het probleem erger wordt gedurende een bepaalde tijd, bijvoorbeeld wanneer een personage gewond is en zo snel mogelijk hulp nodig heeft.

Tijdsdruk hoeft niet gebonden zijn aan de tijd zoals aangegeven op een klok; het is zelfs aan te raden om te vermijden dat jouw personage continu op de klok kijk. Het gevoel van tijdsverloop is voldoende, bijvoorbeeld “Zodra mijn man terugkomt van de oorlog kan ik hem vertellen dat ik zwanger ben” of “Over enkele ogenblikken zal de jury bekendmaken wie de wedstrijd gewonnen heeft”.

Bedenk ten minste drie manieren om tijdsdruk toe te voegen aan jouw verhaal. Het kan handig zijn om eerst te bedenken wat jouw personage zou willen bereiken. Dit kan iets heel kleins zijn, bijvoorbeeld je wil een cadeautje kopen voordat de winkels sluiten, of iets heel groots, bijvoorbeeld iemand die terminaal ziek is maar toch die grote wereldreis wil maken.


29-01-2015

Mien korte verhalen (1 t/m 15) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 27-12-2014 en 28-01-2015

1) Het is een jongen (27-12-2014)

Hij werd geboren lang, lang geleden in een bakje met stro. Een levendig menneke, nee, bepaald niet dood. Dat kon ook haast niet anders, want stro, juist ja, dat prikt behoorlijk aan je blote kont. En dat is de waarheid. Klein maar groot. Groot in zijn waarheid. De grote vraagt rijst nu, waar is dat levendige menneke geboren en wie waren zijn ouders? Als ie die al überhaupt had.

Wie zal het zeggen? De schrijver? Hij weet het nog niet. Die is nog veel te veel bezig met de delen die gaan volgen. Voorlopig eerst nog maar eens een plot breien aan deze eerste kleine waarheid. Waar die verstopt zit? In zijn grootheid? Alleen het menneke weet dat. Alleen, wat spijtig nu, hij kan nog niet praten. Laat staan schrijven. Wat nu?

Gewoon de goden verzoeken. Goden met een hoofdletter. Het staat in hun Sterren en Hoofden geschreven. Het grote Plot. Maar vooralsnog gaan we eerst maar eens op zoek naar de kleine waarheid. De eerste kleine waarheid. In al zijn grootheid. Het is een jongetje. Ja, ja. Met alles erop en eraan.

Spannend? Niet echt. Onderhoudend? Wie zal het zeggen? Maar … Mocht het nog niet zo zijn … het kan nog altijd komen! Er ligt een uitdaging, de lezer te blijven boeien. Met korte verhalen, gevat in een biografie. Uit het leven gegrepen en kort door de bocht. Vanuit een foute auto, die de lezer zelf mag verzinnen. Die auto. Smaken verschillen immers. Net als beelden.

Een jongen is het dus. Die Mien. De eerste kleine grote waarheid. Hij gaat het opnieuw beleven. Zijn nog korte boeiende leven. In herbeleving, vastgelegd voor de eeuwigheid. Een zware dobber wordt het, voor zowel de lezer als de schrijver. Kleine grote waarheden, in minder dan driehonderd woorden. Tot het boek uit is.

2) Devil in disguise (30-12-2014)

Een jongen is het dus. Die Mien. De eerste kleine grote waarheid. Hij gaat het opnieuw beleven. Zijn nog korte boeiende leven. In herbeleving, vastgelegd voor de eeuwigheid. Een zware dobber wordt het, voor zowel de lezer als de schrijver. Kleine grote waarheden, in minder dan driehonderd woorden. Tot het boek uit is.

Ik houd een oranje gesluierde foto in mijn hand. Ze staan allemaal naast het kraambed. In grote verwondering. Ik herken ze onmiddellijk, het is familie nietwaar, twee broers en een zus. Mama houdt me stevig vast. Papa staat er niet op. Die staat achter de camera. Een spiksplinternieuwe Voigtländer. Veel te groot voor de portemonnee. Maar voor deze speciale gelegenheid heeft hij diep in de buidel getast. Op zoek naar kwaliteit. Voor zijn gezin het allerbeste.

De foto ademt een vermoeide sfeer. Weer een kleine erbij. Eigenlijk kan het niet, maar gods water stroomt nu eenmaal over gods akkers. En kijk toch eens. Wat is ie schattig en lief. De kleine Mien. Een trotse pap, een bezorgde mams, een dolgelukkig zusje en twee broers staan aan zijn zijde. Mien’s leven kan beginnen. Het enige dat nog ontbreekt zijn bomen en een hond. Maar ach, je kunt niet alles hebben. Vooralsnog ligt het geluk veilig opgeborgen, zowel in verleden, heden als in het verschiet.

Daar ligt ie dan. In moeders armen. Misschien wel met dank aan Reinier Paping. Gewikkeld in muziek express. Compact opgenomen op muziekcassette. Devil in disguise. Wat kan het leven toch mooi zijn, zelfs in stil verdriet. Wie wil er een cowboy als man? Mia, Ria? De buren vallen over hun eigen taalgrens. Ach, lass mein Herz nicht weinen, lass mich noch einmal in die Ferne. Ich bin kein Berliner. I have a dream. Een Porsche 911. Marijke wordt Christina. Alleman eet vlaflip. Zelfs kleine Mien.

3) Groeien als kool (02-01-2015)

Freddy Quinn galmt door de keuken: ‘Junge komm bald wieder’. Het maakt mijn moeder op een vreemde manier gelukkig. Net als Toon Hermans dat doet met zijn onemanshows. Het zal nog pakweg vijf jaar duren voordat Toon op zoek gaat naar zijn feestneus. Nog zeven jaren voordat Twee Pinten op de keukendeur schrijven: ‘het is niet altijd rozengeur’.

Maar ik weet al waar de feestneus ligt. Ik zie hem dagelijks voor me. Boven mijn wieg. Niet vreemd. Ik krijg het carnavalsmedicijn iedere dag met de paplepel ingegoten. Het stroomt door mijn bloed, slagaderlijk. Eigenlijk slagvaderlijk en slagmoederlijk. Mijn paps en mams lusten er pap van. Zij hebben geen feestneus nodig. Ze hebben mij. Slingers hoeven ze niet meer op te hangen. Maskers huilen, maskers lachen. Serpentines dwarrelen.

Met de rozengeur is het andere koek. Ook al ruikt rozengeur lekker, mijn babygeurtjes overstijgen alles. Schrijf dat maar op het behang. Het is nu zaak zo snel mogelijk te groeien. Ik eet alles wat los en vast zit en groei als kool. Ik begin er zelfs een beetje op te lijken. Op kool. Soms groen, soms rood, soms wit. Een mens is dat wat hij eet. Gelukkig is het eten in huize Mien kleurrijk.

Het duurt niet lang voordat ik in de gaten krijg dat een aantal zaken niet echt kloppen in huize Mien. Ook al besef ik ze niet ten volle met mijn nog lege babyverstand, het klopt gewoon niet. Ook de klok, die trouw naast de kamerdeur het huis bewaakt, maakt vreemd geluid. Hij tikt vreemde stiltes weg. Soms slaat ie over. Overschreeuwd door moederangst. Wat moet ik daar als baby mee? Het besef zal pas jaren laten doordringen. Een gelukkige consequentie van groei. Een logisch gevolg van het eten van kool. Groene, witte, rooie en savooie.

4) Stuyvesant (04-01-2015)

Het duurt niet lang voordat ik in de gaten krijg dat er een aantal zaken niet echt kloppen in huize Mien. Ook al besef ik het niet ten volle met mijn nog lege babyhoofd, het klopt gewoon niet. Ook de klok die trouw naast de kamerdeur het huis bewaakt maakt vreemd geluid. Hij tikt vreemde stiltes weg. Mijn moeder weet dat.

Iedereen is naar school of naar het werk. Zus naar de meisjesschool, grote broer naar de jongens en andere broer naar de kleuter. Pa wisselt werkdiensten in het ziekenhuis. Hij zit in de ontvangstcommissie. Altijd keurig in uniform, met pet, netjes en verzorgd. Hij heet alle mensen van harte welkom en maakt ze wegwijs. Vriendelijk en plichtsgetrouw. Dag en nacht. Vandaag heeft ie vroege dienst.

Ik zit alleen met mams. En mams met mij. Een zoveelste kindje dat aandacht vraagt. Naast dagelijkse beslommeringen en rituelen, een verzoeking. Maar ze bieden wel structuur. Om het gezin en zichzelf op de rit te houden. Dapper houdt ze vol. Gelukkig kan ze teren op ervaring. Ervaring en vertrouwdheid maken het leven voor haar meer aangenaam, leef- en troostbaar.

Ergens weet en voelt ze het. Iets klopt er niet in huize Mien. Maar ze kan er niets mee. Rust, reinheid en regelmaat houden haar op de been. En Stuyvesant, goedkope Duitse sigaretten, in 1959 op de markt gebracht. Vernoemd naar Peter Stuyvesant, gouverneur van Nieuw Amsterdam, die in 1645 overzees Willem Kieft opvolgde. Alwaar hij succesvol indianen wegjoeg en het land uitbreidde.

Een pakje per dag rookt ze. Minimaal. Zie haar eens op de bank liggen? Ze heeft het nodig. Kindje gewassen, bedjes opgemaakt, huis gestofzuigd. Pauze. Ze heeft het verdiend. Gelukkig heeft ze haar pillen niet vergeten. Iets klopt er niet in huize Mien. Met haar. Maar wat? Zou ze er ooit achter komen?

5) Eat, sleep, rave, repeat (05-01-2015)

Het is te lang geleden. Voor iedereen, zo blijkt, als ik er later naar vraag. Maar wat doet het precies met mij? Wat doet het met blanco pagina’s in een leeg babybrein. Het blijft gissen. En dat zal ook altijd zo wel blijven. Ondanks dat ik er naar blijf zoeken. Accepteren dan maar. Moeder is een beetje ziek. Veel ziek. Ernstig ziek. Maar we vertellen het niemand. Veel te moeilijk. Waarom zouden we?

De gordijnen blijven vandaag dicht. Alweer. Het is hartje zomer. Bloedheet. Mams verdraagt het felle zonlicht niet. Het houdt haar wakker. Dat wil ze niet. Bovenal houdt het haar gedachten wakker. Die verdragen het daglicht al helemaal niet. Ik zou ze willen vangen. Haar gedachten. Ze geselen en beknotten. Ze opnieuw vormgeven. Verzachten en plezieren. Met liefde en warmte terugplaatsen als een zalvend medicijn. Maar ik weet het. Net als moeder. Het kan niet. Het is goed mis in huize Mien.

Koest houden is nu de zaak. Noodtroepen mogen niet worden ingeroepen. Het is een kwestie van volhouden. Eat, sleep, rave, repeat. Eat, sleep, rave, repeat. Telkens hetzelfde liedje. Ik raak er aan gewend. Net als mams. De verstilling, de fysieke afstand. In de droomwereld van mams is weinig plek voor aarden. Alleen dingen die moeten, ja die gebeuren. Tot daar gaat het en niet verder. Uit alle stopcontacten lijken geluiden te komen. Het maakt mijn moeder angstig. De angst vliegt rauw door de lucht en landt op de vreemdste plekken. Op lege pagina’s in babybreinen. Wat nu?

Mams rust nog even uit. De kinderen komen zo van school en de vroege dienst van paps is bijna afgelopen. Ze raapt zichzelf bij elkaar en zet haar dag minutenlang op een rij. Nog even snel een Stuyvesant. Peter helpt haar dingen ordenen, in de plaatsing van de dag.

6) Vrije val (08-01-2015)

Het is koud in mijn wieg. Gelukkig word ik er zo nu en dan uitgetild. Door mijn lieve zusje. Die is keiblij met kleine broer. Het liefst gaat ze met me op pad. Trots als een pauw toont ze me aan de hele buurt. ‘Dit is mijn kleine broertje. Is het geen schatje?’ Ik knoop de woorden en de beantwoording goed in mijn oren. Je weet nooit waar het goed voor is. Zo’n lieve woordenopslag. Het babybrein slaat dit maar al te graag op. Betekenis verlenen kan later nog. Zin en onzin laat zich vaak pas na een lang leven duiden.

En daar lig ik dan plots op de straat. Oeps. Zusje heeft de stoeprand niet gezien. De kinderwagen is omgekukeld. Vrouwen aan het stuur? Altijd oppassen. De degelijke kinderwagen heeft mij verhoed van ernstige kwetsuren. Mien kinderen worden altijd vervoerd in kleine wagentjes van kwaliteit. Met verschrikte babyogen kijk ik over het wollen dekentje waar ik stevig verpakt inhang en tuur over de straatstenen. Ik zet nu toch maar even de sirene aan.

Gelukkig woon ik in een dorp, in een buurt waar Erens en Gezelle over mij waken. Ik lig op een dichterlijk kruispunt. Een memorabele gebeurtenis in het nog prille leven van Mien. De gebeurtenis zal nog jarenlang uitvoerig beschreven en bezongen worden. De buurvrouw is toegeschoten en helpt mijn zusje de kinderwagen rechtop te zetten. Ik word opnieuw strak ingepakt en laat kraaiend mijn waardering horen. Daarmee pak ik de buurvrouw weer in.

Tijdens het avondeten zwijgt mijn zusje in alle talen. ‘Lekker gewandeld?’ vraagt paps tussen de soep en aardappels door. Ik denk en voel er het mijne van. Zou het liefst plaatsvervangend willen antwoorden, maar ben daartoe nog niet in staat. Eerst maar eens wat woordjes leren. Het blijft een lieve zus.

7) Wallie (09-01-2015)

De eerste woordjes die ik leer zijn niet ‘papa’ en ‘mama’, maar ‘stil’ en ‘rustig’. Ik heb ze snel onder de knie. Ook al passen ze niet echt binnen de sferen waarin ik geboren ben. Huize Mien staat voortdurend op zijn kop. Ik verstouw alle troubles in mijn babydromen. Herinneren doe ik ze niet, voelen wel.

Al op jonge leeftijd droom ik kleine nachtmerries. Ze vinden vaak plaats in het grote bed bij oma en opa. Net baby-af word ik daar regelmatig, samen met mijn broer, tijdelijk ondergebracht als het weer eens stormt rondom mams. Knuffel Wallie behoedt me dan altijd voor het kwaad. De speelgoedteckel waar ik alle avonturen mee beleef en deel.

Hoe vaak ik Wallie onder mijn neus duw is ontelbaar. Hij ruikt ook zo lekker. Naar mams, naar Eau de Cologne en naar een combinatie van andere wateren. Het zijn mysterieuze wateren, uit net zo mysterieuze kleine flesjes, die ik in een verloren moment over Wallie heb uitgegoten, voor het dressoir met klapspiegels, in de slaapkamer van paps en mams. Met de poeierdozen op het dressoir heb ik nog geprobeerd om Wallie te drogen. Maar het mocht niet baten. Wallie rook sindsdien naar eeuwigheid.

De geur herinner ik mij nog goed. Een geur vol troost. Wallie bood vaak een vluchtroute voor mijn neus. Voor de lucht van langzaam opdrogende urine die bijna iedere nacht mijn neusvleugels prikkelde. Weeë lucht die eerst lauwwarm aanvoelde en daarna ijskoud. Een kil gevoel dat werd versterkt door het koude natte bruine zeiltje dat aan het linnen onderlaken vastplakte. Wakker en met mijn hoofd links en rechts schuddend in het kussen, probeerde ik iedere avond de slaap vatten. De benen strak gespannen om maar niet nat te liggen. Hopend op nachtrust. Bang voor nare dromen die ongetwijfeld zouden komen.

8) Walhalla (12-01-2015)

Nog voor ik kan lopen en zelf de wereld leer ontdekken, maak ik op piepjonge leeftijd kennis met vreemde oorden. Walhalla’s van bezinning en plezier. Twee noem ik er in het bijzonder. Ze ruiken beiden naar rook. Het ene ruikt naar wierook, het andere naar sigaren- en sigarettenrook. Ze ruiken ook naar drank. Het ene walhalla ruikt naar wijn, het andere naar bier.

In beide walhalla’s wordt de bel met regelmaat geluid. Aankondigingen voor brood, drank en gebed vinden plaats in kerk en café. Het zijn heuglijke momenten voor walhallagangers. Mijn kinderwagen wordt bij beide gelegenheden als een klein paardje in de gang gestald. Dicht bij het altaar of dicht bij de tap. Dicht bij hemelse vuren. Waarbij het ene vuur wat warmer voelt dan het andere.

Voor beide walhalla’s word ik opperbest gekleed, in zondagse kleren. Ik mag en moet gezien worden. Met Carnaval word ik verkleed als boertje van buiten, met geruite zakdoek, rood geschminkte wangetjes en een klein blauw petje. Als baby word ik vroeg ingewijd, in religies van bezinning, licht en plezier. Ingewijd in rituelen van katholieke kerk en Carnaval. Geheel volgens Limburgse traditie. Voorlopig alleen nog met brood, vlaai en melk. Gelukkig maar.

Pa en ma geven hun geloof en de bijbehorende feesten aan heel het gezin door. Met hoofd, hart en paplepel. Totdat mams sterft, veel te jong, achtenveertig jaar. Niet geheel onverwacht, maar toch nog plotseling. Ze bezwijkt door ziekte, angst en zorg. Ik ben dan negen. Geen enkel gebed, religie of feest biedt daarna nog troost. Carnaval, Pasen, Kerst, Oud en Nieuw, ze zullen nooit meer zoals vroeger zijn. Net als huize Mien. Diepe droevenis daalt neer. Maar niet voor mams. Zij is op weg naar haar ultiem Walhalla, naar welverdiende rust. Weg uit een wereld die voor haar totale chaos was.

9) Balkonscène (15-01-2015)

De zomer is dit jaar bloedheet. De avonden koelen nauwelijks af. Ik zit vastgeplakt op het balkon en niemand ziet me. Weggescholen in een hoekje achter de balkontralies probeer ik niet te zijn. Ik druk mijn rug stevig tegen de warme muur. Eigenlijk moet ik in bed liggen, maar ik kan de slaap niet vatten. Niemand, maar dan ook niemand mag weten dat ik nog een stukje avond meepik. In gedachten ben ik samen met de rest van de familie die beneden op de plaats de hete zomeravond stuk slaat.

Ik geniet van de merels die hun hoogste lied fluiten en van het buurtgeroezemoes dat in de lucht hangt. Waarom moet ik toch zo vroeg naar bed? Mijn broer is toch ook nog op? Waarom hij wel en ik niet? De jongste hè. Ik duw mijn neus voorzichtig door de spijlen van het balkon en zie de zinken teil waarin ik de hele middag gespeeld heb, samen met mijn broer. De geur van natte stoeptegels dringt weer door in mijn neus. Een warme natte zomerlucht.

Wat hebben we samen fijn gespeeld. Emmertjes water vlogen door de lucht. Het water droogde vliegensvlug op de stoep, in steeds kleiner wordende vlekjes. De hete tegels deden ons spontaan hinkelen, met de zinken teil als koude landingsplaats. Stilzitten was niet mogelijk. Vervelende vliegen plakten op onze rug. Niet weg te slaan met natte handdoeken. Handdoeken die we strak om onze bovenbenen naar boven oprolden, tot tulband. We waanden ons dan Arabier. Totdat de handdoek op ons hoofd weer uit elkaar viel.

Het hart slaat in mijn keel. Ik ben gespot. Ik zie mijn vader beneden op de plaats naar binnen lopen. Snel duik ik in bed en verstop me onder het laken. Ik hoor paps onder aan de trap staan. Oogjes dicht dan maar.

10) Poppenspel (17-01-2015)

Er bestaan fasen in een mensenleven waarin kleine jongetjes net meisjes zijn en vice versa. Verwarrend soms voor ouderen maar zeker ook voor de kleintjes zelf. Het lijkt allemaal van te voren bepaald te zijn. Roze is roze en blauw is blauw. Punt uit. Gelukkig bevestigen uitzonderingen de wereld.

Ik slaap mijn eerste jaren bij mijn zus op de kamer. Mijn zus vindt het gezellig en leuk. Ik ook. Na twee broers ben ik haar gedroomde kleine zusje. Ik mag dan ook met haar poppen spelen. Wat lief. Ik krijg van haar een zwarte pop. De blonde houdt ze voor zichzelf.

In mijn armen ligt een schattig negerpoppinnetje. Ze kijkt me met grote bruine pretogen aan. Ik doe eerst de draaiproef. Benen, armen en hoofd, ik draai ze allemaal rond. Vervolgens draai ik armen en benen kruislings op haar rug en gooi ze daarna over haar schouder. Het kost me veel moeite om haar weer in originele positie te brengen. Dat moet. Mijn zus heeft me uitgenodigd voor een verkleedpartij.

Helaas passen de jurkjes van haar pop mijn negerinnetje niet. Ze is een beetje lomp en groot geschapen. Wat nu? Kammen heeft ook weinig zin. De zwarte krulletjes laten zich met kam noch borstel plooien. Ik geef het op. Veel te snel volgens mijn zusje. Maar hee, ik begrijp het meteen. Meisjes bepalen altijd de keuze. Daar breng je als kleine jongen niets tegen in. Voor mij is het moeilijke zwarte popje zonder kleren. Ik leer snel denken. In blauw.

Mijn zus is al gauw toe aan Ken en doktertje spelen en ik aan een nieuwe kamer. Het was wel altijd gezellig op de kamer met mijn grote zussie. Totdat ik haar spaarpot leegplunderde, met een stopnaald. Toen waren de rapen gaar en mijn pap woest. Terecht.

11) Eerste communie (20-01-2015)

Glimlachend gooit de zon zijn stralen naar beneden. Vandaag doe ik mijn eerste communie. Ik zie er picobello uit, om door een ringetje te halen. Korte crèmekleurige broek, lichtblauw overhemd, kleine oranje gestreepte stropdas, suède sandalen, brandschone witte sokken en een linnen jasje.

De rest van de familie is ook tot in de puntjes gekleed. Het heeft slechts twee oorlogszaterdagen bij de C&A gekost. Uiteindelijk is het allemaal gelukt. We mogen gezien worden. Voor de kerk vindt nog een kleine keuring plaats. Goh, kijk toch eens, die van Janssen hebben niet eens de moeite genomen om zich netjes te kleden?

De dienst duurt veel te lang. Best eng om zo helemaal voorin de kerk te moeten zitten. Alle godsdienstlessen worden nog eens opgelepeld. Ik lispel de woorden die er zijn ingepompt langzaam voor me uit. Tijdens de communie word ik zenuwachtig. De pastoor legt een voor een de hosties op de tong bij mijn voorgangers. Ik kan alleen maar denken: ‘Wat als ik hem nu per ongeluk bijt?’ Gelukkig gaat het goed.

Bij de uitgang wordt nog snel een foto gemaakt. Mijn moeder naast me is trots en gelukkig, net als ik. Thuis is het feest. Met alles erop en eraan. Familie, vrienden, koffie, vlaai, kaas, leverworst, zilveruitjes en augurk, bier en moezelwijn. Op de tafels, glaasjes met sigaretten. Caballero zonder filter, Stuyvesant met.

Het bezoek druipt binnen. Van mijn tante krijg ik een chocoladereep met vijf guldens erop geplakt. Van oma een kinderbijbel, ‘Groot nieuws’. Maar het mooiste kado komt van pa en ma. Eigenlijk weet ik al wat het is. Zou ie mooi zijn? Ik word niet langer in spanning gehouden. Stiekem heeft mijn vader hem de plaats op gereden. Een spiksplinternieuwe blauwe minifiets. Het feest gaat verder zonder mij. Dolgelukkig fiets ik op mijn nieuwe fiets.

12) Onderste Molen (22-01-2015)

Het is zaterdag en hartje zomer. De hele familie maakt zich op voor een dagje waterpret bij natuurbad ‘Onderste Molen’. Mams en zus zijn al vroeg in de ochtend bezig met de voorbereidingen. Ze persen gekookte aardappels en soepvlees door de gietijzeren draaimolen. Zilveruitjes, wortel, augurken en mayonaise worden later toegevoegd. Onder de koude schotel komt nog wat sla.

Een grote pan koude thee wordt overgegoten in twee thermoskannen. Witte boterhammen, dik belegd met gebakken ei, rolletjes King en Rang en een pak Mariakoekjes verdwijnen in de tas van mams. Mijn broers hebben handdoeken, luchtbedden en een strandbal opgeduikeld. De gele opblaaskano en voetpomp mogen niet vergeten. Alles wordt achterop de fiets, stevig onder snelbinders vastgebonden.

Ik mag bij mams voorop in het kinderstoeltje. Het is tien uur en al bloedheet. Aangekomen bij het zwembad liggen we binnen vijf tellen in het water. Het is lekker koud en ruikt naar modder. De modder plakt tussen onze tenen. We spelen en ravotten de hele dag. Mijn grote broer en zus wisselen het spelen af met lezen. Mams doet de catering en zucht onder de hete zon. Ze geniet onbezorgd met volle teugen van ons kinderspel.

Rond een uur of twaalf voegt papa zich bij ons. Hij komt uit de vroege dienst. Na een familieduik in het groene water zoekt hij onder de bomen verkoeling en valt in een diepe slaap. Ik kruip op de buiken van dikke dames die liggen te zonnen, op zoek naar snoepjes en wat aandacht. Ik kraai van plezier en verdwijn twee weken later in het grote familiefotoboek, met dank aan Kodak. Bij thuiskomst genieten we allemaal nog even na. Van het lekkere softijs van een kwartje, hese luchtpijpen en roodverbrande ruggen. Insmeren met koude Nivea biedt gelukkig wat verkoeling.

13) Koekkoek (24-01-2015)

Al op jonge leeftijd doe ik flink mijn best. Met alle spelletjes die maar mogelijk zijn. Enthousiast, fanatiek en gedreven. Waar gewin is, is een wil. Waar een wil is, is een weg.

“Eén …!” Ik spring snel naar voren en land met mijn benen in spreidstand. Mijn linkerbeen staat naar voren en mijn rechter naar achteren. Ik wankel. Ik krijg mijn lijf erboven met geen mogelijkheid stil gezet. Het moet. Ik heb nog twee seconden. “Twee …!” Mijn armen helpen niet echt, ze zweven in de lucht. Mijn lichaam zwaait op en neer en ik val bijna voorover. Met de grootst mogelijke inspanning verbijt ik lijf en leden en sta doodstil. Net op tijd. “Drie … Koekkoek!”

Het meisje aan de overkant van de weg ontdooit. Ze staat met de rug naar ons toegekeerd en draait haar hoofd supersnel weg van de gekruiste armen die tegen de muur hangen. Drie seconden lang zat haar hoofd daarin verstopt. Het tellen leek een eeuwigheid te duren en is ineens voorbij. Op straat staan vijf bevroren kinderen in vreemde poses. Stiekem kijk ik of mijn buurman niet beweegt. “Ja, ja, Mien, kleine Mien, jij bewoog. Drie passen terug!” Alweer ik. Dat is niet eerlijk.

Het touwtje springen gaat me beter af. Ik mag het touw vasthouden. Kan er ook niets misgaan. Met al mijn kracht breng ik het touw langzaam in beweging. Het duurt even voordat ik hetzelfde ritme draai als het jongetje aan het andere eind van het touw. De meiden die in het touw springen kraaien van plezier en zingen in koor: “In spring, de bocht gaat in; Uit spuit, de bocht gaat uit!” En ik … ik denk alleen maar: ‘Wanneer mag ik nu eindelijk?’. Helaas te laat. “Jongens, komen jullie eten!” Ja, ho eens even. En de meiden dan?

14) Wolwegen (26-01-2015)

De ruwe vloerbedekking prikt aan mijn billen. Ik geef geen kik. Mama slaapt op de bank in de kamer. Ik mag haar niet wakker maken. Beter van niet. Mams maakt vreemde geluiden in haar slaap. Soms, als het slapen mij te lang duurt, kruip ik heel voorzichtig naar haar toe en ga dan op de grond zitten, vlak bij haar hoofd met mijn rug tegen de bank. De warme adem die ze snurkend uitblaast glijdt dan over mijn gezicht. Dat voelt fijn.

Vanmiddag is het weer zo’n saaie middag. Ik verveel me stierlijk. De autootjes waarmee ik de tijd dood, zijn al jaren grijs gespeeld. Tot aan het aluminium is de verf eraf gesleten. Met dank aan mijn broers, de vroegere bezitters van het speelgoed. Voor de tiende keer leg ik een nieuw parcours aan. Nieuwe wegen knippen gaat niet meer. Mijn wegenwol is op. Voorzichtig trek ik wat wegen los van de vloer. Waar zal ik ze nu eens neerleggen?

Ik reik naar achteren om nog een woldraad aan de buitenkant van het parcours weg te trekken. Die heb ik nodig voor een laatste verbinding. De draad ligt te ver weg en ik val achterover. Van schrik slaak ik een kreet, een deel van het parcours plakt op mijn rug.

Mams vliegt woedend van de bank en komt op me afgerend. Ze houdt een van haar pantoffels, hooggeheven in de hand. Ik spurt rondjes rond de tafel. Het parcours plakt nu ook aan mijn voeten. Al snel geeft mams de achtervolging op en smijt de pantoffel naar mijn oren. “Rotjong!”, roept ze nog. Het hart klopt in mijn keel. Wat heb ik toch misdaan? Mams kruipt terug op de bank en slaapt de middag verder rond. Ik vermaak mezelf, totdat de rest van de familie thuiskomt. Vers speelvolk, eindelijk.

15) Goud in de benen (27-01-2015)

Vandaag is een spannende dag. De spanning zindert boven pakweg 13.500.000 hoofden, in gans Nederland. Voor wie een auto heeft is er nog een laatste kans. Aan de grens staan grote files. Nog zo’n twaalf uur te gaan voor late beslissers. Elektronicawinkels doen goede zaken. De kleurentelevisies vliegen de deur uit. Zo ook eentje richting opa en oma. Een hele grote. Een echte Grundig.

Vandaag is de grote finaledag. Wekenlang heb ik op straat met voetbalvriendjes alle wedstrijden nagespeeld. Samen ruzie gemaakt over wie wie mocht zijn. Het is zondag 7 juli 1974. Ik hoef mijn voetbalschoenen niet zwart te poetsen, de strepen niet wit met Vim. Vandaag gaat familie Mien naar opa en oma. Om de WK-finale te zien. Die gaan we winnen, zeker weten.

Opa glundert achter zijn sigaar. De dames doen de drankjes en borrelhapjes, de mannen zitten gekluisterd aan de buis. We kennen alle namen van buiten. Arie, Ruud, Jan en Johnny, Rob, twee Johans en vier Wimmen, op de bank Rinus en de wissels. We kennen zelfs de Duitsers bij naam. Der Sepp und Berti, Rainer, Uli, Wolfgang, Jürgen, Hans-Georg, der Paul und der Franz, Gert und Bernd, op de bank Helmut und Günter.

75.000 Supporters schreeuwen hun longen uit, allen gekleurd in oranje, wit of zwart. Taylor blaast op zijn fluit. Binnen één minuut danst onze Johan naar de goal en wordt gevloerd. Penalty! De finale kan niet meer stuk. De Duitsers ook niet. Der Paul und Gert schoppen onze droom in duigen. Duitsland heeft goud in handen, de Nederlanders goud in benen.

Ik kan het niet geloven. Met tranen in de ogen glij ik met mijn neus over het beeldscherm. Ik ben boos en verdrietig tegelijk. Het leven is niet eerlijk. Dit hebben we niet verdiend. Een jaar geleden is onze mams overleden. Het doet nog pijn.

20-06-2014

No Messi!

Mijn ogen zijn tijdens het WK voetbal vooral gericht op Messi. Voor mij is hij in alle opzichten een superster. Met zijn soepele ranke lijf brengt hij me in vervoering. Telkens weer. Als hij dan met zijn lodderige ogen in de camera kijk dan smelt ik weg.

De camera is net als mij verliefd op hem. Niks geen poespas en trucjes hoeft hij voor de camera te doen. Zijn lief en bescheiden optreden is voldoende om mijn voetbalhart te doen smelten. Hij hoeft geen gekke bekken te trekken voor de camera of zijn borst op te zwellen. Een sixpack heeft ie niet en hoeft ie ook niet te laten zien. Het maakt ook niet uit wie hij voor de ogen komt. Mannen of vrouwen, oudjes, volwassenen en kinderen, ze vallen volledig in katzwijm zodra hij verschijnt.

Onder zoveel aandacht dreigt hij wel af en toe te bezwijken. Het liefst kruipt ie dan weg. Ver weg van de camera’s. Onder de tafel of de bank. De komende weken zal hij nog regelmatig voor me optreden. Gelukkig maar. De kleine vriend mag van mij nog vaak in beeld komen. Alleen zou ik willen dat ze Messi wat minder voeren. Hij krijgt vanaf de bank van alles toegeworpen. Eigenlijk wil ik het niet weten. Het maakt de magere Messi alleen maar ziek. Ik snap dat die lieve snoet om aandacht en lekkers vraagt. Maar er zijn ook grenzen aan het toegeven daaraan.

Er zijn al heel wat grootheden ten onder gegaan en bedorven onder zulke aandacht. Ik wacht het voorlopig nog even af. Ik houd Messi scherp in de gaten, neem ik me voor. En zodra hij echt te veel verwend en bedorven wordt, dan grijp ik in. Dan bel ik de dierenarts. Voorkomen is beter dan genezen. Ik meen de laatste dagen al een grotere buik te zien bij Messi. En dat kan echt niet. Een WK-atleet die moet goed op gewicht blijven. Een te dikke buik is ongezond. Zeker in combinatie met zijn kleine beentjes. Straks gaat ie nog door zijn rug.

Een goede balans in voeding is dan erg belangrijk. Anders houd je zo’n WK niet vol. De worst die ze Messi voorhouden, daar mag ie niet altijd in happen. Steeds trekken ze de worst vlak voor zijn neus weg. Het lijkt misschien op pesten en plagen, maar ik denk wel dat het een positieve werking heeft op zijn ontwikkeling. Messi krijgt daarvan karakter. En dat bevordert weer het kijkgenot. Bovendien leert hij op deze manier tegen alle verleidingen ‘No Messi’ te zeggen. Beter ook voor zijn gezondheid. Viva teckel Messi. Voor mij de absolute wereldkampioen.

15-06-2014

Drie maal daags innemen

Ik maak mij ernstig zorgen. Vanochtend werd ik wakker en toen ik de gordijnen opende scheen er een vreemde gloed de slaapkamer binnen. Een gloed die niet dagelijks in de lucht hangt. Een beetje vaal oranje. Alsof de zon een beetje afgebrand was. Ziek, dacht ik meteen? De zon die oranje schijnt dat kan niet. Ik wilde meteen het weerstation bellen. Het KNMI. Want dit was verdacht. Stel je voor dat de zon ziek is? Ziek op vrijdag de dertiende nog wel. Dat mag niet. Dat kan niet. We hebben de zon veel te hard nodig. Helaas namen ze bij het KNMI niet op. Ik dacht vanmiddag opnieuw proberen. Bij een zieke zon kun je niet te lang wachten.

Enfin, dan maar eerst ontbijten. Wacht. Nee, eerst aankleden. Wacht. Nee, eerst wassen. Wacht. Nee, eerst naar het toilet. Wat vreemd. Oranje plas in de pot. Hoe is dat mogelijk? Ik heb gisteren toch geen vreemde dingen genuttigd. Aandachtspuntje. Ik vertrouw het allemaal niet zo. Eerst een oranje gloed en nu een oranje plas. Eerst maar even wassen. Ehhh … Een oranje washandje … Ehhhh … En een oranje handdoek. Zelfs de tandpasta oranje. Sinaasappelsmaak. Bahhhh! Wat is hier aan de hand? Ik begin me nu pas echt zorgen te maken. Maar, eerst maar even aankleden. Waaaaatttttt? Op de stoel, keurig klaargelegd, een oranje onderbroek, oranje sokken, oranje short, oranje shirt. En zelfs een oranje petje. Maar die doe ik niet op. Ik ben niet gek.

Aan het ontbijt. Oranje boter, oranje hagelslag, oranje tompoucen, gedver. Hier is iets helemaal fout. Ik kan er alleen niet opkomen. Mijn geheugen laat me in de steek. Wat is er vandaag toch aan de hand? Mijn geheugen is oranje. Erg vaag. Ik denk dat het wellicht toch verstandig is om even de dokter te bellen. Die is attent. Hij ziet de ernst van de situatie en de noodzaak van zijn komst onmiddellijk in. Een geweldige dokter heb ik. Als ik de deur tien minuten later open doe staat de dokter in een vreemd ornaat voor mijn deur. Ik herken hem amper. Hij draagt een oranje petje met daaraan zwart haar vastgenaaid. Geen gezicht. Verder een oranje trainingspak dat erg blinkt. Hij waggelt en schudt met zijn kont als ik hem binnen laat.

“Wat is er aan de hand Mien?”
“Wel dokter, ik heb last van oranje, ik zie het overal?”
“Nou Mien, dat is niet zo vreemd hoor, het zit hem in de tijdgeest.”
“Tijdgeest dokter, in welke tijdgeest zitten we dan?”
“Nou Mien, voordat ik je daar over bericht stel ik voor dat je eerst even een leuk muziekje opzet. Dat praat wat makkelijker. Heb je iets oranje’s. Een volksliedje bij voorkeur?”

Ik zet het Wilhelmus op en nodig de dokter uit te gaan zitten.

“Ah, da’s mooi. Mooie versie ook. Van Bauer, nietwaar?”
“Van Fransje ja. De laatste versie. Nog niet zo lang uit.”
“Wel Mien, het is heel simpel. De tijdgeest waarin we nu leven is oranje. Het duurt zo lang het duurt. Het kan morgen afgelopen zijn maar ook nog goed drie weken duren. Het is ook niet gegarandeerd dat het daarna voorbij zal zijn. Maar de kans is wel groot.”
“Maar dokter, en de zon dan, die is ook goed ziek, toch? Lijdt die niet onder de oranje gloed?”
“Mien, ik begrijp je ongerustheid, maar heb geen nood. De zon is oranjegezind. Zal ie voorlopig ook blijven. Het enige advies dat ik je kan geven is om je een beetje aan te passen aan de tijdgeest. De oranje tijdgeest. Ook al is het maar tijdelijk. Gewoon een beetje slikken dat oranje. Met kleine beetjes. En het komt helemaal goed.”
“Dank dokter, goed dokter, maar kunt u mij toch niet een recept voorschrijven? Gewoon voor de zekerheid?”
“Liever niet Mien, het gaat namelijk vanzelf over. Wat je eventueel kunt doen is een hartversterkertje nemen bij het opstaan. Of beter nog, bij het opstaan en het slapen gaan. Dan krijg je in ieder geval de nodige nachtrust. Tussen de middag eentje mag ook nog. In noodgevallen dan.
“Dank dokter, voor uw komst en persoonlijke zorg en goede raad. Ik zal me houden aan uw advies. Vanaf vandaag start, pauzeer en eindig ik mijn dagen met oranjebitter. Drie maal daags. Voor de zekerheid. En in slechte dagen een paracetamolletje. Oranje uiteraard.”

09-07-2010

Oranje boven

Op een blauwe maandag zit ik in mijn bruine kroeg. Ik sta rood en zit op zwart zaad. De barkeeper is een rooie vrouw en een echte blauwkous. Zij zit aan mijn groene zijde en lacht witjes voor haar uit. Helaas ziet ze niet dat ik zwart zie van de honger en paars van de kou. Zij zoekt enkel witte plekken in mijn landkaart.

Ik trek mijn stoute schoenen aan.
“Lieve barvrouw, ik krijg nog een geeltje van jou.”
“Nou, ik dacht het niet, zie ik zo wit? Ik krijg namelijk van jou nog een rooie rug.” Ik laat het blauw maar even blauw.

Mijn opmerking werkt als een rode lap op een stier. De barvrouw schuift een papiertje onder mijn neus. Het wordt me wit om de neus. Daar staat het zwart op wit. 1000 euro schuld. Het wordt me groen en geel voor de ogen en ik krijg acuut grijze haren. Dat kan de bruine niet trekken.

In de grijze oudheid ga ik op zoek naar de rode draad en een witte pomp. Ik lieg dat het zwart ziet en bied de barvrouw zwart goud. Daarmee maak ik het echt te grijs. Ze weet niet zo goed wat ze daarmee moet. Op financieel gebied is zij een groentje. Ze wil me bont en blauw slaan. Dat mag wel met een rode letter in de almanak.

Als ik een aantal weken grijs rijd dan kan ik wellicht bij de barvrouw mijn zwart geld witwassen. Maar wel oppassen hiermee. Al te wit is gauw vuil. Wel even uitkijken dat mijn barmaten niet groen gaan zien. Zij zijn bepaald niet van de blauwe knoop en ik wil niet dat ze mij groen op het lijf vallen. De barvrouw beziet mijn barmaten door een roze bril. Het zijn bepaald geen prinsen op witte paarden.

Ik zie mijn maten denken. Rode baard, duivels aard. Heden rood, morgen dood. Het liefst willen ze de rode haan laten kraaien. De barvrouw denkt daar anders over. Dat is een witte raaf. Zij wil bij mijn barmaten best een wit voetje halen. Dat gaat zeker lukken. Die willen slechts één ding. De WK-finale zien.

Het grote grijze Tv-scherm kleurt trillend rood wit en blauw. Kleurrijke liederen worden ingezet. De kroegkanarie fluit mee. We snuiven alle kleuren van de regenboog. Witwassen is niet langer aan de orde. Nederland, zo groen als gras, wordt kersvers wereldkampioen. Bonte serpentines en slingers kunnen daarna weer in de doos. Alle kleuren behalve één. Die blijft ergens boven, voor altijd in het geheugen gegrift.

Mien Olé