Posts tonen met het label bob dylan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bob dylan. Alle posts tonen

10-04-2021

Mien korte verhalen (46 t/m 51) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 25-07-2009 en 03-10-2014 
(in derde persoon onder alias Kees, in maart / april 2021 geredigeerd naar eerste persoon Mien) 
 
46) A day in the life   (25-07-2009 > 11-03-2021 geredigeerd)

Een mooie dag in juni. Het is heet. En ik, ik ben opgewonden, heetgebakerd. Adrenaline stroomt door mijn lijf. Want Sjakie treitert. Sjakie mijn boezemvriend tevens grootste vijand. Zo gaat dat onder kindervrienden, negen lentes jong. De zomervakantie staat voor de deur, en ik verkeer in oorlogsstand. Zou ik het nu eindelijk durven, die vervelende Sjakie een mep verkopen.

Samen lopen we door vertrouwde straten. Daar zie ik de speelgoedwinkel al. Ik moet nu toeslaan, zo dadelijk zijn we thuis. Ik pep mezelf op en haal het uiterste in mij boven. Kwaad en bangelijk tegelijk kijk ik Sjakie aan. We zijn bijna in onze straat. De gordijnen van ons huis zijn dicht. Mijn moeder heeft dat graag. Zeker in de zomer. Sjakie loopt nu aan de overkant. Zou hij mijn dreiging en onrust voelen.

Het is nu of nooit. Ik loop op Sjakie af, pak hem vast, duw en trek en verkoop hem trillend van de zenuwen een halve muilpeer. Ik durfde hem niet echt te raken. Maar toch, het heeft effect. Van schrik en met de hand op de wang spurt Sjakie naar huis. Nooit heb ik hem zo bang gezien. De adrenaline keert terug op z’n plek en ik voel een zoete trots opborrelen. Mijn hart bonst in mijn keel. Eindelijk heb ik dat rotjoch een verdiend pak rammel gegeven.

Mijn blik valt op de zwarte achterpoort, die schittert in de zon. Als ik de klink van de poort vastgrijp vliegt ie piepend open. Mijn vader stormt naar buiten. Compleet overstuur. Zijn ogen betraand. De schrik vliegt om mijn oren. Mijn kinderbrein maakt kilometers overuren, wat is hier aan de hand? Pa is niet op zijn werk, en waar is mams? De poort wordt snel dichtgetrokken en mijn vader trilt en stottert: “Lieve … lieve jongen, … mam is dood.”

Ik barst in tranen uit, want een bangelijk vermoeden is bewaarheid. Mijn vader neemt me mee naar de buren, twee deuren verderop. We huilen beiden tranen met tuiten. Ik schreeuw het uit en wordt bang van mijn eigen diepe angst. De buren waken over mij, maar weten eigenlijk met mij geen blijf. Pa keert terug naar wat ooit heel veilig was. Wat nu verworden is tot onheilsplek. En ik, ik wil mee. De buren houden mij tegen, ik stribbel tegen, ik wil mijn moeder zien. Bezorgdheid en paniek staan in hun ogen geschreven.

Ik kan en wil het niet weten. Het enige wat ik wil is mamma zien. Ik storm naar buiten en zie in een dramatisch ogenblik, mams in een metalen kist naar binnen schuiven. De mond in van een zwarte auto. Ik schreeuw het nogmaals uit en mijn pappa vangt mij op. Hemel en aarde storten in. Tranen prikken droog achter mijn ogen en we houden elkaar vast. Waar is nu iedereen? Het is midden op de dag. Mijn zus en mijn broers waar zijn ze? Ik mis ze in dit verschrikkelijk onheilsuur? Na minuten, die wel uren lijken, druipen ze één voor één naar binnen. Droefheidrituelen volgen elkaar op.

Terneergeslagen neemt iedereen het slechte nieuws in ontvangst. Onze lieve mams is niet meer. De buurvrouw heeft haar gevonden, onder een tuinslang die nog sproeide, op deze hete junidag.
De gordijnen blijven nu voorgoed gesloten. Geel en roze gebaand. Waar is mijn moeder nu gebleven? Zo maar uitgevlogen, zonder iets te zeggen? Vier kinderen proberen pa te troosten. Mams is in de hemel. Voorgoed genezen van ziek zijn en haar kwalen. Moeilijk te bevatten. A day in a life.


47) Oma'tje lief  (11-11-2013 > 13-03-2021 geredigeerd)

Het is weekend en ik mag weer naar oma en opa. Dit keer zonder broer. Waarom weet ik niet. Wat ik wel weet is dat mama weer ziek is. Papa is zelfs teruggeroepen van zijn werk. Het komt steeds vaker voor. Ik vind het maar niks. Weer een heel weekend opgesloten bij opa en oma. Met mijn broer is dat nog wel leuk. We timmeren in het schuurtje van opa eerst houten zwaarden. En met de zwaarden spelen we dan Floris de ridder. Dat doe ik het liefste. Mijn broer speelt Sindela de tovenaar en ik ben Floris. Met een oude handdoek of laken om onze schouders geknoopt, wanen we ons koene ridders uit de middeleeuwen. Maar helaas is mijn broer er dit keer niet bij.

Gelukkig is het mooi weer en mag ik in ieder geval naar buiten. Op pad met een glazen potje en een blaadje groen erin. Lieveheersbeestjes vangen. Die zitten op de rode prikstruiken. Prikstruiken die in de hele buurt bij oma en opa de kleine voortuintjes van elkaar scheiden. Al snel heb ik mijn potje vol met Lieveheersbeestjes. Trots laat ik het jampotje aan oma zien. Maar oma heeft geen tijd voor mij. Zij is veel te druk met de zaterdagpoets. Het huis moet schoon. In oma’s huis gelden de regels van reinheid, rust en regelmaat. En opa, waar is opa? Die dut wat in zijn stoel. Ook daar kan ik helemaal niets mee. De verveling slaat al gauw toe. Nog een uurtje en dan is het etenstijd. Dan moet ik mijn handen wassen en netjes aan tafel zitten. Met mes en vork eten, zwijgzaam, want praten wordt aan tafel niet gedaan.

Vandaag heb ik een kou gevat. Daar weet oma wel raad mee. Op tijd naar bed, maar niet nadat de borst is ingewreven met een flinke partij dampo. Nu nog een flanellen lap om de borst en dan stevig onder de gesteven lakens en wollen deken ingestopt in bed. Ik krijg amper adem. En dat is niet van de verkoudheid. Wat verlang ik naar mijn eigen bedje. Het stapelbed op de jongenskamer. En naar mijn broer, die altijd een verhaal verteld voor het slapen gaan. Meestal een spannend verhaal dat steevast eindigt met het eng zwaaien van mijn broers arm langs het bed. Dat vind ik doodeng. Maar mijn broer kan het plagen niet laten. Hij is niet voor niets een grote broer.

Zal ik vannacht weer eng dromen? Ik weet het niet. Ben bang van wel. Wordt het weer de grote witte lege ruimten droom, met onmetelijk licht en leegheid? Of droom ik weer van de school tegenover oma en opa. Waar ik stiekem op het dak ben gekropen, maar niet meer vanaf durf omdat er rond de school enge honden lopen met bekken vol grote tanden. De honden laten hun tanden zien telkens als ik van het dak af wil kruipen. Bonkend met mijn hoofd in het kussen probeer ik de slaap te vatten. Morgen is het zondag. Weer een trieste eenzame dag waarbij ik mijn familie moet missen. Moet missen omdat mama ziek is. Maar wat heeft ze dan? Niemand vertelt me dat. Ik snap er niets van. Uiteindelijk val ik in slaap. Droomloos dit keer. Gelukkig maar.

De zondag is vandaag zonnig en vraagt zoals iedere zondag om zondagse kleren. Dat betekent oppassen wat ik doe. Want zondagse kleren mogen absoluut niet vies worden. Zeker niet bij oma en opa. Vanmiddag gaan we op bezoek bij een zus van oma. Die woont om de hoek. Er komen nog meer oude mensen. Ik weet wat er komen gaat en vrees nu al voor de middag. Maar ik ontkom er niet aan. Het thee- en koffiekransje, inclusief mariakoekjesdip is nog maar amper gestart of oma vertelt aan iedereen hoe mooi ik zingen kan. Dwepend en doordringend vraagt ze mij te zingen.

“Ga maar op tafel staan Mien, je kunt het, toe maar.” Ik heb geen keus en word in de sterke armen van de zwager van mijn oma op tafel geplant. Het moet een vreemd gezicht zijn. Gênant ook. Ik zie mezelf staan als klein jongetje midden op tafel in zondagse kleren, met blauwe ogen en blonde krullen en kwijlende oudjes om me heen. Maar ik laat me niet kennen. Ik weet wat er van me verwacht wordt. Uit volle borst zet ik in: “Oma’tje lief, blijf alstublieft. Heel lang bij ons, net zo lang als u leeft. U hoort bij mij, u bent van mij. Niemand als ik die zo’n oma’tje heeft.”

Applaus volgt. Ik voel mijn wangen rood worden. Ik weet niet goed of ik dit nu leuk vind of niet. Maar in ieder geval is er aandacht. Zou hier de liefde voor het podium bij mij geboren zijn? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat er onmiddellijk een toegift moet volgen. Luidkeels zet ik opnieuw in: “Mama …, je bent de liefste van de hele wereld. Mama, de allerliefste van de hele wereld. Later, wanneer ik ga trouwen. Zal ik een huisje gaan bouwen. Als je dan soms alleen zult zijn, kom dan bij mij in huis. Mama, de liefste van de wereld ben jij. Oh, lieve mama, je bent en blijft altijd een voorbeeld voor mij.” Snikkend vlieg ik van tafel. Dit keer komt het allemaal te dicht bij. Mama is ziek. En ik wil alleen nog maar bij mama zijn. 


48) Trekhaaksmurf (23-03-2014 > 16-03-2021 geredigeerd)
 
“Nog een klein stukje kruipen en dan kun je omhoog komen Mien.” Wat is het spannend en wat duurt de kruiptocht lang. Ik heb best schrik maar laat dat niet merken. Ik wil niet onderdoen voor mijn grote vriend en vijand, Sjakie. Maar kan ik Sjakie wel vertrouwen? Sjakie loodst me onder de kolenwagen door. “Kan ik al omhoog komen?” Ik hoor niets en begin te twijfelen. Omkeren kan niet meer, maar hoe lang duurt het nog? Het lijkt een eeuwigheid. Mijn hart klopt in de keel.

“Ben ik er al Sjakie?” “Nee, nog effe Mien!” Ik houd het niet meer. Ben ongeduldig en zie plots wat meer licht onder de donkere kolenwagen doorschijnen. Ik denk dat ik er ben en kruip onder de kolenwagen uit, met mijn hoofd geheven. Dat had ik niet moeten doen. In een flits van een seconde lijken er in mijn hoofd een aantal dingen te voltrekken. In een soort droom, een waas van acties. Ik voel een pijnlijke steek wat wordt gevolgd door een wattig gevoel in mijn hoofd. Het lijkt alsof ik word voortbewogen door iemand anders, door vreemde wezens.

Sjakie kijkt me met een bevreesd gezicht aan en ziet me naar mijn hoofd grijpen. Ik heb mijn hoofd gestoten tegen de trekhaak van de kolenwagen. Ai, dat doet pijn. Boosheid en paniek staan in mijn kleine blauwe ogen geschreven. Het bloed gutst uit mijn hoofd. De ernst van de situatie dringt amper door bij Sjakie. Weet niet wat te doen en rent keihard weg. Uit paniek, uit onmacht, uit schuldgevoel? Wie zal het zeggen?

Ik grijp met beide handen naar mijn hoofd. Het bloed sijpelt door de vingers langs mijn oren op de schouders. Mijn groengrijs geblokt hemd kleurt in een mum van tijd rood. Ik zie hoe Sjakie wegrent, de lafaard. ‘Wat moet ik doen, wat moet ik nu doen?’ Op de automatische piloot loop ik langs de garageboxen naar huis, dikke rode vette bloedstappen op de grond achterlatend. ‘Wat zal mams schrikken en boos zijn.’ Dat is alles wat ik in mijn paniek kan bedenken.

Mams schrikt hevig. Tijd voor uitleg is er amper. Ik zie ook even paniek in haar ogen. Ze reageert op de automatische piloot. Een theehanddoek wordt over mijn hoofd gegooid. Zonder troost. Korte commando’s volgen. “Houdt vast. Stevig op je hoofd. Drukken en niet loslaten.” Moeder rent naar de telefoon. “Ja, hier met mij, Mien heeft een gat in zijn hoofd en bloedt ontzettend, wat moet ik doen? Ik hoor mijn vader op de achtergrond wat mompelen. Mams gaat verder, "… hij heeft zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen … Ja, daar kroop ie onder … Wat? … Je komt eraan … Alvast naar de dokter … Oké.”

“Dat is een groot gat mijn vriend, hoe heb je dat gedaan?” Er komt geen woord uit mijn mond. Bang kijk ik naar de dokter, wat gaat er nu gebeuren?
De dokter heeft een schaar in zijn hand en grapt dat hij voor kapper gaat spelen. Daar zie ik de lol niet van in. Ik heb een grote hekel aan de kapper. Mijn eerste ontmoeting met een kapper was geen fijne. Die schraapte met zijn scheermes iets te diep in mijn nek. Pijnlijk. Om vervolgens met een vreemd ijskoud blokje mijn nek te deppen. En nu met een groot gat in mijn hoofd vrees ik voor het ergste. Maar gelukkig is de knipbeurt snel voorbij. “Zo, dat is gepiept!” roept de dokter. “En nu gaan we nog even een oliesheik van je maken vriend.” Mijn hoofd wordt ingezwachteld met een grote rol verband. “Kijk maar even in de spiegel Mien, en nu niet meer onder kolenwagens kruipen hè, volgende week terugkomen, oké?” Paps en mams nemen me weer mee naar huis. “Wie kruipt er nu ook onder een kolenwagen, jongen, jongen toch!” Ik zie dat ze net zo hard geschrokken zijn als ikzelf. Maar aan hun commentaar heb ik even geen boodschap.

“Jongens, jongens … Nee, nee, geen grapjes vandaag. Dit is Mien. Hij heeft gisteren een klein ongelukje gehad. Zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen. Hij is heel erg geschrokken maar nu doet het geen pijn meer. Hè Mien?” Daar sta ik in de schoolgymzaal. Met een groot wit verband om mijn hoofd. De hele klas buldert van de lach. Behalve Sjakie. Die staat een beetje bedeesd achterin en duikt weg achter de jongen die voor hem staat. Hij ontwijkt mijn boze blik.  “Smurfje, smurfje!!”, joelt de klas. Juf krijgt de klas niet stil. En eigenlijk, eigenlijk moet ze zelf ook een beetje lachen. In mijn blauwe trainingspak en met het grote witte verband om mijn hoofd lijk ik ook wel verdacht veel op een kleine smurf. “Mien, je hoeft vandaag niet mee te doen hoor. Ga jij maar op het bankje zitten!” proest de juf. Ik ga zitten en kan alleen maar denken: ‘Ik ben geen smurf, ik ben een oliesheik.’ 
 

49) Bovenaan de trap (11-07-2014 > 28-03-2021 geredigeerd)
 
Mams staat bovenaan de trap. Vreemd. Paniek staat in haar ogen. Ik begrijp het niet. Wat doet ze daar nu eigenlijk? Buiten regent het. Het weer is guur. Zo is ook de sfeer in huis. Een vreemd soort dreiging hangt er rond. Een spanning die moeilijk te beschrijven is. Zo voel ik het. Het zorgt voor pijn in mijn onderbuik. Broer staat naast me onder het trapluik.

Mam is in de war. Dat is duidelijk. De ongeruste blik in de ogen van broer maakt mijn nare onderbuikgevoel alleen maar erger. Na de eerste schreeuw van mams, zijn we beiden keihard naar boven gerend. De schreeuw is door merg en been gegaan. Nog nooit heb ik mams zo hard horen schreeuwen. Angstschreeuwen zijn het.

Een half uur geleden heeft mams op haar houten klompslippers met een volle wasmand, moeiteloos de vlizotrap naar de zolder bestegen. Tijdens het uitvouwen van de lakens heeft ze paniek gevoeld en naar haar hoofd gegrepen. De paniek is vanuit haar hals, achterlangs de oren, ongecontroleerd haar hersens binnen gestuiterd. Het heeft alles op tilt geslagen. Trillend van de zenuwen lijkt haar hoofd te ontploffen. Vuurrood is ze aangelopen.

Zo hebben mijn broer en ik ons mams nog nooit gezien. We schrikken er behoorlijk van. Maar het wordt nog veel erger. “Ik maak er een eind aan, ik spring, ik spring, godverdomme …”, dat is wat ze roept. Vloeken, dat heeft ze nog nooit eerder gedaan. Gelovig als ze is. Wat is hier in hemelsnaam aan de hand? Een paar seconden staan we vastgenageld aan de grond. Wat te doen? Zonder ook maar een woord met elkaar uit te wisselen vliegen we naar beneden. Ik kan mijn broer amper volgen, zo hard stormt hij van de trap af.

Ik snap er niets van. Allerlei gedachten en vragen schieten door mijn hoofd. ‘Gaat mams echt springen? En waarom dan? Waren we niet beter bij haar gebleven?’ Het hart klopt in mijn borst. Ik mag mijn broer niet uit het oog verliezen. “Wacht op mij, wacht op mij!” Maar broerlief is al de voordeur uitgerend, richting buren.

“Help, help!”, hoor ik mijn broer roepen. Hij bonkt keihard op de deur van de buren. “Mijn moeder wil van de trap springen. Help, help!” Het gordijn van het raam naast de voordeur wordt opzij geschoven. De dochter van de buren kijkt verschrikt naar buiten. Tegelijkertijd gaat de deur open. Gelukkig maar, de buren zijn thuis. Maar de schrik is er niet minder door.

De buurman stelt ons gerust en loopt mee om poolshoogte te nemen. Hij is politieman van beroep. Die zal de angstige situatie ongetwijfeld kunnen hendelen. Maar ook de buurman heeft de schrik in zijn ogen staan. Met lood in de schoenen en niet wetend wat er te wachten staat loopt iedereen naar boven. Behalve ik. Ik zie beelden voor mijn ogen die ik maar moeilijk los kan laten. Ik zie mijn moeder onderaan het trapgat liggen, badend in bloed. Het zal toch niet waar zijn?

Ik maak het niet meer mee. Het wordt me zwart voor ogen en ik val flauw. De spanning is te groot. Even later kom ik bij. De dochter van de buurman vangt me op en brengt me naar bed. Als ik wakker word zit mijn vader naast me in een stoel. “Mams voelt zich niet zo goed mijn jongen, ze ligt in bed.” Nog steeds begrijp ik er helemaal niets van. Wat is er in hemelsnaam gebeurd? 
 
 
50) Drakenvriend (23-01-2014 > 05-04-2021 geredigeerd)
 
Met een zucht sla ik de deur van mijn nieuwe slaapkamer open. Het ruikt naar vers behang en latex. Flauwtjes neem ik de nieuwe plek in me op. Drie muren beige, één muur chocoladebruin. En dat op de vijftiende verdieping van een okergele flat. De verflucht kriebelt in mijn neus. “En wat vind je ervan, is ie niet mooi?” In de blik van pa ligt het antwoord hoopvol opgesloten. “Ja pa, het ziet er goed uit.” Een leugentje om bestwil, de ruimte is veel te klein.

Ik kan mijn kont amper keren. De spullen uit mijn vorige kamer lijken de muren van dit hol omver te duwen. Tussen het bed en het bureau is nauwelijks loopruimte. Als de stoel naar achteren is geschoven kan er niemand door. Ik zie al snel dat ik voortaan op mijn linkerzij moet slapen. Op de rechterzij is het risico te groot dat ik de slaapkamerdeur bij plotse entering langs mijn gezicht zie schuren. En dat wil ik niet. Een goede slaper ben ik niet. Daar ben ik te waakzaam voor. Op mijn buik of rug slapen kan ik niet.

Met een plof gooi ik me neer op het bed. Op de buik met mijn neus in het kussen. Pa rommelt wat in de keuken. Zo te horen op zoek naar nieuwe orde. Een orde die hij maar moeilijk lijkt te vinden. Sinds kort woon ik alleen met pa. Het hoekhuis in de volksbuurt waarin ik geboren en getogen ben, is noodgedwongen verkocht. Alle mensen uit dat huis zijn vertrokken. Twee broers en een zus. Verliefd, verloofd, getrouwd. Weggerend, zo voelt het toch. Mams had het huis allang verlaten, zwevend naar de sterrenhemel. De tranen biggelen over mijn wangen. Ik druk mijn neus en tranen stevig in het kussen. Zelfs de geur in het kussen voelt niet vertrouwd. Hoe hard ik ook snuif. Waarom? Waarom?

“Zit toch niet zo te mokken!” Ik veer op. Waar komt die stem vandaan? Een onbekende stem. Niet eerder gehoord. De slaapkamerdeur is dicht. Mijn vader is het niet. Wie leest mij de les. “Ja, ja, je hoeft niet onder het bed te kijken hoor, ik ben het maar. Ja, hiero, hier op de deur!” Met grote verbazing kijk ik naar de poster op de deur. Mijn fluwelen draak is tot leven gekomen. De paarszwarte draak kwispelt wat met zijn staart en zijn fluorescerende ogen lijken vuur te spugen. Het maakt mij en mijn koude kamer heel eventjes warm. “Bij de pakken neerzitten heeft geen zin, jongeman, je moet vooruit. Je nieuwe wereld ontdekken. Kop op. Droog je tranen!” Hoe durft de draak. Terugbrengen naar de winkel is geen optie. Zo’n brutale poster heb ik nog nooit gehad. “Bemoei je met je eigen zaken, lelijke draak, wie denk je wel dat je bent?”

De draak bevriest onder de kou en stolt weer terug tot poster. Heel even twijfel ik aan mezelf. Sprak die draak nu echt, of hoorde ik mezelf praten? Mijn puberbrein haalt rare streken met me uit. En toch, de draak in zijn gedachten had wel een punt. Een plaatje draaien, dat is wat ik wil doen. Muziek in droefenis maakt mijn lijden zachter. Ik kan alleen niet kiezen. Tussen Dylan en de Groot. Ach, arm kind, wat lig je hier stil, dertien lentes zo pril met het antwoord in de wind. 
 
 
51) Grote liefdes liggen op de grond (03-10-2014 > 09-04-2021 geredigeerd)
 
Het is zaterdagavond, de mooiste avond van de week. Vanavond gaat het gebeuren, zeker weten. Ik ben nu al in mijn element. En toch slaat de twijfel toe. Als ik in de badkamerspiegel kijk zie ik grote tekortkomingen. Te groot en te veel. Hoe moet dat nu vanavond? De grote stapavond. Zou ze er weer zijn? Zou ik haar kunnen boeien, durven aanspreken? Zou ze me zien staan? Het meisje uit de stad, waar iedereen verliefd op is. Ben ik de moeite waard? Mien?

Het is vroeg en het stamcafé loopt nog niet echt vol. Zenuwen kriebelen in mijn buik. Op het toilet bekijk ik in de spiegel nog eventjes mijn outfit. Ik draag mijn favoriete blouse en broek. De stoere schoenen zitten stevig. Alleen beweeg ik er nog wat onzeker in.

Een biertje dan maar. Mijn gabbers stromen langzaam de kroeg binnen. En de dames. Nog geen Bibi te zien. Ze komt toch wel, vanavond? Op de avond die ik bedacht heb als mijn avond. Het is warm in de kroeg. Of ligt dat aan mij? Een prachtige zomeravond en bijna iedereen die ik ken is aanwezig. Dat wordt lastig. De zoektocht naar het juiste momentum. Maar eerst moet Bibi nog komen.

Mijn vrienden zwermen om me heen. ‘Wie Motten das Licht’. Heel vervelend, nu ik wat anders aan mijn hoofd heb. De liefde plakt achter mijn oren. Gelukkig weet ik dit nog te camoufleren met stoer gedrag. Ik bestel snel wat biertjes, ook al is het nog niet mijn beurt. Ik geniet een grote populariteit onder mijn vrienden. Dat steken ze niet onder stoelen of banken. Ik weet dat. En toch, nog nooit heb ik mij zo alleen gevoeld. Alleen onder de mensen. Hoe moet dat nu? Hoe moet dat nu vanavond?

“Wat ben je vanavond toch afwezig Mien?” Het is Sabine die zich over mij ontfermt. Ik weet dat zij verliefd op me is. En wil nu eigenlijk niet gezien worden in haar gezelschap. Ik weet eigenlijk niet wat ik mis. Een schat van een meid is Sabine. Alleen erg lelijk. Bijna zo lelijk als de nacht. Vreemde uitdrukking. Want juist de nacht kan erg mooi zijn.

Hartje zomer onder vrienden en de combi bier en brandende liefde, geven me een benauwd gevoel. De drank stijgt vanavond snel naar mijn hoofd. Wat moet ik doen, ten overstaan van al mijn gedachte vrienden? Het liefst zou ik wegrennen. Bibi is er niet. Het hele plein voor de stamkroeg staat vol mensen. Ik zie het niet meer. Ik zie haar niet. Ik durf ook niet naar Bibi te vragen. Waar ze blijft. En al zeker niet bij haar boezemvriendin, Sandra, de vriendin zonder boezem. God, wat ben ik verliefd op Bibi. Het mooiste en zwoelste meisje van de stad. Met haar gitzwarte haar en reebruine ogen, haar guitige glimlach en haar goddelijke lijf. Rondingen om van te dromen. Onbereikbaar. Wat doet de liefde toch pijn.

Ik moet handelen. Nu. Een daad zetten. De liefde vraagt om daden. Niet om geduld. En zeker niet als hormonen gieren in de keel. De alcohol maakt rozig en creatief. Het kraakt en piept in mijn hoofd, hart, ziel en lenden. Waar is ze nu? Theatraal gooi ik me op de grond, te midden van mijn vrienden, voor het stamcafé, languit op het plein en krab met mijn vingers over de grond. “Bibi, Bibi, waar ben je, waar zit je, ik hou van jou …?!” De vrienden reageren eerst verbijsterd en barsten dan in lachen uit. Weer zo’n maffe act van Mien? Totdat ze me zien huilen. Grote tranen. Echte tranen. Frank, mijn beste vriend raapt me op en biedt troost. Diepe troost. Arme ik.

13-09-2016

Tamboerijn

Bob schreeuwt het uit. ‘Pa, pa, waar is mijn tamboerijn?’

‘Hee, dat weet ik ook niet, schreeuwlelijk!’ Antwoordt pa.

‘Maar pa, ik heb hem echt nodig, nu!’

‘Ja jongen, kun je niet even je mondharmonica gebruiken, of gitaar?’

‘Maar pa, je weet toch dat ik geloof in bijgeloof, en die tamboerijn …’

‘Ja, ja, het is al goed. Mams zal hem wel in gebruik hebben. Ik ga wel eventjes kijken, don’t panic!’

Mams is in geen velden of wegen te bekennen. Paps begint aardig te zweten. Bob is nogal veeleisend en indien zijn eisen niet vroegtijdig ingewilligd worden zijn de rapen gaar. En gare rapen in combinatie met een boze Bob …

‘Mams, mams, waar de fok hang jij uit?’

‘Hiero lief, achter in de schuur!’

Pa ligt helemaal in een deuk. Ma zit op een klein krukje op de tamboerijn dichtbij Bertha. Telkens als mams aan een van Bertha’s uiers trekt heft ze beurtelings haar linker- en rechterbil. De tamboerijn rammelt en de koe plast melk. Het spuit alle kanten uit. En mams … die heeft nog de grootste lol.

‘Vindt ze leuk!’ Grapt mams. ‘Kijk maar eens naar haar staart.’

Pa ziet hoe Bertha met haar staart wel duizend vliegen tegelijk het hoofd dol maakt. Ze vliegen alle kanten op, behalve de goede. Ze geraken maar niet bij de kont van de koe. En een lol dat Bertha heeft.

‘Ze heeft geen last van jeuk als ik op de tamboerijn speel, is dat niet fantastisch!’

‘Bob heeft de tamboe nodig!’

‘Hoezo? Heeft ie ook weer jeuk?’

‘Nee, hij componeert muziek, dat gaat niet zonder tamboe. Je kent hem toch!?’

‘Het is en blijft een watje, jouw watje, mijn schat, ik kom er zo aan, nog effe Bertha kietelen.’

Pa loopt terug naar Bob.

‘Ze komt er zo aan jongen. Mams had de tamboe effe nodig voor Bertha!’

‘Is dat gemelk nu nog niet afgelopen? Kan ze niet de koe buiten zetten? Het gaat allemaal ten koste van mijn talent. Het heeft actie nodig 24 uur, 7 dagen lang. Ja, ook als ik slaap. Mijn talent.’

Daar stapt mams de kamer binnen.

‘Zit je nu weer te zeiken Bob. Hou daar nu eens mee op. Schrijf eens een up tempo nummer. Ik ben die ballads spuugzat. Bertha ook. Breng eens wat verandering in je repertoire, wil je? Gooi er eens wat meer Elvis in, je weet dat ik daar van hou. En Bertha ook!’

‘Komt voor de bakker mams, wordt aan gewerkt. Ga jij nu maar wat verder blowen in de wind. Ik heb al een idee.’

Pa ziet het aan en mompelt. ‘Mmm … times are changing.'

Zou hij het ooit halen? In de muziekbusiness? Zijn Bob, mister Tamboerijn.


Toelichting:
Geschreven naar aanleiding van een idee van Hella Kuipers
Zie ook: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Schrijfveer: Een tamboerijn (24-05-2016)



31-05-2016

Schrijfveren Mei 2016

Dagelijkse oefening in het schrijven van Schrijfveren. In maximaal 15 minuten tijd, associatief schrijven zonder correcties, naar aanleiding van een opgegeven titel. Met dank aan Hella Kuipers.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice


Hier kan ik niet zonder (01-05-2016)

Het langwerpige boekje dat op mijn knie ligt heeft gekrulde hoekjes en is erg broos. De pagina's zijn vergeeld. Ik sla het open op de eerste pagina en lees. De moppen van Max zijn wel heel oud en flauw. Het Nederlands is keurig. Net als de spelling en de lay-out. Braaf en een heel klein beetje stout. Tailleur heet de goede man. Wat een deftige naam. Het klinkt bijna als een dreiging. Max Tailleur. Nog even en ik stuur Max Tailleur op je af. Dat zal je leren. Ik lach om mijn eigen grapje. Maar is het wel zo lollig? De situatie in ieder geval niet. Ik lach een beetje krokodillentranen. Wat moet ik nu toch doen? Grote vertwijfeling. Het papier is op. De verleiding groot. Maar hoe dierbaar is Max Tailleur? Hij hangt hier niet voor niets al jarenlang in dit kleinste kamertje van het huis. Wat betekenen de grapjes voor de eigenaar van dit kleine hok? Werkt het ontlastend? Of stopt het juist de boel? Zal ik het gewoon toch maar proberen? De nood is immers hoog. Ik ga op zoek naar de flauwste grap en de bladzijde die het minst geleden heeft. Ik wil immers niet met mijn vingers door het papier drukken. Bah! Alleen de gedachte al. De eigenaar van het kleinste kamertje van dit huis is haast doof. Schreeuwen om papier heeft dan ook geen enkele zin. Op de voorlaatste pagina heb ik beet. Een blanco pagina nota bene, aan beide kanten. Heb ik even geluk. Geen drukwerk dat achterblijft op mijn achterste. Ik scheur de pagina heel voorzichtig uit het witte plastic ringetje. Het papier is zo poreus dat het makkelijk loslaat. Ik besef dat ik maar een kans heb en dat ik zorgvuldig te werk moet gaan. Alles moet in een keer meekomen en schoongeveegd. Ik vouw de pagina zo goed en zo kwaad als het kan tot een klein schepje. Moet kunnen. Ik leg het schepje in mijn handpalm en steek het tussen mijn knieën door. Bedachtzaam en heel voorzichtig schep ik met een elegante beweging mijn bilspleet schoon. Een zucht van verlichting. Ik laat het schepje vallen met inhoud en spoel de bruine grap vlug door. Ik hang Max weer aan het haakje en was mijn handen. In onschuld.


Een begraven, opstandig geheim (02-05-2016)

Charly kon amper afscheid nemen van haar moeder. Het liefst had ze haar in een klein doosje gestopt en voorgoed bij haar gehouden. Iedere dag zou ze dan uitgebreide conversaties hebben gehouden. Over vanalles en nog wat. Haar moeder was haar zo dierbaar, dat kon niemand goed verwoorden. Niet in korte verhalen, noch in gedichten. In een roman al helemaal niet. Dat zou veel te veel pagina's in beslag nemen. Een trilogie zou nog niet volstaan. En toch wilde Charly het liefst haar moeder met al haar verhalen in een klein doosje bij zich dragen. Maar het volstond niet. Daarvoor was ieder doosje veel te klein. Ze moest dus met een andere oplossing komen. Iedere dag liep Charly naar haar graf en piekerde zich suf. Ze baalde ervan dat haar moeder nu in een grote kist in de koude grond lag. En ook nog eens op haar rug. Op haar buik had nog gekund. Ware het niet dat ze aan astmatische bronchitis leed. Op je buik liggen is dan nergens prettig. Ook niet als je dood bent. Op haar rug liggen wilde moeder ook niet. Dat deed haar veel te veel denken aan Bijbelse taferelen en aan slaap. Aan beiden had ze een gruwelijke hekel. Charly wist dat. Tijdens de lange wandelingen die ze met haar moeder had tot vlak voor haar overlijden had haar moeder daarover verteld. De grote angst van platliggen, hoe dan ook, bij haar sterven. Cremeren wensten ze om die reden ook niet. Tenzij er een oven zou zijn waarin ze rechtop kon staan. Een zeemansgraf dan? Dat had ook nog een optie kunnen zijn. Maar dat was helaas niet toegestaan. Moeder vertoefde immers nooit op een boot. Laat staan op een oceaan waar geen ankerplaatsen voorhanden zijn. Maar. Gelukkig was Charly erg creatief. Dat bewonderde moeder ook altijd in Charly. De onweerstaanbare innerlijke drang om oplossingen te creëren daar waar niemand ze voor mogelijk houdt. De oplossingen die Charly verzon besprak ze altijd eerste met haar moeder. En dat was wat ze nu miste. Op de buitenwereld kwamen de gesprekken altijd over als huis-, tuin- en keukenfilosofie. Maar Charly en moeder wisten wel beter. Er kwam altijd een gedegen slotsom. Zo nu ook. Ze gooide haar schep aan de kant en keek tevreden naar het graf. Achter de grafsteen had Charly handig een kleine handel geïnstalleerd. Niemand die het zag, als je het niet wist. Met een snelle handeling trok Charly de handel naar beneden. De aarde bewoog en daar richtte moeder zich op. Uit haar graf. Rechtop. Uit haar tas haalde Charly een thermoskan en twee kopjes. Waar zullen we het vandaag eens over hebben mams?


Mij is het lot beschoren ... (03-05-2016)

Ik mag meteen uitdelen. Als kersverse tafelgenoot een hele eer. Hoewel, ik kom natuurlijk vanzelf een keer aan de beurt. Per toerbeurt wordt er namelijk gedeeld. Pokeren is mijn lust en mijn leven. En nu eindelijk ben ik doorgedrongen tot het walhalla van de pokerscene. In de lounge van Hotel Paris in Las Vegas vindt het spektakel plaats. De wereldkampioenschappen poker. En ik zit aan de hoofdtafel. Wie had dat gedacht? Er staat veel op het spel. Aan tafel zitten verder, Shannon Elizabeth, Erica Schönberg, Tiffany Michelle, Almira Skripchenko, Clonie Gowen en Fatima Moreira de Melo. Allemaal first class pokerbabes. Hoe zal ik mij handhaven. Handhaven? Ik wil natuurlijk winnen. En liefst ook alle kleren aanhouden. Dat is tijdens de wereldkampioenschappen nog nooit iemand gelukt. Er ligt een uitdaging. Zo is het ook nog nooit gelukt dat een volstrekt onbekende aan de finaletafel deelneemt.

Ik heb me nog niet voorgesteld aan de dames. Hoe zal ik dat eens aanpakken? De gegevens uit de voorrondes zijn geheim gehouden. Voor zover dat mogelijk is met beroemdheden. Voor mij nu een onverwacht voordeel. Ik heb voorkennis, de pokerbabes niet. Ik besluit een schuilnaam aan te nemen. Kleine Witje lijkt me wel gepast. Er zitten toch geen Zweden aan tafel. Dus verraad ik niets. De finaleronde gaat in. De dames gaan allen tegelijk naar het toilet en ik besluit ook even Pipi zu machen. Op het toilet wordt ook meteen bepaald wie de winnaar wordt. Ik tot mijn grote verbazing. De anderen gunnen elkaar namelijk niet het licht in elkaars ogen. Wat een verrassing. Een mooi lot is mij beschoren.


Een lief gebaar (04-05-2016)

De mens tracht en tracht en komt vaak tot niets. Tot niets nakkes nada. Hoe komt dat toch zo? Doet hij niet zijn best? Geeft hij snel op? En over welke mens hebben we het dan precies? De westerse, de oosterse, de noorderling, de zuiderling? Of houden we het gewoon in het midden? Noemen we hem voor het gemak de middenmens. De middenmens zou toch tot behoorlijk wat dingen in staat moeten zijn. En toch, vaak verknalt hij ook de boel. Wat de dinosaurus in 200 miljoen jaar heeft weten opbouwen, breekt de mens in nog geen half miljoen jaar af. Met rappe hand in den beginne en met rappe machines in het nu. De natuur. Om precies te zijn de oerwouden van Brazilië.

Maar de natuur straft onmiddellijk. Een kleine mug overleeft alles. Een lief gebaar van de natuur. God weet wie hier de hand in heeft? De middenmens is niet gelovig maar wel altijd op zoek naar verklaring en diepgang. Hij bundelt de filosofie van alle windstreken. Maar met zo'n simpel beest als een mug weet hij geen raad. Een mug die ook nog eens ziek maakt en het leukste sportevenement dat alle windstreken met elkaar bundelt nu bedreigt. De Olympische Spelen in Rio dreigen uit te lopen op een groot fiasco. Rio trekt lering en checkt alle riolering. Uit voorzorg.

Geen mug mag er straks rondvliegen in de big city. Laat staan een drone. Uitgezonderd de doelpuntlijndrone en de tenniscourtdrone. Maar voor de rest mag er niets, maar dan ook niets door de lucht vliegen in Rio. Ook geen corruptie en al helemaal geen televisierechten. Reclame kan ook niet door de beugel. Behalve als er Grolsch op de fles staat. Zij hebben alle rechten opgekocht. Maar wat moeten ze ermee? Enschede op de kaart zetten. Maar natuurlijk. En Groenlo, waar alles ooit begon. Ja, we maken Groenlo tot het middelpunt der aarde. Dat vindt iedereen best lekker. De middenmens zal het lekkere vocht zeker kunnen pruimen. De volgende Olympische Spelen houden we in Groenlo. Natuurvriendelijk, mugvriendelijk en dinosaurusvriendelijk.


Een vreemde ervaring (09-05-2016)

Mercurius staat vandaag heel even tussen aarde en zon. Dat vertelt het journaal mij. In 2003 voor het laatst en in 2019 op reprise. Per eeuw komt zo'n Mercuriusovergang pakweg 15 keer voor. Tot zover de cijfertjes. Natuurlijk was het nieuws al eerder tot me doorgedrongen. Ik was dan ook goed voorbereid op dit terugkerend natuurverschijnsel. Ik wist ook dat ik op zoek moest gaan naar iets waarmee je ongehinderd in de zon kunt kijken.

Aangezien er bij mij in de buurt geen sterrenkijker of -wacht aanwezig is moest ik zelf iets verzinnen. Ik heb diverse hulpstukken uitgeprobeerd. Zo keek ik eerst door een klein jampotje. Van vroeger kon ik me herinneren dat die dik glas bevat en heel goed beschermt. Mijn vriendje had er namelijk een en ik moet zeggen, niet stuk te krijgen. Maar de prisma schoot toch bijna mijn oog lek. Blijkbaar keken we vroeger niet veel in de zon.

Dan maar een 9D-bril proberen. Drie 3D-brillen over elkaar geschoven. Ik weet niet meer precies wat ik zag, toen ik in de zon keek. Wat ik wel weet is dat ik ineens het idee had dat er meer dan drie dimensies zijn. Ik zweefde. Zeker weten. In het ultieme duister. Wat dan? Ik wilde toch die Mercuriusovergang meemaken. Eskimobril. Maar natuurlijk. Dat ik daar niet eerder aan dacht. Snel fikste ik een eskimobril in mijn schuurtje. Voor de zekerheid nam ik een stukje eikenhout. Met een boormachine een klein gaatje geboord en vervolgens met een decoupeerzaag een gleuf gezaagd. Voorzichtig de scherpe randjes wat opgeschuurd met schuurpapier, elastiekje eraan vastgemaakt en voilà, mijn bril was klaar.

Nou ik heb nog nooit zo'n bijzondere Mercuriusovergang meegemaakt. Ik zie nu nog steeds overal zwarte puntjes. Alsof een kleine teek over de zon sjeesde, zo ervoer ik de overgang. Ben nu wel benieuwd of de zon bestand is tegen de ziekte van Lymne. Heel even dacht ik dat Mercurius de zon prikte. Maar ik kan me vergissen natuurlijk. Bovendien is de zon waarschijnlijk resistent. Het is zo'n gigantisch grote vuurbol, die is overal tegen bestand.


Bellen in een telefooncel (10-05-2016)

Take five. Ik sta te bibberen in de kou. Waarom moet ik dit nu weer meemaken? En het is weer de techniek die mij in de steek laat, frustreert. De regisseur baalt ook als een stekker. Dat is duidelijk te zien. Maar ook deze take strandt. We houden even pauze. Onder deze bizarre omstandigheden is het ook wel erg lastig om een commercial op te nemen.

Ik denk met jaloezie aan Frank Lammers en Max Verstappen. Die mogen met veel humor een wedstrijdje houden in een supermarkt en voor het stoplicht. Hoe makkelijk en leuk is dat? Ik daarentegen zit op locatie in Siberië. Ik eet me helemaal stijf aan Jelle ontbijtkoek maar wordt daar niet bepaald warm van. Het verhaal achter de commercial is ronduit belachelijk. Met veel moeite is de humor te vinden. Heel ver.

Maar ik moet niet zo klagen. Heb er zelf inbreng in gehad, in het script. En wie op de blaren zit moet bloeden. Ik krijg nieuwe instructies van de regie. Positie innemen. De machine is gemaakt. Ik blaas mijn handen warm en kruip weer in de telefooncel. Harrie, de techneut lacht me toe. Ik denk er het mijne van. Wat heeft hij uitgespookt in de telefooncel? Ik bevries bijna in mijn nakie. Tijd voor actie. Take six. Ik haal de hoorn van de haak en spreek mijn tekst in.

'Ja, ik weet het ook niet. Ik stond even af te koelen tijdens een Fins saunabezoek en toen kreeg ik plots trek. In mijn badjas heb ik altijd Jelle ontbijtkoek. Die heb ik snel opgegeten. En toen kreeg ik ineens zin in een stukje Nordic Walking. Voordat ik er erg in had stond ik in de middel of nowhere. Het leek wel toendra. Gelukkig stond er een telefooncel. Een hele oude. Maar ja, hoe kom ik nu aan roebels? Een hertenjager heeft me uit de brand. En ja, wat nu?'

Ik kijk naar de hoorn van de telefoon en plots zie ik er grote bellen uitkomen. Grote zeepbellen. Ik denk ze zullen wel knappen. Maar nee. Ze zijn ontzettend taai en pletten me steeds harder tegen het glas. Ik schreeuw om help. Het mag niet baten. De techneut en de regisseur staan me keihard uit te lachen en houden hun duim omhoog. 'Hou vol!', roepen ze me toe. 'Goede actie, humor!'


Snelle verlichting met schone lei (11-05-2016)

Lei lei lei neer of deed Dorus d’n dakdekker det nou?
Wè?
Jao, wè, ge wit ut ni wà?
Amai zunne, zei ik hier anbeland in ne maf teater?
Jao, met snelle verlichting.
Met snelle verlichting? Hoe dè zo?
Nou gewôn met veul en snel licht.
Hoe snel?
Kei snel!

Wa un teater.
D’n dakdekker speult goe wà!
Kei goe.
Nee, nie kei goe. Hij lei lei.
Met Lei?
Joa, lei met Lei.
Zonder klei?
Zonder klei.
Dè’s knap
Zeker, schone lei, wè!?

Ben benieuwd nao de nieuwe sène.
Joa, dé’s wa slap, wà?
Wa meer pouwer zou goe zijn.
Wà, wè’s pouwer?
Pouwer! Krach!
Oh, krach, jao, meer krach zou goe zijn.
Meer pit mag ôk.
Zeker en meer plot.
Ut gie nergens euver.

Wel.
Nie.
Over Lei toch en nunne dakdekker die same lei leien.
Dè gie toch nergens euver.
Boeien!
Boeien!
Boe!
Boeeee!!!
Pintje?
Pintje!


Mijn goeroe kijkt zwart (12-05-2016)

Omdat ik een boemerangkind ben kijkt mijn goeroe zwart. Een echte held mijn vader. Mijn goeroe too. Mijn veraf god. Hij is niet meer. En toch kijkt ie zwart. Vanuit de hemel. Mocht die überhaupt bestaan. In ieder geval vanuit iets hogers. Zwart keek ie sowieso. Samen met onze hond Blacky. Kijkgeld en belasting waren nooit goed aan hem besteed. Ik gaf er niets om. Ik was immers een boemerangkind. Kwam regelmatig terug naar huis. Vanwege de was en een immer gevulde koelkast. Essentieel voor een young adult. Eten en schone kleren. Slapen kan overal. Zwerven ook. Het zwartkijken heb ik overgenomen van pa. Zit in de genen. Heb misschien wel tien cursussen en workshops gedaan om het 1) te ontdekken 2) te accepteren en 3) om te draaien. Tevergeefs. Niets is goed. Zal dan ook nooit een witkijker worden. Of nog beter kleurenkijker. Hoewel? Is niet alles gekleurd. Ik houd het toch liever bij blanco. Iedereen begint blanco immers. Er gekleurd opstaan kleeft ook te veel aan je. Het wordt tijd dat ik weer eens terugkeer. Naar huis. Naar welk huis? Het staat er niet meer. Het is inmiddels afgebroken. Zowel fysiek als mentaal. Het heeft even geduurd om alle stenen af te breken. Ben met het dak begonnen. Toen het dak er eenmaal af was werd de rest een peuleschil. Een stukje cake. Wat natuurlijk meteen honger oproept. Trek, want honger bestaat niet echt in onze moderne maatschappij. Hoewel daar de meningen over verdeeld zijn. Zum kotzen. Wat meteen weer vieze kleren oplevert. Krijg sterk behoefte aan eten uit een volle koelkast en schone kleren. Tijd om weer eens naar huis te gaan. Het huis dat er niet meer is. Ik tast in het duister en blijf voorlopig zwart kijken. Het zit in mijn genen.


Kabaal bij de buren (13-05-2016)

Het is weer feest bij de buren. De buurvrouw krijgt er stevig van langs. De buurman heeft zijn pijlen weer eens op haar gericht. In de tuin. Zelfs de vogels schrikken ervan dit keer. Geen poezenalarm maar buurmanalarm. Ik probeer de discussie te voorspellen. Binnen dertig seconden gaat de buurman naar binnen en slaat keihard de deur achter zich dicht. Ik klok. En ja hoor. Binnen vijfentwintig seconden slaat de achterdeur keihard dicht. Het glas valt er net niet uit. Zoals de vorige keer, nog geen twee dagen geleden.

Me afsluiten voor het kabaal heeft geen zin. Dus maak ik er maar een spel van. De buurman komt binnen dertig seconden weer naar buiten en gaat dit keer op een zachte toon de discussie aan. Poeslief. De buurvrouw zwijgt. De buurman wordt boos. Heel boos. Verheft zijn stem en zegt: Jij denkt het altijd beter te weten, maar eigenlijk ben je oerdom. Ik klok wederom. En ja hoor. Net binnen de tijd komt de buurman weer naar buiten en gaat op zachte toon, poeslief de discussie aan met zijn vrouw. Die zwijgt. Hij wordt steeds bozer en roept keihard: Kutwijf.

Ik val bijna van mijn stoel. Hier gaat iets goed mis. Dit is niet het scenario dat ik ken. Opletten geblazen dus. De buurvrouw barst in huilen uit en rent naar binnen. Even is het stil. Dan hoor ik de buurman praten. Hallo, met Hans Libelleman. Spreek ik met Lita? Die is er niet? Wanneer is ze weer aanwezig? Vandaag niet meer? Mijn lieve god, wat moet ik nu? Bellen met Mona? Maar die is lang niet zo lief. Oké, geef me het nummer dan maar. Ik weet niet wat ik hoor. Dit had ik niet gezocht achter mijn buurman. Een kwetsbare kant. Bellend naar een biechtmoeder. Wie had dat gedacht?


Vissen (20-05-2016)

Wat ik graag zou willen weten, maar niet altijd durf te vragen, waardoor ik meestal blijf hangen in invullen en gissen, wat dan weer vaak leidt tot misverstanden en onbegrip en vrienden, familie en kennissen, maar ook gewone omstanders in verlegenheid brengt, waardoor ik mezelf in een vervelende situatie positioneer en ik veel tijd kwijt raak in wollige verklaringen om mijn vraag te duiden, met in mijn achterhoofd de weet, op deze onmogelijke vraag is nauwelijks antwoord te geven, want ik breng degene die ik het vraag onmiddellijk in verlegenheid waardoor deze, heel begrijpelijk, beren en tijgers op het antwoordspoor zet en mij als wildjager haast geen keuze laat, niet wetende dat ik erg diervriendelijk ben en daarbij geen enkele diersoort uitsluit of iets aan doe, zelfs geen luizen in de pels of irritante mieren die voor mijn voeten lopen, over mijn voeten, richting kuit, knie, schouders, hoofd en in omgekeerde volgorde, beslist en directief, weer terug naar teen. Ik veeg er mijn voeten niet aan af. Nee, dat stinkt. Naar mierenzuur, weet ik uit ervaring voordat ik mij bekeerde tot boeddhist. Nee, die vraag ga ik toch maar niet stellen. Ik houd me veel liever bij NIVEA. Uit de blauwe doos. Blauw ja. Ik smeer en vul niets in voor een ander. Never! Dan maar geen eenduidig antwoord op mijn vraag. Ik laat het los. Ben niet voor niets twintig jaar in Ladakh geweest. Nou sorry lezer. Ik laat u even in het ongewisse ... en nee, het heeft geen enkele zin ... om nu te gaan ... In alle onze vragen liggen antwoorden immers opgesloten.


Een tamboerijn (24-05-2016)

Bob schreeuwt het uit. ‘Mister, mister, waar is mijn tamboerijn?’

‘Hee, dat weet ik ook niet, schreeuwlelijk!’ Antwoordt meneer Dylan.

‘Maar pa, ik heb hem echt nodig, nu!’

‘Ja jongen, kun je niet even je mondharmonica gebruiken, of gitaar?’

‘Maar pa, je weet toch dat ik geloof in bijgeloof, en die tamboerijn …’

‘Ja, ja, het is al goed. Mams zal hem wel in gebruik hebben. Ik ga wel eventjes kijken, don’t panic!’

Mams Dylan is in geen velden of wegen te bekennen. Paps begint aardig te zweten. Bob is nogal veeleisend en indien zijn eisen niet vroegtijdig ingewilligd worden zijn de rapen gaar. En gare rapen in combinatie met een boze Bob …

‘Mams, mams, waar de fok hang jij uit?’

‘Hiero lief, achter in de schuur!’

Pa Dylan ligt helemaal in een deuk. Ma zit op een klein krukje op de tamboerijn dichtbij Bertha. Telkens als mams aan een van Bertha’s uiers trekt heft ze beurtelings haar linker- en rechterbil. De tamboerijn rammelt en de koe plast melk. Het spuit alle kanten uit. En mams … die heeft nog de grootste lol.

‘Vindt ze leuk!’ Grapt mams. ‘Kijk maar eens naar haar staart.’

Pa ziet hoe Bertha met haar staart wel duizend vliegen tegelijk het hoofd dol maakt. Ze vliegen alle kanten op, behalve de goede. Ze geraken maar niet bij de kont van de koe. En een lol dat Bertha heeft.

‘Ze heeft geen last van jeuk als ik op de tamboerijn speel, is dat niet fantastisch!’

‘Bob heeft de tamboe nodig!’

‘Hoezo? Heeft ie ook weer jeuk?’

‘Nee, hij componeert muziek, dat gaat niet zonder tamboe. Je kent hem toch!?’

‘Het is en blijft een watje, jouw watje, mijn schat, ik kom er zo aan, nog effe Bertha kietelen.’

Pa loopt terug naar Bob.

‘Ze komt er zo aan jongen. Mams had de tamboe effe nodig voor Bertha!’

‘Is dat gemelk nu nog niet afgelopen? Kan ze niet de koe buiten zetten? Het gaat allemaal ten koste van mijn talent. Het heeft actie nodig 24 uur, 7 dagen lang. Ja, ook als ik slaap. Mijn talent.’

Daar stapt mams de kamer binnen.

‘Zit je nu weer te zeiken Bob. Hou daar nu eens mee op. Schrijf eens een up tempo nummer. Ik ben die ballads spuugzat. Bertha ook. Breng eens wat verandering in je repertoire, wil je? Gooi er eens wat meer Elvis in, je weet dat ik daar van hou. En Bertha ook!’

‘Komt voor de bakker mams, wordt aan gewerkt. Ga jij nu maar wat verder blowen in de wind. Ik heb al een idee.’

Pa mompelt. ‘Mmm … times are changing …, another side of Dylan?’

Zou hij het ooit halen? Zijn Bob. Mister Tamboerijn.


Voor het eerst naar school (25-05-2016)

Ik voel me niet op mijn gemak vandaag. Dat heb ik nu altijd zodra er iets nieuws te gebeuren staat. Sommigen noemen het gezonde spanning. Ik noem het gewoon vervelend. In gedachte sta ik even stil bij de yogales van afgelopen week. Daarna breng ik mijn buik en ademhaling even omlaag. De Harabuiki-ademhaling voelt goed. Het brengt me terug op aarde. Niet dat ik zweef maar het is toch wel prettig om even contact met de aarde te hebben.

Ik zuig de energie uit de aarde op en drijf de kwade sappen en gedachten diep de grond in. Heel even lijk ik te soppen in mijn schoenen. Het angstzweet is gelijktijdig met mijn uitademing, via rug, bilspleet, onderbeen en kuit richting voeten afgedreven. Heel even voelde ik het zweet nog twijfelen in mijn bilnaad. Waar te gaan? Maar de grote hoeveelheid gaf uiteindelijk een logische, vanzelfsprekende watersplitsing over beide benen. De yogajuf had me nog zo gewaarschuwd. Had ik nu maar geluisterd. Beter had ik vooraf mijn schoenen en sokken uitgedaan. Ik besluit maar even te verversen. Sportsokken. Witte. Fit for the situation.

Het is vijf voor zeven. Ik loop nog even mijn lijstje na. Heb ik alles? Helm, touw, zeil, reservetouw, reservezeil, rugzakje, broekgordel, bril. Check, ckeck, dubble check. Horloge met hoogtemeter? Bijna vergeten. Fluitje, flesje water. Zakdoek. Veiligheidshesje. Vliegtuig. Vliegtuig? De zenuwen worden me heel even de baas. Mijn vrouw zwaait me lachend uit. Succes schat!

Op naar de parachutespringschool. Mijn eerste les. Ik voel me als een brugpieper met een veel te grote tas. Shit. Appel vergeten. Terug. Eentje voor de juf en eentje voor mezelf.


Vlinders in je buik (29-05-2016)

Ik heb vlinders in mijn buik. Heerlijk toch? Jazeker. Ware het niet dat ze slecht verteerbaar zijn. Daarnaast wegen ze ook nog eens heel zwaar. Het lijken wel tientonners. Zo voelt het. Het kriebelt ook nog eens verschrikkelijk. Zwaar op de hand? Zwaar op de maag? Ik weet het niet hoor? De liefde speelt mij parten. Dat is duidelijk. Het vlinderen voelt in ieder geval niet prettig. Ik weet niet precies met hoeveel ze zijn, maar het lijken er wel duizend. Ze slaan met de vleugels hard tegen mijn buikwand. Ze vragen mijn aandacht, met groot geweld. Ik kan mijn ogen niet dichtdoen. Ze slaan zelfs met hun fladderende vleugeltjes tegen mijn lensen. Ze fladderen niet langer door mijn buik, maar door mijn hele lichaam. Ik voel het zelfs kriebelen in mijn tenen, onder mijn voeten. Volledig word ik in beslag genomen. De liefde schreeuwt. Wat doet het pijn. Vreselijk. Wat is het irritant. Vreselijk. Maar ook ontkom er niet aan. De vlinders hebben allemaal deksels bij zich. Sommigen dragen grote en sommigen kleine. Wat moeten ze ermee? Ik moet het weten en houd er eentje aan. Wat doen jullie toch met al die deksels? En waarom vliegen jullie zo hard? We zijn op zoek! We zoeken potjes! Het is mei en bijna juni. Er moet onderhand wat gaan gebeuren. We bezwijken anders zelf onder de deksels. Deksels! Ik weet genoeg. Zelfs aan mij wordt liefde besteed. Dit jaar nog. Zeker weten.


Verslingerd aan duizend dingen (30-05-2016)

Sta daar maar eens bij stil. Bij duizend dingen. Dat is wel een hele hoop. Hoewel? Over een heel leven gezien? Dan kom ik toch eerder uit bij tienduizend dingen. Misschien nog wel meer. Verslingerd ben ik al heel snel. Vanaf den beginne. Ademhalingen, voetstappen, knipogen, huilbuien, ik kan het zo gek niet benoemen, ik ben en blijf eraan verslingerd. En het meest leuke is, dat ze een leven lang met je meeslingeren. Met een beetje geluk. Ze krijgen misschien na verloop van tijd een ander kleurtje, maar ik blijf eraan verslingerd.

Hoe dat zo denkt, vraagt u zich misschien af? Heel simpel. Uit pure verwondering en leergierigheid. Ontwapening niet te vergeten. Euforie is met mij samen geboren. 'Aha' en 'wauw' zijn de eerste oerklanken die uit mijn kleine keeltje komen. Later evolueren de klanken. Ze krijgen body dankzij de leer van het alfabet. Stuk voor stuk aanbid ik al die letters. Zesentwintig in a row. 'Aha' en 'wauw' worden al snel 'eureka' en 'unglaublich'. Ik lust er pap van en ontdek de magie van de ordening en vermenigvuldiging. De cijfers en getallen verschijnen om de hoek. Ik leer tellen. Ik pas op letters en op cijfers en nog veel belangrijker op mijn tellen.

Stiekem maak ik intussen vanalles mee. Wel tienduizend dingen. En de leut? Ik kan ze allemaal tellen. Opschrijven ook. Dan hoef ik ze niet te onthouden. Het geheugen loopt zo snel vol. Over door de euforie. Euforie die in alles aanwezig is. De tienduizend dingen overschrijd ik al bij mijn tiende jaar. Ik heb er gelukkig geen besef van. Totdat ik teruglees. De werkwoorden, de lidwoorden, de bijvoeglijke, en zelfstandige naamwoorden tel. De bijwoorden en de bezittelijke voornaamwoorden. Tellen wordt een passie. Daarna volgt pas het schrijven. Over duizend dingen en nog veel meer. Totaal verslingerd. Aan een uniek en eigen alfabet. Ik slinger alle letters dagelijks op de bon. In duizend variaties en combinaties op zesentwintig mooie letters. Verbonden en versmolten in een enthousiast doch ook lankmoedig hersenspel.