Posts tonen met het label van gogh. Alle posts tonen
Posts tonen met het label van gogh. Alle posts tonen

09-03-2024

Onaantastbaar

Tussen zon en maan 
Ergens in het midden 
Wil ik niet gevonden worden
 
Dan ben ik dood 
Niet langer mezelf 
Oploskoffie
 
Drink me puur 
Zo ook mijn bloed 
Het is uniek
 
Schilder me blauw 
En geef me lange benen 
Ik pleeg een moord 
 
Voor het unieke 
Het bijzondere 
Onaantastbaar


Inzending voor:

18-01-2017

Presentatieopmaak

Vanuit mijn stoel heb ik prima uitzicht op de vloer. Het is een houten van eik. Russische eik. En koud dat ie is. Niet geïsoleerd helaas, hoewel, hij ligt best centraal en los. Maar iedereen kan erop. Dat dan weer wel. Glad is ie ook. Zo glad als ijs en plat. Niet overal even plat, maar wel op de meeste plaatsen. Op een enkele plek hobbelt ie. Niet onoverkomelijk. Elke vloer heeft zo zijn hobbels. Ik neem ze elk ochtend. Ben er inmiddels aan gewend. Bij nieuwkomers is het altijd leuk. Zullen ze de hobbels opmerken? Grappig is het dan om hun gezicht te waarnemen. De ene fronst, de ander verbaast en sommigen camoufleren. Die laatsten zijn het leukst. Ze kunnen natuurlijk niet volledig camoufleren, anders had ik dat niet gezien. Ik spreek ze daar pas op aan zodra ze het huis verlaten. Vlak voor de deur. Ja, de vloer is niet vlak hè. Heel even lijken ze dan gechoqueerd. Betrapt. Dat kunnen ze niet nog eens camoufleren. De gesprekken die zich dan in de gang afspelen zijn over het algemeen hilarisch. Leuke trap of hé is dat de bel? Hebben jullie die al lang? Natuurlijk hebben we die al lang, ze zaten bij de boedel. Ik bedoel ze zaten bij het huis inbegrepen. Goh, dat wisten ze niet. Blij dat ze het even vragen. Er is niets zo vervelend dan met misverstanden een huis verlaten. Dat vindt het huis ook niet leuk. Dan gaat het klagen, piepen en steunen. Soms kermt het zelfs. Heeft ze geleerd van de hond die hier af en toe vertoeft. Een langharige teckel. Zo’n knijphond. Je kunt ze ook krijgen in metaal, gietijzer. Maar die staan dan buiten de deur. Als voetveeg.

Vanuit mijn stoel heb ik ook zicht op de kachel. Alleen de gedachte aan de kachel vervult mij al van warmte. Ik hoef hem niet eens aan te doen. Hij is altijd aanwezig. Zowel in de woonkamer als in mijn bovenkamer. Ik kan hem van alle kanten bezien. Het is een draaikachel. Wel zo handig. Maar ook lastig voor zo’n draaikont als ik. Hij kan alle kanten op gedraaid, maar ik twijfel altijd over de juiste. Het ligt best gevoelig. Stook ik hem nu links of rechts op, of gewoon in het midden? Al die keuzes. Lastig. Ik ga dan altijd met hem in gesprek, als ik het even niet meer weet. Door het bespreekbaar maken van de keuzes en daar argumentatie bij te zoeken levert veel op. Soms lijkt het alsof ik tegen dovemansoren spreek. Totdat ik besef dat mijn kachel stokdoof is. Vanaf zijn geboorte al. De oren hebben ze dan ook weggelaten bij de levering. Heeft geen enkele functie voor zo’n dove kachel. Hij is best al oud. En hoesten dat ie af en toe doet. Vreselijk. Zwarte rook proest ie dan uit. Zijn longen hoef ik niet te zien. Die zijn pikzwart. Kan haast niet anders.

De smeedijzeren pook ligt aan zijn voet te rusten. Hij heeft de vorm van een tak en zijn handvat bestaat uit een strak gevlochten leren riem. De zijtakken zijn volgens de nieuwste inzichten kort geknipt, gesnoeid moet ik zeggen. Best wel wreed eigenlijk, om met een gesmede tak het hout in de kachel tot beter branden te porren. Cynisch ook. Aan de muur naast de kachel hangt een poster van van Gogh. Hij bestaat uit twintig rechthoekige vlakken die met ronde clips strak aan elkaar zijn geplakt. Een uitsnede van wat takken met amandelbloesem. Het helpt me telkens te herinneren om geen vers hout te stoken in de kachel. Amandel ruikt an sich best lekker, maar het is niet goed voor de kachel.

Een verdere beschrijving van de woonkamer ga ik niet geven. Ik wil niet alles in een keer verklappen. Morgen heb ik weer masterclass creatieve wooninrichting, zwaar gesubsidieerd door de vakschool Hedendaagse Binnenhuisarchitectuur voor Late Followers (HBvLF). Ouderenpartij het Gulden Vliesje heeft er lang voor moeten ijveren, maar de school is er dan toch eindelijk gekomen. Dit jaar nog vieren we het eerste jubileum. Na vijf jaar behoor ik tot de eerste afstudeerders van deze mooie opleiding. Nog even knutselen aan mijn presentatie en dan is het weer tijd voor een kopje thee. Zoethout. Heerlijk, opwekkend en goed tegen de griep. Voorkomen is beter dan genezen, nietwaar?

05-11-2015

Het meisje met de blauwe pet (10)

De borst van Theo stond op springen. De discussie met Charly was zo hoog opgelopen dat ijdelheid en trots Theo bijna lieten ontploffen. De boosheid die daarmee gepaard ging vloog naar zijn stierennek en zocht een uitweg via zijn inmiddels rood geworden oren.

Intussen was ook de brandweer gearriveerd en de politie, gevolgd door een ambulance. De sirenes klonken als een uit de hand gelopen compositie van een verwilderde Bach. Christian, niet Sebastian. Laat dat duidelijk zijn. De hulpdiensten kwamen als geroepen. Niet voor de brandende trein en mogelijk gevallen slachtoffers, maar vooral voor Theo. Zijn opgeblazenheid nam angstwekkende proporties aan. Net als zijn hoofd dat steeds roder werd. De hulpdiensten wisten niet zo goed waar te beginnen. Eerst moesten ze een weg zoeken naar de trein. Zonder perron maar met veel oefening baarde dat eerst veel zorgen, edoch ook veel kunst. Van Gogh had hier een tintelend schilderij van gemaakt, zeker weten. Ware het dat hij geen actionpainter was. Pablo, een ongelofelijke aso had hier wel een mooie pic van gemaakt. In grafity. Zeker weten.

Vlakbij de trein gekomen wisten de hulpdiensten niet precies waar te beginnen. De discussie tussen de conducteur en de machinist deed ook goed zijn best om de aandacht te trekken. De discussie ontaardde volledig. Beide heren vermoorden elkaar nog net niet. De conducteur en machinist droegen verschillende petten die ze gebruikten als wapen. Ze sloegen er geen vliegen mee weg en bakten er ook geen zoete broodjes mee. Nee. Ze sloegen er elkaar mee om de oren. Op een gevaarlijke manier. De politie greep in. Die had daarmee haar bestemming gevonden.

De brandweer besloot eerst het binnenbrandje van Theo te blussen. De trein blussen, daar was geen beginnen aan. De houten bekisting was al helemaal opgebrand. Het metaal begon al te smelten. Het gaf allemaal wel verrekte veel warmte. Zelfs de koeien uit het weiland kwamen zich er even aan warmen. De klus was door de brandweer snel geklaard. Ze spoten Theo en Charly helemaal ondersteboven met water. Hun discussie liep met veel sissers af.

De ambulancier was de enige die nog met lege handen stond. Ware het niet dat Betsy ineens omviel. De passie was haar te veel geworden. Zo bleek achteraf. Ik heb haar nog bezocht in het ziekenhuis van Schoonhoven. Gelukkig maar. Daar legde ze aan mij uit, dat ze volledig door haar emoties in vuur en vlam was gevat en voor mij gevallen. Dat laatste letterlijk en figuurlijk. Ze had nog nooit zo'n mooie jongeling gezien. Ik wilde nog vragen, wie en waar dan, maar dat bleek al snel overbodig. Liggend in bed, trok ze mij met haar linkerhand achter mijn nek zachtjes naar zich toe. Met de andere hand toverde ze vanonder de lakens haar blauwe pet te voorschijn en hield die snel achter mij tussen de lezer en ons in. Een hevige omhelzing en zoen volgde. Eindelijk. Ik hoefde niet meer te weten waarom Theo het gordijn in de trein omlaag had getrokken. Het deed er niet meer toe. Ik had mijn meisje. Het meisje met de blauwe pet. We leefden daarna nog lang en gelukkig. Wel met hard labour. Maar hee, dat spreekt vanzelf. Liefde is een werkwoord.

21-09-2015

Stilleven (12): Gestold geschreeuw

Bevroren hangen de schreeuwen aan de muur. Niemand die meer luistert. Wat valt er nog te zeggen? De beelden spreken immers voor zich. Ze hangen naast elkaar. Voor het eerst. Zoekend naar verbinding. De kijker bepaalt. Het schouwen van angst dringt diep door. Wat er achter de verf ligt is tot voor kort microscopisch onderzocht. Maar angstzweet laat geen DNA achter. Sommige geheimen zijn niet te ontrafelen. Zelfs niet met een zesde zintuig. De techniek en de geschiedenis ook zij kennen hun beperking. De angst blijft bevroren op de muur. Het lokt grote bezoekersaantallen. Records zullen mogelijk breken. Maar de angst die blijft. In sombere kleuren.

Mijn oog gaat uit naar de bedden. Ook die hangen naast elkaar. Zou daar ook nog angstzweet uit te destilleren zijn? Wat moet er in gewoeld zijn. Onrust onder de lakens. Niet de slaap kunnen vatten. Het grote mysterie laat zich niet vangen op doek. Hoe hard er ook gewerkt wordt. Tot het depressieve toe. Want als hard werken geen vruchten oplevert verzuurt de inspiratie. En heel veel zuur kunnen de hersens niet verdragen. Hersens op sterk water geven geen lucht. De natuur opzoeken en verfluchten vastleggen op canvas is een nobel streven. Maar wat als materie en materiaal niet doen wat hoofd en handen willen vastleggen? Uit woede worden ezels onderuit geschopt, wetend dat zij er ook niets aan kunnen doen. Het lucht heel even op.

Het liefst wil de schilder in het schilderij kruipen. In het bed dat zojuist geschilderd is. De natte olieverf snuiven en links en recht nog wat bij plamuren. Maar het kan niet, het mag niet. De verf is nog te nat, net als de angst. Pas als deze opdroogt is het goed. Dan kan het zout van het schilderij gesnoven worden. Suikerzoet hangen ze naast elkaar. De twee bedden. Als metaforen van stille arbeid. De bedden die de ruggen hebben gekend. Van vermoeide geesten.

Ik kijk nog even naar de vloer. Die is spijkervast en haarscherp in bruin gevangen. Noestig, knoestig vastgelegd. Snel en onbetaalbaar, haast onzichtbaar. Onbeweeglijk schilderbaar. De schilder in het schilderij veert op. Het is de vloer die schreeuwt en wakker houdt. Zweven kan niet meer.

09-06-2015

Stilleven (11): Eeuwigheid in positie

Ik knip het schilderij aan stukken. In heel veel vierkant. Zuinig ben ik op de randjes. Die wijzen mij de weg. Het mag niet kloppen en hussel alle stukken door elkaar. Het roze verdrijft het blauw. Zoals een dame haar koning. Schaakmat hollen paarden over de vloer. Dat mag niet. Ze moeten stilstaan. Schuin voor de overgang.

Oorlog op het bord. Stilte aan tafel. Stukken aan kop nemen nieuw positie in. Gulden sneden doorklieven het vlees en kerven de ziel. Modellen komen tot leven, staan op uit de verf, als aimabele amandelbloesem, ooit gezien onder een warme zon ergens in het zoete Zuiden.

Perfect perforeer ik kleine ronde gaatjes in alle hoeken van de puzzelstukjes. Uitzonderlijk is de lichtval die door de gaten schijnt. Op de grond schuif ik de stukken op zijn plaats. In een nieuwe orde. Het mag niet kloppen. Grillig zoeken de amandeltakken elkaar op. Kronkelend scheef, omringd door roze blauw en groen, in hele kleine beetjes bruin.

Het schilderij tovert zichzelf weer in elkaar. Ik hecht de stukken in de hoeken opnieuw aaneen. Met kleine witte toverkruisjes. Ingenieus plastic uit een nieuwe tijd. Vierkant is het midden, rechthoekig de totale vorm, glanzend de inhoud. De afbeelding vlak gestreken, schittert in valse schijn. De verf is helaas al jaren haar diepgang kwijt.

De bank wordt aan de kant geschoven. Onbetaalbaar is de lege muur. Hoeveel kunstjes kan zij nog verdragen? Het is niet het moment om vragen te stellen. Zwijgzaam hecht ik strippen op de muur, haaks geraamd. Kromme stukjes amandeltak lachen me vierkant vanaf de grond toe. Nooit, nooit zullen zij nog water proeven.

Ik vat het totaalplaatje van de grond. Het wiebelt en waggelt en wil niet plooien. Horizontaal spreid ik mijn armen en hang het kersverse amandelskelet in positie aan de muur. Het klopt. Alles valt samen en ineen. De muur, de bank, de vloer, het licht. In roze, blauw, groen en bruin. Voor de eeuwigheid? Voor de eeuwigheid.

Bron: Amandelbloesem (van Gogh featuring IXXI)

05-06-2014

Stilleven (3): Idolatrie in film en kleur

Over de brug loopt een man. De kraag hoog opgestoken. Het weer is guur en de wind fluit in zijn gezicht. Elders in de wereld loopt op hetzelfde moment een man door de regen. In New York om precies te zijn. Hij luistert niet naar de naam James. Ook hij loopt in zijn kraag, in de regen maar uit de wind. Met dank aan de wolkenkrabbers. Langs de weg roepen de mensen hem aan. “James, James, ben jij het?” Maar James luistert niet naar zijn naam. Hij is diep in gedachten verzonken.

Onderwijl loopt de andere man aan de overzijde van de oceaan naar een grote ruimte met veel glas. Hij heeft zijn stiel gevonden. Al jaren geleden. Het is nu alleen nog een kwestie van uitwerken. Zijn leven. Zijn ziel. Het liefst doet hij dat bloot en dagenlang. Een beetje gek is ie wel. Maar ach, wie niet? In de grote lege ruimte staat een tafel. Op de tafel liggen veel doeken. Witte doeken, onaangetast. Een doek in de lege ruimte trekt aandacht. Het ligt niet op tafel maar hangt aan de muur.

De man in New York wordt nu toch wel door heel veel mensen herkent als ‘James’. Maar James wil van niets weten. Hij loopt stoer in zijn kraag verder. Het begint steeds harder te regen. Het liefst zou hij de boot nemen. Het is echt weer om op een boot te zitten. Een boot naar Noorwegen. Zijn favoriete land. Met favoriete inwoners. De gelatenheid van de Noor schuurt tegen die van Finnen aan. Gelatenheid en nuchterheid daar houdt James van. Diep van binnen, in zijn ziel, is James ook een Scandinaviër. Maar geen Zweed. Dat is te gemakkelijk.

Intussen heeft de andere man zijn focus gericht op het doek aan de muur. Hij belaagt het doek met sombere kleuren. Somber maar fel. Ze passen prima op het doek en bij de mood waarin hij verkeert. Somberheid ten top. Met een schuin oog kijkt hij het doek een beetje schichtig aan. Het doek beweegt zich niet naar hem toe. En dat is juist wat hij wil. Maar nee. Het doek met al zijn sombere, felle kleuren negeert hem volledig. Iets wat de man niet echt kan accepteren. Het schuurt en maakt hem angstig.

James in New York heeft intussen de haven gevonden. De haven en zijn weg. Weg is ie. Met de eerste de beste boot. Hij heeft al veel gemist in zijn leven. Maar deze escape kan hij niet laten gaan. Acteren op het juiste moment. Daar gaat het in het leven om. Niet in stomme films. En zeker niet in van die mega gigantische Hollywood producties. Pulp, pulp, allemaal pulp fiction. Geef good old James maar een echte film. Rebels trekt hij zijn kraag nog hoger tegen zijn oren aan. Hij kan het geschreeuw van de menigte langs de kant niet langer aanhoren.

Aan de andere kant van de oceaan trekt de doekenman zwarte en lila strepen over het doek dat niet luisteren wil. Hij krijgt het niet naar zijn hand gezet en besluit even rust te nemen. Maar dat is het doek te na. “Laat jij me hier nu in mijn somberheid en ellende hangen, verrekte amateur? Kom hier met die kwasten. Dan schilder ik zelf wel even dit plaatje af.” De doekenman schrikt zich een hoedje en valt bijna van zijn paard. Van zijn paard? Ja van zijn paard. Niet van zijn geloof. De doekenman komt alleen tot rust op een paard. Het paard heet Ed. Maar dat doet er voor het verhaal even niet toe. Belangrijker is dat de man die bijna van het paard viel alleen maar heel hard kan schreeuwen. Van ellende.

Op de boot is het niet veel anders. De wannabe Scandinaviër koerst weliswaar richting het beloofde land, maar vooralsnog raakt hij steeds verder van huis. Een homeland zal deze jongeman niet snel vinden. Zijn lot vaart hem gewoon achterna. Het zal slecht met hem aflopen. Het gillen van de meisjes aan gene zijde zal daar niets aan veranderen. Van verzachting van het lot is geen sprake. In idolatrie zal hij sterven. Veel te jong. Hij weet het alleen nog niet. De dood loert en komt meestal onverwacht.

De doekenman staat langzaam op naast zijn paard. Met Ed valt niet te praten. Met het doek ook niet. Het doek buldert en schreeuwt. Snel raapt de doekenman een penseel van de grond en grijpt naar een tube lila. Met een paar vegen geeft hij het doek zijn zin. Het kronkelt van plezier. Het staat op zijn strepen. “Hier nog graag een lijntje, en daar, ja daar een contourtje … die hand mag ook wat scherper. Houdt hem eens tegen je oor. Voel je de angst? De angst van Vincent. Ja, je voelt hem hè? Dan is het goed. Leg die kwast maar neer. Het is goed zo. Rust maar uit. Ik vind mijn weg wel naar het museum. Ere wie ere toekomt. Daar zal ik sterven aan de muur, achter glas. Telkens opnieuw. Van idolatrie. Mijn onbestemd lot. Ik schreeuw het uit.”

15-05-2014

Stilleven (1): Petmans ziet kraaien

Met een droevige blik zet hij zijn bierglas neer. Petmans heeft de afgelopen drie uur de omgeving goed in zich opgenomen. Het kleine terras, genesteld onder populieren, doet hem denken aan vroegere tijden. Toen alles beter zou zijn geweest. Tenminste als hij de oude mensen, die aan het tafeltje naast hem zitten moet geloven. Geloven doet Petmans eigenlijk nergens meer in. Na drie uur schouwen kan hij maar een ding concluderen. De oudjes hebben gelijk. Vroeger was alles beter.

“Wat zit je toch te mopperen mens, geniet een beetje van het leven, het is veel te kort”.

Petmans kijkt verbaasd om zich heen. De oude mensen naast hem turen het weiland in en houden hun mond stijf dicht. De lippen staan bevroren in hun gerimpelde gezichten. Een stralende zon probeert ze tevergeefs te ontdooien. Maar waar komt die stem dan toch vandaan?

“Ja hier, koekenbakker, hallo, ben ik in beeld?”

Petmans valt bijna van zijn stoel. Het geluid komt onder zijn bierglas vandaan. Hij tilt het bierglas op en kijkt met grote ogen naar het portret dat geschilderd staat op het bierviltje. Het portret geeft een vette knipoog. Wat een rare kwast, denkt Petmans.

“Rare kwast, rare kwast, hoor wie het zegt. Heb je jezelf al eens goed bekeken?”

Dat is een goede vraag. Wanneer heeft hij zichzelf ook alweer voor het laatst bekeken. Als hij het zich goed kan herinneren was dat toen hij zichzelf een oor aannaaide. In een donkere spiegel van zijn ziel. Maar dat lijkt alweer een eeuwigheid geleden.

“Nou, je hoeft niet zo vreemd te kijken hoor. Je weet verrekte goed waar ik op lijk. Zal ik het even voor je spellen? Of nee, nee wacht. Ik zal het voor je zingen?

Spiegelbeeld vertel eens even
Ben ik heus zo oud als jij
Is het waar, ben ik al zestig
Is m’n leven voorbij
‘k Ben wel jong maar ik ben toch niet zo jong meer als toen
‘k zou zo graag nog hier en daar
nog eens iets overdoen
Ennehhhh … Brings back memories?”

Petmans begrijpt er helemaal niets van. Wat wil die rare kwast toch van hem? En wat is dat voor een maf liedje dat hij daar zingt? Petmans pijnigt zijn gedachten en verbeeldingsvermogen. Vroeger, heel vroeger had hij vast een pasklaar antwoord gehad. Maar helaas. Dass war einmal.

De vertwijfeling is blijkbaar van zijn gezicht af te lezen. Want de oude mannetjes naast hem kijken Petmans meelijwekkend aan. Het hersenknarsen komt de mannetjes welbekend voor.

Een zwarte kraai komt vanaf de akker aangevlogen en gaat op de rug van de lege stoel zitten die naast Petmans staat. Met zijn linkervleugel poetst ie even zijn bolletje en kraait daarna met krasse stem: “Willeke Alberti, het is Willeke Alberti, zeker weten!”

De oude mannetjes komen nu plots in beweging en storten zich op het bierviltje van Petmans. Ze zijn met z’n drieën en bestuderen het bierviltje aandachtig. Al snel komen ze tot een gemeenschappelijke conclusie en roepen in koor: “Dat kan niet, stomme vogel, kijk maar, dat portret heeft een baard. Heb je ooit een vrouw met een baard horen zingen?”

“Ja maar, ja maar …”, sputtert de kraai tegen, “Het lied is van Willeke, niet het portret. Ze zingt over haar spiegelbeeld, stelletje ouwe dozen!”

“Ho, ho, ho …”, valt het bierviltportret bij. “Nu verklap je bijna de clou, stomme vogel. Laat Petmans alsjeblieft zelf tot conclusies komen. Ja, wil je? En luister eens Petmans. Heb je al eens goed naar mijn streken gekeken. Ja die okeroranje streken in mijn baard, herken je ze? Heb je toch jarenlang naar lopen zoeken? En wat vind je ervan. Ja, ja, man, verf en techniek hebben zich de laatste jaren flink ontwikkeld. Met dank aan de commercie?”

Het bierviltportret krijgt geen antwoord en krabt zich aan zijn baard. Petmans is vertrokken. Naar de horizon. Achter kraaimans aan. Het bierviltportret slaakt een diepe zucht. En de oudjes turen naar de einder. Met de lippen stijf op elkaar. Ze vonden Petmans best wel aardig. Hadden ze maar gezwegen.

05-01-2011

American Pie

Met een brede kwast gooit hij wijdbeens zijn streken op het witte doek. Spetterend schreeuwt de verf om meer. Een grote leegte wil gevuld worden. Angstig blikt de dader in de ogen van zijn metgezellen. Wat nu? Hij wil van geen kookles weten, maar vreest zijn meesters.

Vincent, Joseph, Marcel, ze kijken elkaar vertwijfeld aan. Welk antwoord moeten zij Jackson geven? Kleur bekennen zit er voorlopig niet in. Daarvoor is er al te veel en te vaak aangekliederd. Modelkunstenaars die zich meer dan eens aan de ezel hebben gestoten. Nee, een antwoord zwart op wit zit er deze sessie niet in.

Jackson is de twijfel langzamerhand beu. “Jongens jullie laten me geen keus. Ik ben niet bang voor blauw geel of rood.” Met een brede glimlach grijpt hij drie spuitbussen. Vincent ziet ineens grijs. Joseph verslikt zich in een stukje citroen en Marcel, die veegt wat broodkruimels bij elkaar. De sterren van het bekladde doek staan erbij alsof ze een pijp zien roken. Of is het geen pijp?

“'Weet je wat wij moeten doen?” roept Joseph tegen zijn kompanen. “Wij moeten het ruimer zien. De lucht is de grens! Wat is jullie oordeel?” Tja, Vincent die van oordelen alles wist kon dat van die grens en zo wel beamen. Toch krabde hij van twijfel nog eens achter zijn oor en stootte Marcel prompt in z’n zij. “Hee, Marcel jij bent toch specialist in grensgevallen, jij bent toch van d’n Belgique, wat vindt jij er eigenlijk van?”

“Awel zunne, ik ben het niet eens met d’n Joseph. Hij ziet die luchtgrens als Leitmotiv en ik zie daar helemaal geen brood in. Het is allemaal gebakken lucht. Veel liever bak ik zoete broodjes of beter nog een American Pie. Yes, that will do, Jackson bake us or spritz uns an American Pie, behind your Jaypan Fan.”

"Miljaar nog an toe zeg! En wat willen de mannen er bij drinken? Whisky en wijn?" Zei Jackson in gebroken Vlaams. "Ik heb liever aardappelen!" Probeerde Vincent nog. Misschien dat de anderen dat nooit hebben begrepen! Bij Marcel begon zijn franc te vallen. “Oké, voor Vinz absinth, für Joseph ein Bier und etwas Sauerkraut, voor mij unne Tripel en ik geef Jackson zijn Daniel’s en dan geven we van patat.”

Jackson polkte nog wat zenuwachtig aan zijn neus voordat hij in z’n eerste spuitbus kneep. En voilà. De eerste druppel deed bij Marcel zijn bloed koken. Hij deed zijn overall naar beneden en liet zijn eieren en bleke Belgische kadetjes zien. "Je weet waar je die protkunst van jullie kunt steken? Waar de zonnebloemen niet groeien! En durf dát maar eens aan je broer te schrijven!" Daarbij keek hij met een schuin oog naar Vincent die zo rood werd als een tomaat.

Zonder blikken of blozen duwde Jackson de blauwe spuitbus omgekeerd in het zwarte gat van Broodthaers. Echter niet voordat Joseph er een stevige dot vet op had gesmeerd. Marcel danste vervolgens van schrik spontaan de horlepiep. Blauwe druppels spatten op het witte doek uiteen, met welhaast Mondriaanse precisie. "Mais ceci c’est ne pas une horlepiep, ceci c’est une dripping, merveilleuse !!!" riep Marcel blij.

Vincent was intussen naar de keuken gelopen en rommelde wat in de lade met bestek. Hij vond het wel welletjes. Hier is geen eer aan te behalen. Ze begrijpen het toch niet. Misschien zullen ze het wel nooit begrijpen. Wie niet luisteren wil moet maar voelen, dacht Vincent. Hij griste boos de flessenlikker uit de lade en nam voor de zekerheid ook een pannenlap mee.

"Nou Marcelleke, laat uw broekske nu nog maar eens zakken?" Met behulp van de flessenlikker barbariseerde Vincent de bruine gouache op het tableau van de inmiddels droge en saaie spuittextuur. Een niet onaardig tafereeltje ontspon zich voor de ogen van de kunstgroep. Een landelijk kerkje met een pastoor, wat nonnen en een kruis. The big four of the Artistic Church konden hun vreugde amper bedwingen en doopten hun magisch realistisch plastiekske onmiddellijk om tot pièce de résistance du 21e siècle met de waanzinnige titel: Hello, hello, mister American Pie.

Co-column geschreven op website ColumnX door LouisP en Mien

19-01-2009

Sterallures

Geachte directie KPN,

Als hoofdsponsor van de tentoonstelling ‘Van Gogh en de kleuren van de nacht’ roept u klanten op deze tentoonstelling te bezoeken in Amsterdam. Met korting uiteraard.
U nodigt uw klanten uit via een brief, geschreven onder mijn naam en ondertekend met ‘Vincent’. Het is een brief geschreven in een oubollige schrijfstijl, gebruikmakend van een oud, nostalgisch ogend, handgeschreven lettertype. Een brief gedrukt op goedkoop papier met marmerlook. Hiervan zakt mijn schildersbroek werkelijk af.

U zet met deze brief mijn schrijvers- en schilderkunst in een belachelijk en slecht geïmiteerd daglicht. Tenenkrommend is deze brief in quasi van Gogh jargon. Het getuigt van slechte smaak en is mijn eer te na. Bespottelijk dat een zichzelf hoogachtend telecombedrijf zich leent voor dit soort goedkope merchandising. Nee, deze vorm van communicatie verdient geen schoonheidsprijs. Het lezen van de brief geeft mij een ‘joepie, joepie see’ gevoel. Dat is nou net niet de bedoeling, toch?

Door de brief voel ik me juist niet uitgenodigd de tentoonstelling te gaan bezoeken.
Museumjaarkaarthouders kunnen beter hun tijd besteden aan een bezoek aan een folkloristisch museum. Dan hoeven zij ook niet, als loeiend kunstmelkvee, een tijdblok te selecteren voor het bezichtigen van het schilderij de ‘Sterrennacht’, om vervolgens na het bezoek aan de tentoonstelling uitgemolken te worden door een overvloedig aanbod aan van Gogh prullaria. Nee, ik zou deze kunstpeepshow aan mij voorbij laten gaan.

Zoals u ongetwijfeld weet was ik naast het schilderen ook zeer bedreven in het schrijven van brieven. Enerzijds schreef ik om te voorzien in middelen voor mijn schilderkunst. Anderzijds schreef ik om potentiële expositiehouders en kopers te bewegen mijn schilderijen te exposeren en te kopen. Zoals u weet heeft dit het beoogde effect niet gehad. De belangrijkste reden van mijn uitvoerige correspondentie was de mogelijkheid die het bood tot zelfreflectie op mijn ontwikkeling als schilder en de reflectie op mijn schilderwerken door mijn collegae.

Gelukkig hebben latere kunsthistorici mijn schrijfsels in de juiste context weten te plaatsen en het kaliber ervan onderkend. Deze postume waardering blijkt vooral uit de latere bundeling van mijn schrijfsels en de beschouwingen op mijn uitgebreide nalatenschap. Een artistieke nalatenschap waaraan menigeen zich nu nog steeds verrijkt ter zijner glorie en uit winstbejag. Hoe wrang eigenlijk, gezien de financiële worstelingen in mijn voormalig leven. Hier lusten de honden geen brood van.

Juist daardoor stemt het mij extra droevig dat de directie KPN heeft besloten mijn tentoonstelling te sponsoren, promoten en te marchanderen via deze goedkoop gekunstelde vorm van brievenplagiaat. Niettegenstaande het feit dat ik natuurlijk blij ben met al deze postume aandacht. Het onder de aandacht brengen van mijn werk bij een groot en onontgonnen publiek streelt uiteraard mijn ego.

Beste directie KPN, zoals u wellicht uit bovenstaand betoog begrijpt, sluit ik me niet aan bij uw KPN omdat ik persoonlijk uw eenvoud niet vertrouw.
Voor een reactie op dit schrijven verwijs ik vriendelijk naar mijn erven die wellicht nog wat kunnen verdienen aan uw oneigenlijke gebruik van mijn voornaam.
Ere wie ere toekomt.


Hoogachtend en met vriendelijke groet,

Vincent van Gogh


Mien (in naam van Vincent)