Posts tonen met het label kind. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kind. Alle posts tonen

21-12-2017

Brief van een liefhebbend kind

Lieve mama,

Ik heb misschien een rare vraag. Daarom schrijf ik deze brief. Hardop deze vraag stellen durf ik niet. Wel zachtjes schrijven op papier. Ik heb er heel lang over nagedacht. Durf ik of durf ik niet? Dat is weer eens wat anders dan 'ben ik of ben ik niet'. Ja, ik ken mijn klassiekers, mama. Die heeft papa mij al vroeg met paplepel ingegoten. Dat weet u niet? Vreemd. Wat ontgaat u toch veel. Heeft ook meteen te maken met mijn prangende vraag.

U bent altijd zo afwezig. Hoe komt dat zo? Nee, dit is niet de vraag die ik wilde stellen. Die komt nog. Zie dit maar als een vraag naar de ultieme vraag die ik u wil stellen. Een deelvraag. Waarom, waarom bent u altijd afwezig? Vreemd, heel vreemd. U loopt in de keuken, de kamer, boven, ligt vaak op de bank, fysiek aanwezig en toch, zo afwezig. Slaapt u slecht of droomt u veel? Ik moet dan ook altijd nadenken en soms ook piekeren. Doet u dat ook misschien? Ik wil het graag weten.

Ja, ja, allemaal deelvragen. Ik weet het. Ik zit dan ook verlegen om antwoorden. Of breng ik u nu in verlegenheid? Dat wil ik niet, hoor. Is niet mijn bedoeling. U heeft het zwaar. Altijd. Dat zie ik wel. Ik word daar zelf altijd een beetje verdrietig van. Zeker als u eenzaam en verlaten door het huis spookt. Onbereikbaar bent u dan. Afwezig. Best vervelend af en toe. Soms heb ik zin in een glaasje fris. Durf dat dan niet te vragen. Alles kost u moeite, op een of andere manier. Die moeite wil ik u graag besparen. Dan vindt u mij vast lief. Denk ik dan. Hoop ik dan. Niets liever wil ik u lief hebben. Boos is zo vervelend. Ja, soms wordt u boos. Maar daar kan ik niets aan doen. Ik ben maar een klein kind, weet u. En ik heb veel aandacht nodig. Kan ik ook niets aan doen. Zo gaat dat met kinderen. Toch?

Oh, u geeft weer niet thuis. Tegen wie moet ik dan praten? Mijn pop? Maar die is zo stil. Net als u. Ze praat nooit als ik er ben. Net als u. Ook al doe ik nog zo mijn best. Ja, ik geef het toe. Ik kan ook het bloed onder uw nagels uithalen. Maar bent u dat zelf niet een beetje schuld? Dat ik soms te veel ben. Eigenlijk altijd? Als nummer vier. Waarom? Waarom ben ik dan gekomen? Als u me niet wil zien?

Ik ga niet langer tellen hoeveel deelvragen ik aan u heb. U geeft toch geen antwoorden. Dat kunt u niet. U bent het kwijt. En dat kan ik dan weer begrijpen. Ik snap er zelf vaak ook niets van. Maar onderzoeken zal ik altijd. Daarom verzoek ik u, lieve mama, ook al weet ik dat u van verzoeken niet houdt, ik kan niet anders, geef alsjeblieft eens antwoord. Heeft u ooit van mij gehouden?

Uw liefhebbende zoon

24-05-2017

Topolientje vliegmachientje

Eens is er een heel klein vliegmachientje. Een machientje met heel wat in haar mars. Nieuwsgierig ook. En ze heet Topolientje. Ze wil het liefst de wereld ontdekken en het heelal. En wel nu meteen. Ze kan niet wachten. Toch moet ze. Waarom? Topolientje heeft nog geen piloot gevonden. En zonder piloot kan ze niet vliegen. Waar vindt ze nu een geschikte piloot?

Op het vliegveld regent het pijpenstelen. Gelukkig wordt Topolientje niet nat. Ze staat veilig en droog onder de vleugels van haar mama Jet. Zo klein als Topolientje is, zo groot is mama Jet. Mama weet wel raad. Zij heeft zojuist een piloot gevonden voor haar kleine. Een hele stoere oude mug. Mug Muggewitz. Hij heeft nog gevlogen in de oorlog. Een perfecte piloot. Een echte gentleman ook. Strak in het pak en de kleine steekneus altijd hoog opgeheven. Daar houdt mama Jet van. Stoer en deftig.

Samen gaan Topolientje en Muggewitz op pad. Op pad? De lucht in zul je bedoelen. En met een rotvaart schieten ze de hemel in. Muggewitz duwt het gaspedaal stevig in. Topolientje geniet. Ze voelt de wolken langs haar buik en over haar rug glijden. Haar vleugels en staart wapperen vrolijk mee. Heel even voelt ze zich het gelukkigste vliegmachientje van heel de wereld, totdat …

Muggewitz vreselijk de hik krijgt. Bij iedere hik zakt Topolientje meters omlaag en Mug die blijft maar hikken. Ze moet hem laten schrikken. Maar hoe? Zingen natuurlijk. Ze moet keihard gaan zingen. Ze zingt namelijk zo vals dat iedereen ervan schrikt.
DAAR WAS LAATST EEN MUG ZO LOOS. DIE KON NIET VLIEGEN, DIE KON NIET VLIEGEN. DAAR WAS LAATST EEN MUG ZO LOOS. SCHOOT IN DE HIK EN VIEL UIT ZIJN DOOS.
Pats boem, met een enorm kabaal schiet Muggewitz uit het kleine vliegmachientje. Wat heeft hij nu gedaan? Van schrik per ongeluk met zijn lange muggenneus op het verkeerde knopje gedrukt. De schietstoel! Dom, dom, dom. Topolientje ziet hem keihard omlaag vallen. Snel, op de automatische piloot. Ze zet zichzelf aan en duikt achter Muggewitz naar beneden. Kan ze hem nog redden?

Net voordat Mug de grond raakt steekt Topolientje haar vleugels zachtjes onder de schietstoel. Gered. Snel zetten ze de schietstoel in de buik van Topolientje en gaan samen weer op pad. Eh … de lucht in. Topolientje huilt. De tranen rollen langs haar neus en vallen gelijk dikke regendruppels omlaag. Wat is er aan de hand? Topolientje vertelt. Ze wil zo graag naar planeet Trouw die bekend staat om haar lieve mensen. Maar het ligt veel te ver weg. Dicht bij de sterren, vlakbij de maan.

Muggewitz troost Topolientje. Hij heeft een idee. Ze vragen planeet Humor, je weet wel, waar al die lachbekjes wonen, om hen te lanceren. Dat gaat veel sneller. Wat een goed idee. Maar kan dat eigenlijk wel met dit kleine vliegmachientje? Maar natuurlijk! Er is alleen een klein probleem. Om bij het land van Trouw te komen, moeten ze eerst langs de planeten Liefde en Verdriet. Met de Liefde is dat niet zo’n probleem, maar tegen planeet Verdriet zien ze toch wel een beetje op. Eerst maar eens naar planeet Humor. En ja hoor, die ligt weer te slapen. Het zal toch niet?

Humor snurkt dat het een lieve lust is. De grond gaat in golven op en neer. Het lijkt wel een grote dikke buik. Dan klinkt er gepruttel en een grote geeuw. Humor is wakker. Wie komt hier zijn rust verstoren? Maar … dat is Muggewitz, zijn oude maat. Daar heeft ie ooit nog eens een oorlog mee gewonnen. Muggewitz met zijn beroemde mitrailleurneus. Dat wordt lachen. De twee mannen halen oude verhalen op terwijl Topolientje ongeduldig wacht. Ze wil zo snel mogelijk naar planeet Trouw.

Maar eerst worden de lachbekjes van stal gehaald. Wat zijn het er veel. En ze hebben allemaal evenveel plezier. Tijd om de lancering voor te bereiden. Om beurten vertellen de lachbekjes een mop. Planeet Humor pompt zich helemaal vol met ingehouden lachjes en na een uur is zijn buik vol. Snel kruipt Muggewitz achter het stuur van Topolientje. Samen wachten ze op de grootste mop. Daar komt ie. Planeet Humor slikt en explodeert en Topolientje wordt de ruimte in geslingerd.

Wat een pech. Door alle vaart botsen ze bovenop de neus van planeet Verdriet. Die begint keihard te huilen. Het is ook een gevoelige plek zo’n neus. Wat komen jullie doen? Brult de planeet. Normaal gesproken is Verdriet heel lang van stof en praat uren aan een stuk. Maar dit keer heeft ie haast. Waarom? Geen idee. Jullie willen naar planeet Trouw? Aha, op zoek naar lieve mensen zeker. Groot gelijk. Nou vooruit dan maar, ik geef jullie wel even een zetje. En oh ja, dit keer hoeven jullie niet langs planeet Liefde. Die is op bezoek bij mij. Dus, jullie krijgen een enkele reis van mij direct naar planeet Trouw. Enkele reis? Maar Topolientje wil nog wel terug! Te laat. Met flink wat gesnotter zet planeet Verdriet Topolientje op de supersnelweg richting Trouw. Snelweg? Op de windweg natuurlijk.

Waarom hoeven ze nu niet eerst via planeet Liefde? Vreemd. Totdat Muggewitz Topolientje wijst op twee planeten die elkaar plots een zoentje geven. Planeet Verdriet en Liefde zijn verliefd op elkaar. Kijk ze blozen zelfs. De vuurrode wangen van beide planeten steken fel af in de zwarte ruimte. Een ruimte die Topolientje en Muggewitz snel achter zich laten. Op naar planeet Trouw.

En daar ligt de planeet van Topolientje’s dromen. Bewoond door alleen maar lieve mensen, allen grootgebracht met trouw en troost. De hele planeet ligt ook vol met knuffeldieren, de liefste beesten van heel de wereld en het heelal. Wat een mooie reis hebben zij en Muggewitz saampjes tot nu toe gehad. Een reis die voor haar nog eeuwig mag duren. Tot ver, heel ver in de toekomst.

Van geluk pinkt Topolientje snel een traan weg en kijkt vanaf planeet Trouw naar beneden en begint keihard te lachen. Trouw en Humor hebben toch maar mooi gewonnen van Liefde en Verdriet.

Inzending voor Sprookjesschrijfwedstrijd der Lage Landen van Stichting Natuurpark de Efteling 2017.
Zie ook: https://www.efteling.com/nl/specials/sprookjesschrijfwedstrijd

Uitleg:
De Efteling maakt samen met prinses Laurentien en Paul van Loon een tweede boek van de Sprookjessprokkelaar. Een boek vol bijzondere, korte sprookjesverhalen met illustraties van de Efteling. En jouw verhaal kan dienen als inspiratie voor de schrijvers. Uitgave boek: eind mei 2018.

Maximaal 1.001 woorden
Het sprookje moet zich afspelen in de toekomst: Eens is er…
Doelgroep: 6-12 jr
Van maximaal 14 winnaars wordt het sprookje als inspiratie gebruikt voor het nieuwe boek van De Sprookjessprokkelaar.
De winnaars worden vermeld in het nieuwe boek.
De winnaars ontvangen: aanwezigheid bij de uitreiking van het eerste boek, een uniek, gesigneerd exemplaar en 4 entreekaartjes voor de Efteling.
Jouw verhaal zal hoogstwaarschijnlijk niet letterlijk of in z’n geheel in het boek komen. Het kan zijn dat bijvoorbeeld alleen de hoofdpersoon van jouw verhaal of de verhaallijn gebruikt wordt.

Tips voor een sprookje:
1. ‘Eens is er…’ Hoewel de meeste sprookjes beginnen met ‘Er was eens…’ begint dit nieuwe sprookje met ‘Eens is er…
2. Het sprookje begint altijd met een bepaalde -starre- situatie.
3. Deze situatie wordt verstoord door een probleem, een uitdaging, een wens, of door een onverwachte gebeurtenis.
4. Slechte krachten proberen de held of heldin tegen te werken.
5. Goede krachten schieten te hulp.
6. De held leert en wordt gelukkig.
7. De held wordt beloond! De beloning voor de held kan wijsheid, rijkdom of macht zijn. Of alledrie tegelijk. Hans en Grietje vinden goud en juwelen in het huisje van de heks.

Jury:
Jochem van Gelder: Nederlandse radio- en televisiepresentator, zanger, schrijver en acteur.
Jan Rot: Nederlandse zanger, componist en tekstdichter.
Plien van Bennekom: Nederlands actrice en cabaretière.
Simone van der Vlugt: Nederlandse schrijfster.
Ihsane Chioua Lekhli: Journaliste, presentatrice van het interview- en debatprogramma De Zevende Dag
Marc de Bel: Vlaamse jeugdschrijver.

En de 14 winnaars uit 2800 inzendingen zijn:
Bernd en Linneke Matthijsse (5 en 31 jaar) – ’s Gravenmoer, NB – De betovering van de Likes
Romy van Beek (17 jaar) – Knegsel, NB – Lars en de rode blaadjes
Jan Gordon (9 jaar) – Oeffelt, NB – De magische Boemerang
Esmeralda Schütz (28 jaar) – Drunen, NB – Anne en de Eikenboom in VierSeizoenenLand
Urmi C. Pahldsingh (19 jaar) – Rotterdam, ZH – Het Koninkrijk der IJdeltuiten
Naomi Veldkamp (26 jaar) – Rotterdam, ZH – Prinses Lina en Pai
Tamara Hoppenbrouwers (26 jaar) – Leiden, ZH – De verwaande Groenteman
Jasmijn Pansier (10 jaar) – Emmeloord, FLV - Elvier
Priscilla Klaasen (26 jaar) – Apeldoorn, GLD – Diep van binnen zal het Geluk beginnen
Jan Kranenbarg – (64 jaar) – Ede, GLD – Yala en de gele Bloem
Yvonne van de Straat (25 jaar) - ’s-Heerenhoek, Z – Zonneke het Zonnekind
Jolien Harders (31 jaar) – Andijk, NH – De boze Hacks en de Vuurmuur
Jeroen Coolsaet (37 jaar) – Ieper, België – De tiende Koning
Annelène Damen (35 jaar) – Brussel, België – Een Avontuur van Roef de Robot en Moby Muisje





16-12-2016

Wakker liggen

Vastgeklemd lig ik onder de gesteven lakens die fris ruiken naar zeep. Met mijn hoofd schud ik in het kussen heen en weer, van links naar rechts. Klaarwakker ben ik. Kan de slaap niet vatten, want het spookt. Duizend gedachten flitsen door mijn kinderbrein. Het kan er nauwelijks soep van maken. Wat dacht ik nu weer vijf minuten geleden, het lijkt alweer een eeuwigheid geleden. En de nacht is nog zo lang. De donkerte wil maar niet lichter worden. Het licht dat door de gordijnkier schijnt niet donkerder. Af en toe flitst er een schaduw door de kamer. De koplampen van auto’s die in de nacht voorbij rijden.

Hoe lang zal het vannacht weer gaan duren voordat ik de slaap zal vatten? Waarom, waarom toch? En ik voel me al zo moe. Van alle indrukken van de afgelopen dag. Indrukken die niet te vatten zijn voor mijn kinderbrein. Tenminste lang niet allen. Ik voel er wel het een en ander bij. Maar ook daar weet ik geen bestemming aan te geven. Behalve onrust. Van links naar rechts schud ik mijn hoofd nog harder op en neer. Maar het helpt nauwelijks. Ik kan de slaap niet vatten. En ik wil zo graag. En toch ook weer niet. Zal die ene droom weer het hoofd opsteken? De onrustdroom, het grote ruime wit, de verschrikkelijke leegte? Niet weer. Niet vannacht. Alsjeblieft. Lig ik daarom wakker?

Mijn nek wordt langzaam moe. Ik las een korte pauze in en probeer nergens aan te denken. Dat lukt niet echt. Mijn lijf voelt moe en zwaar. Weer een dag overleefd. Een fijne dag dit keer, met enkele kleine lichtpuntjes. Ze komen voor. Gelukkig maar. Strompelen door mijn leven is niet altijd leuk. Het huis, de kamer, het bed, ze zijn vaak veel te klein om dekking te zoeken. Dekking tegen zure stemming en droeve lucht. Het belemmerd zelfs mijn kinderspel. Als een dikke nevel drijft door het huis. Ik woel mijn laken los. Het zweet staat op mijn lijf. Die verrekte hete zomer ook. Zal ik even wat water drinken? Nee, dat mag niet, dan plas ik in bed. Pa komt zo meteen nog even kijken. Denk ik, hoop ik, tevergeefs.

Toelichting:
Geschreven naar aanleiding van een idee van Hella Kuipers
Zie ook: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Schrijfveer: Een onverwachte brief (12-11-2016)

28-09-2016

Een vreemde trekpleister

Er ligt een grote bult op het strand van Ameland. Een Duitse bult want er staat een Duits vlaggetje op. Nog geen meter van de bult, aan de voorkant, steken twee voeten uit het zand. Rode voeten. Ze hebben blijkbaar al heel wat uurtjes zon gehad. Zie ik het nu goed? De bult gaat heel zachtjes op en neer. Er zit beweging in de zandbult. Vanachter de bult stijgt een vreemd geluid op. Het komt onder een opengevouwen krant vandaan. Die Zeit ronkt als een bezetene, steeds harder en onregelmatig. Het geeft mij een verstikkend gevoel, alsof ik zelf geen adem krijg, laat staan het wezen dat onder de krant ligt. Ik herken die geluiden. Ze vinden ook plaats op mijn slaapkamer en het heet snurken.

Een merkwaardig tafereel zie ik nu. Naast de bult zitten twee kleine kinderen te spelen met emmer en schop. Ze hebben een lange gracht gegraven naar de zee. Een zee die wat kabbelend rust in eb. Vijf meter lang is hun gracht en hij loopt ingenieus af richting buikbult. De Duitser die onder het zand begraven ligt is vast hun papa, een ingenieur. Een die heel veel houdt van bier en worst. Gefascineerd kijk ik naar de handelingen van de kinderen. Ze peuteren wat aan de voeten die uit het zand steken en trekken een vette pleister van de kleine teen. Bah, denk ik. Wat een viespeuken. En niemand die op hen let. Waar is de moeder? Nergens te zien. Totdat een megatanker plots over de horizon glijdt en grote golven maakt. Ze stuwen het ijskoude zeewater in de smalle gracht op, langzaam richting buikbult. En dan gebeurt het.

“Scheisse!”, hoor ik een hele hoge sopraanstem roepen. De buik klapt omhoog en daar zit moeders. Rechtop in het zand met grote ogen opengesperd en de armen woest omhoog geheven. Er staat moord en doodslag geschreven in haar donkere pupillen. De kinderen zijn in geen wegen of velden te bekennen. Eigenlijk niet zo vreemd aan een strand. Maar vanachter een winddoek zie ik nu twee paar ogen angstig gluren. Ze zouden eigenlijk op ondeugend moeten staan. Maar hé, je zult maar zo’n forse Duitse moeder hebben? "Frizzl, Franzzl, hierrr kommen und schnell ja!", hoor ik haar nog roepen en loop snel verder. Een 'Donnerwetter' hangt in de lucht, zeker weten.

Toelichting:
Geschreven naar aanleiding van een idee van Hella Kuipers
Zie ook: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Schrijfveer: Een vreemde trekpleister (06-09-2016)




30-04-2016

Schrijfveren April 2016

Dagelijkse oefening in het schrijven van Schrijfveren. In maximaal 15 minuten tijd, associatief schrijven zonder correcties, naar aanleiding van een opgegeven titel. Met dank aan Hella Kuipers.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice


Een ring op het aanrecht (11-04-2016)

Ik gooi de brandende ring op het aanrecht en vervolgens duw ik hem de wasbak in. Gelukkig heb ik mijn ovenwanten aan. De fik smult van het vet en glimlacht oranje. Nog heel even, want dan is het op. Zo snel als de vlammen kwamen zo snel verdwijnen ze weer. Angstaanjagend is het vuur in al zijn plotse oorsprong. Zodra je heel even langzaam in- en uitademt valt alles op zijn plek. Je moet minimaal een van de drie voedingsbronnen weghalen. Dan houdt het vuur vanzelf op. Ik kies dit keer voor de voeding. Wel zo handig. Een natte dweil had ook gekund. Dan hadden zuurstof en hitte mogen vechten voor redding. De zuurstof was gestikt. Zeker weten. Maar de hitte had het ook niet aangekund. Verstomd door natte kou. Maar eerlijk is eerlijk. Het vet zien wegvreten in de aanrecht door hele kleine vlammetjes is veel spectaculairder.

"Wat stinkt het hier?", wordt er geroepen vanuit de woonkamer. "Ik ruik een brandlucht!"

"Niets aan het handje, het vet wordt weggevreten, nog een paar seconden geduld, dan is ook de brandlucht weg!"

Ik voel een hand in mijn nek.

"Hoe durf je hier nu weer brand te maken, oen! Wat hadden we nu afgesproken?"

Beteuterd draai ik me vrij uit de nekgreep. Ik heb hier ook geen woorden voor. Het kwam gewoon in me op. De lucifers lagen voor het grijpen. Niemand in de keuken. Ik rook mijn kans. Althans, iets rook zijn kans.

"Sorry ... maar ... ehhh ... ik moest gewoon weer even ...!"

Ik krijg een aai over de bol. Dat voelt goed.

"Is niet erg jongen, onze vingers branden doen we allemaal, zo nu en dan. Het blijft vallen en opstaan. Gelukkig heb je het dit keer wat meer gecontroleerd gedaan. Ik ben trots op je. En sorry dat ik zo tegen je uitval!"

In opvanghuis Pyro daalt de rust weer neder.


Als kind vind je alles gewoon (13-04-2016)

Mijn ouders hadden het goed verstopt. Dat dachten ze. De sigaretten en de pornoboekjes. Vette pech. Dr. Spock was blijkbaar niet goed aan hun besteed. Of ze hadden wat pagina's overgeslagen. Never underestimate a puber. Met twaalf begon ik al. Ja, ja, ik was er vroeg bij. Had inmiddels twaalf jaar ervaring en mijn ogen goed de kost gegeven. Bovendien had ik het spel goed afgekeken van grote broer boven mij. De stiekemerd gigantus had mij zonder dat ie wist min of meer al half ingewijd in zaken die volgens pa en ma het daglicht niet konden verdragen. Vette seks en sigaretten.

Ik kijk er nu op terug met een glimlach. Wat was ik ziek toen ik na het schouwen van pa en ma's 'pornoliteratuur', goh wat waren die mensen lelijk in die boekjes, het pakje sigaretten zogenaamd stiekem, er was niemand thuis, half had opgerookt. Roken na de seks is er bij mij daarna nooit meer van gekomen. Ik vond de boekjes niet zo spannend. Geen verhaal. Alleen maar plaatjes. De fantasie liet mij voor het eerst in de steek. De belofte, iedereen had het erover op school, was veel groter en spannender dan de openbaring. Was ik nu wijzer geworden als puber? Niet echt. Eerder teleurgesteld. Was het hier nu allemaal om te doen?

Op ieder plaatje stonden twee mensen krom. Of ze lagen krom. Nou, niet van het lachen. De gezichten stonden op nors. De humor was ver te zoeken. Op een plaatje keek een meisje me nog verleidelijk aan. Op pagina een. Een lokkertje? Nee, gewoon de redactrice in vol ornaat. Ook zij ging met haar billen bloot. Vanaf dat moment wist ik het. Ik moet iets doen met marketing. Wijs als ik was, als twaalfjarige. Het is er helaas nooit van gekomen. Maar wie weet? Misschien komt het nog. Als kind vond ik alles gewoon. Als volwassene is dat veel lastiger. De tijd haalt me in. Ik vind niets meer gewoon. Het kost vooral veel moeite. Het vinden dan. Waar liggen bijvoorbeeld mijn sleutels?


Ontvlechting van een fruitmand (20-04-2016)

Ik spaar fruitmanden. Nog niet zo lang. Een nieuwe hobby. Om maar meteen met de deur in huis te vallen. Het zijn niet zo maar fruitmanden die ik spaar. Ze moeten wel voldoen aan een aantal eisen. Op de eerste plaats moet de mand vers zijn. Ik heb een bloedje hekel aan muffe fruitmanden. U kent ze wel lezer. Van die rieten mandjes die veel te lang in de kelder of schuur staan. Muf en vochtig. Nee, mijn fruitmand moet vers zijn. Net zo vers als het fruit dat het moet dragen.

Het liefst spaar ik rotanmandjes. Donkerbruin en stevig gevlochten. Zonder uitsteeksels. Daar heb ik ook een bloedje hekel aan. Rieten fruitmandjes waar het riet uitsteekt. Vreselijk kan ik mij daaraan ergeren. Het liefst zou ik zo'n mandje volledig ontvlechten en weer opnieuw vlechten.

En vandaag is het zover. Ik ben voor de achtentachtigste keer tegen een rieten mandje aangelopen waarvan het riet uitsteekt. Ik heb het toch gekocht omdat het zo'n mooi mandje was. En nu ga ik het mandje ontvlechten.

Ik trek er drie uur voor uit. Drie uur, want dat is de tijd die resteert van mijn hobbytijd. Die hobbytijd bedraagt in totaal twintig uur. Omdat ik zowat alle fruitmandjes uit onze directe woonomgeving reeds verzameld heb is er hobbytijd overgebleven. Eindelijk kan ik mijn passie van het fruitmanden verzamelen verder uitbreiden en uitvoeren.

Ik weet ook al hoe ik het ga aanpakken. Het ontvlechten levert geen problemen op. Het vlechten daarentegen vraagt om geduld en de nodige kennis. Ik heb op de zolder mijn hobbyboeken nog eens goed nagekeken. En ja hoor. Voltreffer.

Haken met riet. Ik wist dat ik het nog ergens had liggen. Alleen waar heb ik nu die haaknaalden gelaten? Haken met riet was in de jaren zestig een bestseller. Geschreven, of beter gezegd, gehaakt door Sonja Hoek. Tja, what's in a name. Sonja heeft daarna nog veel boeken geschreven in de hobbysfeer. Maar haar bestseller Haken met riet heeft ze nooit overtroffen.

Ik ben blij dat ik het boek bewaard heb. Wie bewaart die heeft wat. Nu nog een geschikte haaknaald vinden. Het riet van tegenwoordig is een stuk slapper. Dat vraagt om maatje zes. Als ik die nog maar heb. Ah, gevonden.


Een vergrootglas (25-04-2016)

Eucalypta glijdt heel langzaam met haar dunne vingers over haar glazen bol. Haar nagels zijn vuil want ze heeft zojuist getuinierd. Ze schrikt. Wat is er toch mis met haar bol? Alles wat ze erin ziet is megagroot. Alsof het niet meer in de glazen bol past. Zo ziet ze de kikker in haar moestuin als een opgeblazen hulk. Wat een grote dikke poten? "Hee, kijk uit, met je vuile vieze poten, je trapt mijn kruiden plat!". De kikker legt zijn linkerkikkeroog tegen het glas. Eucalypta deint met grote schrik achteruit. Mijn god, wat heeft dat beest een grote pupil. Een groot zwart gat waarin de hele wereld lijkt te verdwijnen. Voor Eucalypta toch? Ze is een beetje depressief de laatste tijd en vatbaar voor de grote leegte. Een leegte die ze tot nu toe prima heeft kunnen wegdrukken. Maar nu haar glazen bol, buiten alle proportie, een vertekenend perspectief geeft van haar eigen werkelijkheid, weet ze het eventjes niet meer.

Wat is hier toch aan de hand? Ze slaat er alle toverbijbels op na en rukt van kwaadheid bijna haar boekenkast omver. Dat kan niet, dat mag niet. Dan zou de hele ordening van haar wetenschap door de war raken. Gelukkig kan ze de kast nog net tegenhouden. De kat, waar is haar kat? Die biedt altijd hulp. Grompompis is in geen wegen of velden te bekennen. In haar glazen bol durft Eucalypta niet meer te kijken. Stel je voor zeg? Dat ze Grompompis megagroot in haar bol zou zien? Gelukkig klapt het kattenluikje open en strompelt de oude kater de kamer binnen. In zijn bek draagt ie een groene kikker. Snel trekt Eucalypta Grompompis naar zich toe en kijkt hem diep in de ogen. Ze ziet zichzelf weerspiegeld en ze weet genoeg. De ogen kloppen. Maar hoe zit het dan met die rare bol van haar?

De butler, maar natuurlijk. Misschien weet die er meer van. Maar waar is Jeumes? In de keuken natuurlijk. De veelvraat. Of hij misschien meer weet van de glazen bol? Jeumes is een man van orde. Dat moet ook wel met zo'n warrige toverkol als Eucalypta. Jeumes bekijkt de grote kalender die aan de muur in de keuken hangt. "Ach, Eucalypta, ik zie het al. De glazenbolveger heeft gisteren jouw glazen bol een grote beurt gegeven. Je ziet nu zeker weer veel meer en veel groter? Klopt dat?" Met een chagrijnig gezicht geeft Eucalypta toe. Van gif eet ze de halve fruitmand leeg. Behalve de appels. Want die vindt ze niet lekker.


Een brute berg (27-04-2016)

Sis rolde de steen voor de tweehonderdste keer naar boven. Wis werd er helemaal gestoord van. Waarom deed ze dat nu? Het had totaal geen zin. De steen rolde voor de tweehonderdste keer omlaag. Kijk uit. Riep Wis nog. Hij komt eraan. Maar Sis lette niet op. Door vermoeidheid overvallen zag ze hem bijna te laat aankomen. Ze kon nog net op tijd haar buik intrekken, zodat de steen haar niet omkegelde. Ze kon echter niet voorkomen dat de steen over haar voeten rolde. Ze schreeuwde het uit van pijn. Klotesteen.

Wis kwam snel toegesneld en troostte zijn zusje. Hij nam haar mee de berg af op zijn schouders. Ze kon namelijk niet meer lopen. Bij het eerste watervalletje zette hij Sis op een rotsblok en trok haar schoenen uit. Haar witte sokjes waren helemaal doorweekt van bloed. Wis trok ze voorzichtig uit. Ik heb geen gevoel meer in mijn voeten, sprak Sis. Komt goed, dat gevoel komt zo meteen weer terug. Wacht maar tot ik je voeten onder de watervalkraan houd.

Sis kon niet echt lachen om de flauwe taalgrap, stak haar tong uit naar Wis en beet vrijwel gelijktijdig op haar tanden. Door alle verwarring vergat ze haar tong op tijd terug te trekken met een bloederig gevolg. Door het spleetje van haar voortanden spoot het bloed in een ferme straal naar buiten. Recht in het gezicht van Wis. Godverdomme, die klotesteen en kloteberg ook, die hadden al veel leed veroorzaakt. Het was niet de eerste keer dat Sis haar tenen plette.

Wis was een ijdel persoontje en baalde altijd verschrikkelijk als zijn gezicht vies werd. Hoe en om welke reden dan ook. Hij was erg kean op zijn gezicht. Vloek toch niet zo, murmelde Sis, met haar mond vol bloed. We zitten hier in Oostenrijk. Die steen en berg kunnen er ook niets aan doen. Je valt in herhaling, sprak Wis verbitterd. Jij ook, antwoordde Sis, kom Laten we het samen nog een keer proberen.


Hoorspelgeluiden (28-04-2016

Zand knarst. Kiezel gromt. Riet waait. Korrels ruisen. Hoest hikt. Sirenes loeien. Koeien blaten. Schapen blaffen. Hoor ik alles wel goed? Ik kom gelukkig door de eerste ronde. Met veel mazzel en ietsiepietsie wijsheid. Volstaat dat ook voor ronde twee. De viool blaast. De kat vioolt. Snaren brommen. Bromsnor fluit. Pipo bloost. Kan ik dat wel horen? Hoort dat zo? Mijn tegenstanders doen het slechter. Ik mag door. De moeilijkheidsgraad stijgt. Zelfs de quizmaster wordt nerveus.

Even pauze. Oortjes los. Schelpen licht masseren. Neus goed snuiten. Ik luister met mijn ogen en proef met mijn oren. De tijd schrijdt en schreit. Eerst zacht dan hard. Oortjes gaan weer in. Ik schud mijn zintuigen nog eens los. Ontspan de spieren. Neem hoog in mijn hoofd plaats. Mijn keypoint raak ik zachtjes aan. Mijn navel bloost van ontspanning. De band start. Zweetdruppels parelen op het hoofd van de quizmaster.

Toeter zucht. Kuch schreeuwt. Vrouw bast. Man sopraant. En vice versa. Strikvraag stottert. Button huilt. Max stokt. Twijfel negeert. Stof waait neer. Gaspedaal koekkoet. Klok rinkelt. Schip ahoyt. Rechtbank nachtwacht. Oorring slaat dikke trom. Zoef haast. Uil knapt. Raaf muist. Bever boft. Stop.

De lichten in de studio slaan op tilt. Ik word om mijn nek gevlogen. Door mijn vrouw en omstanders. Een grote bos bloemen wordt in mijn handen en onder mijn neus gedrukt. En een cheque. Een hele vette. Van IKEA. Ik spel geen geluiden meer. Spelgeluiden hoor ik niet langer. Hoor, het spel is afgelopen.

31-12-2015

Schrijfveren December 2015 (16 t/m 31)

Dagelijkse oefening in het schrijven van Schrijfveren. In maximaal 15 minuten tijd, associatief schrijven zonder correcties, naar aanleiding van een opgegeven titel. Met dank aan Hella Kuipers.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice

16. Telefoontje van een oude bekende

Met verbijstering hoor ik het verhaal aan. Niet een echt consistent verhaal. Ik kan er geen touw aan vastknopen. Wat opvalt zijn de associaties. Ik betrap mezelf op het zoeken naar een rode draad. Totdat ik erachter kom deze er wellicht niet is. Maar het geraaskal komt me zo bekend voor dat mijn nieuwsgierigheid het wint van de vermoeidheid van het luisteren. Er zitten ook wel zinnen tussen die mij verbazen en mij terugvoeren naar een ver verleden. Nog steeds opent het geen deuren in mijn brein. Maar ik geef niet op. Een klein fragment dan maar. Voor zover ik me herinner.
Weet je wel die ene keer daar bel ik voor. Met Carnaval de benen buiten gestoken en daarna stomdronken op de piano gespeeld op het lege plein. Wat ik je vragen wil klopt dat dan niet helemaal. Dorien lang niet meer gezien weet jij waar ze is? Ja, die met dat mantelpakje die bij de slager oude kaas bestelde. En toen kwam die rare zwarte Piet voorbij. Ja, serieus. Hartje zomer. We zijn toen met zijn allen naar de bioscoop gegaan. Ik zal het nooit meer vergeten. Wil je iets voor mij doen. Heb ik Dorien gisteren ook gevraagd. Weet je echt niet waar ze is? Ben nog met je vader op zoek gegaan naar het vinden van het lot. Dat jullie toen kwijt waren. Heb me altijd al verbaast dat je vader altijd hetzelfde eindcijfer nam. Maar om nu een heel lotnummer van buiten te kennen en dan bij hoog en laag beweren dat de jackpot gevallen is op dat nummer en dat de loterij toegeeft dat dat klopt maar helaas niet kan uitkeren omdat het lot na lang nadenken in de broek van pa zat en de 40 graden bontwas niet overleefde. Dat doet pijn. Zelfs een bloemetje ging er niet af ...
De oude bekende ratelde maar door. Frustrerend dat ik niet meer op zijn naam kon komen. Het was iets met Piet, heel lang geleden. Maar wederom kwam ik er niet tussen. Uiteindelijk de verbinding maar verbroken. Leek mij wel wijs.

17. Alles was kakkerlakbruin

We sliepen in een tent. Dat hadden we dus nooit moeten doen. Niet in die jungle. Maar we hadden weinig keus. Ik waande me heel even op een onbewoond eiland. In een aflevering Expeditie Robinson. Alleen dan zonder wedstrijd en daarmee zonder strijd. Al dagen waren we de weg kwijt. Het was dan ook best wel een groot eiland. Het grootste in het Noorden. Op een zaterdag was de bom gevallen. Hij vaagde alles weg. Behalve ons. Vijf vrienden die heel eventjes schuilden voor het weer. De woeste wind en de felle regen. Ik verbaas me nog steeds dat de toren is blijven staan. En ook het licht dat draaide nog. Verbazingwekkend. Het wierp wel vreemde kleuren over het landschap. Alles zag bruin. Kakkerlakbruin. Vies. Smerig zag het eruit. Het maakte ook dat we geen enkele honger hadden. Dagen lang beten we op een houtje. Maar dat liever dan een hap nemen uit kakkerlakbruin. Nu was het tijd de tent af te breken en verder te gaan. Met een beetje mazzel konden we het eiland nu in een keer nemen. Het bood het meeste perspectief op redding. Tenzij de redding niet nabij was. Maar daar hadden wij natuurlijk niets over te zeggen. De envelop zouden wij nooit openmaken. Ammenooitniet.

18. Jojo

De zinnen kwamen al snel teruggerold. De woorden hechtten aan het touwtje. Gelijk een jojo. Maar dan in omgekeerde volgorde. Volgorde omgekeerde in dan maar. Jojo een gelijk. Touwtje het aan hechtten woorden de. Teruggerold snel al kwamen zinnen de.

Ik knipte de zinnen in het midden snel door midden. En herhaalde de oefening. Het jojo-effect kwam daarmee extra tot zijn recht. Hoe krom ook. Ik husselde de stukjes door elkaar en bouwde een nieuw verhaal. Maar wel met een vast concept. Aan herhaling had ik een gruwelijke hekel. Eigenlijk hield ik helemaal niet van gejojo. Maar een beetje structuur kon geen kwaad.

De zinnen. De woorden. Kwamen al snel teruggerold. Hechtten aan het touwtje. Gelijk. Maar dan in. Een jojo omgekeerde volgorde. Volgorde omgekeerde jojo een. In dan maar. Gelijk. Touwtje aan het hechtten. Teruggerold snel al kwamen. Woorden de. Zinnen de.

19. Wie geboekt heeft, moet verschijnen

De schrijver had eindelijk geboekt. Niet een boek. Nee, drie maar liefst. Het was hem uitstekend bevallen het boeken. Tegen het eerste boek had hij enorm opgezien. Maar het tweede rolde zowaar in honderd stukjes uit zijn pen. In het derde groef de schrijver zich autobio. Trots had hij de boeken voorzien van een mooie voor- en achterkant. Met naald en draad had ie alles aan elkaar gebonden. In zij. Euforie alle boeken aan elkaar. Dat was niet slim. Hij schaarde zijn boeken zachtjes van elkaar en begon opnieuw te naaien. Hij zorgde ervoor dat de boeken niet meer bij elkaar lagen. Het was wel een beetje lastig dat de bladzijden nu al gaatjes hadden. Het papier dat de schrijver had gebruikt was van lage kwaliteit en dus kwetsbaar. Met grote zorgvuldig- en voorzichtigheid moesten naald en draad door de bestaande gaatjes geregen worden. Een monnikenwerk. Maar het loonde de moeite. Iedere dag zorgde de schrijver voor een nieuwe oplage van drie. De drie-eenheid was heilig voor hem. Zo bracht de schrijver zijn boeken dagelijks naar drie boekenwinkels. Hij hoopte dan tevens dat er op de toonbank geen boeken meer van hem lagen. Dat was dan een goed teken. Die waren dan verkocht. Kassa. Of hij even mocht vangen. De schrijver was trouw aan zijn boeken en zijn boekenwinkels. Hij verscheen iedere dag.

20. Daar zou ik nooit over schrijven

Alle onderwerpen waren op. Wat nu? Hoe kon de schrijver in hemelsnaam verder met zijn vak. Waar moest hij over schrijven, zonder onderwerp. Taalkundig kon het al helemaal niet. Probeer maar eens een verhaal te schrijven zonder onderwerp. Dat gaat nergens over. En ergens moet het toch wel over gaan. Wie leest anders zij. Werk? Niemand toch? En schrijven doet de schrijver nooit voor niemand. Een schrijver schrijft aan od voor iemand. Altijd. Desnoods aan of voor zichzelf. Aan of voor anderen schrijven is natuurlijk honderd, wat zeg ik, duizend keer leuker. Maar dan moet het wel ergens over gaan toch? Lang, heel lang dacht de schrijver na. Hij pijnigde zijn hersens en kroop door alle holen en keek achter iedere deur in zijn hersenpan. Had hij daadwerkelijk over alles al geschreven? Dat was niet mogelijk. Op herhaling wilde hij niet. Een nieuw sausje over een oud verhaal ook niet. Dat was hem zijn eer te na. Maar wacht eens even. Wacht. Nee, dat ligt toch veel te simpel voor de hand? Het is niet waar? Maar natuurlijk. Ik moet nog schrijven over Daar. Helemaal vergeten. Het meisje dat laatst loos was, Daar.

21. De draak van de rouw

Hij brulde het uit van pijn. Wat een verdriet. Drakenverdriet. Nog nooit was de draak zo verliefd geweest. En nog nooit was de draak zo in de steek gelaten. Eigenlijk was zijn geliefde een draak van een draak. Maar hee, liefde maakt blind, toch? De draak stak zijn verdriet niet onder stoelen of banken, dat mag duidelijk zijn. Niet alleen kwamen er meterslange vlammen uit zijn neus, nee, ook zijn drakenstekels stonden loodrecht omhoog. Hoed u dan voor de draak, mesdames et messieurs, als drakenstekels op ontploffen staan dan zijn hemel en aarde te klein. Ik noem maar wat. U begrijpt wel wat ik wil uitdrukken, duidelijk wil maken. Zaak is het nu om de pijn weg te nemen van onze draak. Maar hoe? Het drakenmeisje waar hij zo verliefd op was was allang met de Noorderzon vertrokken. De maan scheen halfslachtig wat de stemming er niet bepaald beter op maakte. Intussen had de sluiswachter de sluis al botenwijd opengezet. Niet voor de boten maar voor de tranen die uit de drakenogen biggelden. Een overstroming kon het drakendorp op dit moment niet goed gebruiken. Het dorp maakte zich namelijk op voor het grote drakenfeest dat zevenjaarlijks gehouden werd. De stortvloed aan tranen zou het decor in gevaar kunnen brengen. En om in no time een nieuw kasteel te bouwen dat zagen de drakenbewoners niet zitten. Het drakenmeisje moest niet zo moeilijk doen en zich opofferen voor het feest. Acuut werd de snelste draak verzocht een brief af te leveren bij de Noorderzon. Het was nu wachten op een teken van berouw. Berouw van een drakenvrouw voor een drakenman in rouw.

22. Wie zou je bellen als je de loterij won?

Met de baas van Ziggo natuurlijk. Afhankelijk van het bedrag dat ik zou winnen uiteraard. Een miljard is tegenwoordig al haalbaar. Dan kom ik dicht in de buurt van overname. Uitkopen zou ik de baas en de hele Ziggo handel. En deze zou ik dan weer doorverkopen aan XS4all. Nadat ik eerst alle autoriteiten en waakhonden die mogelijk dwars kunnen liggen bij aankoop omgekocht had. Met oogverblindend geld en exclusieve biefstuk, van de haas desnoods.
Waarom? Gewoon omdat het kan. Hoe vaak ze mij niet hebben lastig gevallen. Die Ziggomonsters. Ik betaal ze. Met gelijke munt terug. Nou nee, niet met gelijke munt. Met veel minder munt. Ik krijg nog heel wat munten van hen terug. Voor al die momenten dat ik niet online kon gaan en geen verbinding kreeg. Ontmantelen die business en onderbrengen bij hun concurrent. En liefst meteen de beste. XS4all. Mee eens? Prima.

23. Ik schrijf niet omdat ...

Ik schrijf niet omdat. Dat zou veel te makkelijk zijn. Ik schrijf. Punt. Less is more. Waarom zou ik omdat moeten schrijven? Of nog erger niet omdat. Veel liever schrijf ik intrinsiek. Vanuit het schrijven zelf. Ik ben de gedachte. Ik ben het tooltje. Ik ben het middel. Ik ben de pijn, de liefde en de troost. Ik schrijf dus ik ben. Niet omdat. Nee. Gewoon. Ik schrijf. Punt. Waarom? Nee. Ook daar trap ik niet in. Net zo goed niet als in het niet waarom? En nee, een dubbele ontkenning is geen bekentenis. Een gat een holte in bekennen. Wie bekent loopt leeg. Wie ontkent houdt vast. Aan niets. Aan ont. Laten we het daar maar even op houden. Ophouden te bekennen. Ik schrijf niet omdat. Ik ben niet gek. Het waarom mag voor mij in mysterie blijven hangen. Intrinsiek. Onverklaard.

24. Aan de hemelpoort

Hé Pé, laat me eens binnen!
Oh ... en wie ben jij dan wel?
Was ... ik ben toch dood?
Dat klopt.
Wat klopt?
Laat maar zitten. Mag ik even je ID?
Heb ik niet bij me, is dat nodig dan?
Nou, je bent hier wel bij de hemel.
So what?
Zonder ID kom je hier niet binnen.
Maar Pé, it's me, your buddy.
Sorry hoor, er gaat bij mij geen belletje rinkelen.
We hebben samen nog op school gezeten?
Oh ... en waar dan?
In Methusalem.
Methusalem?
Ja, op de ambachtsschool.
Wacht nu gaat er een belletje rinkelen.
Had u iets besteld Peter?
Nu even niet Tender, ik ben even in gesprek.
We zaten samen in de klas met Jozef, ken je die niet meer?
Met Jozef, ja, maar dat is lang geleden.
Dat klopt.
Onder welke steen heb jij geleefd?
Ha, ha, eentje uit de oudheid. Hoe heet zo'n ding ook alweer? Een menhir. Ik heb er later nog een obelisk uit gehouwen. Weet je wel?
We hebben het gezien ja hiero. We lagen dubbel. Wat een lelijk ding. Maar kom binnen jongen. Ben alleen even je naam kwijt.
Judas is de naam. Maar zeg maar liever Juul. Weet je, er is nog ooit een sport naar mij vernoemd. Naar het schijnt wordt ie binnenkort op aarde opgenomen als Olympische sport. Daar ben ik best fier op.
Dat mag. Maar kom, we gaan nu eerst een borrel vatten. Dat is lang geleden. Juul, wie had dat gedacht.
Je bent niets veranderd Pé, en nog steeds portier. Je ziet er goed uit.
Dank je.

25. Wat betekent spiritualiteit?

In het bezit zijn van een dubbele spirit. Dat is spiritualiteit. Alleen zijn ze de 'd' vergeten. De 'd' van dubbel. Erg slorig. Kijk, vrijwel iedereen is in meer of mindere mate in het bezit van spirit. Een drijfveer die ons beweegt. Een vat energie dat klaar ligt om aangeboord te worden. Alleen het wordt niet altijd gedaan dat aanboren. Waarom niet? Omdat sommige mensen het vat niet vinden en omdat sommige mensen die het wel vinden niet beschikken over de juiste tool om het vat te openen en te laten bruisen. Is dat niet dubbel? Wel vinden maar er niets mee doen? Zonde. Een dikke ton spirit die op springen staat niet aanboren? Wat houdt sommigen dan tegen? Ruwe diamanten onder het stof die maar geen plumeau weten te vinden. Rijkdom in armoede. Armoedig rijk. Hoe dubbel is de spirit. Hoe duaal. Duaal? Ja, je hebt er namelijk altijd anderen voor nodig om duaal te kunnen zijn. Want die anderen die kunnen duiden op een andere kant. Andere kant? Ja, andere kant. Alles heeft meerdere kanten. Of in ieder geval een andere kant. Welke kant je ook kiest, je hebt er ook kennis van de andere kant voor nodig. Niet volledig. Want dat zou te makkelijk zijn. In ieder geval heb je wel spirit nodig om het überhaupt te kunnen onderzoeken. Wellicht wordt het nu allemaal wat zweverig. Geen paniek. Ook dat hoort bij spiritualiteit. Het is een bijwerking. Voor sommigen aangenaam voor anderen onaangenaam. Zolang je maar met beide voeten op de grond de spiritualiteit aangaat en met beide handen aangrijpt kunnen er mooie dingen gebeuren. Sommige begrijpelijk. Andere onbegrijpelijk. Het vatten zonder te vatten. Dat is toch mooi? Het verrijkt de geest en bevrijdt geesten uit de fles. Wat ergens op de bodem borrelt bruist langzaam naar boven. Trigger spirit.

26. Hoogzomer

Hoogzomer, je zult het zijn. Ergens hoog in de bergen. Top. Wel hopen dat er iemand in de buurt is. Je wil het hoogzomer zijn immers graag delen. Het kan behoorlijk pijn doen. De euforie. Dan denk je terug aan het momentum dat vooraf ging. Dat bepalend was voor jouw toestand. Want een toestand is het. Of beter gezegd kan het zijn. Niet iedereen heeft er last van. Van hoogzomer zijn. Trek in haring, last van pollen. Dramatisch gedrag. Depressieve neigingen. Ongeloof. Het kan zo maar komen aanwaaien. Over de berg, door diepe dalen. Dan is het fijn om een hand te voelen. Op je schouders, op je buik. Zeker als de hoogzomer voeten krijgt. Vat op jouw. Je langzaam leeg vreet. Explodeert. Op het hoogtepunt van de hoogzomer komt het tot een uitbarsting. Gouden regen valt uit de hemel, de sluizen gaan open. Brugwachters staan aan de kant en steken duimen op. Wie wenst wie nu succes? De pijn is haast ondraaglijk, maar je perst de lippen op elkaar. Puft hufters is het gezicht. Hoogzomer zijn is niet fijn. Koorts kruipt op je voorhoofd. Zweet spat in de ruimte. Welke idioot had deze zomerwens? Je verlangt heel even terug naar de winter. Zou het liefst weer voor de kachel willen kruipen, op een berevel, samen met de liefde van je leven. Om samen weer opnieuw hoogzomer te worden.

27. (On)afhankelijkheid

Het kind zit op de vloer en speelt (on)handig met zijn speelgoed. Moeders houdt het in de gaten. De telefoon gaat. (On)doordacht neemt ze op. Ah, ben jij het. Ja, ik ben het. (On)willekeurig gaan haar gedachten over naar de zwoele nacht die zij gisteren had. Het was fijn. Ja, het was fijn. Wil je nog een keer afspreken? Ja graag. Wanneer? Het liefst (on)middellijk. Dat kan. Waar? Bij jou of bij mij? Kom maar naar hier? Zal ik wat te eten meenemen? (On)belangrijk, ik heb alles in huis. Tot zo. Tot zo. (On)dankbaar kijkt ze naar de kleine op de vloer. Waar moet ik dat joch nu laten? (On)mogelijk op zijn kamertje, het moet maar even. De bel gaat. Daar is ie al. Dat is vlug. (On)wijs snel dropt ze de kleine op de kamer en opent de deur. Vol (on)behagen vliegt ze hem om de nek en kust hem (on)behoorlijk van top tot teen. Heerlijk voelt het om zo (on)verwacht genomen te worden, midden op de dag. (On)wijs werkt ze hem af, de (on)gelikte beer. Haar huis staat van binnen compleet ondersteboven. Haar hoogtepunt dat moet nog komen. Luttele seconden voelt ze (on)wel. Van top tot teen (on)klaar. Haast (on)gelovelijk. (On)afhankelijk geluk.

28. Waar smaakt je favoriete muziek naar?

Mijn favoriete muziek smaakt naar meer. Ik lust er wel pap van. Of soep. Met lettervermicelli. In alfabetische volgorde: Anouk, Bach, CCR, Dylan, ELO, Focus, Glitter, Hozier, Iggy, Jett, Koop, Lennon, Monk, Novastar, Otis, Prince, Quincy, Randy, Satie, Tindersticks, Ultravox, Vicky, Winehouse, XTC, Yes, ZZ Top. Zoveel smaken, zoveel soorten. Van into the mood tot rock and roll. Van klassiek tot camp. Van jazz tot hiphop. Van Strauss tot Stones.

29. De zon ging prachtig onder

De zon zien ondergaan dat is een van de mooiste ondergangen die ik ken. Soms hangt de maan dan ook in de buurt. Maar die kan natuurlijk niet tippen aan de zon. Bescheiden hangt deze dan ook meestal in nevel gehuld of achter een roze wolk. Waar je ook staat in de wijde wereld het is en blijft een mooi schouwspel. Aan zee of in de bergen geeft natuurlijk een extra meerwaarde. Of wat te denken van de woestijn. Oeps, waar is ie nou zo snel gebleven? Voordat he het zand uit de ogen hebt gewreven staan de maan en de sterren al te pronken. Een ruimtelijk metamorfose in speedtime.
Onderwater de zon zien ondergaan is ook best bijzonder. Of op de Noordpool. Wie goed luistert hoort de zon dan sissen, zodra deze de waterhorizon aanraakt. Als een spiegelei glijdt ie dan de zee in. Met tranen in de ogen word ik het gewaar. De gele zinder die met mijn pupillen stoeit. Mij plagerig in de ogen schijnt. Het enige dat je daarna blieft is een groot glas bier of witte zoete wijn. Een sangria is natuurlijk ook niet verkeerd. Daarnaast is het verkeren in goed gezelschap ook niet verkeerd. Niets mooiers dan de zon te delen met je lief.

30. Wat miste je als kind?

Mijn handschoenen natuurlijk. Altijd zaten die rotdingen ergens opgestroopt verstopt in mijn mouwen. Aan zo'n klerentouw dat dwars door je jas was getrokken. Vergeet de muts niet. Hoorde je nog iemand roepen. Ga toch weg. Ik wil naar buiten. De sneeuw in met mijn sleetje. Sneeuw? Waar is die sneeuw dan? Maakt niet uit. Hoop doet leven. Desnoods schuif ik door het natte gras. Ergens achter mijn ellebogen voel ik de wollen wanten prikken. Mijn jas zou ik uit kunnen doen. Een idee. Maar ik kijk wel uit. Veel te koud. Veel liever blaas ik af en toe op mijn handen. Die handschoenen zijn ook altijd veel te groot. Daar kun je een slee niet goed mee vastpakken. Laat staan aansturen.

De sneeuw voelt wel koud aan. Zo met blote vingers. Net als het gras. Ik schat zo in dat ze over een paar minuten gaan gloeien. Rood worden ze dan. Vuurrood. En als ik dan niet snel naar huis ga, blauw. Roodblauw. Een keer heb ik dat laten gebeuren. Daarna nooit meer. Voor mij geen vingers meer op de verwarming. Ik moet er niet aan denken. Ik mis de winter en de koude vingers. Nog steeds. De wanten nooit. Volgens mij zitten ze nog steeds in mijn jas. Verstikt in veel te smalle mouwen.

31. Jaren die vragen stellen en jaren die antwoord geven

Het jaar is weer voorbij. Een van de velen. Ik laat het achter me. Laat een nieuw maar komen. Het voorgaande jaar stelde me weinig vragen. Het waren er zo weinig dat ze makkelijk te beantwoorden waren. Ben dan ook benieuwd of het komend jaar me voor meer vragen zal stellen. Het wordt weer eens tijd dat de balans de andere kant doorslaat. Meer vragen dan antwoorden. Dat zou fijn zijn. Dat houdt je bezig. Anders is het wanneer de jaren vol met antwoord zitten. Indien antwoorden de vragen overstelpen dan wordt het een zooitje. Zoek dan maar eens een passend antwoord. Sommige jaren verlopen wat dat betreft als een verkapt multiple choice. En dan niet een multiple choice met vier, maar met zes antwoorden. Vermoeiend. Wegstrepen lukt dan niet goed. Nee, geef mij maar zes vragen zonder antwoord. Een jaar vol cryptogram. Waar na veel gepuzzel bevredigende oplossingen worden gevonden. Onbetwistbaar en eenduidig. Al is het er maar een. Er moet ook wat te raden blijven. Anders is het leven maar saai.

15-06-2015

Brennerstress

Eindelijk kunnen we vertrekken. Maar niet voordat nog een laatste keer het hele huis is nagelopen. Ramen dicht, deuren dicht. Lampen op de tijdschakelaar. Plantjes voldoende water. Briefje voor de huisoppassers. Check, check, dubbel check. In de gang staan drie kindertjes te popelen. Ieder met een eigen rugzakje op de rug. Allemaal nog even naar het toilet. Toiletpapier op. Shit. Wie heeft het laatste ...? Zit in de tas verpakt? Wat, als eerste ingeladen in de kofferbak? Godverdomme! Alles eruit. We gaan niet op vakantie zonder toiletpapier en zonder naar het toilet te zijn geweest. Opschieten ... anders halen we het nooit ... 1100 kilometer.

Gelukkig niemand diarree. Hebben we de medicijnkoffer? Norit, pilletjes tegen wagenziekte, pleisters, jodium, paracetamol, schaartje, zakmes (Zwitsers)? Allemaal de auto in. We zijn weg. Eerst nog even tanken en banden oppompen. ANWB-pas, -kaarten en vakantievouchers bij? Wat, op tafel laten liggen? Dat we daar nu achter moeten komen? Gelukkig maar. Snel terug. Ik wil voor de avondspits München en de Brenner achter me hebben. De buren komen nog even naar buiten en zwaaien ons uit. Ze zien er wat uitgelaten uit en zwaaien erg enthousiast. Maar niet op een vertrouwde uitzwaai-manier, een beetje vreemd? Moet ik stoppen? Nee, we moeten nu echt doorrijden. Anders halen we het niet. Gas erop.

Nog 1100 kilometer te gaan, 30 graden buiten, kooktemperatuur binnen, doodse stilte. De eerste paar kilometer wordt er gezwegen. Cruciaal voor een geslaagde vakantie. Centrum van de stad verlaten, op naar de autoweg. We kiezen voor de snelle, de Rechtsrheinische. Ieders stoom is na vijf kilometer eindelijk wat afgeblazen, de eerste CD kan erin. Potpourri van Duitse Schlagers. Iedereen zingt mee, iedereen gelukkig. Naast me wordt druk in een tas gegraaid. Snoepje iemand!? Rolletjes Rang en King verdwijnen naar de achterbank. Tevreden kijk ik in de achteruitkijkspiegel en ik tel. Sofietje, Basje, ehhhh ... maar … waar is ... Max? Op hetzelfde moment gaat de telefoon. Het zijn de buren. Of we niet iets vergeten zijn.

Toelichting:
Geschreven n.a.v. 10e schrijfopdracht op ColumnX (juni 2015), van professioneel schrijfcoach Hella Kuipers (http://heldenreis.nl):
Omschrijf een welbekend spreekwoord. Benoem het absoluut niet, ook geen delen van het spreekwoord, maar maak een mooi verhaal van bijvoorbeeld een situatie waarin iemand dat spreekwoord zou kunnen verzuchten. Kies geen streekwoorden of een nauwelijks bekend spreekwoord (Dan schiet je de opdracht voorbij). Maak er een leesbaar geheel van in plusminus 300 woorden (275-325).

28-12-2009

Groot kind

Hoe groot is het kind dat zijn kindheid bewaart in tijden van angst en onzekerheid? Hoe groot is de volwassene die het kind in zichzelf koestert, dag in dag uit? Bewust of onbewust, stiekem of uit noodzaak, in stilte en verwondering. In onverzadigbare drang tot bevestiging legt een kind zijn noden bloot. In goede en in slechte tijden. Wat is zijn noodzaak? Rechtop blijven staan, in een verwarrende wereld waar gevaar onvoorspelbaar loert.

Hartje zomer en de gordijnen zijn dicht. Stilletjes speel ik mijn spel. Mams niet wakker maken. Ze snurkt op de bank. Het is vakantie maar ik mag niet buitenspelen. Er is niemand die op mij kan passen. Zou ze weer zo’n gekke bui krijgen? Hysterie overvalt haar soms. Ik weet dan niet wat te doen. Ik kruip dan terug in mezelf, juist op het moment dat ik behoefte heb aan een knuffel.

Mijn moeder is ziek, manisch depressief. Soms is ze bang. Van en voor zichzelf. Wat moet ik dan als kind? Gauw volwassen worden. Hoe lang mag een kind zijn kinderspel volhouden? Onbevangen zijn en ontwapenend? Hoe lang mag het onbekommerd zorgeloos zijn? Zijn gier, zijn brul, zijn lach behouden? In een onveilige omgeving is dit moeilijk te duiden. In onmacht rijpt een kind snel naar volwassenheid. Noodgedwongen en uit zelfbehoud.

Het is heet boven op de slaapkamer. Ik hoor mams diep zuchten. Klinkt niet goed. Ik ben bang. Dit voelt anders. Wat moet ik doen. Ik mag niet naar beneden want ik ben al twee keer terug naar boven gestuurd. Het moet. Ik loop de trap af naar beneden. In de woonkamer voel ik de spanning hangen. Paps, het gaat niet goed met mam, ze zucht erg diep. Wil je alsjeblieft gaan kijken? Niet weer, zie ik hem denken. Ga maar naar boven, jongen. Ik kom zo kijken. Boven in mijn bed maken de zenuwen mij misselijk. Waar blijft ie nou? Mams is erg ziek. Suf van alle pillen.

De volwassene in het kind maakt zich ongerust. Hij probeert te begrijpen. Helaas is zijn uit nood geboren volwassen gedrag niet te duiden. Hij is plots kind af. De natuur grijpt in noodgevallen altijd in. Aangeboren speelsheid biedt afleiding. Maar is de afleiding nog afdoende? Blijft deze gezond en binnen de perken? Speelsheid gaat soms over in obsessief en repeterend gedrag.

Het is stil aan tafel tijdens de lunch. Dat hoort ook zo. Het eten is een rustmoment. Toch voel ik vaak de spanning hangen. Zo snel mogelijk werk ik twee boterhammen naar binnen. Mag ik van tafel? Ik heb nog twintig minuten voordat de schoolbel luidt. Uit de schuur pak ik hockeybal en stick. De stick is half afgesleten van het spelen in de straat. Ik tel mijn slagen tegen de muur. Nu nog even de bal hooghouden. Ik vind rust in geconcentreerdheid en controledrang. Ik moet beter. Ik kan beter. Ik wil beter. Ik vergeet even de spanningen in huis.

Een kind zou zich niet ongerust hoeven maken om zijn ouders. Het behoort onbedorven, spontaan en speels op te groeien in veiligheid en warmte. Omringd door onvoorwaardelijke liefde en fysiek en geestelijk gevoed. De werkelijkheid is soms anders en hard. Wat men zijn liefste en naaste wenst kan niet altijd geboden worden. Noodlot en onmacht lijken soms onlosmakelijk met elkaar verbonden. Kinderen worden dan vroeg groot. Volwassenen snel klein. Juist in noodlot en in onmacht moet het kind gekoesterd worden. Vluchten voor de werkelijkheid leidt tot paniek, wanorde en chaos.

Hoe zag zij eruit? Waar rook zij naar? Naar zoet of zout? Hoe voelde zij aan? Koud of warm? Hoe vaak knuffelde zij mij? Ik mag het niet vergeten. Ik wil de pijn en waarheid liefst zo snel mogelijk wegdrukken. Ik vlucht in fantasie, humor en cynisme. Een woeste zee van emoties slokt me op. Vaagt veilige grond onder me weg. Afscheid van mams is er nooit geweest. Een zwarte ijzeren poort sloeg voorgoed dicht. Een zwarte auto slokte haar op. Langs de Maas hoor ik de kerkklokken nog steeds luiden. Mijn mams is teruggegeven aan moeder aarde.

Op een hete zomerdag is moeder gevonden, achter op de plaats, in badpak liggend onder de tuindouche, door de buurvrouw. De geur van zomer en verdampend water op de stoeptegels zal ik mij een levenlang heugen. In mams is vroegtijdig iets geknapt en evenzo in mij. Het kwetsbaar kind in mij kreeg een dreun. Het werd me plots ontnomen. Alle zintuigen staan sindsdien op scherp. De angst gaat nooit verloren. Angst voor oud en angst voor nieuw. Angst voor nog meer verlies. Verlatingsangst. Een moeder is een levenlang nodig. In elke vorm en ik elke hoedanigheid. Fysiek is de navelstreng snel gebroken. In buik en hart blijft zij altijd met haar kind verbonden. Op jonge leeftijd een moeder verliezen is een drama. Een moeder verliezen zonder afscheid te kunnen nemen is rampzalig.

Ik voel me verlaten, droef en eenzaam. Kind zijn is niet meer leuk. Het kind in mij is afwezig en speelt niet langer mee. Voelt zich niet langer kind en serieus genomen. Aandacht en liefde schieten te kort en zijn niet in voldoende mate aan te dragen. Somberheid slaat in zichzelf neer. Ik verdrink in boosheid en fanatisme. Het kind in mij slaat lam en drinkt met ernst en zonder maat. Het kind vecht, komt er niet meer uit. Het speelt niet langer samen.

De volwassenheid staat dan plotsklaps voor de deur. Een nieuw dilemma dient zich aan. Het kind is diep van binnen blijven hangen en heeft de adolescentie nauwelijks verkend en geëxploreerd. Dan worden megastappen genomen. In speelsheid en verwondering blijft het kind rechtop staan. Maar al te grote naïviteit stelt vroeg of laat paal en perk. De rekening voor onvoltooide volwassenheid wordt duur betaald. Het kind in mij ligt daarvan niet wakker. Totdat chronisch ziek zijn ineens om extra zorg en aandacht vraagt.

De bloedsuikermeter slaat door. Ik moet onmiddellijk naar het ziekenhuis. Ik pak snel mijn spullen in en schrik van mijn vriendin die totaal verbijsterd op mijn boodschap reageert. Het besef lijkt buiten mij om te gaan. Ik wil geen deelgenoot worden van mijn eigen ellende. Houdt het ver van me af. De dokter en het spuitregime schudden mij hard wakker. Verantwoordelijkheid dringt zich op aan mij. Rust, reinheid en regelmaat vinden elkaar en slaan de handen ineen. Ik lees duizend boeken. Een fanatiek kind keert terug in mij. Ongeloof en boosheid eindigen in aanvaarding. Bezorgde familie en vrienden staan rondom mijn bed. Ze zijn net zo verbaast als ik.

Volwassenheid biedt groei en ontwikkeling en noopt tot keuzes. In korte tijd neem ik afscheid van mijn vriendin, studie en topsport. Door wanhoop gedreven zet ik mezelf in therapie weer op de rails. Ik drijf het verloren kind in mij terug naar binnen. Ik vecht met het volwassen zijn en met alles wat zich achter volwassenheid verhuld. Het kind in mij wil en blijft zegevieren maar maakt uiteindelijk een deal. Met gezonde zelfspot en humor weet het zich staande te houden in een volwassen wereld. In en door grote verwondering. Het kind in mij verwondert zichzelf en de wereld om hem heen.

Ik omring mezelf met informatie. Verken het licht en het duister. In alle mogelijke geuren, kleuren en smaken. Maak kennis met alle muzen. Op zoek naar erkenning en verklaring. In literatuur, kunst, muziek en dans. Het leven is een feest. Ik ontdek de schoonheid van het leven en de mens. Als een groot kind. Ik consumeer, neem deel, draag bij. Ik beteken en doorleef. Ondanks grote angst die altijd parten speelt. Wat heb ik als mens te verliezen? Verwondering en nieuwsgierigheid geven nieuwe energie. Opium voor mijn ziel.

Hoe kwetsbaar is de volwassene in modern times? Waar heeft hij zijn kind verstopt. Hij houdt het angstvallig verborgen om het niet te hoeven verliezen. Vermorzeld door prestatiedrang, materiedrift en haast, cijfert hij het kwetsbaar zijn weg. Zijn maatschappij gedijt bij hoge werkdruk en onmogelijke verwachtingen. Modern times tekenen zijn lijf en leden met RSI en stress. Veeleisend is zijn nieuwe wereld die doordendert op commando’s van keyboards en gsm’s. Hij twittert en hyved zichzelf de kindsheid in. De ouderdom en aftakeling nabij vindt de volwassene zijn rust en kind eindelijk weer terug.

Als een gek rijd ik door de gangen van het verzorgingstehuis. In de winter van mijn leven waan ik mij autocoureur. Een jongensdroom wordt werkelijkheid. Jacky Ickx revives. De zusters kijken mij lachend aan. Daar rijdt die oude gek. Los van God. Sweet memories delven diep geluk. Gelouterd en gezegend is de gek die het kind voor altijd in zichzelf bewaard.


Toelichting:
Inzending Literatuurprijs Helmond 2010

Uitleg over Literatuurprijs Helmond:
> Literair Café Helmond
> Letterkundig Museum

Recensie ED:
> Luc de Rooy wint literatuurprijs 2010