Oorlog in indianenland / Verkeer / 14-10-2016
Ik krijg een spoedopdracht van mijn chef aan de Andere Kant. Problemen oplossen in het Galacticum dat tig lichtjaren verwijderd ligt en ingesloten door twee grote wateren. Ik inspecteer mijn TARDIS extra lang, want dit kon wel eens een moeilijke klus worden. Dan zit je niet te wachten op panne aan je vervoersmiddel. Toch neem ik voor de zekerheid mijn pasjes mee. Het schint dat ik er ook op Aarde gebruik van kan maken. Sterker nog. Ik schijn al een gouden klant te zijn, met alle korting vandien. Mijn pas kan nog van pas komen, heb immers Aardedekking.
Ik word ontvangen door twee mediastations die ook al oorlog voeren. Iets met mail, verwijderen en modder gooien. Zo schetsen ze het probleem. Tussen twee pubers nota bene van plus 65 in werkkring. Werkkring? Werken ze dan nog op moeder Aarde na 65? Wat een armoede. Enfin, niets leukers dan tussenbeide komen bij pubers. Ah, ook nog eens van divers geslacht. Dat wordt helemaal leuk. Die kun je nog eens goed opkloten. De media lacht in haar vuistje. Ze zijn eens met mij. Opvoeren en voeren die oorlog. Munitie zat in dit vrome schijnheilige land geplet, uitgeknepen, geklemd tussen twee blauwe oceanen, eentje west en eentje oost gelegen. Noord en zuid kent hele andere problemen. Zuid een imaginaire muur die door een alphamannetje het liefst in steen gebouwd moet worden. Een oorlogsmuur. En noord fysieke landbouwgronden die tot aan de verre horizon strekken en die het liefst door het alphavrouwtjes uitgemolken worden en omgezet in onversneden dollars.
In het midden moet dan alles bij elkaar komen. De media werken dit dan weer met alle geweld tegen. Werpen regelmatig balletjes op om al te veel eenstemmigheid en rust te voorkomen. Daar zijn de media namelijk niet bij gebaat. Het omdermijnt hun businessmodel. Alleen reuring levert nog wat geld op. Dus naaien ze de boel op met valse berichtgeving of berichtgeving die niet te checken valt. Bronnen die niet vrijgegeven worden. Want stel je eens voor dat bronnen zich moeten verantwoorden? Dat wat uit de bron komt net zo hard gelogen of opgeklopt is. Wie vertrouwt er dan nog op waarheidsbevinding? De hardste schreeuwers winnen. Of degenen die kwantitatief het hoogste scoren. Minder, minder, meer, meer. Het vindt plaats op grote schaal, bij grote mogendheden, op macroniveau. Maar ook in kleine gemeenschappen op microniveau. Elkaar het licht niet in de ogen gunnen. En ook daar spint de media en haar publiek weer garen bij. Reuring levert aandacht, aandacht levert bekendheid, bekendheid levert nieuwe klandizie en stemgewin. Lang leve de kijk- en leescijfers. What's the score?
Ik spreek de twee grootste media-iconen aan en onderhandel met mijn beste beentje voort. Alle argumenten voor en tegen pareer ik kunstig met mijn intergalactische charme-offensief. Ja, offensief, want de aanval is de beste verdediging nietwaar? Ik glimlach ze stijf, zoals zij dat ook bij mij pogen. Ik prik overal doorheen en dring door tot de onderlaag. Het besluit is daarna eenvoudig te maken. Links omarmt rechts, oost west en noord zuid en alles vice versa. De media blijven gevoerd met losse flodders, koetjes en kalfjes om reuring te blijven voeden. Het volk wil immers altijd brood en spelen. De onderlaag wordt nieuwe basis. De onderbuik komt langzaam boven. Een meerjarenplanning weliswaar, maar dan is ook alles van de Aarde. Problemen opgelost. Op een deel van het Westelijk Halfrond althans. Er valt nog veel te winnen. Missie voorlopig volbracht. Ik keer terug naar mijn chef aan de Andere Kant.
Speelruimte / Verkeer / 25-10-2016
Ik doe mijn lange wolle sjaal maar weer eens om. Kleurrijk is ie en dat heeft een reden. Kijk en wilde bos haar volstaat niet langer om op te vallen. En als dokter moet ik toch duidelijk aanwezig overkomen. Een witte jas is niet meer van deze en andere tijden. Dus daar vang ik oom al bot. Nee, een fel en lelijk gekleurde vloeksjaal, dat is wat werkt. Zeker weten. Er is nog een andere reden waarom ik de sjaal vandaag aantrek. Het is namelijk de dag waar ik ieder jaar weer naar uitkijk, de Intergalactische Speelruimtedag. En met mijn sjaal, u begrijpt het al, krijg ik alle speelruimte. De ergste demonen heb ik er al mee bedwongen. Want ja, ook die komen op zo'n dag tevoorschijn. Iedereen wil immers shinen op deze jaarlijkse IS-dag.
Ik zie dat bijna alle stripfiguren al gearriveerd zijn. Ze zij. Goed verkleed en dragen hun mooiste kostuums. Stuk voor stuk. Batman in black. Superman in red. Hulk in green. Smurf in blue. Voertaal is Engels. Geen van allen draagt een sjaal en daarvan krijgen ze allemaal spijt. Ik laat wind en kou los in de ruimte en geef snel het startsein voor de eerste ronde speelruim. Hulk, met de dikste nek, valt het eerste uit. Batman en Superman volgen snel. Alleen Smurf blijkt over goede weerstand te bezitten. Met Smurfenmoed slaat hij wind en koude uit zijn nek. Maar volhouden kan hij niet. Ook hij redt de eerste ronde niet.
Ik trek een nieuw blik helden open. Fameuse cowboys, cowgirls, honkytonkmuzikamten en veel, heel veel countryzangers. Het jippiejajee is niet van de lucht. Ik laat ze lekker razen en linedancen. Dit houden ze geen drie uur vol. En ja hoor. Ze vallen nu ook snel om. Ik vrees dat ik dit spel nu ook weer ga winnen. De competitie is zo arm. Het lijkt wel of ik in een Nederlandse voetbalarena ben aanbeland. Ja, dit dramatische nieuws dringt ook door in de Intergalactische Nieuwsbladen. Ik geef tot slot nog een keer de kans aan wat snellere jongens. Ze arriveren in glimmende veel te nauw zittende bolides die luisteren naar prachtige namen. Ze vallen alleen allemaal onder vijf dezelfde merken, waarvan er eentje altijd winnaar wordt. Die stijgt uit boven de rest. Daar logt voor mij een uitdaging uiteraard. Hoeveel speelruimte zal ik ze eens geven? Vooruit tachtig rondjes door de lucht. Ze mogen onderweg drie keer stoppen en luchtbandjes wisselen. Niet dat het helpt. Mijn sjaal haalt immers niemand in. Mijn sjaal goes far beyond max.
Ik sein de uitslag snel door naar mijn chef aan de Andere Kant. Als vanzelfsprekend is ie apetrots. Ben nu zes keer op rij winnaar van de Intergalactische Speelruimtedag. Vreemd eigenlijk, want normaal gesproken leg ik nooit niemand iets strobreed in de weg. En toch, het lijdt bij mijn medespelers altijd weer opnieuw tot heftig strobalen.
Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.
Posts tonen met het label jaloezie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jaloezie. Alle posts tonen
31-10-2016
28-04-2016
Nsho-tshi
Ze kan het nog niet echt geloven. Amper twintig jaar en dan al in de hemel vertoeven. Hoe is dat mogelijk? Engel Gabriel legt troostvol een arm over haar schouder.
‘Ben maar blij. Je verkeert in de wolken. Dat maken niet veel meisjes van jouw leeftijd mee. Vertel me eens je naam. Hoe heet jij?’
‘Nsho-tshi.’
‘Nsho-tshi? Dat is een vreemde naam. Het klinkt als een niesbui. Een beetje Chinees. Waar liggen jouw roots? Vertel eens wat over je familie.’
Wat een rare engel denkt Nsho-tshi. En brutaal nog ook, om zoveel vragen te stellen. Maar ja. Ze zit hier nu wel op een wolk in de hemel met hem en verder gezelschap is niet te bekennen in de directe omgeving. Dus moet ze er het beste maar van maken.
‘Ik ben een Apache, geen Chinees en een paar uur geleden ben ik neergeschoten op een prairie. Door een andere Apache, een mannetje. Heel vervelend allemaal. Ik was verliefd op een mooie bleekscheet en net op weg om mijn liefde te verklaren toen die koekenbakker uit jaloezie mij ineens neerschoot. Hij dacht: als ik haar niet kan hebben dan niemand niet. Dat had hij mij ook al eerder verteld. Ik had nooit gedacht dat hij het zou doen. Maar daarin heb ik mij helaas schromelijk vergist.’
‘En was er niemand die jou kon behoeden voor die jaloerse indiaan?’
‘Nee. Apachen zijn een apart volkje. Ze hebben zoiets van laissez fair. Jaloezie kennen ze eigenlijk niet. Uitgezonderd die vreemde koekenbakker dan. Hoe heette hij nu ook alweer? O ja, Santer. Wat een eikel. Uitzonderingen bevestigen de regel helaas. Maar ho. Ik mag niet oordelen over mijn stamgenoten. Dubbel hoor. Hij heeft wel mijn potentiële liefde doodgeschoten. Alsof indianen niet verliefd mogen zijn. Geen emotie mogen tonen. Maar genoeg zo. Nu ben jij aan de beurt om te vertellen. Hoe heet jij en wat doe jij op deze wolk?’
‘Ik heet Gabriel en ik ben bewaker van de witte wolken. Dat doe ik in naam van hij die niet genoemd hoeft te worden, omdat iedereen hem kent. Jij kent hem toch ook, of niet? En nu ga je vast vragen hoe ik dan die wolken bewaak? En of ik kan vliegen? Je bent niet de eerste die dat vraagt hoor. Wel, het is heel simpel. Ik heb een luchtpaard en dat brengt me overal naartoe. Het paard heet Pegasus. Het is heel sterk en zonbestendig. Dat moet ook wel want het moet zo af en toe rakelings langs de zon vliegen met mij. Ik draag dan mijn brandwerend pakje uiteraard. En een vuurhelm. Ik ben niet gek. Zo houd ik mijn hoofd in ieder geval koel. Wil je misschien een stukje meerijden?’
Zo gevraagd, zo gedaan. Nsho-tshi springt samen met Gabriel op Pegasus. Die huppelt blij met wapperende staart van de ene naar de ander wolk. Gelukkig is het erg bewolkt vandaag en houdt Pegasus het lekker lang vol. Het biedt Nsho-tshi veel troost. Ze denkt ook eventjes niet meer aan haar geliefde die ze nog maar kort geleden de liefde verklaren wilde. As time goes by. Bovendien vindt ze Gabriel eigenlijk ook best wel leuk. En nee, dat is niet alleen maar vanwege dat prachtige paard dat hij berijdt.
Nsho-tshi is een echt paardenmeisje. Sterker nog. Ze houdt eigenlijk meer van paarden dan van indianen of engelen. Maar dat laat ze nooit niemand merken. Maar iedereen die Nsho-tshi ontmoet weet wel beter. Zo ook Gabriel.
‘Je vindt Pegasus wel leuk hè?
Nsho-tshi had geen zin meer om langer verstoppertje te spelen. Ja dus.
‘Dan heb ik een verrassing voor je. Ik ben namelijk ook hoeder van alle dode paarden die de afgelopen jaren de hemel zijn binnengestormd of gebracht. Wil je ze ontmoeten?’
Nog nooit was Nsho-tshi zo gelukkig geweest. Binnen nu en pakweg een half uur zou ze oog in oog staan met al haar afgodpaarden. Wauw. Alleen, met wie kon ze dit geluk nu delen? Iedereen huppelde nog wat rond op de aarde. Haar complete familie en volksstam. Ze kende niemand in de hemel. Daar was nog niemand naartoe gegaan. Zij was de eerste. Het geluksmoment leek in een mum van tijd weer te verdwijnen. Totdat ze oog in oog stond met alle afgodpaarden. Van vreugde begon ze zelf spontaan te hinniken.
Gabriel lag helemaal in een deuk. Hij was blij om Nsho-tshi gelukkig te zien. Indianenmeisjes die huilen kon hij maar moeilijk verdragen. En eerlijk is eerlijk. Hij was in korte tijd ook wel een beetje verliefd geworden op Nsho-tshi. En niet alleen maar vanwege haar twee leuke, lieve lange zwarte vlechten en haar diepdonkere val- en verdrinkogen. O nee. Met zachte hand streelde hij de zachte manen van Nsho-tshi en keek haar vragend aan.
Nsho-tshi werd helemaal verlegen van Gabriels blik. En dan die zachte kleine hand. Die voelde teder in haar nek. Heerlijk. Ze vergat al snel die andere hand, die haar tot voor kort in gedachte had gestreeld, Old Shatterhand’s hand. Verguisd is de gedachte, voorgoed verleden tijd. Ook aan paarden dacht zij niet meer. Het enige waaraan zij nog kon denken stond hier voor haar en had twee volle lippen. Zachte zwoele lippen die langzaam naderden en snel kusten. Minutenlang.
De blauwe hemel donderde en bliksemde voor even. Zware regen viel kort en hevig neer in de indianenvallei. Spoelde haat en jaloezie weg. Op witte wolken dreef de liefde verder. En Pegasus die warmde zijn vleugels, al vliegend, de blik gericht op zon. Nog geen negen maanden later zag een lieve kleine squaw het leven. Olijk lachend. Met zwarte pretoogjes onder rode wangetjes, langs haar wangen zwarte minivlechtjes en oh zo schattig, twee minivleugels op haar rug.
‘Ben maar blij. Je verkeert in de wolken. Dat maken niet veel meisjes van jouw leeftijd mee. Vertel me eens je naam. Hoe heet jij?’
‘Nsho-tshi.’
‘Nsho-tshi? Dat is een vreemde naam. Het klinkt als een niesbui. Een beetje Chinees. Waar liggen jouw roots? Vertel eens wat over je familie.’
Wat een rare engel denkt Nsho-tshi. En brutaal nog ook, om zoveel vragen te stellen. Maar ja. Ze zit hier nu wel op een wolk in de hemel met hem en verder gezelschap is niet te bekennen in de directe omgeving. Dus moet ze er het beste maar van maken.
‘Ik ben een Apache, geen Chinees en een paar uur geleden ben ik neergeschoten op een prairie. Door een andere Apache, een mannetje. Heel vervelend allemaal. Ik was verliefd op een mooie bleekscheet en net op weg om mijn liefde te verklaren toen die koekenbakker uit jaloezie mij ineens neerschoot. Hij dacht: als ik haar niet kan hebben dan niemand niet. Dat had hij mij ook al eerder verteld. Ik had nooit gedacht dat hij het zou doen. Maar daarin heb ik mij helaas schromelijk vergist.’
‘En was er niemand die jou kon behoeden voor die jaloerse indiaan?’
‘Nee. Apachen zijn een apart volkje. Ze hebben zoiets van laissez fair. Jaloezie kennen ze eigenlijk niet. Uitgezonderd die vreemde koekenbakker dan. Hoe heette hij nu ook alweer? O ja, Santer. Wat een eikel. Uitzonderingen bevestigen de regel helaas. Maar ho. Ik mag niet oordelen over mijn stamgenoten. Dubbel hoor. Hij heeft wel mijn potentiële liefde doodgeschoten. Alsof indianen niet verliefd mogen zijn. Geen emotie mogen tonen. Maar genoeg zo. Nu ben jij aan de beurt om te vertellen. Hoe heet jij en wat doe jij op deze wolk?’
‘Ik heet Gabriel en ik ben bewaker van de witte wolken. Dat doe ik in naam van hij die niet genoemd hoeft te worden, omdat iedereen hem kent. Jij kent hem toch ook, of niet? En nu ga je vast vragen hoe ik dan die wolken bewaak? En of ik kan vliegen? Je bent niet de eerste die dat vraagt hoor. Wel, het is heel simpel. Ik heb een luchtpaard en dat brengt me overal naartoe. Het paard heet Pegasus. Het is heel sterk en zonbestendig. Dat moet ook wel want het moet zo af en toe rakelings langs de zon vliegen met mij. Ik draag dan mijn brandwerend pakje uiteraard. En een vuurhelm. Ik ben niet gek. Zo houd ik mijn hoofd in ieder geval koel. Wil je misschien een stukje meerijden?’
Zo gevraagd, zo gedaan. Nsho-tshi springt samen met Gabriel op Pegasus. Die huppelt blij met wapperende staart van de ene naar de ander wolk. Gelukkig is het erg bewolkt vandaag en houdt Pegasus het lekker lang vol. Het biedt Nsho-tshi veel troost. Ze denkt ook eventjes niet meer aan haar geliefde die ze nog maar kort geleden de liefde verklaren wilde. As time goes by. Bovendien vindt ze Gabriel eigenlijk ook best wel leuk. En nee, dat is niet alleen maar vanwege dat prachtige paard dat hij berijdt.
Nsho-tshi is een echt paardenmeisje. Sterker nog. Ze houdt eigenlijk meer van paarden dan van indianen of engelen. Maar dat laat ze nooit niemand merken. Maar iedereen die Nsho-tshi ontmoet weet wel beter. Zo ook Gabriel.
‘Je vindt Pegasus wel leuk hè?
Nsho-tshi had geen zin meer om langer verstoppertje te spelen. Ja dus.
‘Dan heb ik een verrassing voor je. Ik ben namelijk ook hoeder van alle dode paarden die de afgelopen jaren de hemel zijn binnengestormd of gebracht. Wil je ze ontmoeten?’
Nog nooit was Nsho-tshi zo gelukkig geweest. Binnen nu en pakweg een half uur zou ze oog in oog staan met al haar afgodpaarden. Wauw. Alleen, met wie kon ze dit geluk nu delen? Iedereen huppelde nog wat rond op de aarde. Haar complete familie en volksstam. Ze kende niemand in de hemel. Daar was nog niemand naartoe gegaan. Zij was de eerste. Het geluksmoment leek in een mum van tijd weer te verdwijnen. Totdat ze oog in oog stond met alle afgodpaarden. Van vreugde begon ze zelf spontaan te hinniken.
Gabriel lag helemaal in een deuk. Hij was blij om Nsho-tshi gelukkig te zien. Indianenmeisjes die huilen kon hij maar moeilijk verdragen. En eerlijk is eerlijk. Hij was in korte tijd ook wel een beetje verliefd geworden op Nsho-tshi. En niet alleen maar vanwege haar twee leuke, lieve lange zwarte vlechten en haar diepdonkere val- en verdrinkogen. O nee. Met zachte hand streelde hij de zachte manen van Nsho-tshi en keek haar vragend aan.
Nsho-tshi werd helemaal verlegen van Gabriels blik. En dan die zachte kleine hand. Die voelde teder in haar nek. Heerlijk. Ze vergat al snel die andere hand, die haar tot voor kort in gedachte had gestreeld, Old Shatterhand’s hand. Verguisd is de gedachte, voorgoed verleden tijd. Ook aan paarden dacht zij niet meer. Het enige waaraan zij nog kon denken stond hier voor haar en had twee volle lippen. Zachte zwoele lippen die langzaam naderden en snel kusten. Minutenlang.
De blauwe hemel donderde en bliksemde voor even. Zware regen viel kort en hevig neer in de indianenvallei. Spoelde haat en jaloezie weg. Op witte wolken dreef de liefde verder. En Pegasus die warmde zijn vleugels, al vliegend, de blik gericht op zon. Nog geen negen maanden later zag een lieve kleine squaw het leven. Olijk lachend. Met zwarte pretoogjes onder rode wangetjes, langs haar wangen zwarte minivlechtjes en oh zo schattig, twee minivleugels op haar rug.
15-07-2014
Stilleven (6): Heimwee naar het alles
Diepgeworteld staat het paardje in een glazen pot. Hij kan helaas maar weinig zien. Het zicht is hem deels ontnomen. Door een lepel op zijn voorhoofd. De lepel schenkt het paardje koelte en bescherming. Zowel in zomer als in winter.
Bevroren staat het paardje paard te wezen. Zijn bloed stroomt daar waar het eigenlijk niet heen kan gaan. Dwars pulseert het door zijn plastic lijf. Met het blote oog, voor mensen haast onwaarneembaar. Alleen hijzelf kan het voelen.
Gelukkig brengt het hem in stilstand nauwelijks van de kook. Anders is het gesteld met het witte poeder op zijn rug. Het jeukt verschrikkelijk en wil maar niet wegwaaien. Zo vreselijk irritant. Och arme lepelhoorn. Het lijden is een last.
In bevroren toestand kan hij slechts vanonder de lepel recht vooruit staren. De manen zijdelings en strak gekamd, staart hij in de verte naar twee gipsen vingers. Op de knokkel van de bovenste vinger danst een heel klein houten bootje. Het vaart op herinnering de tegenovergestelde kant uit, langzaam richting zuiden.
Het heeft nog een lange weg te varen. Moed put het uit een boek dat zowel als horizon als achtergrond dient. Een stormachtig boek waarvan de clou nooit vrijgegeven wordt. Mondend in een neverending story.
Het paardje gelooft het verder wel. Die boot die gaat nooit aankomen. Veel meer zorgen maakt hij zich over die maffe lepel, die voortdurend zijn uitzicht belemmerd. Wat zou hij toch graag eens even de kamer inkijken. Wat zou zich toch achter die verrekte lepel begeven? Een kleurrijk interieur of grijze massa?
Hij zal het nooit te weten komen. Voorlopig hangt ie aan de muur op afbetaling. Haver zal ie vast niet krijgen. Dat lusten plastic paardjes niet. Zijn paardenkunstgebit kan dat bovendien niet vermalen. Spinrag en huismijt zullen hem de komende tijd wel voeden. Och arme lepelhoorn, hij mag alleen maar dromen. Niets liever zou hij naar het zuiden varen. Samen met het houten bootje.
Een beetje jaloers is de lepelhoorn wel. Maar hij weet ook als geen ander: Aus Sehnsucht backt man das Brot seines Lebens. Het is moeilijk te verteren, maar helaas, het bootje is te klein om hem te dragen. Het vaart alleen de wijde wereld in op magere gedachten. Op versteende witte hersengolven. Het zuiden zal voor de lepelhoorn immer blijven lonken.
Bevroren staat het paardje paard te wezen. Zijn bloed stroomt daar waar het eigenlijk niet heen kan gaan. Dwars pulseert het door zijn plastic lijf. Met het blote oog, voor mensen haast onwaarneembaar. Alleen hijzelf kan het voelen.
Gelukkig brengt het hem in stilstand nauwelijks van de kook. Anders is het gesteld met het witte poeder op zijn rug. Het jeukt verschrikkelijk en wil maar niet wegwaaien. Zo vreselijk irritant. Och arme lepelhoorn. Het lijden is een last.
In bevroren toestand kan hij slechts vanonder de lepel recht vooruit staren. De manen zijdelings en strak gekamd, staart hij in de verte naar twee gipsen vingers. Op de knokkel van de bovenste vinger danst een heel klein houten bootje. Het vaart op herinnering de tegenovergestelde kant uit, langzaam richting zuiden.
Het heeft nog een lange weg te varen. Moed put het uit een boek dat zowel als horizon als achtergrond dient. Een stormachtig boek waarvan de clou nooit vrijgegeven wordt. Mondend in een neverending story.
Het paardje gelooft het verder wel. Die boot die gaat nooit aankomen. Veel meer zorgen maakt hij zich over die maffe lepel, die voortdurend zijn uitzicht belemmerd. Wat zou hij toch graag eens even de kamer inkijken. Wat zou zich toch achter die verrekte lepel begeven? Een kleurrijk interieur of grijze massa?
Hij zal het nooit te weten komen. Voorlopig hangt ie aan de muur op afbetaling. Haver zal ie vast niet krijgen. Dat lusten plastic paardjes niet. Zijn paardenkunstgebit kan dat bovendien niet vermalen. Spinrag en huismijt zullen hem de komende tijd wel voeden. Och arme lepelhoorn, hij mag alleen maar dromen. Niets liever zou hij naar het zuiden varen. Samen met het houten bootje.
Een beetje jaloers is de lepelhoorn wel. Maar hij weet ook als geen ander: Aus Sehnsucht backt man das Brot seines Lebens. Het is moeilijk te verteren, maar helaas, het bootje is te klein om hem te dragen. Het vaart alleen de wijde wereld in op magere gedachten. Op versteende witte hersengolven. Het zuiden zal voor de lepelhoorn immer blijven lonken.
Abonneren op:
Posts (Atom)