Posts tonen met het label schreeuw. Alle posts tonen
Posts tonen met het label schreeuw. Alle posts tonen

11-03-2023

Een harde schreeuw

Zij 
naar hem
omdat het moet

Hij
naar haar
omdat het mag

Luid
zeer luid
omdat het is

Hard
de pijn
van het zijn

Zeer
het verteer
dat nooit zwijgt

Maan
de zon
totdat ze straalt

Opdat
nooit weer ... 
 
 
-------------------------------------------------------
 
 
Een prijs verzilverd bij Pomgedichten met het volgende commentaar:
 
'zilver voor de eenvoud in het gedicht van Rob Mientjes – bij de woorden in het gedicht kun je heel veel toepasselijke verhalen denken en dat is knap gedaan door de dichter.'
 

21-09-2015

Stilleven (12): Gestold geschreeuw

Bevroren hangen de schreeuwen aan de muur. Niemand die meer luistert. Wat valt er nog te zeggen? De beelden spreken immers voor zich. Ze hangen naast elkaar. Voor het eerst. Zoekend naar verbinding. De kijker bepaalt. Het schouwen van angst dringt diep door. Wat er achter de verf ligt is tot voor kort microscopisch onderzocht. Maar angstzweet laat geen DNA achter. Sommige geheimen zijn niet te ontrafelen. Zelfs niet met een zesde zintuig. De techniek en de geschiedenis ook zij kennen hun beperking. De angst blijft bevroren op de muur. Het lokt grote bezoekersaantallen. Records zullen mogelijk breken. Maar de angst die blijft. In sombere kleuren.

Mijn oog gaat uit naar de bedden. Ook die hangen naast elkaar. Zou daar ook nog angstzweet uit te destilleren zijn? Wat moet er in gewoeld zijn. Onrust onder de lakens. Niet de slaap kunnen vatten. Het grote mysterie laat zich niet vangen op doek. Hoe hard er ook gewerkt wordt. Tot het depressieve toe. Want als hard werken geen vruchten oplevert verzuurt de inspiratie. En heel veel zuur kunnen de hersens niet verdragen. Hersens op sterk water geven geen lucht. De natuur opzoeken en verfluchten vastleggen op canvas is een nobel streven. Maar wat als materie en materiaal niet doen wat hoofd en handen willen vastleggen? Uit woede worden ezels onderuit geschopt, wetend dat zij er ook niets aan kunnen doen. Het lucht heel even op.

Het liefst wil de schilder in het schilderij kruipen. In het bed dat zojuist geschilderd is. De natte olieverf snuiven en links en recht nog wat bij plamuren. Maar het kan niet, het mag niet. De verf is nog te nat, net als de angst. Pas als deze opdroogt is het goed. Dan kan het zout van het schilderij gesnoven worden. Suikerzoet hangen ze naast elkaar. De twee bedden. Als metaforen van stille arbeid. De bedden die de ruggen hebben gekend. Van vermoeide geesten.

Ik kijk nog even naar de vloer. Die is spijkervast en haarscherp in bruin gevangen. Noestig, knoestig vastgelegd. Snel en onbetaalbaar, haast onzichtbaar. Onbeweeglijk schilderbaar. De schilder in het schilderij veert op. Het is de vloer die schreeuwt en wakker houdt. Zweven kan niet meer.

11-07-2014

Bovenaan de trap

Daar staat ze boven aan de trap. Paniek staat in haar gezicht gebeiteld. Kees begrijpt het niet. Wat doet ze daar nu eigenlijk? Buiten regent het. Het weer is guur. Zo is ook de sfeer in huis. Een vreemd soort dreiging hangt er rond. Een spanning die moeilijk te beschrijven is. Zo voelt Kees het. Het geeft hem pijn in de onderbuik. Zijn broer staat naast hem onder het trapluik.

Mam is in de war. Dat mag duidelijk zijn. De ongeruste blik in de ogen van zijn broer maakt het nare onderbuikgevoel van Kees alleen maar erger. Na de eerste schreeuw van mams, zijn ze beiden keihard naar boven gerend. De schreeuw was door merg en been gegaan. Nog nooit had Kees zijn moeder zo hard horen schreeuwen. Angstschreeuwen waren het.

Een half uur geleden had ze op haar houten klompslippers met een volle wasmand, moeiteloos de vlizotrap naar de zolder bestegen. Tijdens het uitvouwen van de lakens had ze paniek gevoeld en naar haar hoofd gegrepen. De paniek was vanuit haar hals, achter langs de oren, ongecontroleerd haar hersens binnen gestuiterd. Het had alles op tilt geslagen. Trillend van de zenuwen leek haar hoofd te ontploffen. Vuurrood was ze aangelopen.

Zo hadden Kees en zijn broer hun moeder nog nooit gezien. Ze schrokken er behoorlijk van. Maar het zou nog veel erger worden. “Ik maak er een eind aan, ik spring, ik spring, godverdomme …”, dat is wat ze had geroepen. En vloeken, dat had ze nog nooit eerder gedaan. Gelovig als ze was. Wat was hier in hemelsnaam aan de hand? Een paar seconden stonden Kees en zijn broer vastgenageld aan de grond. Wat te doen? Zonder ook maar een woord met elkaar uit te wisselen vlogen ze naar beneden. Kees kon zijn broer amper volgen, zo hard stormde die van de trap af.

Kees snapte er niets van. Allerlei gedachten en vragen schoten in flitsen door zijn hoofd. ‘Ging mams echt springen? En waarom dan? Waren ze niet beter bij haar gebleven?’ Het hart klopte in zijn borst. Hij mocht zijn broer niet uit het oog verliezen. “Wacht op mij, wacht op mij!” Maar broerlief was al de voordeur uitgerend, richting buren.

“Help, help!”, hoorde hij zijn broer roepen. Hij bonkte keihard op de deur bij de buren. “Mijn moeder wil van de trap springen. Help, help!” Het gordijn van het raam naast de voordeur werd opzij geschoven. De dochter van de buren keek verschrikt naar buiten. Tegelijkertijd ging de deur open. Gelukkig maar, de buren waren thuis. Maar de schrik was er niet minder door geworden.

De buurman stelde gerust en liep mee om poolshoogte te nemen. Hij was politieman van beroep. Die zou de angstige situatie ongetwijfeld kunnen handelen. Maar ook de buurman had de schrik in zijn ogen staan. Met lood in de schoenen en niet wetend wat er te wachten stond liep iedereen naar boven. Behalve Kees. Kees had beelden voor zijn ogen die hij maar moeilijk los kon laten. Hij zag zijn moeder onderaan het trapgat liggen, badend in bloed. Het zal toch niet waar zijn?

Kees maakte het niet meer mee. Het werd hem zwart voor de ogen en viel flauw. De spanning was hem te groot geworden. De dochter van de buurman had hem opgevangen toen ie bijkwam en in bed gelegd. Toen Kees wakker werd zat zijn vader naast hem in een stoel. “Mams voelt zich niet zo goed mijn jongen, ze ligt in bed.” Nog steeds begreep Kees er helemaal niets van. Wat was er in hemelsnaam gebeurd?

05-06-2014

Stilleven (3): Idolatrie in film en kleur

Over de brug loopt een man. De kraag hoog opgestoken. Het weer is guur en de wind fluit in zijn gezicht. Elders in de wereld loopt op hetzelfde moment een man door de regen. In New York om precies te zijn. Hij luistert niet naar de naam James. Ook hij loopt in zijn kraag, in de regen maar uit de wind. Met dank aan de wolkenkrabbers. Langs de weg roepen de mensen hem aan. “James, James, ben jij het?” Maar James luistert niet naar zijn naam. Hij is diep in gedachten verzonken.

Onderwijl loopt de andere man aan de overzijde van de oceaan naar een grote ruimte met veel glas. Hij heeft zijn stiel gevonden. Al jaren geleden. Het is nu alleen nog een kwestie van uitwerken. Zijn leven. Zijn ziel. Het liefst doet hij dat bloot en dagenlang. Een beetje gek is ie wel. Maar ach, wie niet? In de grote lege ruimte staat een tafel. Op de tafel liggen veel doeken. Witte doeken, onaangetast. Een doek in de lege ruimte trekt aandacht. Het ligt niet op tafel maar hangt aan de muur.

De man in New York wordt nu toch wel door heel veel mensen herkent als ‘James’. Maar James wil van niets weten. Hij loopt stoer in zijn kraag verder. Het begint steeds harder te regen. Het liefst zou hij de boot nemen. Het is echt weer om op een boot te zitten. Een boot naar Noorwegen. Zijn favoriete land. Met favoriete inwoners. De gelatenheid van de Noor schuurt tegen die van Finnen aan. Gelatenheid en nuchterheid daar houdt James van. Diep van binnen, in zijn ziel, is James ook een Scandinaviër. Maar geen Zweed. Dat is te gemakkelijk.

Intussen heeft de andere man zijn focus gericht op het doek aan de muur. Hij belaagt het doek met sombere kleuren. Somber maar fel. Ze passen prima op het doek en bij de mood waarin hij verkeert. Somberheid ten top. Met een schuin oog kijkt hij het doek een beetje schichtig aan. Het doek beweegt zich niet naar hem toe. En dat is juist wat hij wil. Maar nee. Het doek met al zijn sombere, felle kleuren negeert hem volledig. Iets wat de man niet echt kan accepteren. Het schuurt en maakt hem angstig.

James in New York heeft intussen de haven gevonden. De haven en zijn weg. Weg is ie. Met de eerste de beste boot. Hij heeft al veel gemist in zijn leven. Maar deze escape kan hij niet laten gaan. Acteren op het juiste moment. Daar gaat het in het leven om. Niet in stomme films. En zeker niet in van die mega gigantische Hollywood producties. Pulp, pulp, allemaal pulp fiction. Geef good old James maar een echte film. Rebels trekt hij zijn kraag nog hoger tegen zijn oren aan. Hij kan het geschreeuw van de menigte langs de kant niet langer aanhoren.

Aan de andere kant van de oceaan trekt de doekenman zwarte en lila strepen over het doek dat niet luisteren wil. Hij krijgt het niet naar zijn hand gezet en besluit even rust te nemen. Maar dat is het doek te na. “Laat jij me hier nu in mijn somberheid en ellende hangen, verrekte amateur? Kom hier met die kwasten. Dan schilder ik zelf wel even dit plaatje af.” De doekenman schrikt zich een hoedje en valt bijna van zijn paard. Van zijn paard? Ja van zijn paard. Niet van zijn geloof. De doekenman komt alleen tot rust op een paard. Het paard heet Ed. Maar dat doet er voor het verhaal even niet toe. Belangrijker is dat de man die bijna van het paard viel alleen maar heel hard kan schreeuwen. Van ellende.

Op de boot is het niet veel anders. De wannabe Scandinaviër koerst weliswaar richting het beloofde land, maar vooralsnog raakt hij steeds verder van huis. Een homeland zal deze jongeman niet snel vinden. Zijn lot vaart hem gewoon achterna. Het zal slecht met hem aflopen. Het gillen van de meisjes aan gene zijde zal daar niets aan veranderen. Van verzachting van het lot is geen sprake. In idolatrie zal hij sterven. Veel te jong. Hij weet het alleen nog niet. De dood loert en komt meestal onverwacht.

De doekenman staat langzaam op naast zijn paard. Met Ed valt niet te praten. Met het doek ook niet. Het doek buldert en schreeuwt. Snel raapt de doekenman een penseel van de grond en grijpt naar een tube lila. Met een paar vegen geeft hij het doek zijn zin. Het kronkelt van plezier. Het staat op zijn strepen. “Hier nog graag een lijntje, en daar, ja daar een contourtje … die hand mag ook wat scherper. Houdt hem eens tegen je oor. Voel je de angst? De angst van Vincent. Ja, je voelt hem hè? Dan is het goed. Leg die kwast maar neer. Het is goed zo. Rust maar uit. Ik vind mijn weg wel naar het museum. Ere wie ere toekomt. Daar zal ik sterven aan de muur, achter glas. Telkens opnieuw. Van idolatrie. Mijn onbestemd lot. Ik schreeuw het uit.”