Posts tonen met het label mien. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mien. Alle posts tonen

27-03-2015

Mien korte verhalen (31 t/m 35) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 17-03-2015 en 27-03-2015

31) Vroege zomerhitte (17-03-2015)

De zomer komt dit jaar veel te vroeg. In grote droefheid, intens en veel te warm. Voor mams kon het niet warm genoeg zijn. Lekker bakken in de zon op de stretcher, achter op de plaats. Op zijn tijd koud douchen onder de tuinslang, die was vast gemaakt aan de waslijn. Ik hoef niet meer naar school. Bijna een week te vroeg is de grote vakantie voor mij al begonnen. Nog een week naar school gaan, nu mams pas is overleden, lijkt niemand een goed idee. Jammer, want ik mis de vriendjes in mijn verdriet. Onmeetbaar verdriet. En nou krijg ik ook geen plantje mee van school, om voor te zorgen tijdens de vakantie. Ik begrijp het nog niet helemaal. Ik leef in een waas. Mams zal ik nooit meer zien, zo is me verteld.

Mams was erg ziek en zo herinner ik haar. Zachtjes kreunend en zuchtend ‘s avonds in bed. Als ik thuis kwam van school zat ze vaak aan de keukentafel, met een grote kartonnen schoendoos op schoot. Er zaten allemaal kleine doosjes in de doos. Die stalde ze dan voor zich uit. In de doosjes zaten potjes met pillen in verschillende kleurtjes en grootte. Sommige potjes schroefde ze open. Met een glaasje water nam ze dan wat pillen in. Wat had ze het vaak warm, hartje zomer. Ik kon dat altijd aan haar zien. Aan haar natte bovenlip, die glinsterde in de zon. Een glaasje ranja kreeg ik van haar en een Mariakoekje, daarna moest ik maar gauw buiten gaan spelen. Mama was moe en ging dan eventjes op de bank liggen, in de woonkamer, met de gordijnen dicht, hartje zomer.

Het is nog vroeg in de middag en ik haal mijn hockeystick en hockeybal uit de schuur. Samen spelen gaat voorlopig niet. De kinderen waar ik mee speel zitten nog op school. Achter in de straat is het rustig. Gelukkig staan er niet veel auto’s, zodat ik een geschikte plek vind om tegen de muur te slaan. Het liefst wil ik slaan tegen een kale muur. Dat leidt het minste af. Niet tegen dat stukje muur met die vreemde witte woorden op gekalkt, woorden die ik niet begrijp, ‘RMS’ en ‘Ambon’. Pas veel later begrijp ik dat de woorden te maken hebben met treinkapingen uit de jaren zeventig. De zon brandt in mijn nek en ik sla de bal wel honderd keer tegen de muur. De uitdaging zit erin om de bal telkens net ietsje over de stoeprand te slaan. Het lukt steeds beter. Langzaam speel ik mezelf moe. Het is veel te heet en ik heb dorst, ik houd het voor gezien en ga naar huis.

Aan de aanrecht staat een mevrouw in een witte jurk en een wit kapje op haar hoofd. Ze staat af te wassen. Ik vind het maar een rare vrouw, zeker met dat vreemde hoedje op. Houd ze die op omdat ze niet echt wil binnenkomen? Haar zwarte fiets staat brutaal midden op de achterplaats. Onbeleefd vind ik dat eigenlijk. Ik weet niet meer hoe ze heet. Ze komt ons voortaan helpen, iedere dag, met de was, de poets, het eten en met mij. Ja, ze is schoonmaakster, kookvrouw en oppas tegelijk. Ze gaat iedere dag voor ons zorgen, omdat mams er niet meer is. Zo heeft paps het ons uitgelegd. Het is een gezinsverzorgster. “Mag ik wat drinken?” De vrouw draait zich om en kijkt me vanuit de hoogte aan. Ze ziet dat ik erg zweet, althans dat hoop ik. “Ga maar even aan tafel zitten, dan krijg je een glaasje water.” Ze gaat verder met de vaat. ‘Water!’, denk ik, ‘krijg ik geen ranja, het is zo heet!’ Ik durf het niet te vragen, aan de witte mevrouw.


32) Sportfondsenbad (19-03-2015)

De eerste maanden na het overlijden van mijn moeder maak ik kennis met diverse vrouwen, allen standaard gekleed in het wit. Witte schort, witte schoenen, wit kapje boven op het hoofd. De meeste dragen onder de schort een blauwe blouse. Het zijn allemaal gezinsverzorgsters. Zodra ik een beetje gewend ben aan de ene meldt een andere zich alweer aan. De namen raak ik al snel kwijt. Een gezinsverzorgster blijft me bij. Een hele lieve. Maar ook haar naam ben ik vergeten. Ze geeft mij aandacht en luistert als ik verdrietig ben. Ook al heb ik niet zo veel te vertellen, ze knuffelt mij, geeft troost en voelt met me mee. Maar op een of andere manier lijkt dat niet te mogen. Na een aantal weken verdwijnt ook zij. Het contact is wederom van korte duur. De gezinsverzorgsters mogen zich niet te veel hechten. Vreemd. Want ik wil niets liever.

Vanmiddag gaan we zwemmen, in het sportfondsenbad. Ik mag zelf fietsen en ben apetrots. De zwemspullen worden verzameld en in de geruite zwemtas gedaan. Het koord van de rugtas striemt een beetje in mijn nek, maar dat vind ik helemaal niet erg. Ik ga lekker zwemmen samen met mijn favoriete gezinsverzorgster. Wie doet me wat? Het is een heerlijke middag. De grote deur naar het buitenbad staat open, zodat we ook buiten kunnen zwemmen. Het is wel nog een beetje koud maar het zwemt veel fijner dan binnen. Hier heb ik plek en kan ik baantjes trekken. Dat heb ik tijdens het schoolzwemmen geleerd. Ik trek alles uit de kast om te laten zien aan de gezinsverzorgster wat ik allemaal geleerd heb. Ze moet lachen om al mijn ijver.

De middag vliegt om en ik weet en voel, aan alles komt een eind. In het natte kleedhokje word ik overvallen door mijn verdriet. Ik slik het weg. Het moet. De zuster, want zo worden gezinsverzorgsters genoemd, mag het niet zien. Ik houd me goed. Zwijgzaam fietsen we naar huis. Het plezier van het zwemmen laat ik achter bij het sportfondsenbad. Ik kan maar aan een ding denken. Vandaag gaat een lieve zuster weer weg. Aan het eind van de middag pakt de zuster me stevig vast en vertelt me dat alles goed komt. Dat ik een lief manneke ben. Ik geloof haar en barst in tranen uit. Zie ik het goed. Huilt zij nu ook een beetje. Er staan tranen in haar ogen. De deur van de woonkamer valt open en paps stapt binnen. Snel veeg ik mijn tranen weg. Mijn vader heeft zelf al zoveel verdriet.


33) We noemen hem Mien (22-03-2015)

Ik stop het rode shirt met lange mouwen strak in mijn witte korte broek en kijk in de spiegel. Op de borst prijkt fier het clubembleem dat mijn moeder vanochtend er nog op heeft genaaid. Net op tijd, vanmiddag speel ik mijn eerste competitiewedstrijd. Best wel spannend. De scheenbeschermers steek ik alvast achter mijn sokken. Ik bind ze boven de rand met schoenveters vast zodat ze stevig blijven zitten. Netjes sla ik de witte bies van de rode sokken over de schoenveters heen. Beneden bij de achterdeur doe ik mijn Quick-schoenen aan. Ze blinken van de schoenpoets. De twee dunne witte strepen aan beide zijkanten heb ik vanochtend nog even extra gepoetst met een beetje VIM. Veel liever had ik Adidas- of Puma-schoenen gehad. Gelukkig loop ik er niet minder hard door.

Zodra ik naar buiten ga, houdt mijn vader me tegen. “Veel plezier jongen en succes, doe je wel je trainingspak aan, het is frisjes buiten!” Met flinke tegenzin ren ik naar boven, nu ziet niemand het rode shirt met embleem, waar ik zo trots op ben. Ik spring op mijn blauwe mini-fiets en leg de splinternieuwe hockeytas, die ik vorige week voor mijn verjaardag gekregen heb op het stuur. Hij ruikt nog naar nieuw, naar kunststof linnen. De stick die op de tas geklemd in het zijvak zit prikt in mijn buik. Ik schuif de tas wat naar rechts. Het miezert buiten een beetje. De afgelopen week is er veel regen gevallen, maar de wedstrijden gaan gewoon door. Dat heb ik vanochtend nog gecheckt bij de drogist. Die hangt iedere zaterdagochtend het wedstrijdschema op zijn raam.

Met gezonde spanning speel ik de eerste competitiewedstrijd van mijn leven. Ik speel op het middenveld en zoek de bal continu op. Balverliefd als ik ben piel ik met de bal tussen wat tegenstanders door. Rechtsvoor in het veld zie ik een maatje zijn stick omhoog zwaaien. Snel sla ik de bal naar hem toe en ren zo hard ik kan naar voren, fanatiek aangemoedigd door de trainer/coach en wat ouders die langs de kant staan. Ik krijg de bal, op de kop van de cirkel, teruggespeeld van mijn teamgenoot. Ik stop de bal, leg aan en sla hem wat schuin onder de bolling, keihard op goal. De bal vliegt tussen de keeper en de linkerpaal, boven de planken hoog in het net. Midden in de kruising. Goal, goal, goal! Mijn eerste doelpunt. Trots steek ik de handen omhoog. Mijn teamgenoten volgen en blij rennen we terug naar de middenstip. Er volgen nog zes doelpunten, waarvan ik er twee voor mijn rekening neem. Een echte hattrick zowaar. Onze tegenstanders, Groen-Wit, zien letterlijk en figuurlijk groen en wit voor ogen.

In de kantine is het lekker warm en knus. Het is een kleine houten keet met schuin plat dak en we passen er met twee teams maar amper in. De houtkachel maakt een knapperig, gezellig geluid. Buiten is het gaan regenen. We drinken ranja met z’n allen en onze wangen gloeien. De ramen van de kantine zijn allemaal beslagen. Vanachter de bar roept de barman mij toe. Aan de bar zitten een paar spelers van Heren 1, die hebben zojuist getraind. Ze grijpen me vast bij mijn nek en grappen wat lollig. “Ben jij er niet ene van familie Mien?” Dat klopt, mijn beide broers zitten ook bij de vereniging. Verlegen knik ja. “Heb jij zojuist niet drie keer?” Weer knik ik ja. “Dat verdient een Mars. Geef die jongen eens een Mars, barman.” Ik glunder. “Alsjeblieft Mien, omdat je drie keer gescoord hebt. Pak aan!” Mien, Mien …? Vanaf vandaag draag ik een nieuwe bijnaam, ‘Mien’. Best wel leuk, ik koester hem.


34) Een nieuwe moeder (25-03-2015)

Bijna tweewekelijks bezoekt mijn vader vrijgezellenavonden. Als vader van drieënveertig met vier opgroeiende kinderen, hardwerkend als ziekenhuisportier met wisseldiensten, niet altijd even makkelijk. Hij komt voor alles tijd te kort. Maar het geluk van de kinderen gaat hem voor alles. En zonder moeder geen geluk. Al snel maakt ie tijdens de dansavonden kennis met een nieuwe vrouw. Hij is een geliefde partij.

Op een doordeweekse avond komt pa’s nieuwe liefde op bezoek. Om kennis te maken. Zenuwachtig zitten we op de bank. Het voelt vreemd. Een nieuwe vrouw over de vloer. Een nieuwe vrouw die dolgelukkig is met pa. Het is een grote rijzige vrouw en haar gezicht is flink opgemaakt. Ze ziet er picobello uit. Mijn moeder maakte zich nooit op. Ik mag wat langer opblijven. Van kennismaken is nauwelijks sprake. Er wordt amper gesproken, alleen gestaard. Het voelt ook allemaal wat ongemakkelijk. De nieuwe vrouw van pa lijkt in de verste verte niet op mams.

De komende weken komt ze regelmatig op bezoek. Ze komt best aardig over maar ook heel koud. Ze is net zo oud als mijn vader en heeft nog nooit een vriend gehad. Ze is van goed huize. Dat ving ik allemaal op bij opa en oma. Ze woont ook nog thuis bij haar ouders. Spelen doet ze niet met ons. Daarvoor is ze veel te netjes en dan worden haar mooie kleren vies. We moeten maar met elkaar spelen, zegt ze dan. Dat is veel leuker. Ik vind het wel een beetje jammer. Mijn vader zegt dat ze dat nog leren moet. Ik vind dat vreemd. Ze is toch vroeger ook kind geweest? Telkens als ze op bezoek komt voelt het ongemakkelijk, er is niet echt een klik. Bij niemand van de kinderen. Op een knuffel durf ik helemaal niet te hopen. Laat staan dat ik het toe zou laten.

Mijn vader en zijn nieuwe vriendin gaan regelmatig op stap. De vrijgezellenavonden brengen hen beetje bij beetje dichter bij elkaar. Vooral de liefde van haar voor mijn vader is groeiende. Dat kan een blinde zien. En toch. De kinderen. Wij kinderen? Neemt ze die erbij? Het is wat moeilijk te polsen en ja, mijn vader is zowaar ook stevig verliefd. Ze neemt de oude zorgen weg en brengt opnieuw wat vreugde in zijn leven. Maar ook paps die zal toch zeker nog aan mams denken? Dat kan niet anders, toch?

Al snel, veel te snel, gaat de kogel door de kerk. We krijgen een nieuwe moeder. Na nog geen twee jaar na moeders overlijden. Mijn innerlijk verzet is groot. Hoe kan die grote, koude vrouw, die nooit met me speelt, in hemelsnaam nu mijn nieuwe moeder worden? Onmogelijk. En toch gaat het gebeuren. Keurig in het stadhuis en in de kerk. Alles erop en eraan. Ik zie twee mensen stralen van geluk. De rest erom heen is koude kak.

De nieuwe vrouw van pa heeft jarenlang gespaard. Ons oude huis kan wel een opknapbeurt gebruiken. De oude woonkamervloer met vertrouwde tapijten vloertegels legt als eerste het loodje en wordt vervangen door een koude leistenen vloer, inclusief een bijpassende veel te grote lage schoorsteenombouw. Tussen het schuurtje en het huis wordt een nieuwe keuken aangebouwd, met groene en oranje wandtegels en donkerbruine vloertegels. Het voelt allemaal koud aan. Van de buitenplaats blijft maar weinig over. Ik zie zo mijn moeder nog genieten. Op een stretcher in de zon.

We blijven met z’n zessen een half jaar bivakkeren in de troep. Zelfs de hond komt in protest. Die ligt van gif en angst dagelijks in de schuur verstopt achter de fietsen stevig te grommen en te janken. Over hond gesproken. Waar is speelgoedteckel Wallie gebleven? Mijn verdriet is groot en niet te stillen. Niemand weet hem te vinden. Hij rook zo lekker naar poeders en parfummetjes van mams nachttafel. Daar had ik hem niet voor niets mee overgoten. Weg dus. Het zal toch niet zijn dat … Nee … Nee … Alleen de gedachte al maakt misselijk. Nee … dat kan niet. Mijn nieuwe moeder is dolgelukkig met mijn vader en de nieuwe keuken. Koken is voor haar geen grote hobby maar de nieuwe sier maakt veel goed. De gezinsverzorgsters zijn nu voorgoed verdwenen. Aan eentje denk ik met plezier nog terug.


35) Fernando (27-03-2015)

Vandaag wil ik mijn stoerste kleren aan. In ieder geval een spijkerbroek, mijn favoriete blouse en natuurlijk mijn bruine sluipers en groene legerjas. Over de laatste twee ben ik niet helemaal tevreden. De sluipers hebben geen stalen neus en zijn niet bruin en versleten genoeg. De legerjas heeft een bontkraagje en een gevoerde muts die je niet kunt wegstoppen. De achterkant loopt schuin weg in twee flappen in een punt. Een beetje truttig eigenlijk, niet zo’n stoere jas als anderen allemaal hebben. Het volstaat net niet. Op deze manier hoor ik er niet bij ben ik bang. Maar ik weet ook, hier moet ik het mee doen. Ik mag er van pa en mijn nieuwe moeder niet als een sloddervos bijlopen.

Vanavond is het brugklasfeest, vandaar de ongerustheid over mijn outfit. Ik wil er het liefst de hele dag stoer uit zien. Om indruk te maken op de meisjes in de klas. Want daarvoor is een brugklasfeestje toch? Zo maakt mijn broer me wijs. De meiden in de klas zijn bijna allemaal groter dan ik. Ik ben nog een echte brugsmurf. Ho, ho, alleen in lengte dan. Ik ben best jaloers op mijn klasgenoten die allemaal de juiste legerjas hebben. Gelukkig beschik ik wel over een echte legerpukkel. Handig ook met al die zware boeken die dagelijks mee naar school moeten. De hele pukkel is volgeschreven met leuzen, namen van idolen, hartjes en een doodskop. Allemaal even stoer uiteraard. De meeste heb ik er zelf opgeschreven. Ik ben veel te verlegen om klasgenoten te vragen er iets op te schrijven.

Aan een meisje in de klas zou ik dat toch wel heel graag willen vragen. Maar ik durf niet. Ik weet dat zij net als ik van Abba houdt. Helaas valt zij voor de oudere jongens uit de bovenbouw. Dat heb ik allang gezien op het schoolplein. Ik zie ze ook altijd meefietsen met die jongens. Waar gaan ze dan naar toe? Dat vraag ik me altijd af. Wat zou ik graag willen dat ze met mij meefietste. Het blijft bij dromen. Fernando, Abba’s nieuwe nummer staat op een in de hitparade. Die gaan ze vanavond zeker draaien. Op school droom ik het laatste uur weg, bij gedachten aan … Wie weet durf ik haar vanavond wel te vragen om te slowen.

Het feest vindt plaats in de schuur bij een van mijn klasgenoten. Aan de muur hangt een grote lange kabel met gekleurde gloeilampen. Achterin de schuur is een kleine disco gebouwd. Twee zelfgemaakte boxen op elkaar gestapeld, stoten onze favoriete muziek naar buiten. Regelmatig komen dezelfde hits voorbij. Ook Fernando. Maar het is nog veel te vroeg om te dansen. Zou er ook bier zijn? Ik spied de ruimte rond en zie dat er geen toezicht is. Alleen klasgenoten zijn aanwezig. Het leuke meisje is er ook. Het geeft een merkwaardig gevoel in de onderbuik. Zou ze weten dat ik iets voor haar voel? Ik denk het niet. Ze hangt vooral rond bij de meiden. Ik ben niet zo vertrouwd met meisjes. Ik kom van een jongensschool en bij het hockey heb ik vooral oog voor de bal. Waarom vind ik haar zo leuk? De spontane ondeugende glimlach, het blonde krulhaar, de muzieksmaak die we delen, of zijn het de ontluikende borsten, die alleen zij heeft in onze klas? Ach, ik vind haar gewoon leuk.

De hele avond verbijt ik de zenuwen. Aan het einde komt er bier te voorschijn. Stiekem, het gaat met argwaan en voorzichtigheid gepaard. Loert er ergens iemand mee? Drie flesjes worden verdeeld over tien glazen. Stoer drinken we de inhoud in een teug leeg. Het smaakt bitter en zuur. Net als de vieze smaak van sigaretten went dit ook. Het moet. Ik heb zelf een pakje gekocht en nog voordat het feest begon meer dan de helft van de sigaretten weggegooid. Zij rookt. En ik ga natuurlijk niet een nieuw pakje aan haar aanbieden. Dan denkt ze misschien wel dat ik eigenlijk niet rook en dat is niet stoer. Het wordt nu wel tijd dat ik op haar af stap. Maar hoe? En waarom draaien ze nu ineens Fernando niet meer? Ik trek de stoute schoenen aan. Nu of nooit.

Terwijl een Franstalig zwoel nummer wordt in gezet waag ik mijn kans. Ik loop op haar af. Het zweet loopt langzaam via mijn ruggengraat in mijn onderbroek. Ze staat nog te praten met een vriendin. De kleine dansvloer voor de boxen is al volgelopen met een aantal paartjes. Ik zie dat ze me ziet aankomen. Ze fluistert wat in het oor van haar vriendin en glimlacht. “Dansen?” Meer kan ik niet uitbrengen. “Is goed.” Ik trek haar de dansvloer op en merk nu pas hoe groot ze werkelijk is. We schuifelen tegen elkaar aan en ik leg mijn beiden armen om haar middel. Het is een slownummer. “Je t’aime … Moi non plus …”. Ik schuif mijn hoofd tegen haar aan, voorzichtig onder haar twee kleine borstjes. Zij hangt over mij heen. Ik ben zo trots als een pauw. Stil schuifelen we over de vloer. Af en toe bots ik met mijn voeten tegen de hare. Ik voel haar dan eventjes stilletjes lachen, boven mijn hoofd. Harten kloppen door mijn hele lijf. Nu nog hopen dat ze meteen hierna Fernando draaien. Mijn avond kan niet meer stuk.

02-09-2014

La vie en rose welgevormd schoon met pally en mannetjes FranK en Mien

Wat is het leven mooi. Op een late zomerdag prijkt mijn alias als titel van een column, op de homepage van een leuke website. Alias Mien. Wat een feest. Gelukkig verkeert mijn alias in goed gezelschap. Samen met ‘La_vie_en_rose’ (een Marilyn Monroe look-a-like, althans in gedachtegoed), met ‘pally’ (levens-, mens- en natuurgenieter in één persoon vertegenwoordigd) en met ‘FranK’ (meneer poezemans, waarvan de poes maar niet lijkt te willen groeien, althans in beeld). Is het niet fantastisch? En dat een maand lang. Prijken op de homepage.

Alias Mien. Je moet er maar opkomen. Voor een Chinees klinkt het Chinees. Maar niet alleen voor Chinezen hoor. Het zijn de eerste vier letters van mijn achternaam, bepaald niet kort. Zo simpel is het. Een koosnaampje uit mijn vroege jeugd. En nu we het toch over Chinezen hebben, daarover ken ik een verhaal. Nee, nee, nee, niet een verhaal over Chinezen in werkwoordvorm. Dat laat ik wel uit mijn hoofd. En ook niet een verhaal over Chinezen in zelfstandige naamvormen. ‘Hoe Lang’, ‘Hoe Ver’ en ‘Hoe Zo’, het zijn allemaal Chinezen, ik weet het. Dat wist u allang. Ik ben niet gek. Nee hoor, het gaat over eenvoudige Chinezen, verdwaald in de polder. En wederom nee, ik bak u geen poets. Hoewel?

Het was in de jaren zeventig. Tenminste voor zover ik mij kan herinneren. Een aantal Chinezen stond in de polder, ergens in de buurt van Leeuwwarden. U kent het wel, die kleine nederzetting, deelgebied en tevens kiesdistrict van een verenigd koninkrijk. Gelegen aan de Noordzee, in het noorden van het land. Niet te verwarren met Engeland en niet te verwarren met het Leeuwarden met één w. Het verenigd koninkrijk waar ik op doel is feitelijk een bundeltje koninkrijken, met koningen die zich de koning te rijk voelen in hun, juist ja, eigen koninkrijk. Awel stop. Nu dwaal ik echt af. Bovendien wordt het tijd voor een kleine adempauze. Dus even wat witregels tussen door. Ten behoeve van amechtige lezers die misschien al sterretjes zien.

Het waren geen Chinese leeuwen die daar in de Leeuwse polder stonden. Gelukkig niet. Niet van die rupsdraken op stokken. Nee hoor. Het waren eenvoudige Chinezen in traditionele klederdracht. Ze stonden totaal verloren in het Leeuwse landschap. De zon scheen zachtjes en streelde met haar gouden zonnestralen fijntjes langs het prikkeldraad. Vol trots blonk het prikkeldraad. Op ieder uiteinde van de scherpe punten van deze imitatie osagedoorn hingen kleine dauwdruppels. Vol van water gleden ze beurtelings van het gevlochten ijzer op de grond. De twinkeling van de zon weerhield de koeien, aan gene zijde van de draad, hun territorium te verlaten. Waarom zouden ze ook? Het malse Leeuwse gras smaakte voortreffelijk. Voor hen was het kaassie. Wat een leven. Een beetje malen en dagdromen en bovenal, met dikke kont en uiers lekker languit in het gras liggen. Wie doet hen wat?

De Chinezen stonden aldus totaal verloren in het landschap. Ze waren verdwaald. Hun enige hoop en toeverlaat stond edoch, nog geen 10 meter van hun vandaan. Het was een boerin, wiens nieuwsgierigheid zo groot was, dat haar ogen bij het opmeten van de Chinezen, bijna uit haar hoofd tolden. Op en neer gingen ze, de ogen. Van boven naar beneden en weer terug andersom. De ogen transporteerden de onbekende waarneming naar het brein van de boerin. ‘Nog nooit gezien’, fluisterde het brein in het oor van de boerin. ‘Niet te plaatsen, in geen enkel hoekje, opletten geblazen dus!’

Het hoofd van de boerin zat eventjes met een probleem. Hoe zou het contact verder verlopen met deze vreemde wezens? Hoe zou de communicatie hier gaan plaatsvinden? Heel even leek het alsof de boerin tegen een muur sprak. Een Chinese muur, maar dat wist ze nog niet. Een communicatiemuur beslechten met taal, zou dat haar wel lukken? Enfin, de Chinezen zochten de weg en de boerin zocht naar woorden. Na veel handen- en voetentaal, soms spits en soms bondig, had de boerin het begrepen. De Chinezen waren de weg en het paadje volledig kwijt.

De boerin heette Mien en zij was de kwaadste niet. Mien wilde wel helpen. Geen probleem hoor. Ook al dacht Mien onwillekeurig ‘naar de hel met die vreemde lui, wat maken die een theater zeg!’, stuurde ze de Chinezen op het juiste pad. Met een beetje goede wil waren ze voor het donker thuis. Gelukkig spraken de Chinezen een klein beetje Leeuws. Ze leerden namelijk vlug. In no time kopieerden zij de Leeuwse taal, inclusief de juiste tongval. Zij spraken boerin Mien vrijwel accentloos na.

“U gaat hier aan het einde van de weg naar links, dan gaat u rechts af. Dan komt u bij een molen. Daar gaat u rechtdoor … en dan … en dan …?!”
Mien besefte ineens dat ze begonnen was aan een schier onmogelijke opdracht. Hoe kon ze ooit de weg uitleggen aan Chinezen? Ze wist niet eens waar China lag.

Gelukkig tekende een wijsneus, die toevallig voorbij kwam, het fictieve verhaaltje snel op. Zo is het voor de eeuwigheid bewaard gebleven. Op feestjes en partijen en zelfs op reünies doet het verhaal het goed. Het krijgt zowel de lachers als de huilers op één hand. Het verhaal van Mien Alias, getrouwd met Piet Alias (also known as Paljas), je moet er maar opkomen.

31-07-2012

Columns van Harrie (Juli 2012)


Oranje boven: Op lekke banden / Sport / 01-07-2012

Nou zeg. Na één dag geef ik er denk ik meteen de brui aan. Gaat het nog niet eens bergop en hoeven we maar 6,4 kilometer te fietsen. Dan zou je toch je fiets moeten opvreten om eerste te worden. Op z'n minst één gele trui veroveren. Geel, oker, desnoods oranje. Maakt niet uit. Maar nee hoor. Zelfs bij de eerste tien geen enkele Nederlander. Hoe is het mogelijk. Maastricht - Luik. Dat is bij mekaar pakweg 34,2 kilometer. 30 Minuten met de auto. Te voet, 6 uur en 17 minuten. Aankomst Hoge Weerd. Ik zou er nota bene voor gaan. Maar nota fiets. Ammahoela. Kruipend zou ik gaan. Alleen maar om te kunnen kijken. Hoe Hennie, Joop, Gerrie, Johan, Jan, Wim, Peter, Jeroen of hoe heten onze vergeten helden ook alweer over de finish te juichen. Nee. Over de kling, daar moeten die Hollanders over gejaagd worden. Die MacDonalds-generatie. Die iPhone-jeugd. Dat twittergepeupel. Ik wil nog wel juichen voor Eddie. Nee, niet Merxck maar Wallie. Die kan pas zingen. En fietsen. Vanaf vandaag ben ik voor België. Hup Louis. O nee, dat was een Spanjaard. Ocana, toch? Met zo'n streepje op de n. Maar hoe dat moet, ik zou het niet weten. Gelukkig heb ik wel een stang tussen mijn stuur en zadel. Een echte fiets. Merk Flandria nee geen Merxkc. Fietsen maken kunnen ze niet die Belgen. Wel friet. Gelukkig maar. Vanaf vandaag ben ik voor Gilbert. Sjielbair. Klinkt bijna Limburgs. Nederlands Limburgs. Een beetje toch?. Viva Ollanda. Heureusement que j'aime mon vélo, sans piqûres bien sûr. Hee, toch nog gevonden de ~. Nu nog plaatsen op de n. Voilà, le ñ de Ocaña.


Oranje boven: Voor straf in de hoek / Sport / 03-07-2012

Zeg kerel, heb jij vandaag nog een punt gedrukt?
Een punt gedrukt? Jazeker, heb ik dat gedaan, vriend. En nog wel een heel mooi puntje. Een spits puntje. Ben er best wel trots op. Hoezo?
Hoezo, hoezo? Nou, ik las vandaag in de krant dat dat niet meer zo vanzelfsprekend is. Wist je dat?
Ik lees geen kranten, vriend. Ik lees alleen mezelf. Op twitter, facebook, linkedin en sinds kort ook op mijn eigen e-krant. Sociaal toch, niet?
Nou, los van dat sociaal geflikflooi kerel, je moet wel op de hoogte blijven hoor.
Van wat moet ik dan wel niet op de hoogte blijven, vriend?
Nou, van wat er in onze wereld gebeurd. Die wordt steeds kleiner, weet je?
Vertel me dan maar eens wat er dan zo schokkend is vriend?
Nou, Taeke doet niet meer mee?
Wàààààt, wat zeg je me nu? Doet Taeke niet meer mee? Dat, dat, dat kan niet.
Nou, zeker wel kerel. Het stond vandaag in de krant. Maar ja, die lees jij niet. Dan mis je een punt.
Maar Teun dan, doet Teun wel mee?
Ja, die wel kerel. Die heeft genoeg karakter en die past nog in het concept.
Hoezo die heeft genoeg karakter, die past nog in het concept? En Taeke niet dan?
Wel kerel, volgens de krant is er sprake van karaktermoord. Typisch. Het karakter Taeke is vermoord.
Wat een slecht script vriend? Het karakter van Taeke vermoord? Wie haalt dat in zijn hoofd?
De regisseur, Paul van Asshole. Heeft nog geeneens een papiertje. De koekenbakker, dom, dom.
Maar beste vriend, wie gaat er dan nu de punten drukken?
Ik zou het niet weten kerel. Mink misschien?
Die Brabo !!! Vriend, dat laten we echt niet gebeuren. A Maharadja, daar steken we onmiddellijk TK, een Dita stokkie voor. Het idee alleen al, een Brabo. Good Grays, daar gaat ons Olympisch goud.
Kerel, daar heb je dan weer een punt. Biertje dan maar? Bel jij Paul, of zal ik dat doen?
Ik bel wel vriend. Voor mij geen biertje. Ik ben er ziek van. Ik ga maar eens. De ballen!


Oranje boven: Zwart zout wordt goud / Sport / 12-07-2012,

De wetenschap staat voor niets en evolueert voortdurend. Dat weten ook de olympische sporters al eeuwen. Steeds vaker worden medische en technische hulpmiddelen ingezet om sporters tot hoge prestaties te stuwen. Soms helpen ook schietgebedjes bij het veroveren van eeuwige roem en goud. De oude Grieken losten het echter anders op. Namelijk door list en bedrog. Zo waren de allereerste Olympische Spelen al bezoedeld nog voordat de eerste lauwerkrans werd omgehangen.

De eerste spelen vonden niet plaats ter ere van Zeus maar ter ere van Pelops. Deze beroemde wagenmenner uit Anatolië werd in de 7e eeuw voor Chr. vermoord door zijn vader en als feestmaal aan de goden gevoerd. Behalve godin Demeter, die uit verdriet om haar dochter Pelops’ linkerschouder opvrat, trapte niemand van de goden in de val. De goden wekten Pelops uiteindelijk weer tot leven. Uit schaamte verving Demeter Pelops’ schouder door een ivoren exemplaar.

Pelops trok naar Griekenland waar hij dong naar de hand van Hippodemia, dochter van koning Oinamaos van Pisatis. Hij moest wel eerst Oinamaos verslaan met wagenrennen. Dat was nog niemand gelukt. Pelops liet Myrtilus, de wagenmenner van Oinamaos, de wagen van Oinamaos saboteren. De wielen kwamen tijdens de wedren los en Oinamaos werd door zijn eigen paarden de dood in getrokken. Pelops won. Ter gelegenheid van deze overwinning werden de eerste Olympische Spelen georganiseerd. Een mieters mythische gebeurtenis, mogelijk gemaakt door medische wetenschap, list en bedrog, luidde aldus de eerste Olympische Spelen in.

Nu is het juli 2012 en staan we aan de vooravond van de Olympische Spelen te Londen. Ook daar zal wetenschap, list en bedrog zorgen voor goddelijke en onmetelijke prestaties. Opgefokte raspaardjes staan al met regelmaat ongeduldig te trappelen in koudwaterbaden. Schijnt goed te zijn voor de gouden hoefjes. Godin Ankie fluistert haar paarden moed in. Kleine oranje prinsesjes zijn haar grootste fan. Hoe kan het anders. Het doet haar watertanden, en juist ja, u raad het al, bij het koudwaterbad zelfs klappertanden. Goud blinkt reeds in de verte.

Haar paarden hoeven geen wagen te trekken. In Ankie’s discipline is het de muziek die de toon maakt. Zolang haar eigen paardje maar niet de kuren krijgt komt het allemaal goed. Gelukkig is ze bevriend met paarden-DJ Jo Lastig (geen familie van). Jo verzorgt de muziek tijdens de Olympische dressuur. Op speciaal verzoek van Ankie heeft hij bijzondere kürmuziek gemaakt voor de concurrentie. Deze zal hij inpluggen zodra de concurrerende paarden de piste betreden. En dan maar afwachten welke capriolen ze gaan uithalen. Misschien storten ze wel in Spaanse draf terre à terre. Misschien verslikken ze zich wel in courbettes en croupades. Maken ze foute pirouettes op passages van piaf. Ankie ne regrette rien. Alles voor de medailles. Oranje boven. Leve het goddelijk paard. Zwart zout zorgt ongetwijfeld voor goud.


Oranje boven: Stormkracht elf / Sport / 16-07-2012

Stormkracht acht geselt het grote stadion aan Marshgate Lane E 15 2PJ London. Meneer Roggebrood heeft zojuist hare majesteit Liesbeth het stadion binnengeloodst. Met lodderige ogen bekijkt Sebastiaan Koe of Roggebrood en Liesbeth hun plekkie kunnen vinden. Bekend met gravel en grasmat had Londen geen betere en snellere gastheer kunnen regelen voor dit houterige duo. Meneer Roggebrood volgt met gepaste stijfheid de aanwijzingen van gastheer Koe. Samen met hare majesteit Liesbeth is hij de enige die geen polsbandje draagt. Trots als een pauw neemt hij naast Liesbeth plaats in het koninklijke vak Q.

Aan de zijkant van vak Q, vlak bij de deur, kijkt William S. zenuwachtig het stadion in. Zal zijn show wel aanslaan? Als het maar geen storm in een glas water wordt. Het is al zo lang geleden dat hij de show gestolen heeft. Hopelijk is de houdbaarheidsdatum nog niet verstreken. Het publiek is nu nog rustig. Maar ojee, wat als straks de poorten van het stadion open zullen gaan. Wat als straks meer dan 10.000 atleten uit 205 landen met hun vaandeldrager voorop de atletiekbaan zullen opstormen. Het zal naar alle waarschijnlijkheid de stormkracht alleen maar doen toenemen. Misschien hebben we straks wel te maken met stormkracht tien of elf, wie zal het zeggen?

Tot nu toe gedraagt het publiek zich voorbeeldig. Het kan met gemak door alle vijf ringetjes gehaald worden. Het staat er in ieder geval kleurrijk op. De kleuren blauw, wit en rood overheersen. Hier en daar verstoord door een pluk oranje. De pauken roffelen, in de lucht scheert een klein vliegtuigje de wolken. Het spuugt aan haar staart grote wollige graffitiletters uit. Samen vormen ze twee woorden: The Tempest. Voor William het teken om te starten met zijn show. Een grote welkomstbel van 23 ton slaat met veel geweld zijn klepel. De openingsceremonie kan beginnen. De deuren van het stadion gaan open en de Grieken nemen als eerste bezit van de atletiekbaan.

Door de stadionspeakers orakelt good old stadionomroeper Prospero in oud-Engels: It is a nation ... that hath no kinde of traffike, no knowledge of Letters, no intelligence of numbers, no name of magistrate, nor of politike superioritie; no use of service, of riches, or of poverty; no contracts, no successions, no dividences, no occupation but idle; William S. wrijft in zijn handen. Aha, de opening verloopt goed. Vanaf de tribunes klinkt een luid gejuich. Prospero is goed bij stem. Vlaggen wapperen. Iedereen is uitzinnig. Behalve de Grieken. Die kijken een beetje beteuterd. Overrompeld door dit uitzinnige welkom.

Maar de lol is snel over. Prospero vervalt in een geweldige hoestbui. Het complete stadion schrikt ervan. De lucht boven het stadion kleurt inktzwart. Een enorme storm wervelt door de tribunes. Het publiek verkeert in paniek. In no time vliegen de mensen door elkaar heen. Het stadion is plots veranderd in een grote centrifuge. Een wastrommel die alle nationaliteiten door elkaar husselt. Iedereen zoekt houvast en probeert na vele omzwervingen te landen in zijn eigen vak. Maar dat is nog niet zo eenvoudig. De regie is volledig zoek. Liesbeth houdt haar hoedje vast en meneer Roggebrood bijt zijn korstige stevig lippen op elkaar. Sebastiaan Koe kan alleen maar luid loeien. Als een zwangere sirene loeit hij wanhopig een strijdlied de arena in. Alle Menschen werden Freunden.

De storm houdt aan. Alle vaandeldragers die het stadion binnenlopen cirkelen door de lucht. De wind heeft hen in hun eigen vlag gevangen, gecocoond. Ze kunnen geen kant op. Vlinderen heeft geen enkele zin. Het wachten is op verlossing. Die komt pas laat. Het zijn de Nederlanders die uiteindelijk fier de storm trotseren. Het is vlaggendrager Dorian van Rijsselberghe die voor redding zorgt. De windsurfkampioen is vertrouwd met weer en wind. Zijn Olympische droom kan nu eindelijk in vervulling gaan. Hij koestert dit moment. Hier heeft hij op gewacht. Hiervoor is hij geboren.

De vlaggenmast in zijn knoestige handen voelt vertrouwd aan. De voorzienigheid heeft er voor gezorgd dat de vlag uit hetzelfde materiaal vervaardigd is als zijn eigenste stormzeil. Nog één keer zal zijn discipline de Olympische Spelen redden. Met een ferme ruk aan de vlaggenstok vangt Dorian de woedende storm met groot gebaar in zijn zeil. De rust keert weder in het stadion. Alle mensen op de tribunes zijn nu vrienden geworden. Het volledige publiek scandeert nu Dorian’s naam. Dorian glundert. Van oor tot oor. Zo ook de Grieken. Aan het eind van hun latijn. Aurantiaco luctantem et venit super. Oranje worstelt en komt boven.


Over de longen / Co-Column / 25-07-2012

De zon schijnt fel op het matte glas. Het is bloedheet op de zevende verdieping. Ik zweet inmiddels peentjes. De hitte heeft nauwelijks effect op mijn collega’s. Zij zitten met een vierkant ET-hoofd weggedoken achter hun beeldschermen. Zo af en toe wordt er onder de tafel geschopt. Links en rechts en tegenover mij. De bekabeling hangt weer eens in de weg. Hoe irritant. De ET die op doordeweekse dagen tegenover mij woont maakt cirkelbewegingen met zijn voet. De plastic lasso om zijn voet wil maar niet loslaten. Al vloekend trapt hij nog maar eens een keer wild in de rondte. Het beeldscherm valt om. Afwezig kijkt ET mij aan. Hoe heet hij ook alweer? Ik probeer op zijn naam te komen.

“Jaap, ja Jaap is het toch? Of Jan? Nee, Jan-Jaap, toch?”
Met een boze blik kijkt ET me onderzoekend aan. Zijn plastic beeldmasker heeft plaatsgemaakt voor een rood hoofd. Best wel groot. Ja, een groot hoofd. Buiten proportie gezien zijn iele lijfje. Het lijkt net of onze lieve heer een grote klomp klei overhad en deze tussen Jan-Jaap’s iele schoudertjes heeft gepropt. Zo’n hoofd is het ja. Een prophoofd. Vuurrood. Het is alweer even geleden dat ik het hoofd zag. Het zit meestal om acht uur al achter het beeldscherm en rond een uur of vijf in de middag kruipt het er weer snel en stiekem achter vandaan. Dan heb ik juist mijn dipje en lig ik zachtjes te snurken op mijn toetsenbord. Een powernap. Met mijn neus tussen de T en de Y. Hij zegt ook nooit gedag die Jan-Jaap. Hij werkt al vijfhonderd jaar voor de zaak. Net als ik.

“Ik heet niet Jan-Jaap, ik heet Hendrik-Jan. En al 56 jaar lang, minkukel. Zeg niet dat je dat niet weet, je weet het wel. Je plaagt me zeker?”
Verrek het hoofd kan praten. Ook dat was ik even vergeten. Het is lang geleden, dat Hendrik-Jan voor het laatst sprak. Dat wel. Het lijkt wel een eeuwigheid geleden. Minstens vijfhonderd jaar voor mijn gevoel. Hij is oud geworden Hendrik-Jan. Nicotinevlekken kleuren zijn bleke wangen bruingeel. Uit zijn oren en neus steekt borstelig haar naar buiten. Zie ik dat nu goed? Het lijkt verdacht veel op shag. Hoe langer ik kijk hoe meer ik ervan overtuigd raak. Het is inderdaad shag. Zware van Nelle zo te ruiken. Hendrik-Jan ziet dat ik iets te lang naar zijn oren en neus kijk en schrikt. Hij voelt zich blijkbaar betrapt.

“Het is niet wat je denkt!” roept Hendrik-Jan in opgewonden staat. Hij raakt lichtelijk in paniek omdat ik uit mijn linkse bureaula een grote aansteker tevoorschijn heb getover. “Maar, ehh, ehhh, jij was toch gestopt met roken”, bijt Hendrik-Jan me verontwaardigd toe. Dit is mijn kans. En ik grijp hem met twee handen. Eindelijk kan ik wraak nemen op al die jaren van stilzwijgendheid en negatie. Wat denkt die koekenbakker wel niet. Valt na vijfhonderd jaar eindelijk dat beeldscherm voor zijn rotkop weg, denkt hij ook nog dat ik hem plaag? Jarenlang heb ik zijn gepruim goedgekeurd. Maar nu is het afgelopen. Het sappig gekauw en geslurp en vooral de geur van de weeë cameltabak kan ik niet langer verdragen.

Ik vat ET bij zijn linkeroor en trek hem over het bureau heen. Het grote rode hoofd zwenkt tussen de iele schouders gewillig mee. Hendrik-Jan beseft dat hij geen kant meer op kan. Met een ferme klik ontvlam ik mijn grote ouderwetse kermisaansteker. Bijna negen jaar niet gebruikt. Gelukkig doet hij het nog. Ik houd de vlam onder de neus van Hendrik-Jan en steek de shag aan. Ik houd kort zijn beide neusgaten even dicht want van de rook dreigt Hendrik-Jan te gaan niezen. Nu moet ik snel handelen anders gaat de shag uit. Ik trek vlug het plukje shag uit zijn rechteroor en leg mijn lippen om zijn oor. Ik lurk flink aan het oor. De shag onder zijn neus licht op. Wel oppassen dat ik niet het puntje van zijn neus verbrand. Ik inhaleer nu stevig. Het geeft een voldaan gevoel. Er gaat per slot van rekening niets boven het over de longen roken van saaie collega’s. Tevreden blaas ik Hendrik-Jan’s en mijn adem uit.

Co-column geschreven door Mien en Harrie


Oranje boven: Betonnen vlinderslag bij heldere hemel / Sport / 26-07-2012

De vlinder gloeit onder de zon met haar betonnen vleugels. Het is zaterdag 28 juli 2012. Vandaag gaat het gebeuren de 4 x 100 meter vrije slag op Engels zeeniveau. Het moet chloorierijk uitpakken voor de Nederlandse equipe dat dit keer niet kan bogen op een hoog Normaal Amsterdams Peil. Het viertal zal vandaag oer Hollands Diep moeten gaan. Maar hoe dan ook, het goud chloort aan de horizon.

Maar eerst even over dat wonderschone gebouw. De Iraakse architecte Zaha Hadid, die in 2004 als eerste vrouw de fameuze Pritzker-prize won, heeft in beton een mooi sensueel lijnenspel ontworpen. Een betonnen vlinderslag bij heldere hemel. Ze heeft haar opleiding genoten onder creatief leiderschap van een opgewonden Koolhaasje bij OMA. Laat haar maar lekker vlinderen, deconstructivistisch, verwarrend en onzeker. Gelukkig sprong schoonspringer Thomas Daley tijdens de opening van het mooie gebouw op 27 juli 2011 de plank niet mis. Met een strak gewervelde rug en een mooi gestreept sixpack boven zijn maag, torpedeerde hij als eerste zwemmer het blauwe water in het Aquatics Centre. Wat een oogverblindend lijnenspel.

Nu zijn we een jaar later. Vier breedgeschouderde dames staan geconcentreerd achter het startblok, allen gehuld in een snelle bikini met schildpadmotief. Met een verwoestende blik in de ogen dagen ze hun tegenstanders uit. De 4 x 100 meter vanaf blok 4, moet resulteren in 4 x goud. De druk ligt hoog.
Maar niet voor Inge. Met twee vingers in haar neus springt ze het water in. Gehurkt tot ieders verbazing. Ze blijft nog twee seconden watertrappelen alvorens ze haar inhaalrace inzet. “Kunnen we makkelijk hebben, onze tegenstanders mogen wel wat voorsprong krijgen!” is haar commentaar achteraf.

Al gauw ligt ze aan kop. Na 100 meter tikt ze aan. Nu is het de beurt aan Ranomi. Ze trekt haar bikini nog even in de juiste schildpadstand. Als een ware Nina Turtle duikt ze van het blok. Ze bouwt een mooie voorsprong op. Na het keerpunt ligt ze al 5 meter voor op alle tegenstanders. Femke en Marleen hoeven de overwinning alleen nog maar in te koppen. Consolideren heet dat in vaktaal. Het goud chloort op ieders netvlies.

Al gauw trekt Marleen haar laatste baantje. Bijna fluitend komt ze aan. Het Aquatics Centre explodeert en gaat volledig uit het dak. Een nieuw Wereldrecord en daarmee ook Olympisch record spat van het scorebord af, 3.30,30, wat een tijd. De 3 met zijn mooie lijnenspel komt maar liefst 3 keer voor in de nieuwe recordtijd. Fantastisch. Wat zullen ze vandaag juichen in Borne, Roelofarendsveen, Sauwerd, Assen en de rest van Nederland. Wat zeg ik, in de rest van de wereld. Ook Zaha juicht een beetje mee.


Oranje boven: Elmont brothers / Sport / 31-07-2012

Ooit gehoord van de Jackson brothers? Vast wel. Altijd ergens te vinden op een dansvloer. Kleine broertje Michael altijd voorop. Dansend, zingend, springend, met geweldige moves. Ooit gehoord van de Elmont brothers? Waarschijnlijk niet. Maar ook zij zijn ware kunstenaars op een vloer.

Volgden de Jacksons nog de harde weg. De Elmonts doen het volgens de zachte. Altijd netjes gekleed in wit of blauw. Hun jasje dichtgeknoopt met een zwarte riem. Met afgetrainde lijven, sixpack strak tussen hun revers, stelen zij de show op de tatami. Wat een heerlijke en eerlijke sport dat judo. Wat zeg ik sport? Het is geen sport, het is pure lichaamsfilosofie. Een belijdenis van lijf en leden met een ultieme uitdaging, controle over body and mind.

Balans dat is het grote toverwoord. Het judospel is heel simpel. Om te winnen haal je zo snel mogelijk de jin uit Jan of Janneke. Uiteraard zonder daar zelf bij om te vallen. Soms ben je in het spel zelf je grootste tegenstander. Vegen, zwaaien, trekken, stoten, splijten, werpen, maaien, duwen, hangen, wurgen, wijken, strekken, vallen, opstaan. Het hele bewegingsarsenaal trekt in korte wedstrijdjes van 5 minuten voorbij.

Gebukt gaan ze er onder, die judoka’s. Is de stand gelijk dan gaat het spel nog 3 minuten door. Is de stand na 3 minuten nog gelijk dan kun je nog slechts winnen met vlag en wimpel. Die steken de drie scheidrechters na 8 minuten gelijktijdig gedecideerd omhoog. Je wint met 3-0 of 2-1. Een knieval van geluk of verdriet valt de judoka’s daarna ten deel. Nog hijgend van de inspanning want meestal duurde de korte wedstrijd toch iets te lang.

Jammer maar helaas, de Elmont brothers hebben in Londen geen oranje medailles kunnen veroveren. Ze dansten vrij aardig op de tatami maar het leverde te weinig punten. Hun polka miste wat yuko’s en waza-ari’s. De beiden broertjes verloren yoko door iets te veel yusei-gachi. Gelukkig dragen de broertjes het verlies in de ware spirit van Zen en Kano. De weg der lering is en blijft oneindig. Hemelsbreed strekt hij zich vooruit, tot ver voorbij de hoogste dan’s.


Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.