Posts tonen met het label italië. Alle posts tonen
Posts tonen met het label italië. Alle posts tonen

21-03-2024

Mien korte verhalen (52 t/m 56) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 19-07-2011 en 17-02-2014
(in derde persoon onder alias Kees, in maart 2024 geredigeerd naar eerste persoon Mien)

 
52) Avventura di chiesa (19-07-2011 > 20-03-2024 geredigeerd)

Na een lange rit van bijna vier dagen stap ik uit de vrachtwagen van mijn oom en komt er een einde aan de lift. Het einddoel is bereikt, de Italiaanse stad Florence. Het oponthoud bij grenspost Vipiteno heeft bijna één dag extra gekost. De vakantie kan nu eindelijk beginnen. Na een moeizaam eindexamen en een verbroken liefdesrelatie ben ik toe aan rust en vrede, als gezonde knaap van negentien met de wereld aan mijn voeten. Wat kan mij gebeuren?

Ik zie er sportief uit in mijn korte groene broek met legerprint en wit T-shirt. Mijn bruine armen, benen en snoet steken mooi af tegen mijn zomerse outfit. Op mijn fris geschoren hoofd draag ik een petje, als bescherming tegen de zon. Mijn goddelijk lichaam is afgetraind en stevig gespierd. Jarenlange hockey heeft mij gezegend met ballonkuiten en een kippenkontje. Ik voel me apetrots. Nog geen maand geleden doorstond ik de selectieprocedure van de Katholieke Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Een brugklasdroom kwam uit. In de toekomst zal ik sportleraar worden, vast en zeker.

Mijn oom heeft me afgezet bij het station van Florence. De avonturenreis kan beginnen. Flink zet ik de pas erin. Het aluminium frame van de grote rugzak prikt in mijn rug en de geitenwollen sokken kriebelen in de bergschoenen. Bijna op iedere hoek van de straat word ik nagekeken, vooral door mannen. Die zijn in de wijk rondom het station volop aanwezig. Het voelt een beetje vreemd, maar laat me verder koud. Ik ben veel meer benieuwd naar de mooie Italiaanse vrouwen. Maar waar zijn ze? Le belle donne?

Een grote kerk met plein, grasveld en fontein ervoor, trekt mijn aandacht. Het is de Santa Maria Novella. De houten bankjes rondom het plein zitten vol mensen. Er heerst een vrolijke sfeer. Hoge schelle geluiden van spelende kinderen klinken in de lucht. Ik plof neer op één van de bankjes om even op adem te komen. Midden op het grasveld klinkt plots een enorm gekerm. Twee hondjes lukt het niet op z’n hondjes. Ineens staan ze met de konten tegen elkaar gekeerd. Ze zitten letterlijk en figuurlijk aan elkaar vast. Een omstander gooit een emmer water over de hondjes heen en bevrijdt ze uit hun lijden. De reu druipt af met een enorme rode kegel. Je zult het maar hebben als reu, last van je Santa Maria Novella.

Ik zwoeg verder door Florence. Al snel heeft de zon haar hoogste punt van de middag bereikt. Het is bloedje heet. Zevenendertig graden Celsius is toch iets te veel van het goede. Ik besluit de eerstvolgende kerk te bezoeken. Kerken zijn namelijk koel en gratis toegankelijk en je hoeft er niets te drinken. Het wordt de San Lorenzo. Amper twee seconden binnen word ik aangesproken door een klein mannetje in net pak met witte boord. Die gebaart met wuivende wijsvinger dat ik iets doet wat niet mag. Druk nee schuddend met zijn hoofd strijkt hij over mijn benen en knijpt heel even in mijn arm. Vervolgens wijst hij naar een klein bordje bij de entree. Ik begrijp het, een kwartje valt. Het is niet toegestaan om met onbedekte armen en benen de kerk te betreden en maak aanstalten om naar buiten te lopen. Maar dat staat het kleine mannetje niet toe. Hij trekt me amicaal naar zich toe.

In gebrekkig Engels legt het mannetje uit dat hij kapelaan is en dat hij voor deze keer de foute kleding door de vingers zal zien. Sterker nog. Ik krijg een rondleiding door het heilige der heiligen. Vol trots loost hij me door de prachtig mooie kerk. Overal krijg ik tekst en uitleg, in Italiaans en gebrekkig Engels. De kapelaan murmelt wat over Medici, Brunelleschi, Donatello en Michelangelo, allemaal namen die me niets zeggen. Af en toe kletst de kapelaan met zijn hand op mijn armen en benen. Het voelt wat onwennig, maar het hoort ongetwijfeld bij de open en vriendelijke volksaard van de Italianen.

Nog één bijzondere plek wil de lieve kapelaan me laten zien. Heel speciaal. Daarvoor maakt de kapelaan eerst het rode koord los dat voor het altaar is gespannen. Achter het altaar is een ruimte afgeschermd door een zwaar roodfluwelen gordijn. Achter het gordijn bevindt zich een hoge ruimte met glazen deuren, een soort serre. Door het glas zie ik een kleine giardino met prachtige struiken en fel gekleurde bloemen. Achter me hoort ik de kapelaan het gordijn zenuwachtig sluiten. Vreemd, denk ik. Als ik vervolgens mijn fototoestel tevoorschijn haal voel ik plotseling een klam handje over mijn bovenbeen glijden. De hand kruipt langzaam omhoog. Achter me hoor ik de kapelaan geil en hijgerig ademhalen. Alle alarmbellen gaan onmiddellijk af. Met de hand voor mijn klokkenspel draai ik me om en duw verontwaardigd de kapelaan van me af en ren zo snel als ik kan de kerk uit. Buiten prikt de zon plagerig in mijn gezicht. San Lorenzo! Waar haalt die kapelaan het in hemelsnaam vandaan om mijn goddelijk lijf zo ongevraagd en brutaal te betasten? De viespeuk.
 
 
53) Bovenaan de ladder (10-12-2014 > 20-03-2024 geredigeerd)
 
Met grote angst klim ik naar boven. Hoeveel stappen moet ik nog? Durf ik nog wel los te laten? Mijn angst te overwinnen? Ogen van beneden priemen in mijn rug. Ze prikkelen en branden en lachen me naar boven. ‘Vooruit Mien, je kunt het!’ De twijfel overmant. Waarom zou ik tot bovenaan klimmen? Maar afdalen is ook geen optie. Heel even kijk ik omlaag. No way.

Het huilen staat me nader dan het lachen. Wrang. Heel wrang. Had ik zelf niet gelachen om enkele van mijn voorgangers? Had ik niet stoer gedacht: ‘makkie, dit doe ik wel even’. Nu mag ik me niet laten kennen. Met zijn tengere lijf klem ik mij tegen het hout en schuif zonder te kijken mijn linkerhand omhoog. Het reiken duurt een eeuwigheid. Opzoek naar houvast. Eindelijk voel ik weer grip. Het zweet staat in mijn handen. Durf ik nu mijn rechtervoet te laten volgen? Of zal ik eerst even mijn rechterhand bijvoegen? Dan kan ik me daarna aan beide armen optrekken.

Vanaf de grond zag het er allemaal zo eenvoudig uit. Met belangstelling had ik de bewegingen van anderen gevolgd. Maar nu heb ik geen idee in welke volgorde ik het beste het laatste stukje kan voltooien. En dan moet ik ook nog over die hoogste stok klimmen. Hoe ga ik dat toch doen? Ondersteboven? Door het laatste gat heen? Nee, dan ga ik vallen. Nog twee vakken te gaan. Wat! Nee, nee, nee, krijg ik nou ook nog een erectie? Zou iemand het kunnen zien? Van beneden? Fout moment. Zeker nu ik de hoogste sport bereikt heb. Ik weet nog steeds niet hoe ik die ga nemen.

‘Schiet eens op Mien!’ brult de juffrouw beneden. Ze moest eens weten. Het hart klopt in mijn keel en in mijn piemel. Hier eindigt de wereld, zeker weten. Ik zie geen mogelijkheid om over de hoogste sport te klimmen. Maar ik moet. In welke houding zal ik mij eens plooien? Niemand die me hier kan helpen. De juffrouw zal echt niet naar boven klimmen. Ik zal hier mogelijk voor de eeuwigheid moeten bivakkeren. Gelukkig is mijn erectie geslonken. Broekbrand kan ik echt niet gebruiken. Het komt nu aan op zelfredzaamheid.

Met de moed der wanhoop zwaai ik mijn rechterbeen over de laatste sport. Vanuit de lucht zie ik de klas beneden op de banken grinnikend lachen. Vooral Sjakie vindt het prachtig. Hij lacht zelfs zijn tanden bloot. Van leedvermaak? Heeft hij mij angst dan toch gezien? Met de blik op stoer klauter ik het klimrek omlaag. Zelfs de juffrouw lacht. Ik wil niet weten waarom. 


54) Eindejaar gein en ongein (01-01-2014 > 20-03-2024 geredigeerd)

De kamer is veel te klein voor zoveel gasten. Een hoek van de kamer wordt volledig opgezogen door een grote kerstboom die reikt tot aan het plafond. De piek lijkt het plafond te kussen maar doet dat net niet. Het is een fantastische boom, wederom. Opgetuigd met mooie lampjes, oude kerstballen en engelenhaar. Voor ieder lampje hangt een plukje haar.

Ik ben apetrots op de boom. Het is de mooiste en grootste kerstboom van heel de buurt. En dat geldt ook voor de kerststal. Die neemt bijna een kwart van de woonkamer in beslag. Eigenlijk is het geen kerststal maar een kerstgrot. De onderste takken van de kerstboom heeft papa afgeknipt. Anders past de grot er niet onder. Aan de onderste tak zweeft een grote engel. Die heet Gloria. Een rare naam. En zijn achternaam is ook heel maf. Excelsis Deo staat geschreven op het bord dat Gloria met beiden handen boven zijn hoofd houdt. “Ekselsisdeo”, leest papa altijd hardop voor. Wie verzint dat nou, zo’n naam?

De engel hangt met zwevende beentjes net boven een bakje waarin een klein baby’tje ligt. Een os en een ezel plukken wat aan het stro dat uit het bakje komt. Een mooi tafereel. Ik tuur over het bultige en gekreukte rotspapier dat met mos bedekt is en vol staat met beeldjes. Koningen, schapen, herders, van alles loopt er rond. Bijna een heel weekend heeft mijn vader erover gedaan om de kerstgrot en de kerstboom op te tuigen. En wat zijn ze weer mooi. Ik ken de geheimen en de inspanningen die schuil gaan achter deze pracht. En het gevloek.

De kartonnen dozen waarin de kerstballen jaarlijks worden opgeborgen, dienen als bodem en grondvlak van de kerstgrot. Het rotspapier ruikt muf en naar zolder. Telkens als ik langs de kerstgrot loopt aai ik over het mos. Het voelt lekker zacht en sponsig. Het ruikt een beetje naar bos. Het bos waar ik samen met zijn broers en papa het mos vandaan haal. Net als de hulst en de mooie takken. Ze geven de kerstgrot een knusse en warme sfeer.

De beeldjes worden jaarlijks in een vast patroon in het veld geplaatst. Met militaire precisie. Het is een groot feest om alle beeldjes uit te pakken. Vooral de kameel, die heel zwaar weegt. Dat is mijn favoriet. Samen met mijn broer en zus vecht ik ieder jaar wie hem mag uitpakken, uit het vergeelde krantenpapier.

Ik ben zo in de ban van de kameel dat ik er dagelijks van droomt. In mijn droom kruip ik dicht tegen de kameel aan. Lekker warm. Maar als ik ‘s morgens wakker word, is het bed koud. Nat en koud. Weer in bed geplast, voor de zoveelste keer. Bah. Van de spanning, zeggen papa en mama. Maar ik ben al zeven.

Vandaag wordt het extra spannend. Dat weet ik. Vanavond komen alle oma’s en opa’s op visite. Het is vandaag oud en nieuw. Ik mag opblijven tot in de late uurtjes. Ik krijg zelfs bowl, kinderbowl. Al gauw loopt het huis vol en is het gezellig druk. Het past allemaal maar net in de kleine woonkamer, maar dat geeft niks. Ik geniet van alle drukte.

Oom moppentap is er ook. Hij heeft het grootste woord, zoals altijd. Tante moppentap doet niets anders dan snoepen. Van de kerstkransjes en de bokkenpootjes. En oma uit de stad rookt de ene sigaret na de andere. Bah. Het glaasje op tafel raakt al snel leeg. Het wordt meteen bijgevuld, met Caballero's en Stuyvesant. Rare namen hebben die sigaretten. Maar de volwassenen vreten ze op. Opa uit het dorp niet. Die rookt alleen maar hofnar. Een hooguit twee, de hele avond. De sigarenbandjes zijn voor mij. Ik heb al een hele verzameling.

Langzaam begint de stemming in de kamer te stijgen. Het uur u nadert. Iedereen is lollig. En dat komt volgens papa niet door oom moppentap. Nee, dat komt door meneer Hermans op tv en de grote mensen bowl. Oma uit de stad en opa uit het dorp hebben het er warm van gekregen. Ze hebben beiden het bovenste knoopje van hun witte hemd los gemaakt en hebben beiden een vuurrood hoofd. Ze lijken op lucifers. Ik moet lachen. Die kunnen straks makkelijk het vuurwerk aansteken. Ik ben er klaar voor.

De glazen worden nog eens gevuld en mijn broers en zus beginnen al hardop te tellen. “Nog effen wachten!”, roept pa. “De klok is nog niet zover!” En hij wijst met zijn grote kerstboomhand naar de klok die traag de seconden weg tikt. Pas als papa zijn donkere stem inzet wordt het serieus. Iedereen in de kleine woonkamer valt bij. “TIEN, NEGEN, ACHT, ZEVEN, ZES, VIJF, VIER, DRIE, TWEE, EEN … ZALIG NIEUWJAAR !!!“

Broers en zus, papa en mama, oom en tante, ze pakken elkaar vast en zoenen dat het een lieve lust is. Totdat met een hele grote gil, oma uit de stad en opa uit het dorp, samen achterover vallen in de kerstboom. Iedereen barst in lachen uit. Oma en opa liggen beteuterd, op elkaar, onder de kerstboom. Opa heeft nu haar. Het engelenhaar ligt als een tulband op zijn kale kop. En oma … oma die draagt ineens twee kleine paddenstoelen in haar oren.

Ik houd het niet meer. Dit moet ik aan de grote klok hangen. Als een idioot ren ik de deur uit, de straat op. Onder luid geknal en met spetterend vuurwerk in de lucht, zet ik twee handen aan mijn mond en roep zo hard ik kan: “OMA EN OPA ZIJN IN DE KERSTBOOM GEVALLEN!!!”. Maar er is niemand die me hoort. Mijn stemgeluid lost op in het grote geknal en de straat is nog leeg. Wat een teleurstelling. 
 
 
55) Maskerade (17-02-2014 > 21-03-2024 geredigeerd)
 
Gekleurde plastic maskers hangen aan een grijze muur. Twee clowns, een hond, een poes en een mannetje met bolhoed. Ze staren leeg voor zich uit en dragen een zure glimlach rondom hun mond. Een gladde bevroren glimlach die eventjes oplicht, zodra een waterig winterzonnetje erop schijnt. Het is feest voor de maskers. Carnaval. Al drie dagen lang.

In de mond houden ze een feesttoeter geklemd. De oranje franjes van de toeters steken flets af tegen de grijze muur. Geen enkel masker heeft haar. Is ook nergens voor nodig. Slingers in vijf bonte kleuren, zorgvuldig vastgeklemd tussen het masker en de muur, zorgen voor een kleurrijk spaghetti-toupet. Uit de muziekboxen klinken aanhoudend vrolijke deuntjes in dialect. 'Mien, wao is mien fiësneus, Mien wao is mien neus? Wao is mien fiësneus geblaeve!'

De ballonnen die aan een koperen kroonluchter hangen lijken hun laatste adem uit te blazen. Ze hangen er magertjes bij. De fut is eruit. Net als bij mij. Ik weet dat als ik nu de ballonnen doorprik, ze niet eens meer zullen knallen. Ik zit op de bank en draag een cowboypak. Een beetje bedroefd stop ik de laatste knallers in mijn pistool en hoor de discussie in de woonkamer aan. Carnaval loopt op zijn laatste benen.

De zwarte snor die mijn vader me iedere dag aanmeet loopt door. Net als mijn bakkebaarden. Het is ook zo warm binnen. De geruite zakdoek om mijn nek kriebelt. Dat doet ie al een paar dagen. Maar zonder zakdoek voel ik mij geen cowboy. Het luciferdoosje waarmee de zakdoek aan elkaar is geknoopt, zit strak onder mijn strottenhoofd. Het is afzien voor een kleine cowboy, maar so what. Alles liever dan verschut staan als dansmarietje of als domme indiaan.

'Ik pas vanavond niet op Mien, niet weer hoor, vanavond ga ik uit. Jullie kunnen op je kop gaan staan!' Mijn zus, schattig verkleed als blauw matroosje met twee vlechten, heeft haar punt gemaakt. 'Ik pas ook niet op, ik heb al afgesproken met vrienden, ik word zo opgehaald'. Mijn broer blijft ook niet thuis. Verkleed als hippie in een wit overhemd, gestift met hippiespreuken en rode hartjes, mag dit jaar voor het eerst uit. Mijn oudste broer ziet de bui al hangen. Maar ook hij laat verstek gaan. 'Sorry jongens, maar vanavond is mijn schaakavond.' Hij houdt niet van Carnaval. Net zo min als zijn schaakvrienden dat doen.

Pa heeft vanuit de keuken alles aangehoord en loopt de woonkamer binnen. 'Dan hebben jullie nu een probleem. Drie dagen hebben jullie kunnen feesten en vanavond is het mijn beurt.' Langzaam lopen de gemoederen hoog op. Niemand wil zich opofferen. Het is een zwaar jaar geweest en iedereen heeft zich verheugd op deze Carnaval. Ma is amper acht maanden geleden gestorven en het liefst wil iedereen dat heel eventjes vergeten. Ook ik.
 
Een schuldgevoel bekruipt mij. Ik ben weer eens de grote lastpost. Stomme Carnaval. Ik zou ook wel uit willen, maar ben nog te jong. Dit gaat geen leuke avond worden. Alweer niet. Treurig kijk ik in de richting van het clownsmasker dat voor me aan de muur hangt. Langzaam schiet ik vol. Dikke tranen rollen langs mijn neus, via snor over de kin op het tegeltapijt. En de clown, de clown tegenover me huilt stilletjes mee.
 
 
56) Te huis (03-10-2013 > 21-03-2024 geredigeerd)
Dit onderwerp later nog eens beschreven in 36) Een titel valt niet af te dwingen op 18-04-2015
 
Bij ieder woord dat ik hoor schrik ik op. Heb ik dat goed gehoord? Ik kruip wat dichter tegen de trapleuning en leg mijn oor vlak langs een van de spijlen die onder de leuning omlaag krult. Zo kan ik me beter concentreren op wat er binnen wordt verteld. Iets vreselijks. Ik vang losse flarden op van een gesprek waarvan de toon me niet aanstaat. Ze hebben weer ruzie.
 
Eigenlijk moet ik in bed liggen, maar de vertwijfeling in mijn vaders vlakke stem, nagelt me vast aan de trap. Ik vraag me af wat er allemaal achter de deur besproken wordt.

De discussie wordt vinniger. De emoties laaien op. Ik heb moeite om te verstaan wat er nu precies wordt gezegd. De losse flarden vormen langzaam een triest verhaal. Het kan toch niet waar zijn? Mij hart bonkt in de keel. Nee, nee, nee, het is niet waar!

Een hoge vrouwenstem slaat een verontwaardigde toon aan. “Het kan zo niet langer. Jouw zoon is onaangepast, hij ruimt niets op en hij luistert niet naar wat ik hem zeg. En dan dat vieze lange haar. Ik mag zijn kamer niet opruimen. Ik mag het niet. Maar hij doet het ook niet.”

Ik fluister in gedachten mijn vader denkbeeldig woorden in. Boze woorden van verzet en lieve woorden van troost. Die vrouw maakt mijn broer zwart. Hoe durft ze? Ik besef dat mijn vader de woorden die ik hem influister niet kan horen. Wat daar achter de deur gebeurt vreet aan mij. Wat haalt dat mens zich in haar hoofd? Wat doet het er toe? Niet opruimen is toch geen doodzonde? Moet ie daarvoor, moet ie daarvoor …
 
Pa verheft nu eindelijk zijn stem. De donkere bas overstemt de hoge klaagzang van de dame, onze nieuwe moeder, sinds kort. ‘Mam’ moeten we tegen haar zeggen. Ze smeekt er bijna om, ze huilt er bijna bij. Dat vertik ik, het is niet mijn moeder. Het is een koude kille tante die mijn vader afblaft en afpikt.

“Ik vind dat je het allemaal te zwaar overdrijft, mens! Oké, hij is geen doorsnee zoon, en hij doet dingen die niet allemaal door de beugel kunnen, hij heeft lang haar, komt te laat thuis voor het eten, ruimt zijn kamer niet op, rookt stiekem en dan … en dan … dat is toch geen reden om … om … om …”

Om wat? Ik hoor niet hoe mijn vader de zin afmaakt. Ik hoor wel hoe boven aan de trap iemand aanschuift. Ik kijk niet op, ik voel en weet dat het mijn broer is. Samen horen we de strijd aan die achter de deur plaatsvindt.

“En ik wil, dat je kiest. Ik kan met die jongen niet verder. Hij gaat naar een tehuis. Hij eruit of ik eruit!” Er volgt een korte stilte. De stilte is ondraaglijk. De lucht is dik en ik kan amper ademhalen. De stilte is ook hoorbaar boven aan de trap. De lucht in de gang voelt loodzwaar, lijkt zwanger van oorlog.

“Dat meen je niet. Hoe kun je … hoe kun je … het is wel mijn zoon hoor!” Wat een ongelofelijk kreng is dat vrouwmens. Ik kan wel janken. Mijn broer, mijn eigen broer, … naar een tehuis? Echt niet? Zal ik de kamer in rennen en die vrouw eens goed de waarheid zeggen? Ik kan het niet langer aanhoren. Hoor ik het nu goed? Huilt mijn vader? Nee, nee?

Boven hem klinkt ongemakkelijk geschuifel. Mijn broer daalt de trap af en schuift stilletjes naast me. Hij legt een arm om de schouder. “Het komt allemaal goed Mien!”, lijkt hij met zijn arm te zeggen. Vol spanning wachten we samen af wat er verder gebeurt.

Het gesnik van pa wordt gevolgd door een tirade. Ik kan het niet helemaal volgen. De woordenstroom van mijn vader klinkt dof in mijn oren. Alsof de woorden in water in mijn oor klotsen. Wil ik dit wel horen? De spanning achter de deur en in de gang is te snijden.

“Hij gaat er niet uit. Jij gaat er dan maar uit, hoe durf je? Mijn vier kinderen zijn me alle dierbaar. Dat moet je toch weten. Geef ze een beetje tijd, ja? Hun moeder is nog geen jaar geleden overleden. Je hebt helemaal niets met de kinderen. Je geeft hen geen enkele vorm van aandacht. Een kille koele tante, dat ben je!”

Achter de deur klinkt nu schel en droevig gejammer. Door het gesnik heen hoor ik de vrouw schreeuwen tegen mijn vader. “Ik hou alleen van jou en niet van de kinderen. Ik ben niet met je kinderen getrouwd, maar met jou. Jij zit niet de hele dag thuis met hen. Ze maken de boel vies en ze luisteren niet. En die zoon van jou die gaat eruit. Naar een tehuis. Jij kunt hem niet opvoeden en ik ook niet. Hij zal er beter van worden, geloof me!”

Ik voel geen arm meer om me heen. Mijn broer is naar zijn kamer gegaan. Triest kijk ik naar mijn kruis. Ik voel nattigheid. Nee, niet weer. Van spanning heb ik in mijn broek geplast. Verdomme, ook dat nog. Maar ik kan nu niet aankloppen. Ik durf niet. Stilletjes ga ik naar boven en kruip in mijn bed. Door het onderlaken voel ik het koude kille bruine zeiltje. Het is al laat. Beneden is het stil. Onheilspellend stil. Bonkend met mijn hoofd, van links naar rechts en van rechts naar links schud ik mezelf in slaap. Droomloos.
 
 
 
 

 

08-09-2021

Capricieus

Capricieus voel ik mij op Capri. Bella Italia. Con limone e citrone. La vita e bella. Op oude bergschoenen klos ik door de hoofdstraat en krijg exquise parfummonsters aangereikt bij elke chique winkel die ik passeer. Zou ik mogelijk stinken of ruiken ze geld? No l’o so. Ik weet het niet. Ik geniet van de prachtige tuin van het verblijf van Axel Munthe. Op het uiterste puntje vlakbij het kapelletje klinkt klassieke muziek. Een mix van een prachtige CD, te koop in het kleine winkeltje en nu uiteraard ook in mijn bezit. Ik kijk nog even neer op de azuurblauwe Middellandse Zee, zo blauw, zo blauw. Zie de enorme jachten, minuscuul klein, langs de Vesuvius crossen. Slechts witte strepen achter zich latend. Si. Bella Italia!

10-06-2014

Stilleven (4): Molly's droom

Ze weet niet of ze moet lachen of huilen. Zo gaat dat wel vaker met vrouwen. Nou ja, vrouwen. Ook mannen hebben daar soms last van. En hoezo last? Daar hoef je toch geen last van te hebben. Van een lach of een traan? Je hoeft je er ook niet voor te schamen. Ze laat het maar even in het midden, de emotie. Liever schuilt ze haar gezicht in een omslagdoek.

Haar donkere ogen glijden langs het zachte doek naar buiten en verkennen het gezichtsveld en de omgeving. Voorzichtig want ze wil niet betrapt worden. Betrapt op emotie. Dat gunt ze de kijker niet. Dat ze bekeken wordt dat mag duidelijk zijn. Soms vallen de mensen, en met name die van het mannelijk geslacht, bijna in katzwijm voor haar voeten neer. Haar moeder heeft het al op jonge leeftijd over haar heen geroepen. “Ze zullen je aanbidden, Molly. Let op mijn woorden.” Ach, niets is de mens vreemd, dat beseft Molly maar al te goed. Het is kijken en bekeken worden.

Voor de verandering besluit Molly maar eens haar kijkers de rug toe te draaien. Vol bewondering neemt ze de prachtige omgeving die al jaren achter haar ligt in zich op. Het riekt naar Italië. Ze snuift de warme zomerlucht op. Een mengeling van tomaat en scherpe kruiden, tijm, oregano en basilicum. In geen velden of wegen zijn de kruiden te zien. Maar wel te ruiken. Zo blijkt maar weer eens dat niet alleen geuren maar ook zichten soms vertroebelen. Wat je ruikt is lang niet altijd wat je ziet en vice versa.

Zintuiglijke misleiding dat is het, daar is hier sprake van. Dat geldt dus ook voor de aanblik die Molly neemt van haar omgeving. Voor het eerst ziet ze, ruikt ze en voelt ze wat er al die jaren achter haar rug verscholen lag. Een landschap van mogelijkheden. Had ze dat maar eerder geweten en beseft. Het had haar vast troost geboden en rust. De aanschouwing van de rivier, de bergen, het water, de brug. Glorend onder de Italiaanse zon. Een zon ruikend naar citroen. Althans tussen de oren van Molly.

Enfin, de eerste stap is gezet. Molly heeft zich losgemaakt van haar omgeving. Een omgeving die vanuit haar positie nauw en klein omkaderd was. Met grote stappen verkent ze het nieuwe landschap. Ze stapt voor het eerst het leven in. Onder haar voeten voelt ze bodem, aarde. En dat voelt goed. Ze was het zweven al langer beu. Zweven in emotie daar was ze altijd goed in. De kijker in verwarring brengen. Nu heeft ze nog maar slechts een doel. En dat is genieten. Met volle teugen. Van de rivier, de bergen, het water en de brug.

Ach, als ze toch eens op die brug kon staan. Daar aan de einder. En dan vanuit de verte terugkijken, naar het gezichtspunt dat jarenlang bevroren stond en naar de andere kant keek. Het gezichtspunt dat niet terug maar vooruit keek. Verwachtingsvol en mysterieus. Wat zou dat mooi zijn. Vanuit het achterveld, zonder schalkse blik, de kijkers begluren. Een omgekeerde wereld. De bekekene die de kijkers spot. Ze zouden op zoek gaan naar haar, dat weet Molly zeker. Maar ze zouden haar niet zien. Daar op die brug, eeuwig glimlachend. Van alles had de kijker zich al die jaren voorgesteld bij haar glimlach. Dat had Molly al jarenlang gespot in de ogen van de kijkers. Ja zelfs een beetje geroken. Haast bespottelijk. Heel vervelend ook. Het enige voordeel was dat ze daardoor gedachten leerde lezen. Hoewel lezen, de kijkers gaven eigenlijk open boek.

Molly beseft maar amper welke vrijheid ze tegemoet treedt. Als een jonge hinde huppelt ze door het zonnige landschap richting brug. Het hoge gras kriebelt aan haar blote voeten en benen. Het is niet ver meer als plotseling haar oog valt op een bijzonder tafereel. Ze treft midden in het veld een stilleven aan dat haar hart doet stokken in de keel. Op een pas gemaaid veld zit op een kleurrijk geruite deken een zigeunerin, schrijlings met haar benen, geleund tegen een boom. In haar donkere ogen glijdt heel langzaam een traan naar beneden. Wat is ze mooi. Ze is van een alles verpletterende klassieke schoonheid. Alles klopt in haar gezicht. De donkere haren, de gebruinde tint, de roze volle lippen en haar ogen om in te verdrinken. Maar een ding klopt er niet. De omlijsting van het tafereel past niet in het kader en plan dat Molly voor ogen had. De brug aan de einder heeft Molly daarna nooit gehaald. In het zigeunerinnetje vond ze de herkenning waarnaar ze jaren op zoek was. Het zusje dat ze altijd al had willen hebben. Het zusje dat ze zelf had willen zijn. Het raakt haar diep.

Het beeld, het stilleven zal voor altijd op Molly’s netvlies blijven staan. De zigeunerin in het open veld met het oog vol traan. Ooit, ooit, zal ze de brug bereiken die achter haar ligt. De brug die prikt, duwt, priemt en lonkt. Je ziet het aan Molly’s ogen. Maar vooral aan haar glimlach. Een glimlach verborgen opgehangen in een Italiaans berglandschap, hangend aan een spijker en een touw, ingekaderd vooralsnog, ergens in Parijs. Veelzeggend niets.

19-07-2011

Avventura di Chiesa

Na een lange rit van bijna vier dagen stapt Kees uit de vrachtwagen van zijn oom en komt er een einde aan de lift. Het einddoel is bereikt, de Italiaanse stad Florence. Het oponthoud bij grenspost Vipiteno heeft bijna één extra dag gekost. De vakantie van Kees kan nu eindelijk beginnen. Na een moeizaam eindexamen en een verbroken liefdesrelatie is Kees toe aan rust en vrede. Hij is een gezonde knaap van negentien en de wereld ligt aan zijn voeten. Wat kan hem gebeuren?

Kees is een verschijning. Hij ziet er sportief uit in zijn korte groene kakibroek met legerprint en wit t-shirt met korte mouwen. Zijn bruine armen, benen en snoet steken mooi af tegen zijn zomerse outfit. Op zijn frisgeschoren hoofd draagt hij een petje, als bescherming tegen de zon. Het goddelijk lichaam van Kees is afgetraind en stevig gespierd. Jarenlange hockeytraining heeft hem gezegend met ballonkuiten en een kippenkontje. Apetrots is Kees. Een maand geleden doorstond hij de selectieprocedure van de Katholieke Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Een brugklasdroom kwam uit. In de toekomst zal hij sportleraar worden, vast en zeker.

Zijn oom heeft hem afgezet bij het station van Florence. De avonturenreis kan beginnen. Flink zet Kees de pas in. Het aluminium frame van de grote rugzak prikt in zijn rug en de geitenwollen sokken kriebelen in de bergschoenen. Bijna op iedere hoek van de straat wordt hij nagekeken, vooral door mannen. Die zijn in de wijk rondom het station volop aanwezig. Het laat hem koud. Hij is veel meer benieuwd naar de mooie Italiaanse vrouwen. Maar waar zijn ze? Le belle donne?

Een grote kerk met plein, grasveld en fontein ervoor, trekt zijn aandacht. Het is de Santa Maria Novella. De houten bankjes rondom het plein zitten vol mensen. Er heerst een vrolijke sfeer. Hoge schelle geluiden van spelende kinderen klinken in de lucht. Kees ploft neer op één van de bankjes om even op adem te komen. Midden op het grasveld klinkt plots een enorm gekerm. Twee hondjes lukt het niet op z’n hondjes. Ineens staan ze met de konten tegen elkaar gekeerd. Ze zitten letterlijk en figuurlijk aan elkaar vast. Een omstander gooit een emmer water over de hondjes heen en bevrijdt ze uit hun lijden. De reu druipt af met een enorme rode kegel. Je zult het maar hebben als reu, last van je Santa Maria Novella.

Kees zwoegt verder door Florence. Al snel heeft de zon haar hoogste punt van de middag bereikt. Het is bloedje heet. Zevendertig graden Celcius is toch iets te veel van het goede. Hij besluit de eerstvolgende kerk te bezoeken. Kerken zijn namelijk koel en gratis toegankelijk en je hoeft er niets te drinken. Het wordt de San Lorenzo. Amper twee seconden binnen wordt Kees aangesproken door een klein mannetje in net pak met witte boord. Die gebaart met wuivende wijsvinger dat hij iets doet wat niet mag. Druk nee schuddend met zijn hoofd strijkt hij over de benen van Kees en knijpt hem in zijn arm. Vervolgens wijst hij naar een klein bordje bij de entree. Kees begrijpt het. Het is niet toegestaan om met onbedekte armen en benen de kerk te betreden en maakt aanstalte om naar buiten te lopen. Maar dat staat het kleine mannetje niet toe. Hij trekt Kees amicaal naar zich toe.

In gebrekkig Engels legt het mannetje uit dat hij kapelaan is en dat hij voor deze keer de foute kleding door de vingers zal zien. Sterker nog. Hij zal Kees een rondleiding geven door het heilige der heiligen. Vol trots wordt hij door de prachtig mooie kerk geloosd. Overal krijgt Kees tekst en uitleg, in Italiaans en gebrekkig Engels. De kapelaan murmelt wat over Medici, Brunelleschi, Donatello en Michelangelo, allemaal namen die Kees niets zeggen. Af en toe kletst de kapelaan met zijn hand op de armen en benen van Kees. Een beetje maf vindt Kees, maar het hoort ongetwijfeld bij de open en vriendelijke volksaard van de Italianen.

Nog één bijzondere plek wil de lieve kapelaan aan Kees laten zien. Heel speciaal. Daarvoor maakt de kapelaan eerst het rode koord los dat voor het altaar is gespannen. Achter het altaar bevindt zich een ruimte afgeschermd door een zwaar roodfluwelen gordijn. Achter het gordijn bevindt zich een hoge ruimte met glazen deuren, een soort serre. Door het glas ziet Kees een kleine giardino met prachtige struiken en fel gekleurde bloemen. Achter hem hoort hij de kapelaan het gordijn zenuwachtig sluiten. Vreemd, denkt Kees. Als Kees zijn fototoestel te voorschijn haalt om een foto te maken voelt hij plotseling een klam handje over zijn bovenbeen glijden. De hand kruipt langzaam omhoog. Achter hem hoort Kees de kapelaan geil en hijgerig ademhalen. Alle alarmbellen gaan onmiddellijk af. Met de hand voor zijn klokkenspel duwt Kees verontwaardigd de kapelaan van zich af en rent zo snel ie kan de kerk uit. Plagerig prikt de zon hem buiten in zijn gezicht. San Lorenzo! Waar haalt die kapelaan het in hemelsnaam vandaan om zijn goddelijk lijf zo ongevraagd en brutaal te betasten? De viespeuk.

Mien Avventura

20-05-2011

Kleinood

Hoe je hem ook wendt of keert als ie valt dan zijn de rapen gaar. Ik bewaar hem dan ook altijd op mijn nachtkastje. Veel te bang dat ie in tweeën breekt. Stel je voor? Dan ben ik voor eeuwig verloren. In de belangrijkste wedstrijd van mijn leven zou ik dan geeneens de finish halen. Dat mag absoluut niet gebeuren. Ik mag de grip op mijn kleinood niet verliezen. Ik koester dit goddelijk voorwerp.

Hoe toevallig. Het kleinood ontleent zijn naam aan het land waarin het goddelijk toeven is. La bella e divina Italia. In dit land lopen ze ermee weg. Er zijn zelfs speciale edities van het kleinood. Op bestelling worden ze afgeleverd door speciaal getrainde koeriers. Die heten in de volksmond staffetta. Een verbastering van stupido, maffia en vendetta. In Italië wordt het kleinood altijd verpakt in zoet Giroroze papier met een strik erom. Met zo’n mooi cadeau in de hand maak je al gauw een dansje van plezier.

Daar is het kleinood zelf niet blij mee. Het houdt niet van ongecontroleerde bewegingen. Het is veel meer een rechtlijnig type. Zeer doelgericht. Daarentegen heeft het ook zeer veel last van faalangst. Ja, het kleinood wordt heel wat menselijke eigenschappen toegedicht. Als trotse bezitter van zo’n kleinood moet je wel met die druk weten om te gaan. De angst om te vallen is toch wel erg groot bij dit houterig baasje. Sinds ik in het bezit ben van het ding verkeer ik voortdurend in staat van opwinding.

Ik krijg er nachtmerries van. Die gaan altijd gepaard met wilde achtervolgingen en gehijg in mijn nek. Telkens word ik in mijn droom in een fuik gedreven. Dit leidt onmiddellijk tot tunnelvrees. In een imaginaire tunnel val ik dan over mijn eigen voeten. En dan … dan gebeurt het. Dan valt mijn kleinood op de grond en breekt in twee. Het enige wat mij rest is heel hard wegrennen. Ver weg van het plaats delict. In een vlaag van verstandsverbijstering neem ik het onderste deel van het kleinood mee. Het tintelt en het prikkelt in mijn hand en mijn hoofd. Het geeft een vreemd soort van extase.

Dan word ik wakker. Badend in het zweet. Vervolgens voel ik dan een onweerstaanbare drang om een column te schrijven. Maar waarover? Suf staar ik naar een leeg computerscherm. Zal ik de hulp van iemand inroepen? Of toch maar niet. Plots schieten mij wat woorden binnen. Hoe je hem ook wendt of keert als ie valt dan zijn de rapen gaar. Waar heb ik dat eerder gehoord? Het staat in grote letters op mijn scherm. Maar hoe nu verder? Naast mijn computer ligt een staafje fetta. Staffetta! Ik bulder bijna uit mijn stoel van het lachen. Mijn eigen droom geeft mij repliek. Het is niet waar. Is de oplossing zo makkelijk? Ligt ie zo voor de hand? Gelukkig komt alle zegen van boven. Ik bijt me er dan ook niet langer stuk op en geef het bovenste deel van mijn kleinood door aan een ander. I rest my case.

Mien Staffetta