Ik was toch wel danig in de war van de gebeurtenissen aan het spoor. Het besef drong nu pas tot me door hoe verliefd ik eigenlijk was geworden. Gewoon op een meisje met een blauwe pet. Een coup de foudre. Een eenvoudige oogopslag. Bliksemcontact. Het was niets voor mij. Zo’n plotselinge verliefdheid. Meestal duurde het weken, maanden voordat ik ook maar toegaf aan enig gevoel van verliefdheid. En nu pats boem, in een keer sloeg het toe. Ik bleef echter voorzichtig. Wilde mezelf geen rad voor ogen draaien, want wat als het niet wederzijds was. Onzin, riep een stemmetje diep van binnen. Ze gaf jou toch een vlieger, een papieren vlieger met telefoonnummer.
‘Maar wat wilt u precies weten?’, vroeg de postkantoorbeambte. ‘U wilt weten waar het netnummer 018 vandaan komt? Naar aanleiding van een telefoonnummer waarvan u zegt dat u het gevonden heeft op een papieren vlieger? U kunt het toch gewoon bellen, dat telefoonnummer?’
Tot zover een moeizame conversatie die plaats had op het postkantoor. De goede man had gelijk. Waarom zou ik niet gewoon bellen. Maar nee, ik koesterde mijn vlinders. Ik wilde eerst wat meer zekerheid. Niet beginnen aan een onbegonnen missie. Ik was al zo vaak teleurgesteld.
‘Wel meneer. Ik heb het even opgezocht. Uw telefoonnummer komt uit Schoonhoven’.
Boink … ineens viel er heel wat op zijn plek. Ook de vlinders hielden heel even op met fladderen. Dit was realiteit. Betsy woonde in Schoonhoven! Vlak in de buurt. Wist ik veel dat het netnummer uit Schoonhoven kwam. Wij hadden thuis geen telefoon. Eigenlijk had bijna niemand bij ons in het dorp telefoon. In en naar Ammerstol werd nooit gebeld. Niemand wist het te liggen. En de contacten in het dorp verliepen allemaal op straat of binnenshuis. Via korte lijntjes. Niet door de lucht. Nergens voor nodig.
God wat was ik blij. Er stond een naam, een telefoonnummer en een brede, hele brede glimlach in mijn hersenpan gegrift. Dromend vloog ik op mijn fiets terug naar Ammerstol, gedragen en voortgedreven door zalige gedachten.
Intussen knaagde ik op een plan van aanpak. Het knagen werd bij thuiskomst broeden. Broeden op bed. Het broeden op bed werd al snel plafond staren. Over het witte plafond gleden beeltenissen van Betsy. Mijn Betsy. Steeds ondeugender. Dat kon niet, dat mocht niet. Ik moest bellen. Hoe dan ook! Maar wanneer en met welke telefoon. Wij hadden geen telefoon.
Dagen dacht ik na. En iedere dag fietste ik een flink stuk langs naast het spoor. Allemaal in de hoop nog eens een glimp op te vangen. Ze was heen gegaan, mijn Betsy, maar ze kwam ongetwijfeld een keer terug. Vijf keer per dag ging er een trein van Gouda naar Schoonhoven en vice versa. Dat had ik inmiddels op slinkse wijze nagevraagd in het dorp. Bij een van de betrouwbaarste bewoners. De dorpsgek. Die wist mij gek genoeg te vertellen hoe vaak en hoe laat de trein voorbij kwam.
Drie dagen achter elkaar wachtte ik langs het spoor. Op diverse tijdstippen. Vijf keer aan het ene kant van het spoor en vijf keer aan het andere. Op dezelfde plek als waar ik Betsy voor het eerst gezien had. In al mijn verliefd bijgeloof hoopte ik haar nog een keer te zien. Bijna, bijna was ik het spoor bijster, bijna gaf ik het op, totdat …
Posts tonen met het label jenny arean. Alle posts tonen
Posts tonen met het label jenny arean. Alle posts tonen
14-09-2015
06-09-2015
Het meisje met de blauwe pet (3)
Het jongetje gooide de vlieger telkenmale in de lucht en rende er dan vlug achteraan. Hij had mij niet in de gaten. Hoe kon ik dit nu tactisch aanpakken? Ik moest snel handelen. Voor hetzelfde geld gooide het jongetje de papieren vlieger keihard weg en belandde het in het weiland met koeien dat pal aan de weg lag. Ik zag mezelf bepaald nu niet, een twee drie, het kleine slootje overspringen en midden in een wei landen met zwartbonte koeien. Er waren ook grenzen aan mijn nieuwsgierigheid. En veel erger nog. Mijn grote angst voor koeien zou mij weerhouden van een heldendaad. Ondanks de idee dat liefde mogelijk vleugels geeft.
Wat had het meisje met de blauwe pet nu in de vleugels van het papieren vliegtuigje geschreven? Dat wilde ik dolgraag weten. Het jongetje maakte er gelukkig geen enkel probleem van toen ik hem vroeg of ik ook eens met zijn vliegtuigje mocht gooien. Zolang ik hem zijn vliegtuigje maar teruggaf. Hij had het zojuist eerlijk gevonden. Het jongetje zal wel gedacht hebben: Wat een vreemde man? Dat die nog met papieren vliegtuigjes speelt?
Met een vlugge blik in de vleugels zag ik een telefoonnummer staan. En een naam. De naam kon ik nog wel onthouden. Maar het telefoonnummer? Gelukkig had het maar acht cijfers. Na twee keer gooien met het vliegtuigje had ik het nummer en de naam tussen mijn oren opgeslagen. Voor de eeuwigheid. Betsy 018-205443. Als dat geen toeval was. Betsy! Daar had ik zojuist nog aan gedacht. Het schoot me meteen weer te binnen. Dat was de naam van Jenny Arean uit die televisieserie. Zeker weten. Niet te geloven.
Tussen de vleugels had ik ook nog een klein hartje gespot. Wat lief van Betsy. Een kriebelhartje dat onder in de punt een beetje uitschoot. Het was snel opgetekend, dat kon je zien. Voor mij was het echter het mooiste hart dat ik ooit gezien had. Het deed mijn eigen hart bonken.
Ik bedankte het jongetje en stapte blij op mijn fiets richting thuis, met mijn hoofd in de wolken. Even had ik nog getwijfeld om te vragen aan het jongetje om het vliegtuigje aan mij te geven. Vanwege de boodschap. Maar hé, leg dat maar eens uit aan een klein jongetje, zo’n boodschap. Het eerste wat ik deed bij thuiskomst was vlug de naam en het nummer opschrijven. 018? Waar zou dat nu zijn? Al was het in Lutjebroek of Kamtjatka (zeer onwaarschijnlijk), het maakte niet uit, ik moest en zou het weten. Vlug fietste ik naar het postkantoor in het dorp. Het postkantoor had alle telefoongidsen van Nederland, gebundeld in een grote telefoonruimte hangen. Dat wist ik zeker. Nu maar duimen dat het in de buurt van Schoonhoven was. En anders wist de postkantoorbeambte mij ook wel te helpen.
Wat had het meisje met de blauwe pet nu in de vleugels van het papieren vliegtuigje geschreven? Dat wilde ik dolgraag weten. Het jongetje maakte er gelukkig geen enkel probleem van toen ik hem vroeg of ik ook eens met zijn vliegtuigje mocht gooien. Zolang ik hem zijn vliegtuigje maar teruggaf. Hij had het zojuist eerlijk gevonden. Het jongetje zal wel gedacht hebben: Wat een vreemde man? Dat die nog met papieren vliegtuigjes speelt?
Met een vlugge blik in de vleugels zag ik een telefoonnummer staan. En een naam. De naam kon ik nog wel onthouden. Maar het telefoonnummer? Gelukkig had het maar acht cijfers. Na twee keer gooien met het vliegtuigje had ik het nummer en de naam tussen mijn oren opgeslagen. Voor de eeuwigheid. Betsy 018-205443. Als dat geen toeval was. Betsy! Daar had ik zojuist nog aan gedacht. Het schoot me meteen weer te binnen. Dat was de naam van Jenny Arean uit die televisieserie. Zeker weten. Niet te geloven.
Tussen de vleugels had ik ook nog een klein hartje gespot. Wat lief van Betsy. Een kriebelhartje dat onder in de punt een beetje uitschoot. Het was snel opgetekend, dat kon je zien. Voor mij was het echter het mooiste hart dat ik ooit gezien had. Het deed mijn eigen hart bonken.
Ik bedankte het jongetje en stapte blij op mijn fiets richting thuis, met mijn hoofd in de wolken. Even had ik nog getwijfeld om te vragen aan het jongetje om het vliegtuigje aan mij te geven. Vanwege de boodschap. Maar hé, leg dat maar eens uit aan een klein jongetje, zo’n boodschap. Het eerste wat ik deed bij thuiskomst was vlug de naam en het nummer opschrijven. 018? Waar zou dat nu zijn? Al was het in Lutjebroek of Kamtjatka (zeer onwaarschijnlijk), het maakte niet uit, ik moest en zou het weten. Vlug fietste ik naar het postkantoor in het dorp. Het postkantoor had alle telefoongidsen van Nederland, gebundeld in een grote telefoonruimte hangen. Dat wist ik zeker. Nu maar duimen dat het in de buurt van Schoonhoven was. En anders wist de postkantoorbeambte mij ook wel te helpen.
01-09-2015
Het meisje met de blauwe pet (2)
Als getroffen door de bliksem stapte ik op de fiets en reed nog een stukje met de trein op. Zou ik nog een blik van haar kunnen vangen? Mijn hart klopte achter op de rug. De trein minderde vaart, mijn schietgebed verhoord. Midden op de spoorwegovergang stopte de trein. Het meisje met de blauwe pet draaide het raampje open en gooide een klein papieren vliegtuigje naar buiten. Onderwijl gaf ze me een vette knipoog. Een knipoog die niets aan toeval overliet. Met een ondeugende blik wees ze naar het vliegtuigje en legde daarna haar hand aan het oor.
Was het vliegtuig voor mij bedoeld? Ik kon het amper geloven en keek snel om mij heen. Er stond niemand bij het spoor. Razend benieuwd was ik naar haar boodschap. Het gebaar dat ze met haar hand aan het oor maakte leek verdomd veel op een imitatie van een telefoon. Mijn hart begon nog sneller te kloppen en drong zich nu sterk aan mij op, vanachter mijn rug richting borst. Het zocht zijn plek.
Ik probeerde oogcontact te houden met het meisje met de blauwe pet maar al snel werd dat onmogelijk gemaakt. Een goederentrein raasde voorbij en verbrak de magische verbinding. Intussen trok de andere trein weer langzaam op. Nog nooit was ik zo kwaad op een goederentrein. Die dingen schoten nooit op. En ook nu leek er geen einde te komen aan de ontelbare wagons. Toen de laatste wagon voorbij schoot was de trein met mijn prinses reeds uit het zicht verdwenen. Helemaal aan het einde van de einder versmolt haar trein met de bosjes van beide zijkanten tot niets, richting Gouda.
Koude wind waaide in mijn gezicht. Mijn hart zakte in de schoenen. Fietsen had geen zin. Maar … Maar … Het vliegtuig … De boodschap … Een telefoonnummer … Hoop en nieuwsgierigheid vochten om mijn aandacht. Langzaam gingen de spoorwegbomen omhoog. Snel rende ik het spoor op. Zoekend, speurend als een dolle hond. Maar helaas, het papieren vliegtuig leek gevlogen. Nergens meer te zien. Beteuterd keek ik om me heen en besefte ineens dat het lot mij niet goed gezind was, ondanks dat er genoeg signalen waren geweest die een beter lot deden vermoeden. Totdat ik aan de overzijde van het spoor een klein jongetje zag spelen, met een papieren vliegtuigje.
Was het vliegtuig voor mij bedoeld? Ik kon het amper geloven en keek snel om mij heen. Er stond niemand bij het spoor. Razend benieuwd was ik naar haar boodschap. Het gebaar dat ze met haar hand aan het oor maakte leek verdomd veel op een imitatie van een telefoon. Mijn hart begon nog sneller te kloppen en drong zich nu sterk aan mij op, vanachter mijn rug richting borst. Het zocht zijn plek.
Ik probeerde oogcontact te houden met het meisje met de blauwe pet maar al snel werd dat onmogelijk gemaakt. Een goederentrein raasde voorbij en verbrak de magische verbinding. Intussen trok de andere trein weer langzaam op. Nog nooit was ik zo kwaad op een goederentrein. Die dingen schoten nooit op. En ook nu leek er geen einde te komen aan de ontelbare wagons. Toen de laatste wagon voorbij schoot was de trein met mijn prinses reeds uit het zicht verdwenen. Helemaal aan het einde van de einder versmolt haar trein met de bosjes van beide zijkanten tot niets, richting Gouda.
Koude wind waaide in mijn gezicht. Mijn hart zakte in de schoenen. Fietsen had geen zin. Maar … Maar … Het vliegtuig … De boodschap … Een telefoonnummer … Hoop en nieuwsgierigheid vochten om mijn aandacht. Langzaam gingen de spoorwegbomen omhoog. Snel rende ik het spoor op. Zoekend, speurend als een dolle hond. Maar helaas, het papieren vliegtuig leek gevlogen. Nergens meer te zien. Beteuterd keek ik om me heen en besefte ineens dat het lot mij niet goed gezind was, ondanks dat er genoeg signalen waren geweest die een beter lot deden vermoeden. Totdat ik aan de overzijde van het spoor een klein jongetje zag spelen, met een papieren vliegtuigje.
29-08-2015
Het meisje met de blauwe pet (1)
In een flits zag ik haar voorbij schieten. Verwonderd keek ze naar buiten en heel eventjes hadden we oogcontact. Wat ging er door haar heen? Dat vroeg ik mij af. Ik kon moeilijk haar leeftijd inschatten. Maar het contact was intens. Ik begon sneller te fietsen en raakte al snel buiten adem. Het meisje zat met haar rug gekeerd in de rijrichting van de trein. Gelukkig maar, want daardoor bleven we oogcontact houden.
Het station kwam al in beeld. Nog nooit had ik zo snel gefietst. Wie weet, misschien stopte ze wel uit bij de volgende halte. Graag zelfs. Ze daagde me uit met haar ogen. Dat zag ik dwars door het zweet dat inmiddels in mijn ogen liep. Ze droeg een blauwe pet. Een guitig gezicht. Haar kuiltjes in de wang maakten het totaalplaatje af. In nog geen tien seconden tijd was ik spontaan verliefd op haar geworden. Op het meisje met de blauwe pet. Het enige wat ik mij af kon vragen, hoe kan dat nu? Zo'n plotselinge 'coup de foudre' die mij spontaan ergens in de middle of nowhere treft. Kan dat wel? Verbeeldde ik mij niet teveel?
Zou dit Jenny Arean ook ooit overkomen zijn? Blauw, pet, hoed, serie, oorlog, het trok allemaal ineens als een film aan me voorbij. In luttele seconden. Ze leek in de verste verte niet op Jenny Arean. Zelfs niet uit haar tijd van voor 'het Schaep met de vijf poten'. Wat moest ik toch met deze gedachten? En waarom liepen ze met me weg, die gedachten? Verliefd? Ik? Hoe is het mogelijk? De trein minderde vaart. En ik, ik trapte alleen maar harder. De trein stopte en ik zag de conducteur als eerste uitstappen. En kijk, daar, daar zat ze nog, aan het raam. Maakte ze nu aanstalten om uit te stappen? Zag ik het goed? Echt?
Nee, nee, ze bukte alleen maar om iets op te rapen. We hadden oogcontact. Zeker weten. Ze streek heel even nonchalant door het haar. En ze glimlachte. Ja, ze glimlachte. Naar mij. Naar mij alleen. Ik was gestopt met fietsen en keek om me heen. Nee, niemand in de buurt. Snel wierp ik haar een kushandje toe. Het minste dat ik in dit geval kon doen. De trein maakte weer vaart. In de verte hoorde ik het rinkelen van de bel. De spoorwegbomen sloten. Over en uit. Wat zou Jenny nu toch gedacht hebben, dacht ik nog. Het is over.
Het station kwam al in beeld. Nog nooit had ik zo snel gefietst. Wie weet, misschien stopte ze wel uit bij de volgende halte. Graag zelfs. Ze daagde me uit met haar ogen. Dat zag ik dwars door het zweet dat inmiddels in mijn ogen liep. Ze droeg een blauwe pet. Een guitig gezicht. Haar kuiltjes in de wang maakten het totaalplaatje af. In nog geen tien seconden tijd was ik spontaan verliefd op haar geworden. Op het meisje met de blauwe pet. Het enige wat ik mij af kon vragen, hoe kan dat nu? Zo'n plotselinge 'coup de foudre' die mij spontaan ergens in de middle of nowhere treft. Kan dat wel? Verbeeldde ik mij niet teveel?
Zou dit Jenny Arean ook ooit overkomen zijn? Blauw, pet, hoed, serie, oorlog, het trok allemaal ineens als een film aan me voorbij. In luttele seconden. Ze leek in de verste verte niet op Jenny Arean. Zelfs niet uit haar tijd van voor 'het Schaep met de vijf poten'. Wat moest ik toch met deze gedachten? En waarom liepen ze met me weg, die gedachten? Verliefd? Ik? Hoe is het mogelijk? De trein minderde vaart. En ik, ik trapte alleen maar harder. De trein stopte en ik zag de conducteur als eerste uitstappen. En kijk, daar, daar zat ze nog, aan het raam. Maakte ze nu aanstalten om uit te stappen? Zag ik het goed? Echt?
Nee, nee, ze bukte alleen maar om iets op te rapen. We hadden oogcontact. Zeker weten. Ze streek heel even nonchalant door het haar. En ze glimlachte. Ja, ze glimlachte. Naar mij. Naar mij alleen. Ik was gestopt met fietsen en keek om me heen. Nee, niemand in de buurt. Snel wierp ik haar een kushandje toe. Het minste dat ik in dit geval kon doen. De trein maakte weer vaart. In de verte hoorde ik het rinkelen van de bel. De spoorwegbomen sloten. Over en uit. Wat zou Jenny nu toch gedacht hebben, dacht ik nog. Het is over.
Abonneren op:
Posts (Atom)