Posts tonen met het label kerstboom. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kerstboom. Alle posts tonen

21-03-2024

Mien korte verhalen (52 t/m 56) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 19-07-2011 en 17-02-2014
(in derde persoon onder alias Kees, in maart 2024 geredigeerd naar eerste persoon Mien)

 
52) Avventura di chiesa (19-07-2011 > 20-03-2024 geredigeerd)

Na een lange rit van bijna vier dagen stap ik uit de vrachtwagen van mijn oom en komt er een einde aan de lift. Het einddoel is bereikt, de Italiaanse stad Florence. Het oponthoud bij grenspost Vipiteno heeft bijna één dag extra gekost. De vakantie kan nu eindelijk beginnen. Na een moeizaam eindexamen en een verbroken liefdesrelatie ben ik toe aan rust en vrede, als gezonde knaap van negentien met de wereld aan mijn voeten. Wat kan mij gebeuren?

Ik zie er sportief uit in mijn korte groene broek met legerprint en wit T-shirt. Mijn bruine armen, benen en snoet steken mooi af tegen mijn zomerse outfit. Op mijn fris geschoren hoofd draag ik een petje, als bescherming tegen de zon. Mijn goddelijk lichaam is afgetraind en stevig gespierd. Jarenlange hockey heeft mij gezegend met ballonkuiten en een kippenkontje. Ik voel me apetrots. Nog geen maand geleden doorstond ik de selectieprocedure van de Katholieke Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Een brugklasdroom kwam uit. In de toekomst zal ik sportleraar worden, vast en zeker.

Mijn oom heeft me afgezet bij het station van Florence. De avonturenreis kan beginnen. Flink zet ik de pas erin. Het aluminium frame van de grote rugzak prikt in mijn rug en de geitenwollen sokken kriebelen in de bergschoenen. Bijna op iedere hoek van de straat word ik nagekeken, vooral door mannen. Die zijn in de wijk rondom het station volop aanwezig. Het voelt een beetje vreemd, maar laat me verder koud. Ik ben veel meer benieuwd naar de mooie Italiaanse vrouwen. Maar waar zijn ze? Le belle donne?

Een grote kerk met plein, grasveld en fontein ervoor, trekt mijn aandacht. Het is de Santa Maria Novella. De houten bankjes rondom het plein zitten vol mensen. Er heerst een vrolijke sfeer. Hoge schelle geluiden van spelende kinderen klinken in de lucht. Ik plof neer op één van de bankjes om even op adem te komen. Midden op het grasveld klinkt plots een enorm gekerm. Twee hondjes lukt het niet op z’n hondjes. Ineens staan ze met de konten tegen elkaar gekeerd. Ze zitten letterlijk en figuurlijk aan elkaar vast. Een omstander gooit een emmer water over de hondjes heen en bevrijdt ze uit hun lijden. De reu druipt af met een enorme rode kegel. Je zult het maar hebben als reu, last van je Santa Maria Novella.

Ik zwoeg verder door Florence. Al snel heeft de zon haar hoogste punt van de middag bereikt. Het is bloedje heet. Zevenendertig graden Celsius is toch iets te veel van het goede. Ik besluit de eerstvolgende kerk te bezoeken. Kerken zijn namelijk koel en gratis toegankelijk en je hoeft er niets te drinken. Het wordt de San Lorenzo. Amper twee seconden binnen word ik aangesproken door een klein mannetje in net pak met witte boord. Die gebaart met wuivende wijsvinger dat ik iets doet wat niet mag. Druk nee schuddend met zijn hoofd strijkt hij over mijn benen en knijpt heel even in mijn arm. Vervolgens wijst hij naar een klein bordje bij de entree. Ik begrijp het, een kwartje valt. Het is niet toegestaan om met onbedekte armen en benen de kerk te betreden en maak aanstalten om naar buiten te lopen. Maar dat staat het kleine mannetje niet toe. Hij trekt me amicaal naar zich toe.

In gebrekkig Engels legt het mannetje uit dat hij kapelaan is en dat hij voor deze keer de foute kleding door de vingers zal zien. Sterker nog. Ik krijg een rondleiding door het heilige der heiligen. Vol trots loost hij me door de prachtig mooie kerk. Overal krijg ik tekst en uitleg, in Italiaans en gebrekkig Engels. De kapelaan murmelt wat over Medici, Brunelleschi, Donatello en Michelangelo, allemaal namen die me niets zeggen. Af en toe kletst de kapelaan met zijn hand op mijn armen en benen. Het voelt wat onwennig, maar het hoort ongetwijfeld bij de open en vriendelijke volksaard van de Italianen.

Nog één bijzondere plek wil de lieve kapelaan me laten zien. Heel speciaal. Daarvoor maakt de kapelaan eerst het rode koord los dat voor het altaar is gespannen. Achter het altaar is een ruimte afgeschermd door een zwaar roodfluwelen gordijn. Achter het gordijn bevindt zich een hoge ruimte met glazen deuren, een soort serre. Door het glas zie ik een kleine giardino met prachtige struiken en fel gekleurde bloemen. Achter me hoort ik de kapelaan het gordijn zenuwachtig sluiten. Vreemd, denk ik. Als ik vervolgens mijn fototoestel tevoorschijn haal voel ik plotseling een klam handje over mijn bovenbeen glijden. De hand kruipt langzaam omhoog. Achter me hoor ik de kapelaan geil en hijgerig ademhalen. Alle alarmbellen gaan onmiddellijk af. Met de hand voor mijn klokkenspel draai ik me om en duw verontwaardigd de kapelaan van me af en ren zo snel als ik kan de kerk uit. Buiten prikt de zon plagerig in mijn gezicht. San Lorenzo! Waar haalt die kapelaan het in hemelsnaam vandaan om mijn goddelijk lijf zo ongevraagd en brutaal te betasten? De viespeuk.
 
 
53) Bovenaan de ladder (10-12-2014 > 20-03-2024 geredigeerd)
 
Met grote angst klim ik naar boven. Hoeveel stappen moet ik nog? Durf ik nog wel los te laten? Mijn angst te overwinnen? Ogen van beneden priemen in mijn rug. Ze prikkelen en branden en lachen me naar boven. ‘Vooruit Mien, je kunt het!’ De twijfel overmant. Waarom zou ik tot bovenaan klimmen? Maar afdalen is ook geen optie. Heel even kijk ik omlaag. No way.

Het huilen staat me nader dan het lachen. Wrang. Heel wrang. Had ik zelf niet gelachen om enkele van mijn voorgangers? Had ik niet stoer gedacht: ‘makkie, dit doe ik wel even’. Nu mag ik me niet laten kennen. Met zijn tengere lijf klem ik mij tegen het hout en schuif zonder te kijken mijn linkerhand omhoog. Het reiken duurt een eeuwigheid. Opzoek naar houvast. Eindelijk voel ik weer grip. Het zweet staat in mijn handen. Durf ik nu mijn rechtervoet te laten volgen? Of zal ik eerst even mijn rechterhand bijvoegen? Dan kan ik me daarna aan beide armen optrekken.

Vanaf de grond zag het er allemaal zo eenvoudig uit. Met belangstelling had ik de bewegingen van anderen gevolgd. Maar nu heb ik geen idee in welke volgorde ik het beste het laatste stukje kan voltooien. En dan moet ik ook nog over die hoogste stok klimmen. Hoe ga ik dat toch doen? Ondersteboven? Door het laatste gat heen? Nee, dan ga ik vallen. Nog twee vakken te gaan. Wat! Nee, nee, nee, krijg ik nou ook nog een erectie? Zou iemand het kunnen zien? Van beneden? Fout moment. Zeker nu ik de hoogste sport bereikt heb. Ik weet nog steeds niet hoe ik die ga nemen.

‘Schiet eens op Mien!’ brult de juffrouw beneden. Ze moest eens weten. Het hart klopt in mijn keel en in mijn piemel. Hier eindigt de wereld, zeker weten. Ik zie geen mogelijkheid om over de hoogste sport te klimmen. Maar ik moet. In welke houding zal ik mij eens plooien? Niemand die me hier kan helpen. De juffrouw zal echt niet naar boven klimmen. Ik zal hier mogelijk voor de eeuwigheid moeten bivakkeren. Gelukkig is mijn erectie geslonken. Broekbrand kan ik echt niet gebruiken. Het komt nu aan op zelfredzaamheid.

Met de moed der wanhoop zwaai ik mijn rechterbeen over de laatste sport. Vanuit de lucht zie ik de klas beneden op de banken grinnikend lachen. Vooral Sjakie vindt het prachtig. Hij lacht zelfs zijn tanden bloot. Van leedvermaak? Heeft hij mij angst dan toch gezien? Met de blik op stoer klauter ik het klimrek omlaag. Zelfs de juffrouw lacht. Ik wil niet weten waarom. 


54) Eindejaar gein en ongein (01-01-2014 > 20-03-2024 geredigeerd)

De kamer is veel te klein voor zoveel gasten. Een hoek van de kamer wordt volledig opgezogen door een grote kerstboom die reikt tot aan het plafond. De piek lijkt het plafond te kussen maar doet dat net niet. Het is een fantastische boom, wederom. Opgetuigd met mooie lampjes, oude kerstballen en engelenhaar. Voor ieder lampje hangt een plukje haar.

Ik ben apetrots op de boom. Het is de mooiste en grootste kerstboom van heel de buurt. En dat geldt ook voor de kerststal. Die neemt bijna een kwart van de woonkamer in beslag. Eigenlijk is het geen kerststal maar een kerstgrot. De onderste takken van de kerstboom heeft papa afgeknipt. Anders past de grot er niet onder. Aan de onderste tak zweeft een grote engel. Die heet Gloria. Een rare naam. En zijn achternaam is ook heel maf. Excelsis Deo staat geschreven op het bord dat Gloria met beiden handen boven zijn hoofd houdt. “Ekselsisdeo”, leest papa altijd hardop voor. Wie verzint dat nou, zo’n naam?

De engel hangt met zwevende beentjes net boven een bakje waarin een klein baby’tje ligt. Een os en een ezel plukken wat aan het stro dat uit het bakje komt. Een mooi tafereel. Ik tuur over het bultige en gekreukte rotspapier dat met mos bedekt is en vol staat met beeldjes. Koningen, schapen, herders, van alles loopt er rond. Bijna een heel weekend heeft mijn vader erover gedaan om de kerstgrot en de kerstboom op te tuigen. En wat zijn ze weer mooi. Ik ken de geheimen en de inspanningen die schuil gaan achter deze pracht. En het gevloek.

De kartonnen dozen waarin de kerstballen jaarlijks worden opgeborgen, dienen als bodem en grondvlak van de kerstgrot. Het rotspapier ruikt muf en naar zolder. Telkens als ik langs de kerstgrot loopt aai ik over het mos. Het voelt lekker zacht en sponsig. Het ruikt een beetje naar bos. Het bos waar ik samen met zijn broers en papa het mos vandaan haal. Net als de hulst en de mooie takken. Ze geven de kerstgrot een knusse en warme sfeer.

De beeldjes worden jaarlijks in een vast patroon in het veld geplaatst. Met militaire precisie. Het is een groot feest om alle beeldjes uit te pakken. Vooral de kameel, die heel zwaar weegt. Dat is mijn favoriet. Samen met mijn broer en zus vecht ik ieder jaar wie hem mag uitpakken, uit het vergeelde krantenpapier.

Ik ben zo in de ban van de kameel dat ik er dagelijks van droomt. In mijn droom kruip ik dicht tegen de kameel aan. Lekker warm. Maar als ik ‘s morgens wakker word, is het bed koud. Nat en koud. Weer in bed geplast, voor de zoveelste keer. Bah. Van de spanning, zeggen papa en mama. Maar ik ben al zeven.

Vandaag wordt het extra spannend. Dat weet ik. Vanavond komen alle oma’s en opa’s op visite. Het is vandaag oud en nieuw. Ik mag opblijven tot in de late uurtjes. Ik krijg zelfs bowl, kinderbowl. Al gauw loopt het huis vol en is het gezellig druk. Het past allemaal maar net in de kleine woonkamer, maar dat geeft niks. Ik geniet van alle drukte.

Oom moppentap is er ook. Hij heeft het grootste woord, zoals altijd. Tante moppentap doet niets anders dan snoepen. Van de kerstkransjes en de bokkenpootjes. En oma uit de stad rookt de ene sigaret na de andere. Bah. Het glaasje op tafel raakt al snel leeg. Het wordt meteen bijgevuld, met Caballero's en Stuyvesant. Rare namen hebben die sigaretten. Maar de volwassenen vreten ze op. Opa uit het dorp niet. Die rookt alleen maar hofnar. Een hooguit twee, de hele avond. De sigarenbandjes zijn voor mij. Ik heb al een hele verzameling.

Langzaam begint de stemming in de kamer te stijgen. Het uur u nadert. Iedereen is lollig. En dat komt volgens papa niet door oom moppentap. Nee, dat komt door meneer Hermans op tv en de grote mensen bowl. Oma uit de stad en opa uit het dorp hebben het er warm van gekregen. Ze hebben beiden het bovenste knoopje van hun witte hemd los gemaakt en hebben beiden een vuurrood hoofd. Ze lijken op lucifers. Ik moet lachen. Die kunnen straks makkelijk het vuurwerk aansteken. Ik ben er klaar voor.

De glazen worden nog eens gevuld en mijn broers en zus beginnen al hardop te tellen. “Nog effen wachten!”, roept pa. “De klok is nog niet zover!” En hij wijst met zijn grote kerstboomhand naar de klok die traag de seconden weg tikt. Pas als papa zijn donkere stem inzet wordt het serieus. Iedereen in de kleine woonkamer valt bij. “TIEN, NEGEN, ACHT, ZEVEN, ZES, VIJF, VIER, DRIE, TWEE, EEN … ZALIG NIEUWJAAR !!!“

Broers en zus, papa en mama, oom en tante, ze pakken elkaar vast en zoenen dat het een lieve lust is. Totdat met een hele grote gil, oma uit de stad en opa uit het dorp, samen achterover vallen in de kerstboom. Iedereen barst in lachen uit. Oma en opa liggen beteuterd, op elkaar, onder de kerstboom. Opa heeft nu haar. Het engelenhaar ligt als een tulband op zijn kale kop. En oma … oma die draagt ineens twee kleine paddenstoelen in haar oren.

Ik houd het niet meer. Dit moet ik aan de grote klok hangen. Als een idioot ren ik de deur uit, de straat op. Onder luid geknal en met spetterend vuurwerk in de lucht, zet ik twee handen aan mijn mond en roep zo hard ik kan: “OMA EN OPA ZIJN IN DE KERSTBOOM GEVALLEN!!!”. Maar er is niemand die me hoort. Mijn stemgeluid lost op in het grote geknal en de straat is nog leeg. Wat een teleurstelling. 
 
 
55) Maskerade (17-02-2014 > 21-03-2024 geredigeerd)
 
Gekleurde plastic maskers hangen aan een grijze muur. Twee clowns, een hond, een poes en een mannetje met bolhoed. Ze staren leeg voor zich uit en dragen een zure glimlach rondom hun mond. Een gladde bevroren glimlach die eventjes oplicht, zodra een waterig winterzonnetje erop schijnt. Het is feest voor de maskers. Carnaval. Al drie dagen lang.

In de mond houden ze een feesttoeter geklemd. De oranje franjes van de toeters steken flets af tegen de grijze muur. Geen enkel masker heeft haar. Is ook nergens voor nodig. Slingers in vijf bonte kleuren, zorgvuldig vastgeklemd tussen het masker en de muur, zorgen voor een kleurrijk spaghetti-toupet. Uit de muziekboxen klinken aanhoudend vrolijke deuntjes in dialect. 'Mien, wao is mien fiësneus, Mien wao is mien neus? Wao is mien fiësneus geblaeve!'

De ballonnen die aan een koperen kroonluchter hangen lijken hun laatste adem uit te blazen. Ze hangen er magertjes bij. De fut is eruit. Net als bij mij. Ik weet dat als ik nu de ballonnen doorprik, ze niet eens meer zullen knallen. Ik zit op de bank en draag een cowboypak. Een beetje bedroefd stop ik de laatste knallers in mijn pistool en hoor de discussie in de woonkamer aan. Carnaval loopt op zijn laatste benen.

De zwarte snor die mijn vader me iedere dag aanmeet loopt door. Net als mijn bakkebaarden. Het is ook zo warm binnen. De geruite zakdoek om mijn nek kriebelt. Dat doet ie al een paar dagen. Maar zonder zakdoek voel ik mij geen cowboy. Het luciferdoosje waarmee de zakdoek aan elkaar is geknoopt, zit strak onder mijn strottenhoofd. Het is afzien voor een kleine cowboy, maar so what. Alles liever dan verschut staan als dansmarietje of als domme indiaan.

'Ik pas vanavond niet op Mien, niet weer hoor, vanavond ga ik uit. Jullie kunnen op je kop gaan staan!' Mijn zus, schattig verkleed als blauw matroosje met twee vlechten, heeft haar punt gemaakt. 'Ik pas ook niet op, ik heb al afgesproken met vrienden, ik word zo opgehaald'. Mijn broer blijft ook niet thuis. Verkleed als hippie in een wit overhemd, gestift met hippiespreuken en rode hartjes, mag dit jaar voor het eerst uit. Mijn oudste broer ziet de bui al hangen. Maar ook hij laat verstek gaan. 'Sorry jongens, maar vanavond is mijn schaakavond.' Hij houdt niet van Carnaval. Net zo min als zijn schaakvrienden dat doen.

Pa heeft vanuit de keuken alles aangehoord en loopt de woonkamer binnen. 'Dan hebben jullie nu een probleem. Drie dagen hebben jullie kunnen feesten en vanavond is het mijn beurt.' Langzaam lopen de gemoederen hoog op. Niemand wil zich opofferen. Het is een zwaar jaar geweest en iedereen heeft zich verheugd op deze Carnaval. Ma is amper acht maanden geleden gestorven en het liefst wil iedereen dat heel eventjes vergeten. Ook ik.
 
Een schuldgevoel bekruipt mij. Ik ben weer eens de grote lastpost. Stomme Carnaval. Ik zou ook wel uit willen, maar ben nog te jong. Dit gaat geen leuke avond worden. Alweer niet. Treurig kijk ik in de richting van het clownsmasker dat voor me aan de muur hangt. Langzaam schiet ik vol. Dikke tranen rollen langs mijn neus, via snor over de kin op het tegeltapijt. En de clown, de clown tegenover me huilt stilletjes mee.
 
 
56) Te huis (03-10-2013 > 21-03-2024 geredigeerd)
Dit onderwerp later nog eens beschreven in 36) Een titel valt niet af te dwingen op 18-04-2015
 
Bij ieder woord dat ik hoor schrik ik op. Heb ik dat goed gehoord? Ik kruip wat dichter tegen de trapleuning en leg mijn oor vlak langs een van de spijlen die onder de leuning omlaag krult. Zo kan ik me beter concentreren op wat er binnen wordt verteld. Iets vreselijks. Ik vang losse flarden op van een gesprek waarvan de toon me niet aanstaat. Ze hebben weer ruzie.
 
Eigenlijk moet ik in bed liggen, maar de vertwijfeling in mijn vaders vlakke stem, nagelt me vast aan de trap. Ik vraag me af wat er allemaal achter de deur besproken wordt.

De discussie wordt vinniger. De emoties laaien op. Ik heb moeite om te verstaan wat er nu precies wordt gezegd. De losse flarden vormen langzaam een triest verhaal. Het kan toch niet waar zijn? Mij hart bonkt in de keel. Nee, nee, nee, het is niet waar!

Een hoge vrouwenstem slaat een verontwaardigde toon aan. “Het kan zo niet langer. Jouw zoon is onaangepast, hij ruimt niets op en hij luistert niet naar wat ik hem zeg. En dan dat vieze lange haar. Ik mag zijn kamer niet opruimen. Ik mag het niet. Maar hij doet het ook niet.”

Ik fluister in gedachten mijn vader denkbeeldig woorden in. Boze woorden van verzet en lieve woorden van troost. Die vrouw maakt mijn broer zwart. Hoe durft ze? Ik besef dat mijn vader de woorden die ik hem influister niet kan horen. Wat daar achter de deur gebeurt vreet aan mij. Wat haalt dat mens zich in haar hoofd? Wat doet het er toe? Niet opruimen is toch geen doodzonde? Moet ie daarvoor, moet ie daarvoor …
 
Pa verheft nu eindelijk zijn stem. De donkere bas overstemt de hoge klaagzang van de dame, onze nieuwe moeder, sinds kort. ‘Mam’ moeten we tegen haar zeggen. Ze smeekt er bijna om, ze huilt er bijna bij. Dat vertik ik, het is niet mijn moeder. Het is een koude kille tante die mijn vader afblaft en afpikt.

“Ik vind dat je het allemaal te zwaar overdrijft, mens! Oké, hij is geen doorsnee zoon, en hij doet dingen die niet allemaal door de beugel kunnen, hij heeft lang haar, komt te laat thuis voor het eten, ruimt zijn kamer niet op, rookt stiekem en dan … en dan … dat is toch geen reden om … om … om …”

Om wat? Ik hoor niet hoe mijn vader de zin afmaakt. Ik hoor wel hoe boven aan de trap iemand aanschuift. Ik kijk niet op, ik voel en weet dat het mijn broer is. Samen horen we de strijd aan die achter de deur plaatsvindt.

“En ik wil, dat je kiest. Ik kan met die jongen niet verder. Hij gaat naar een tehuis. Hij eruit of ik eruit!” Er volgt een korte stilte. De stilte is ondraaglijk. De lucht is dik en ik kan amper ademhalen. De stilte is ook hoorbaar boven aan de trap. De lucht in de gang voelt loodzwaar, lijkt zwanger van oorlog.

“Dat meen je niet. Hoe kun je … hoe kun je … het is wel mijn zoon hoor!” Wat een ongelofelijk kreng is dat vrouwmens. Ik kan wel janken. Mijn broer, mijn eigen broer, … naar een tehuis? Echt niet? Zal ik de kamer in rennen en die vrouw eens goed de waarheid zeggen? Ik kan het niet langer aanhoren. Hoor ik het nu goed? Huilt mijn vader? Nee, nee?

Boven hem klinkt ongemakkelijk geschuifel. Mijn broer daalt de trap af en schuift stilletjes naast me. Hij legt een arm om de schouder. “Het komt allemaal goed Mien!”, lijkt hij met zijn arm te zeggen. Vol spanning wachten we samen af wat er verder gebeurt.

Het gesnik van pa wordt gevolgd door een tirade. Ik kan het niet helemaal volgen. De woordenstroom van mijn vader klinkt dof in mijn oren. Alsof de woorden in water in mijn oor klotsen. Wil ik dit wel horen? De spanning achter de deur en in de gang is te snijden.

“Hij gaat er niet uit. Jij gaat er dan maar uit, hoe durf je? Mijn vier kinderen zijn me alle dierbaar. Dat moet je toch weten. Geef ze een beetje tijd, ja? Hun moeder is nog geen jaar geleden overleden. Je hebt helemaal niets met de kinderen. Je geeft hen geen enkele vorm van aandacht. Een kille koele tante, dat ben je!”

Achter de deur klinkt nu schel en droevig gejammer. Door het gesnik heen hoor ik de vrouw schreeuwen tegen mijn vader. “Ik hou alleen van jou en niet van de kinderen. Ik ben niet met je kinderen getrouwd, maar met jou. Jij zit niet de hele dag thuis met hen. Ze maken de boel vies en ze luisteren niet. En die zoon van jou die gaat eruit. Naar een tehuis. Jij kunt hem niet opvoeden en ik ook niet. Hij zal er beter van worden, geloof me!”

Ik voel geen arm meer om me heen. Mijn broer is naar zijn kamer gegaan. Triest kijk ik naar mijn kruis. Ik voel nattigheid. Nee, niet weer. Van spanning heb ik in mijn broek geplast. Verdomme, ook dat nog. Maar ik kan nu niet aankloppen. Ik durf niet. Stilletjes ga ik naar boven en kruip in mijn bed. Door het onderlaken voel ik het koude kille bruine zeiltje. Het is al laat. Beneden is het stil. Onheilspellend stil. Bonkend met mijn hoofd, van links naar rechts en van rechts naar links schud ik mezelf in slaap. Droomloos.
 
 
 
 

 

30-12-2017

Zalig Pasen Kerstman (4)

Beet. De grote kerstmuts van de kerstman past in zijn geheel over pa Haas. One size fits all. Zoals hazen meestal doen in nood, blijft pa stokstijf zitten. Zijn naam is niet voor niets Haas. Hij kan maar aan een ding denken. Einde onderzoek. Hij kan zijn onderzoeksgegevens zo snel niet meer veiligstellen. Wammes en Wommes zijn in geen woonkamer, wegen of velden te bekennen. Ze hebben hun hazensnor gedrukt. Angsthazen zijn het. Pa Haas niet. Zijn stokstijfpose is slechts een pose. Eigenlijk is hij een verschrikkelijk wilde haas. Eentje om voor uit te kijken. Maar dat weet de kerstman niet. Nog niet.

'Ha, ha, hebbes!', roept ma Engelhaar. 'Gaan we hem koken, bakken of frituren?'
'Ik stel voor om hem eerst het vel over de oren te trekken, niet?'
'Goed plan, kerstman.'

Zodra de kerstman pa Haas in zijn kerstmuts naar zich toetrekt gebeurt het meest onwaarschijnlijke. Haas laat een scheet en kerstman valt acuut flauw. Zo ook ma Engelhaar. Als een konijn gaat haas er vandoor. Niet dat het verschil uitmaakt. Alleen de sprongen zijn wat kleiner. Haas huppelt wat onhandig. In het leger aangekomen brengt hij snel verslag uit. Wommes en Wammes verwerken alles in de computer. In Excel, in min tien graden Celcius deo, want god, wat is het koud. Waarom eigenlijk niet in Word? Dan heb je meteen een goede tekst. Omdat er ook gerekend moet worden. In formules. Kookformules? Nee, rekenformules. De eindsom komt er zo aan. Wat was ook alweer de onderzoeksvraag? O ja, bewegingen rondom de kerstboom- en kerststal.

De uitslag. In een maand tijd is de kerstboom evenredig met de kerststal dagelijks zo'n twaalf keer bezocht door twee kinderen, een moeder en een vader. 31 x 12 x 4 = heel veel. Meer dan vorig jaar. Minder dan twee jaar geleden. Het soort bezoeken is daarentegen anders, zo blijkt, dan vorige jaren. Uit bewondering neemt nog steeds het grootste aantal treffers in. Maar uit honger, dit jaar veel kerstkransjes in de boom, is het aantal bezoeken danig toegenomen. En nog een heel bijzondere ontmoeting. Een vreemde gast met de moeder des huizes. Nou ja, vreemde gast, iedereen kent de kerstman wel, toch? Dat is voor het eerst. Althans dat Wommes, Wammes en pa Haas weten. Je weet natuurlijk nooit wat er onopgemerkt stiekem gebeurd. Wammes, Wommes en pa Haas hebben onder de kerstboom ook wel eens een tukkie gedaan.

Enfin. Volgens jaar opnieuw onderzoek. Misschien is er dan wel sprake van een nieuwe geboorte. Een tweeling in de kribbe van pakweg drie maanden oud. Dat zou wat zijn? Met kleine kerstmutsjes op uiteraard. Ma Haas is al aan het breien. Eind goed al goed, zogezegd. Ook dit jaar is de familie Haas vrijgesteld van familie Engelhaars kerstdis. Zijn zij even lucky dat zij vega zijn en zijn gebleven. De Kerstman kan zijn arrenslee weer pakken en zijn broek optrekken. Hij is hier ook weer klaar. Kan weer back to the North. Tot volgend jaar dan maar weer. Zalig Pasen Kerstman.

28-12-2017

Zalig Pasen Kerstman (3)

Ma Engelhaar gilt het uit. Zo'n gigantisch orgasme heeft ze nog nooit meegemaakt. Zelfs niet bij pa. De kerstman schrikt er van. Ook pa Haas kan niet zeggen dat hij dit ooit heeft meegemaakt. Ongehoord. Hij houdt zich stevig vast aan de stam van de kerstboom waaronder hij schuilt. Maar hij doet dat veel te ruw. De kerstballen in de boom en de kaarsjes van de kerstverlichting zwaaien gevaarlijk op en neer. De kerstman ziet het ook. Liggend op de bank, onderop, duwt hij ma Engelhaar snel van zich af. De piek dreigt uit de boom te vallen en net op tijd glijdt hij van de bank. De piek schiet uit de boom rakelings naast zijn kerstmuts en blijft in het hoofdkussen van de bank zitten. Het scheelde niet veel of de kerstman was gekeeld door een vlijmscherpe glazen piek uit de kerstboom. Een ding is zeker, dat had zeker de krant gehaald. Ma Engelhaar snapt niet goed wat er aan de hand is. Zij komt nog bij van het mega-orgasme dat haar lichaam en hoofd volledig in de ban houdt. Ze trilt nog na.

'What the fuck, is dit?', roept kerstman luid.
Geen taal voor een kerstman denkt pa Haas en schiet snel weg onder de boom. De kerstman stevent in zijn bloterik, met slechts zijn kerstmuts op en laarzen aan, naar de kerstboom en inspecteert wat de boom heeft doen bewegen. Maar er is niets te zien. Pa Haas heeft zich snel verstopt achter de kerststal en hoopt dat baardmans hem niet ziet.

'Wat heeft er nu voor gezorgd dat die kerstboom uit zijn slof geschoten heeft? Met een piek nota bene. Nog nooit zo'n agressieve kerstboom meegemaakt.'

Ma Engelhaar is intussen bij zinnen en staat de kerstman bij.
'In een kerststal, daar hoort toch geen haas te zitten, wel?'

Pa Haas voelt nattigheid. Snel neemt hij de benen, poten en oren en maakt dat ie verdwijnt. Een konijn zou er jaloers van worden. Hans Kazan ook. Zo hebben de haas en het konijn met kerstmis toch nog iets gemeen. Gevoel voor verdwijnen.

'Shit, daar gaat de haas. Snel geef me jouw muts.'

Gelukkig is de kerstman meester in de improvisatie. Snel gooit hij zijn muts richting pa Haas. Het is dan geen hoge hoed en de kerstman geen goochelaar, pa Haas vermoedt wat er gaat gebeuren.

26-12-2017

Zalig Pasen Kerstman (2)

De kerstman treedt binnen. Het is al donker en de familie Engelhaar ligt al even te bed. De ene helft met zorgen over welke cadeautjes ze gaan krijgen en de andere met zorgen of het einde van de maand wel gehaald wordt, qua budget. Kortom, er wordt die kerstnacht slecht geslapen. Vol spanning kloppen vijf harten. Vijf? Ja, moeder en zusje zijn nog niet in beeld geweest, maar ze bestaan echt. Ze bibberen iets minder hard dan pa en de broertjes, maar toch, het geeft evengoed veel stress.

De kerstman streelt over zijn baard. Wommes trekt zijn oren in. Komt die kleine dikzak nu richting kerstboom gelopen? En wat draagt ie daar op zijn rug? Een lijk? Nee! Hij gooit het lijk hard op de grond. Uit de zak rollen allemaal cadeautjes. Bijna wil Wommes tevoorschijn springen. Zijn de cadeautjes voor hem? Nee, natuurlijk niet. De gedachte alleen al geeft Wommes wel een warm gevoel. En verdrietig tegelijk. Ze krijgen nooit niets in het leger. Ja, worteltjes. Voor de afwisseling met kerst, hele kleine. In zoet geweld. Smaakt best lekker. Maar het grootste feest is en blijft natuurlijk de worteltaart. Mmm ... Die is voor tweede kerstdag. Mjammie.

Waar moest ie nu ook alweer op letten, Wommes? O ja, natuurlijk, de beweging rondom de kerststal en -boom. De dikke kerstman heeft wel iets met de boom, maar niet met de stal. Die keurt hij nauwelijks een blik waardig. De zondaar. Ligt daar niet een heilig geest in? Moet ie die dan niet groeten, al is het maar uit respect? Zo dom is Wommes toch blijkbaar niet. Hij heeft altijd goed opgelet bij de catechismus. Die was altijd vroeg in de morgen, het eerste uur op de Mariakonijnenbasisschool. De rest kon hij dan niet meer volgen. Ja een half uurtje rekenen kon hij nog net bevatten. Optellen. Wel zo handig. Zeker bij het aantal bewegingen rondom de kerstboom en -stal bij de familie Engelhaar.

Zijn broer Wammes wil er dan altijd nog een goed verhaal bij. Liefst gestoeld op filosofie. Maar daar kan Wommes niets mee. Wat moet hij in hemelsnaam vertellen bij hetgeen hij nu ziet. De kerstman kleedt zich uit. Wat doet ie nu? Hoe valt dit te rijmen? Daar gaat de huiskamerdeur opnieuw open. De kerstman is intussen helemaal bloot op de bank gaan liggen. Geen gezicht. Alleen zijn muts heeft ie opgehouden. Voor de herkenning? Daar staat mams in de deuropening. In een dun vuurrood negligé. Nee! Dit gaat hier niet gebeuren. Wommes slaat zijn beide lange oren over zijn ogen. Dit wil hij niet zien. Hij kruipt langzaam naar achteren en vlucht door het vluchtgat,linea recta richting leger. Het is de beurt aan pa Haas. Maar niet nadat Wommes uitvoerig verslag heeft uitgebracht.

Pa leunt tegen de kerstboom en hoort de geluiden in de woonkamer aan. Wat een amateurs denkt hij onwillekeurig. Die geven nooit vaak van dattum, dat mag duidelijk zijn. Hij hoort de vrouw des huizens kreunen en mompelen. Het kreunen snapt pa Haas, het mompelen niet. Het lijkt zelfs op zeuren. Wie zeurt er nu bij zo'n happening? En wat doen ze er lang over. Hij was allang klaar geweest. De kerstman neemt blijkbaar de tijd. Totdat ...

21-12-2017

Zalig Pasen Kerstman (1)

Met jaloerse blik zit een kleine haas onder de kerstboom van familie Engelhaar. Hij zit verstopt achter de kerststal. Waarom krijgt die boom en stal toch zoveel aandacht? Hij begrijpt er niets van. Zodra de huiskamerdeur open gaat is de eerste weg die de bezoeker of huisgenoot aflegt een wandeling naar boom en stal. Al dagen observeert Wammes deze merkwaardige boom- en stalgang. Gelukkig is hij zelf nog niet ondekt. Hij weet telkens weer op tijd weg te duiken achter de in rotspapier verpakte, gestapelde kerstbaldozen. Een keer is hij bijna betrapt. Door het kleinste lid van familie Engelhaar, kleine Joris van vier. Het korte oogcontact tussen Wammes en Joris is er een van verbazing en onschuld. Wammes in freeze-stand en Joris in de war. Kerstmis en een haas, iets klopt er niet? Gelukkig is kleine Joris kort van geheugen en snel afgeleid. De aanlokkelijke schittering van een glinsterende kerstbal in de ogen van Joris, redt Wammes. 'Nijn, nijn', denkt Joris nog, wetend dat er iets niet klopt. De kerstbal lacht hem toe. Een vrolijk menneke is het toch. Gelukkig heeft hij niet langer besef van haas.

Voorlopig heeft Wammes genoeg gezien en keert terug naar zijn eigen habitat, de wei van boer Harmsen. Een prachtige wei gelegen tegen een bosrand in de buurt van Harfsen. In de sneeuw volgt hij zijn eigen pootafdruk, de kortste weg naar het leger. Hij wil zo snel mogelijk verslag uitbrengen. Vanochtend zes bezoeken aan boom en kerststal. Dat zijn er twee meer dan gisteren. Hij is benieuwd wat pa daarvan vindt. Zal hij het weer optekenen in het grote boek? En wat zal pa dan zeggen? 'Goed gedaan Wammes!' Zijn broer Wommes is nu aan de beurt. Vroeg of laat zullen alle onderzoeksgegevens leiden tot een eindconclusie. Op zijn laatst op eindjaarsdag. De deadline van dit bewonderingswaardige onderzoek. Zolang ze maar niet ontdekt worden, familie Haas, want dan loopt het onderzoek gevaar. God weet wat er dan gebeurt? Wammes van vier is een wijze haas, maar mankeert helaas nog het bevattingsvermogen, de ratio, om oorzaak en gevolg te duiden. In het leger valt nog het een en ander te leren.

Wommes mag op pad. Weliswaar ouder dan Wammes, maar wel minder slim. Wommes weet het. Gelukkig heeft hij daar verder geen last van. Hij is meer iemand van uitvoering dan van visie. Inzicht laat hij liever over aan Wammes, zijn filosofisch broertje van vier. Op aanraden volgt hij wel hetzelfde potenspoor. Ook Wommes houdt van de kortste weg. Even kijken of de coast in de huiskamer clear is. Yes. Snel positie innemen onder de boom achter de in rotspapier verpakte kerstbaldozen en dan geduldig afwachten. Daar gaat de huiskamerdeur open. Wie komt daar binnen?

04-01-2016

Voorjaarsmode anno 2016

Ik haal de ballen uit de boom en berg de kerstverlichting zorgvuldig op. Alles keurig weer terug in de kartonnen dozen en de dozen in plastic boxen, muisvrij. Ik loop drie keer naar de zolder met een of twee dozen. Hoeveel plastic boxen staan er dan minimaal op de zolder? Indien ik maximaal twee boxen per keer kan dragen en minimaal twee keer het maximale aantal boxen naar boven draag?

Redactiesommen oplossen, altijd leuk. Maar nu het serieuze werk. De voorjaarsmode. Wat zal ik dit jaar toch eens gaan dragen? Of zal ik eerst mijn vakantie boeken? Nee, foute volgorde. Alhoewel? Als ik eerst de vakantie boek, weet ik meteen hoeveel ik overhoud voor de nieuwe mode. Misschien dat er zelfs nog een kleine grill vanaf kan. Mijn ovenmagnetron met grillfunctie is in 2015 stuk gegaan en absoluut aan vervanging toe.

Ik boek de verste reis die mijn ingeschatte budget voor 2016 toestaat. Op afbetaling, ik mag de vakantiesom in termijnen overmaken. Wat lief van Prij$vrij. De reis zal dit jaar naar de Dominicaanse Republiek gaan. Ik houd van mollen. En die schijnen in de Dominicaanse Republiek massaal aanwezig te zijn. Tenminste minimaal een is mij toegezegd. Voor de zekerheid sluit ik toch maar een annuleringsverzekering af.

Wat rest er voor de voorjaarsmode? Mmmm … niet zoveel. Ik kijk even naar de kale kerstboom. De kerstboom kijkt naar mij. Eureka! Mijn eerste ingeving voor het nieuwe jaar komt binnen. Wat een idee.

Uit de keukenla haal ik een pincet en pluk zorgvuldig alle naalden uit de boom. Ik leg ze voorzichtig in mijn naaidoos. Wie niet rijk is moet slim zijn. Dit voorjaar draag ik een luchtig naaldkostuum. Voor het ontwerp duik ik de zolder op. Daar heb ik nog een paar oude jaargangen Burda en Knip liggen. Zit vast iets moois tussen.

Toelichting:
Geschreven naar aanleiding van schrijfopdracht ‘Schrijfveren’.
Een idee van Hella Kuipers in samenwerking met redactie ColumnX.
Zie ook: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Schrijfveer: Voorjaarsmode (15-11-2015)

06-01-2014

Ontmanteling der liefde

Uiterst voorzichtig trek ik hem naar beneden en leg hem zo zacht mogelijk op de grond. Daar ligt ie dan, met uitgestrekte ledematen op een wollen deken, op de eikenhouten vloer. Wat is zijn haar toch dun geworden? Ik besef nu pas hoe groot het aantal kale plekken is toegenomen. Het afscheid nemen valt me best moeilijk en ik stel het zo lang mogelijk uit. Ik mag eigenlijk niet klagen, want in zijn toestand heeft ie het nog lang volgehouden. Zonder water, zonder brood. Hij luste niets meer. Maar wat zeur ik nu. Ik loop een paar rondjes om hem heen en sleep hem aan zijn voet een stukje door de kamer richting deur. Ondertussen denk ik aan de goede tijd die ik met hem heb gehad.

Ik denk aan het licht en de glitter die hij in mijn leven bracht. De warmte die hij gaf. Onvoorwaardelijk aan iedereen die toenadering zocht. Hij maakte voor niemand een uitzondering en toonde zijn uiterlijke en innerlijke pracht. Maar slechts alleen aan diegenen die het wilden zien. Dag en nacht. Een prater was het niet. Onbeweeglijk en met een starende blik nam hij telkens het bezoek in zich op. Dat was ook meteen zijn charme. Zonder al te veel toeters en bellen palmde hij iedereen in. Maar nu, nu is hij dood. Zijn rigor mortis bezorgt mij kippenvel. Het is ook allemaal zo snel gegaan.

Ik kan het amper geloven. Een kleine maand is hij onder ons geweest. Hij kreeg de beste plek die hij maar wensen kon. Vlak voor het raam, met uitzicht op straat. Met veel toeters en bellen hebben we hem binnengehaald. In onderling overleg uiteraard. Iedereen moest zijn zegen geven over zijn opname in ons huis. Daarna hebben we hem meteen goed aangekleed. Koud en klam voelde hij aan. In aanvang reageerde hij wat weerbarstig, maar al gauw voelde hij zich thuis. Bewierookt werd hij en bezongen en overladen met chocola. Behangen met de mooiste juwelen. Zoveel hielden we van hem. Met cadeautjes werd hij onderladen. Wat knapte hij daarvan op. Maar niet voor lang. Helaas.

Na drie weken liet hij steekjes vallen. Op zich niet zo heel erg, want hij had er toch genoeg. Steken en streken. Plagerig streek ie iedere ochtend langs mijn benen zodra ik de gordijnen opende. Hij genoot van alle aandacht en van het licht. Uiteindelijk bezweek ie aan een ouderdomskwaal. Hij bezweek aan zijn veel te grote ballen. Eentje hebben we er kunnen redden. Maar het was voor ons een teken aan de wand. Meteen volgde familieoverleg en besloten we onmiddellijk over te gaan tot vrijwillige euthanasie.

Een dementerende fase heeft hij gelukkig niet gekend. Het ging allemaal enorm snel. Zijn groene levenslust ging snel over in gele dorheid. Met een grote mantel der liefde hebben we hem ontmanteld. Ontdaan van al de ballast die hij nog in en aan zijn lijf en leden droeg. Morgen wordt ie opgehaald. Ik doe de deur open en zet hem naast de groenbak. Koud en klam en zonder wortel. Hij krijgt van mij een laatste groet, een warme knuffel en ik bedank hem voor zijn vriendschap en gezelligheid. Vaarwel mijn groene vriend.

23-12-2012

Kerstcootje

Ik ben er helemaal klaar mee met die groene Kerst, wat een gedoe. Waarom niet rood, paars, geel of blauw? Die kleuren maken mij veel vrolijker. Het zijn kleuren die veel beter in het gehoor liggen en zo gezegd de juiste klankkleur hebben. Van grrrroen gruwel ik en wit is helemaal walgelijk. Dit jaar ga ik het anders doen. In plaats van sneeuw en kou haal ik zon en zomer in huis. Jan met zijn zwarte boef wissel ik in tegen Piet Hein met felgekleurde pekinees. Authentiek en duurzaam moet het anno 2012 zijn, met veel gebruikt oud hout, zodat het helemaal op een onbewoond eiland lijkt. Mijn man ruil ik tijdelijk in voor een knappe Vrijdag.

“Hey Arta, waar heb je de piek gelaten?”

Van schrik val ik achterover, -neem in mijn val de Kerstboom mee- terwijl mijn fata morgana als een kauwgumbel uit elkaar spat.

“W-w-wat mot je, Mien? Help eens even om die dennennaalden uit mijn kont te plukken!”

“Ja, ja, effe wachten, ik haal even een nijptang. Waarom neem je in hemelsnaam zo’n houten designboom met zulke meganaalden?”

“Die naalden zijn multifunctioneel. Ik kan ze na de Kerst gewoon in de naaimachine stoppen, tja, met die crises van tegenwoordig…”

“Dat dacht Piet Hein waarschijnlijk ook toen hij die maffe boom ontwierp. Even stil zitten Arta, dan trek ik ze er één voor één uit.”

“Auw! Auw! Auw! Auw! Oeh, wat fijn, ze zijn er allemaal uit, hè?”

Mien knikt bevestigend.

“Allemaal eruit Arta, op eentje na dan. Hier in het midden zie ik namelijk nog een hele grote blinkende zitten.”

“Grijp ‘m! We moeten door, meedoen aan de verwachtingen des volks, of…?”

“Oké Arta, tanden op elkaar, billen uit elkaar, diep ademhalen en vooral ontspannen. Daar komt ie al, puik piekje hoor!”

“Ah, die was ik net kwijt! Wat is hij mooi, hè?”

“Mooi? Mooi? Ik vind het net een zilveren drol … die krul daar bovenop … niet normaal. Ik ga liever voor een ster, een gouden.”

“Een gouden ster… Mien, kunnen we niet in plaats van onze geplande designer-Kerst gewoon in een hutje op de hei gaan zitten met de feestdagen, onder de échte sterren?”

Er klinkt gestommel en gerommel achter in de kamer en diep gezucht.
Vanachter de kerstboom springt ineens Mien naar voren, verkleed als herder, compleet met herdershoed en staf, waarmee hij woest op de Heinboom begint in te hakken.

“I-i-ik neem aan dat het een ‘ja’ is?” roep ik verheugd over het lawaai heen.

“Yep, ik vind het een goed plan. Maar wel één ding voorop gesteld, we maken van dat hutje geen bende en ook geen stal!”

“Neee, we maken er een Kerstretraite van! Een schoon hûske, alleen kaarslicht en douchen in de rivier, brrr…”

“Da’s goed Arta. Ik zal een lekker hartverwarmertje meenemen om ons te wapenen tegen de ergste kou en ook wat Badedas met eucalyptusgeur, om in hogere sas en sferen te komen.”

“Weet je wat? Ik ruim die Hein-rotzooi op, pak mijn tandenborstel en dan gaan we er gewoon gelijk vandoor. Gaan waar de wind ons brengt, of nou ja, de auto, dan.”

“Gone with the wind, prima! Ik zal alle afleveringen van Sissi meenemen, voor als we ons vervelen.”

“De slaapzakken. Waar liggen ze? Sissi kijken in pyjama in een heerlijk warme slaapzak. Hoeveel mooier kan onze Kerst worden, Mien?”

“Ja leuk, en dan hangen we de hut helemaal vol met kerstkransjes en Hema-worst en zingen keihard Jinglebells!”

“Oeh, jaaa, en dan maak ik boerenkool en kunnen we gaan worsthappen! Ik heb alles ingepakt, zullen we vertrekken?”

“Da’s goed, nog effe zoeken naar de blinddoek voor het worsthappen en mijn pantoffels en ik ben er klaar voor. Pik jij me op in je arrenmoedeslee?”

Bepakt en bezakt loop ik zingend naar mijn bijzondere voertuig toe. [i]We wish you a merry Christmas, we wish you a merry Christmas, we wish you a merry Christmas and a happy New Year.[/i]

“Fuck, waar is mijn bijzondere voertuig gebleven?”

In een flits zie ik nog iets roods vliegensvlug als een raket de lucht inschieten. Verhip, het is mijn arrenmoedenslee.

“Ho, ho, ho … houdt de dief!”

Co-column geschreven door Arta en Mien