Zonnig vul ik mijn dag met. Via de planken op de vloer kijk ik naar. De merels voor de raam wachten op. De radio speelt een lied en het enige dat ik kan doen is. Het water in mijn glas lonkt naar een slokje van. Zal ik dan toch maar even?
Nee, het is veel te mooi om niet te. Dus geef ik me over aan wat diep van binnen. Maar eerst neem ik het daglicht tot mij met volle. Buiten geef ik de vogeltjes. Ze tjilpen ongelovelijk. Geluk en dadendrang kloppen in hun. Ach, was ik toch zo vrij als.
Maar waarom somberen als ik in gedachte. Ik schakel over naar mijn lieve. Zet beide hersenhelften op stand. Ik daal af naar beneden, daar waar ik meestal niet in gedachte. Onder het hart voel ik mijn buik zachtjes. Waarom is hij toch zo? Een beetje aandacht heeft hij. Kroelen, strelen, aaien, duwen, trekken, ik kom er niet.
En toch, de buik is mijn tempel en mijn. Midden in het lijf spoort hij van alles. Onder en op de maag geeft hij. En dacht ik alleen maar kronkels te voelen in mijn. Blijkt dat ook de buik te beschikken over een. Stil luister ik naar zijn. Hij geeft ritme en. Soms haalt hij me. Dat stemt me. Het is gelukkig weer bijna. Vlinders gaan dan wild te. Fladderen fluweelachtig daar waar het plezierig.
Toeven, dralen, zeuren, hopen, killen, chillen in. Passing. Heerlijk is het om even stil te. Even niets te. Zou ik veel vaker moeten. Mogen, willen, durven, het is vaak maar een kleine. En toch, mensheid is hardleers en wil liefst niet teveel. Best wel jammer, want juist in verandering ligt groei. En wat is er leuker dan persoonlijke. Als we daar als mensheid eens meer op.
Grote woorden waaien. Kleine laten zich te weinig. Zonzicht stroomt nu mondjesmaat. Ik slurp het met lijf en leden. Ogen, oren, lippen, wangen, neus, huid en haar, ze glunderen, ze stralen van. Achter glas de wereld beschouwen is niet. Maar het is wel een. Dat geeft. En. Eindelijk. Aan het. Wat een. Ik haal. In. Lucht. Eindeloos. Zonzicht.
Posts tonen met het label lichaamstaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label lichaamstaal. Alle posts tonen
28-03-2017
23-03-2017
Humaan in tijd
Vastgeketend in een luie stoel. De gedachten krampachtig om de armleuning geslagen. Het hoofd licht gebogen achterover op de rug van de stoel. De handen knijpen, willen zich ontdoen van de gedachtelast. Maar het lukt niet. Ze wringen zich een uitweg en vallen bijna uit de vingers. Ook nagelbijten helpt niet meer. De handen durven sowieso de armleuning niet los te laten. De nek is allang niet meer lenig genoeg om zich te bewegen richting vastgeslagen vingers. Het zijn alleen de knieën die nog een ontspannende houding verdragen. Week, slap.
Bewustzijn begint te tanen. Kleine explosies in het hoofd. Alarmbellen klinken dof ver achter het oorgebied. De neus ruikt verbrande lucht. Vlak boven de ogen staan de wenkbrauwen in brand. Het haar schroeit met gedachten weg. Het enige dat helpt is een vlucht uit de schedelpan. Daar kloppen nare geesten de wanden plat. Met geen pil te bestrijden. Hoe lang de pijn, de angst nog verdragen? Ook de enkels doen nu pijn. Vastgeketend, eveneens aan gedachten. Voetzolen trekken hol, de tenen zoeken een laatste houvast. Ze willen niet langer op grote hoogte lopen. Ze willen rust. De kramp, de klem wordt alsmaar heviger. Redding is vooralsnog niet nabij.
Er wordt op de deur geklopt. Niemand doet open. Iedereen loopt weg. Vlucht van ellende. De man in de stoel houdt het niet meer. Langzaam vaporiseert zijn lijf en ledematen. Ze worden transcendent. Gaan op in ongelofelijk zware luchtledigheid. Ondraaglijk licht schijnt door gordijnkieren. Het licht kruipt door de nacht en huivert. Ze ziet niets. Helemaal niets. De stoel is leeg. Leeg van mens. Hij wordt gezocht en verzocht. Licht zoekt mens. Lucht zoekt mens. Te laat. Het zweven is reeds ingezet. Geen redden meer aan. De mens sterft aan zwaarte. Onbewogen. Ultiem. Humaan.
Bewustzijn begint te tanen. Kleine explosies in het hoofd. Alarmbellen klinken dof ver achter het oorgebied. De neus ruikt verbrande lucht. Vlak boven de ogen staan de wenkbrauwen in brand. Het haar schroeit met gedachten weg. Het enige dat helpt is een vlucht uit de schedelpan. Daar kloppen nare geesten de wanden plat. Met geen pil te bestrijden. Hoe lang de pijn, de angst nog verdragen? Ook de enkels doen nu pijn. Vastgeketend, eveneens aan gedachten. Voetzolen trekken hol, de tenen zoeken een laatste houvast. Ze willen niet langer op grote hoogte lopen. Ze willen rust. De kramp, de klem wordt alsmaar heviger. Redding is vooralsnog niet nabij.
Er wordt op de deur geklopt. Niemand doet open. Iedereen loopt weg. Vlucht van ellende. De man in de stoel houdt het niet meer. Langzaam vaporiseert zijn lijf en ledematen. Ze worden transcendent. Gaan op in ongelofelijk zware luchtledigheid. Ondraaglijk licht schijnt door gordijnkieren. Het licht kruipt door de nacht en huivert. Ze ziet niets. Helemaal niets. De stoel is leeg. Leeg van mens. Hij wordt gezocht en verzocht. Licht zoekt mens. Lucht zoekt mens. Te laat. Het zweven is reeds ingezet. Geen redden meer aan. De mens sterft aan zwaarte. Onbewogen. Ultiem. Humaan.
20-03-2017
Hoorbaar schrijven
Ik hoor mezelf schrijven. Een grappige gewaarwording. Het kriebelt in mijn oor. Losse woorden. De harde klinkerwoorden maken het meeste lawaai. De lieve fluisterwoorden maken dat goed. Soms schuurt er een hard schel woordje tussendoor. Ze mogen er allemaal zijn van mij. Ze hebben ieder op zich bestaansrecht. Anders komen ze toch niet aan mij voorbij? Heel soms vraag ik me af waar ze vandaan komen. De bestaande en de niet bestaande woorden. Uit een collectief geheugen dat alsmaar toeneemt. Verraderlijk, want de meeste verstoppen zich diep in mijn bewustzijn. Vooral de pijnlijke woorden. Voor hen ben ik het liefst Oost-Indisch doof. En toch? Het zijn juist die woorden die vaak het mooist klinken. Ze komen uit mijn diepste ziel en kamers aangeslopen en pakken mij dan bij de lurven. Nog voor ik er erg in heb.
Telkens weer verbaas ik mezelf erover. Bij Toutatis, zou Asterix tautologisch zeggen. Keltische god der kunsten. Waartoe natuurlijk ook de schrijfkunst behoort. De woorden vatten mij bij de lurven. Maar zelfs Toutatis heeft nooit weten te ontdekken waar de lurven nu precies zitten. Het is een fictief lichaamsdeel maar het schijnt. Maar zo ken ik er meer. Ze houden mij niet voor het lapje. Grote argwaan krijg ik bij het woord lurven. Fictief of niet. Ze zitten ergens. Misschien wel bij de kladden. Maar ook die zijn nog bij niemand ontdekt, laat staan vastgesteld. Mocht iemand ook maar enig spoor ontdekken van lurven of kladden, laat het mij dan onmiddellijk weten.
Vooralsnog stel ik mij de lurven plastisch voor als een setje ledematen. De meeste ledematen komen twee keer voor. Dus mijn gedachtegang is vrij legitiem. Aangezien ik met mijn reguliere ledematen niet hoog bij mijn ruggengraat kan komen, positioneer ik ze voor het gemak daar. De lurven zitten dus bij mij ergens halverwege de ruggengraat, aan beide zijden een. Ik stel ze voor als chips. Knisperend, dun, nog het meest vergelijkbaar met onze oren. De celstructuur van de lurven is ingenieus. Zij is opgebouwd uit kleine kamertjes die allemaal hun eigen woorden bevatten. Zijn ze dan niet te klein, voor mijn mega woordenschat? Nee. De indeling is namelijk niet zichtbaar met het oog. Wel met het oor. Vandaar dat ik graag luister naar mijn lurven. Ik put er geweldige woorden uit die ik vervolgens samensmelt tot tekst. In beginsel gaat de tekst vaak nergens over, maar gaandeweg vormt zich toch een interessant geheel met verrassende rode draden. En u weet als geen ander lezer, daar waar rode draden lopen, gaat het ergens over. Nietwaar?
Enfin. Ik put dus uit mijn brein, mijn lurven en het collectief geheugen dat al eeuwenlang is vastgeslagen, opgeborgen ergens in mijn celstructuur. Met name in de lurven. Onder de knieën bewaar ik nog wel een reservevoorraad. Voor het geval mijn lurven oorlog krijgen met elkaar. En dat komt nog wel eens voor. In gedachten dan. Ze zijn nog steeds fictief mijn lurven. Maar toch, je kunt maar ergens oorlog maken. Mijn lurven vinden het nochtans heerlijk. Op zijn tijd slaan ze zich met grof geweld om de oren. Met dure woorden meestal. Ik houd mijn hart dan vast. Bang dat er een lurf afbreekt, of versnipperd raakt onder het oorlogsgeweld van zijn maat. Nooit leuk als ledematen oorlog maken met elkaar. Lamlendig word ik daarvan. Het legt mijn lenden volledig lam.
Genoeg zo. Ik merk dat mijn lurven een beetje moe zijn geworden. Tijd om te rusten. Ik wil me verder geen ellende op de hals halen. Als lurven daarachter komen dan zijn de rapen gaar. Dan kun je mij bij elkaar rapen. De rapen, maken overigens geen deel uit van het menselijk lichaam. Gelukkig maar. De volgende keer, lieve lezer, wijd ik u in in de mysteries van mijn taalknobbels. Haal de woordvijl maar vast tevoorschijn. Het zijn eeltige taaie taalknobbels en zitten net als de lurven op een vervelende plek.
Sstttt ... Ssttt ... hoort u het nu ook? Mijn schrijven? Geweldig toch? Onoorbaar hoorbaar.
Telkens weer verbaas ik mezelf erover. Bij Toutatis, zou Asterix tautologisch zeggen. Keltische god der kunsten. Waartoe natuurlijk ook de schrijfkunst behoort. De woorden vatten mij bij de lurven. Maar zelfs Toutatis heeft nooit weten te ontdekken waar de lurven nu precies zitten. Het is een fictief lichaamsdeel maar het schijnt. Maar zo ken ik er meer. Ze houden mij niet voor het lapje. Grote argwaan krijg ik bij het woord lurven. Fictief of niet. Ze zitten ergens. Misschien wel bij de kladden. Maar ook die zijn nog bij niemand ontdekt, laat staan vastgesteld. Mocht iemand ook maar enig spoor ontdekken van lurven of kladden, laat het mij dan onmiddellijk weten.
Vooralsnog stel ik mij de lurven plastisch voor als een setje ledematen. De meeste ledematen komen twee keer voor. Dus mijn gedachtegang is vrij legitiem. Aangezien ik met mijn reguliere ledematen niet hoog bij mijn ruggengraat kan komen, positioneer ik ze voor het gemak daar. De lurven zitten dus bij mij ergens halverwege de ruggengraat, aan beide zijden een. Ik stel ze voor als chips. Knisperend, dun, nog het meest vergelijkbaar met onze oren. De celstructuur van de lurven is ingenieus. Zij is opgebouwd uit kleine kamertjes die allemaal hun eigen woorden bevatten. Zijn ze dan niet te klein, voor mijn mega woordenschat? Nee. De indeling is namelijk niet zichtbaar met het oog. Wel met het oor. Vandaar dat ik graag luister naar mijn lurven. Ik put er geweldige woorden uit die ik vervolgens samensmelt tot tekst. In beginsel gaat de tekst vaak nergens over, maar gaandeweg vormt zich toch een interessant geheel met verrassende rode draden. En u weet als geen ander lezer, daar waar rode draden lopen, gaat het ergens over. Nietwaar?
Enfin. Ik put dus uit mijn brein, mijn lurven en het collectief geheugen dat al eeuwenlang is vastgeslagen, opgeborgen ergens in mijn celstructuur. Met name in de lurven. Onder de knieën bewaar ik nog wel een reservevoorraad. Voor het geval mijn lurven oorlog krijgen met elkaar. En dat komt nog wel eens voor. In gedachten dan. Ze zijn nog steeds fictief mijn lurven. Maar toch, je kunt maar ergens oorlog maken. Mijn lurven vinden het nochtans heerlijk. Op zijn tijd slaan ze zich met grof geweld om de oren. Met dure woorden meestal. Ik houd mijn hart dan vast. Bang dat er een lurf afbreekt, of versnipperd raakt onder het oorlogsgeweld van zijn maat. Nooit leuk als ledematen oorlog maken met elkaar. Lamlendig word ik daarvan. Het legt mijn lenden volledig lam.
Genoeg zo. Ik merk dat mijn lurven een beetje moe zijn geworden. Tijd om te rusten. Ik wil me verder geen ellende op de hals halen. Als lurven daarachter komen dan zijn de rapen gaar. Dan kun je mij bij elkaar rapen. De rapen, maken overigens geen deel uit van het menselijk lichaam. Gelukkig maar. De volgende keer, lieve lezer, wijd ik u in in de mysteries van mijn taalknobbels. Haal de woordvijl maar vast tevoorschijn. Het zijn eeltige taaie taalknobbels en zitten net als de lurven op een vervelende plek.
Sstttt ... Ssttt ... hoort u het nu ook? Mijn schrijven? Geweldig toch? Onoorbaar hoorbaar.
Abonneren op:
Posts (Atom)