Posts tonen met het label bambino. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bambino. Alle posts tonen
31-08-2013
Columns van Harrie (Augustus 2013)
Condenspot (van Bambino) / Vervolg verhalen / 01-08-2013
Mijn mams en paps hebben weer eens woorden. Paps noemt mijn mams ‘een verrekte condenspot’. Ik val van mijn stoel. Alsof ze een emmer koud water over mij heen gooien. Wat is dat nou weer, een condenspot? Ik mag niet zonder toestemming achter de PC van mijn mams. Maar ik zou nu wel willen. Stiekem lukt niet. Mijn moeder staat altijd op scherp als ze ruzie heeft met paps. Paps gaat dan meestal naar zijn schuurtje. Zijn werkschuur. Laat me niet lachen. Ik heb wel eens door het raampje gekeken. Weet je wat die dan in de schuur gaat doen? Spijkers die krom zijn rechtslaan. Potverdomme, van woede.
Nee, voorlopig kan ik niet opzoeken wat een condenspot is. Maar ik vermoed het ergste. Paps was erg boos op mams. Ik trek mijn stoute schoenen aan. En vraag het gewoon. “Mam, wat is een condenspot?” Wel Bambino, dat is bijna hetzelfde als een oorvijg?” Oorvijg, dat is een maf woord. Groeien er oren aan een vijg of groeien er dan vijgen aan je oor? “Wat is een oorvijg precies mam?” Pats! “Dat is een oorvijg Bambino, kijk er komt nu stoom uit je oren, ik zie het? En een beetje pus? Dat is vies. Dat moet je gescheiden houden jongen. En daarvoor hebben ze nu een condenspot uitgevonden? Snap je het een beetje, jongen?”
“Ja mams, paps was kwaad op jou en gaf jou een oorvijg, toen begon jij te huilen en kwam er water en stoom uit je ogen, met een beetje zwarte verf. Water en verf dat gaat niet samen en daarom noemde paps jou een verrekte condenspot, zoiets?” “Helemaal goed, Bambino, ik ben trots op jou.” “Maar mams, ga je nu een condenspot aanschaffen? Papa wilde die ook graag hebben. Koop je dan wel een goede voor hem. Het is bijna vaderdag. En geen verrekte. Daar heeft ie niets aan. Hij moet het wel doen.”
Liegebeest (van Bambino) / Vervolg verhalen / 15-08-2013
Ik mag niet liegen. Niet van de juffrouw, niet van mams, niet van paps en ook niet van al mijn tantes. Best wel moeilijk. Want wie liegt er nou niet? Ik hou heel veel van dieren en beesten. En het liegebeest is mijn favoriet. Ik heb er eentje gekregen toen ik zeven werd. Hij jaagt iedereen op de kast. Hij is heel trouw aan zijn baasje, het liegebeest. Hij laat zich door niemand anders knuffelen.
Maar soms is mijn liegebeest een echte lastpak. Vooral als ie niet wil luisteren. Gelijk een ezel. De ezel is mijn favoriete beest na het liegebeest. Een ezel kan ook zo’n lastpak zijn. Waar zou die dat van hebben? Zo’n lastige ezel verkoop je dan liefst een muilpeer. Een lastdier is het zo’n muilezel. Als je zo’n ezel goed bekijkt dan zie je dat ie eigenlijk niet goed bij zijn hoofd is. Mijn moeder zegt dan dat ie koppig is.
Ja, ja, ze lijken best veel op elkaar. De ezel en het liegebeest. Met dit verschil dat mijn liegebeest niet grijs is, maar groen. Hij lijkt ook een beetje op een slang. Een ezel heeft poten. Die kan de benen nemen bij een leugentje om bestwil. Maar mijn liegebeest kan dat niet. Hij krijgt ook altijd rode koontjes als ie liegt. Dat slaat dan als een tang op een varken. Want rood en groen geeft boerenfatsoen. Dat zegt een van mijn tantes altijd. Maar meestal komt mijn liegebeest goed weg met zijn leugentjes. Een ouwe ritselaar is het, die groene slang.
Hij kan ook dromen mijn liegebeest. Laatst droomde hij dat ie achterna gezeten werd door een vreemd meneerke met een grote loep. Een tovenaar met de naam Pepijn had die grote loep voor het meneerke getoverd. Pepijn woonde op een eiland, net als het meneerke. Verder woonde er nog een rare vogel op het eiland en een wetenschapper. Een vlerk van een vogel en een verstooide wetenschapper. Vlerk had gezien hoe de maffe wetenschapper had geprobeerd twee koffiepotten op te blazen. Als experiment. Maar voor de wetenschapper dat kon doen waren de twee koffiepotten snel ontsnapt. De twee koffiepotten gedroegen zich als robots en serveerden iedereen gratis koffie die een compliment maakte. Bij de twee koffiepotten kwam niemand tevergeefs op de koffie.
De laatste tijd praat mijn liegebeest een vreemde taal. Het lijkt op Nederlands, maar is het net niet. Hij heeft het dan veel over maaien en zunnen. Wat zunnen zijn weet ik niet. Maaien heb ik hem geprobeerd te voeren. Maar die spuwt ie gelijk uit. Mijn liegebeest is volgens mij een vegeterrier. Een beest dat alleen maar groen eet en daarvan heel oud wordt. Net als de dinosauriërs, heel vroeger. Het liefst eet mijn liegebeest patatten. Net als ik. We noemen elkaar dan voor de grap patatteneters. Vrij vertaald naar een eenorige kunstenaar met rood haar. Die zag ik in een stripverhaal voorbij komen en had ook iets met patatten. Nu … ennen … die zag net als ik en mijn liegebeest geen sterretjes maar zonnebloemen in de donkere hemel hangen. Dat is maf, maar ook heel mooi.
Cxerotiek / Raad Wie Ik Ben / Themacolumn / 18-08-2013
Wat krijgen we nou? Een Raad Wie Ik Ben in erotiek op ColumnX? Daar gaan een hoop heren en dames met de billen bloot. Er zijn al heel wat erotische verhalen gelanceerd zag ik, maar deze mag niet ontbreken. Erotiek op zijn ColumnX. Op de eerste plaats zijn de crimescènes overal te vinden. Ik beperk me nu even tot Nederland en België. Want er zitten natuurlijk ook geile beren en berinnen in Engeland, Hongarije en weet ik waar? Maar die laat ik even buiten beschouwing. Erotiek over de grens, dat is een heel ander verhaal. De locatie in de erotiek is van belang. Ik ken natuurlijk een geweldig mooie crimescene ergens bij een dijk, of beter gezegd achter een dijk. Daar hoeft het gras geen twee kontjes hoog te zijn. En wat te denken van seks in Zeeuwse bossen, of op een Friese terp? In een tuinhuisje, of ergens achterin een meubelzaak? Amsterdam kent natuurlijk ook voldoende CX-afwerkplekjes, net als Den Haag en niet te vergeten Rotterdam. Sex on the beach en sex driehoog. Het kan overal verkeren met die CXers. Of het dan ook werkelijk spettert laat ik aan de lezer over. Sex in Den Bosch is ook altijd heel bijzonder. Daar wordt de erotiek meestal bedreven aan tafel. In een of andere Cocotte. De afrodisia die men daar dan tot zich neemt , meestal voor de daad, zijn erg heet en exotisch. Het maakt de schrijvers en lezers dorstig. Nee, laat die CXers maar eens los en ze geilen lekker achter en op elkaar. Het is een grote geile boterberg van eet-, lik-, lees- en schrijfgenot. Smullen, smullen, smullen. Of het nu achterop een motor is of achter de viskar, gereden wordt er, tot in de vroege uurtjes. Natuurlijk zijn er ook nieuwe gasten die zich nog niet te goed hebben gedaan aan de ColumnX-orgietjes. Heb geduld jongeling of ervaren rotje, jouw tijd komt. In witte kastelen, op vreemde muziek lekker heet de liefde bedrijven, dat genot is lang niet voor iedereen weggelegd. Maar niets zo geil als de schrijverij. Echte CXers slurpen het lettergeil bij dag- en nachtlicht gulzig naar binnen. Ze strelen alle medeklinkers, totdat ze botergeil over de schreef gaan, fier rechtop staan, en met veel tamtam de klinkers penetreren. Oe, Aa, Uu, Ie. En dan de methodiek. Die is ook niet onbelangrijk. Op welke wijze stoeit de ware CXer met erotiek? Op zijn hondjes, lekker jippig, of als een vreemde vogel, kraaiend van genot. Alle materialen worden in het erotisch spel gebruikt. Verf en rare kwasten, zelfs een loep heb ik gezien. Waarbij ik natuurlijk wel opmerk dat het formaat niet altijd epalend is voor de mate van genot. Zelfs niet voor een schrijver. Een dikke balpen staat niet garant voor een grappig geil gedicht. Weldoordacht erotisch tokkelen op een gitaar, dat zet dan weer wel de meest gevoelige snaren van ons op de juiste spanning. Het is de toon die de muziek maakt, zal ik dan maar zeggen. Yes sir, I can boogie, boogie woogie, all night long. Laat ons nog lang wentelen en teven in de wondere wereld van schrijfbrijerij. Ik hef het glas met rode wijn op ColumnX en toast met hart en ziel. Dat er nog maar veel geile Raad Wie Ik Bennetjes mogen verschijnen op deze schone site.
Themacolumn RWIB (Raad wie ik ben): Onderwerp is erotiek
Anoniem geplaatst onder account RWIB. De lezers raden wie de column geschreven heeft.
Meandertaler / Verkeer / 23-8-2013
Vliegensvlug flits ik in mijn TARDIS door Galacticum 2013. Ik heb een dringende oproep ontvangen van een collega reisgenoot die ik al eeuwen niet gesproken heb. Het zou niet goed gaan met de mens. Die verkeert in nood. Qua hersencapaciteit. Mijn collega reisgenoot, waarvan ik onmogelijk de naam kan prijsgeven, attendeerde me op een terugval in hersencapaciteit bij de huidige Homo sapiens. Ik begreep niet goed wat hij daarmee bedoelde en vroeg door.
De hersencapaciteit is door de eeuwen heen toegenomen bij de mens, zo sprak Collie [korte opmerking van den schrijver: ik kon zo gauw geen andere naam vinden, maar kom daar later op terug]. Collie verstaat onder hersencapaciteit gelijktijdig het vermogen (geestelijk) en de ruimte (fysiek) van de hersenen. Zoals iedereen waarschijnlijk wel weet (WWW) gebruiken wij maar een beperkt deel van onze hersenen. Helaas of misschien gelukkig maar? Dat laat ik graag ter beoordeling over aan wetenschappers en filosofen. Maar zoals Collie mij dus opmerkzaam maakte. Het is een ontwikkeling die het aardleven in gevaar brengt. Als het aantal collies (hersenpakketjes) in onze hersenen niet snel weer toeneemt genereren we mogelijk weer terug tot Neanderthalers. En op dat punt had Collie mij tuk en bracht mij in hoogste stand van paraatheid.
Terug genereren tot Neanderthalers?! Dat mag absoluut niet gebeuren. Als wetenschapper en dokter heb ik me jarenlang verdiept in de ontwikkelgeschiedenis van onze hersenen. En ik weet als geen ander hoe groot de stappen zijn gemaakt en hoe lang de ontwikkeling heeft geduurd van de ontwikkeling van de mens, van Neanderthaler tot Homo sapiens. De stappen tussen dom en slim zijn gigantisch. De mensheid kan zich niet permitteren om daar weer in terug te vallen. Gelukkig wist Collie mij als expert snel te vinden. Mijn hart begon dan ook meteen passioneel te kloppen. En dan is het uitkijken geblazen. Het hart roert en stuwt het bloed door mijn aderen en voedt mijn hersenen dermate dat alle gevoelscentra meteen overuren draaien en gelijktijdig mijn gedachten in verwarring brengen. En dat is nu precies waar de mens niet op zit te wachten. Verwarring.
Met een plof land de TARDIS op de grond en ik stap uit. Midden op een gigantische hersenkwab. Van wie? Geen idee. Het is nu slechts een kwestie van de draad oppakken waar ik hem een paar eeuwen geleden heb achtergelaten. Ach, de lijntjes zijn zo kort. Nog veel en veel korter dan in het huidige digitale tijdperk. De bits en bytes die tegenwoordig door het luchtruim vliegen hebben alleen een grote beperking. Moeder aarde en de beperkte ruimte die er volgens aardleken omheen hangt. Echte communicatie gaat veel verder. Overstijgt mens en bloed en zelfs Galacticum 2013. Maar ik stel Collie meteen gerust. Ik ga er wat aan doen vriend. Ik duw de mensheid in no time weer in de goede richting. Het komt wel goed met die hersencapaciteit. Ik geef de mensheid een gigantische intergalactische draai om de oren en je zult zien. De hersenen zullen zich weer openstellen en de collies zullen weer in aantal toenemen.
De grote vraag alleen is. Kan de mensheid dat aan? Zo’n draai om de oren. Als ik te hard sla kan het zo maar zijn dat de Homo sapiens te ver doordraait. Dan slaat grote vertwijfeling toe. Dat maakt de mens niet gelukkiger en zeker niet blijer. De vertwijfeling nestelt zich dan en kan het niveau bereiken van een Neanderthaler, sterker nog, het kan eronder zakken. Meandertalers worden het dan. Collie begrijpt me onmiddellijk en ziet het doemscenario voor zich. Hij kijkt me aan met grote angstige ogen en begint stotterend vragen te stellen. Be ... be ... doel ... [korte opmerking van den schrijver: ik ga het niet stotterend noteren want dan wordt de column veel te lang] bedoel je dat we dan met z’n allen gaan meanderen? Meanderen met me en met anderen? En dat we dan met me en met anderen gaan talen? Dat kan toch niet? Dat mag toch niet? Dat moeten we ten koste van alles toch voorkomen? Anders gaat de toekomst van de mensheid toch compleet naar zijn grootje? Zijn we in no time bejaard en dement?
Ik stel Collie gerust en beloof de mensheid gedoseerd te slaan. Een goede berekende klap en alles komt goed. Ik duik in mijn TARDIS en haal er een megaknaller uit. Gelukkig weet niemand waar die vandaan komt. Vreemd eigenlijk, want vrijwel iedereen gebruikt hem. Vooral op het gebied van reclame en marketing is het een gekend instrument. Ik gebruik hem echter alleen als het nodig is. Nu dus. Moeder Aarde ontleent er haar bestaan, aan de megaknaller. En nu is de tijd rijp om hem weer opnieuw in te zetten. Ik stop de megaknaller in een fles. Heel oer. En steek hem aan. Collie kan tevreden zijn. Eindelijk krijgt de Homo sapiens weer wat ruimte. Tussen de oren. Nu er nog wat mee doen.
Vlug en plat / Raad wie ik ben / Themacolumn / 26-8-2013
Ik moet snel zijn. De inzendtijd op Columnx is bijna verstreken. Het mag alleen geen platte column worden. Geil is eigenlijk al uit den boze. Geil verraadt te veel. Sexy is te simpel. Erotisch moet het worden. Op zoek dan maar naar een geschikte tafel. Het mag gerust een Duitse tafel zijn. Ein Erotisch. Erotiek gaat tot ver over de grenzen. Papa fume une pipe et maman fume papa. Daar zit geen letter Frans bij. Erotiek ontluikt vaak inlands. In Zoutelande on the beach of in een klein tentje op een veel te grote festivalcamping. Seks op Pinkpop. Maar ook de stranden aan Floret de Mar en Ibizar zijn een mooie plek om vlug en plat de liefde te bedrijven. Plat op de rug. Plat op het toetsenbord. Zon, zee en maan zorgen voor de romantiek. De zon maakt blind, de maan maakt gek en de zee klotst. In de huidige tijd neem je de eerste keer op en meet je hem breed uit op internet. Vastleggen en delen met je vrienden. Voor de eeuwigheid. Mediageil. It’s hot and I like it. :yes: Op feestjesboek. Ontaardt het seksfestijn in poep- of plasseks dan wordt het feestjesboek al snel een faecesboek. Bah. Jongeren lopen niet weg voor het experiment. De Kamasutra is hun bijbel. Ligt naast de smartphone op het nachtkastje. Jaloers ben ik op die jeugdigheid. De jeugd beschikt nog over het juiste gestel en een geolied apparaat. Pezen, zenuwen en spieren, ze werken allemaal nog naar behoren. Strak en lenig. Het is alleen de wedloop in hun hoofd die bij de uitvoering soms parten speelt. Erotiek is niet alleen een spel van vlees en bloed. Het gaat ook om de mindfuck. Maar al doende leert men. Keeping up experience. Niet te verwarren met keeping up appearance. In de liefde gaat uiteindelijk iedereen met de billen bloot. Soms vlug en meestal plat. Een uitzondering daargelaten. Sommigen gaan toch liever onisch, op zijn ridders, hoofs. In tientallen bochten moeten zij zich dan eerst wringen. Een hele queeste doorlopen. Flauwekul eigenlijk. In hun hoofd zijn zij allang, vreemd, vlug en plat gegaan. Ook hoofse hoofdse liefde explodeert uiteindelijk altijd vlak langs de ruggengraat onder in de edele delen in fonteinen van plezier. Bij de een duurt de reis gewoon wat langer. Die geniet eerst van het uitzicht en het verlangen voordat ie klaarkomt … ehhhh … aankomt. Niet vlug en plat, maar tergend langzaam en vijfdimensionaal.
Themacolumn RWIB (Raad wie ik ben): Onderwerp is erotiek
Anoniem geplaatst onder account RWIB. De lezers raden wie de column geschreven heeft.
Dwalingen in het openbaar / Verkeer / 27-08-2013
Verdwaald loop ik door het openbaar vervoer. Ik ben vergeten een kaartje te kopen. Maar helaas kan ik het loket niet vinden. “Loket? Loket?”, roept een man in blauw uniform in het gangpad tegen mij, “van welke planeet komt u?!” Ik zie een rode handrem hangen en denk onmiddellijk, zal ik er aan trekken? “Dat u het maar uit uw hoofd laat meneer.” Het blauwe mannetje heeft me door. Ik ben er niet gerust op. Hij kijkt mij met doordringende ogen aan en vraagt nogmaals van welke planeet ik kom. “Dat gaat u helemaal niets aan meneer, in ieder geval niet van Mars of Pluto.”
Ik ben verdwaald, dat mag duidelijk zijn, in openbaar vervoer. Voor het eerst in mijn lange intergalactisch leven. Ik vraag me af of ik in dit vervoer ook een kaartje kan kopen in het geheim? Ik besluit het aan het blauwe mannetje te vragen. Die knikt onverbiddelijk nee. “Dat is niet mogelijk meneer. Kaartjes voor het openbaar vervoer koopt u in het openbaar. Kaartjes voor geheim vervoer koopt u in het geheim. Duidelijk?” Duidelijk. Ik vraag aan het blauwe mannetje waar ik in het openbaar mijn kaartje kan kopen. Met geheim vervoer wil ik niets te maken hebben. “Op uw smartphone meneer. En als u geen tegoed meer heeft, is een openbare iPad nog altijd een optie. Vraag gerust aan het openbaar publiek om aan u een iPad voor korte tijd ter beschikking te stellen en het komt helemaal goed. Zo niet dan vrees ik dat ik u voor het openbaar gerecht moet slepen want zonder kaartje overtreedt u de openbare wetgeving van het openbaar vervoer. En dat wilt u niet. Dat garandeer ik u. Vrouwe Justitia heeft wel wat anders te doen. Heden ten dage. Begrijpt u?”
Het mannetje is niet langer blauw getint maar kleurt langzaam rood. Vreemd heel vreemd. Het is geen zinsbegoocheling maar toch. Ik heb het nooit eerder gezien. “Nou, vooruit dan maar”, roep ik tegen het rode mannetje. “Het is dat u zo aanloopt. Ik zal vlug de benen nemen bij de volgende halte. Als die tenminste komt, de volgende halte. Begrijpt u?” Het rode mannetje zucht van opluchting. Vandaag heeft ie niet zoveel zin in regenbooggedrag. Blijkbaar vindt hij mijn persoon aangenaam genoeg om voor deze keer door paarse vingers te kijken. Ik ben allang blij.
Als ik bij de eerstvolgende halte uitstap wacht een mooie vrouw op mij. Ze draagt een weegschaal en een blinddoek. Ik vraag me af waarom ze mij niet mag zien. Ik heb toch niets gedaan? Wat heb ik toch een hekel aan al dat gedwaal in het openbaar. Het is zo jaren 2000. Ik zie alweer uit naar mijn TARDIS. Die brengt me waar ik zijn wil, zonder obstakels, gratis en voor niets. Niets zo prettig als eigen vervoer. Het eindrapport van mijn vluchtig bezoek aan Moeder Aarde wordt kort maar krachtig. In nog geen vijf minuten noteer ik het op een minuscuul Q12je. Mister Galacticus zal daar zeer content over zijn en mogelijk conclusies trekken. Meer aandacht moet er ook niet aan besteed worden.
Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.
31-07-2013
Columns van Harrie (Juli 2013)
Klushout / Gein & Ongein / 01-07-2013
Er zijn mensen die werkelijk van alles kunnen. Ze zijn van alle markten thuis. Ze kennen de markt op hun duimpje. De bouwmarkt, de groentemarkt, de rommelmarkt, de vlooienmarkt, kaasmarkt, paardenmarkt, kerstmarkt, koning(innen)markt en niet te vergeten de zwarte markt, ook wel marktplaats.nl genoemd. Ze snuffelen zich helemaal suf. En als ze het dan niet kunnen vinden. Ja, dan bestormen ze mijn bos. Gris mich nich. Het bos dient dan als troost- of inspiratieplek.
Voor de mistroostigen biedt het groen rust. Het is niet niks als je iets niet kunt vinden of verzinnen. Het verlies nemen is dan het meest lastige van de zoektocht. De gedachte dat alle energie tot niets heeft geleid is fnuikend. Veel mistroostigen beschouwen zichzelf op zo’n moment als klushout, een hout in klussen. Krijgen de klus niet geklaard en raken als zodanig behoorlijk de kluts kwijt. Om die reden steek ik de mistroostigen in het bos altijd een hart onder de riem.
Ik laat dan meestal de natuur zelf spreken. In al haar schoon- en wijsheid. Opdat de mistroostigen ervaren en zien wat voor een prachtige filosofie ten grondslag ligt aan het leven en de dood. De weg. Want daar draait het om. Niet om de aankomst. Zoals ook een Tour de France veel meer is dan de dagprijs of een optelsom van dagprijzen. Het is bovenal een avontuur gezien vanuit een helicopterview, achter op de motor of zo maar naast de kant. Het zijn meestal de toeschouwers en verslaggevers die het best ervaren wat er daadwerkelijk gebeurd.
Zodra een mistroostige zich tot mij wendt om aan mijn schouder uit te huilen, wijs ik hem of haar altijd op de schoon- en wijsheid van de weg die zij bewandelt. Maar waarheen leidt die weg? Dat is wat ze willen weten. En ik zeg dan troostend. Tot niets. Helemaal niets. Maar dat is juist het mooie. Niets is luchtledig, een punt, geen richting. Daar wil je dus niet aankomen. Maak daar alsjeblieft geen punt van. Blijf zoeken, juist naar richting en het komt allemaal goed. Als daarna het licht nog niet gaat schijnen dan gooi ik het op inspiratie.
Inspiratie, een laatste redmiddel voor mistroostigen. Want daar waar inspiratie groeit wordt honger gestild. En wat wil je nog meer in een consumptiemaatschappij. Het geluk wordt vaak afgelezen aan degene die de kleinste honger heeft. En dat zou ik nu voor eens en voor altijd de kop in willen drukken. Het is namelijk de honger die ons voedt. Ben er zuinig op. Hoe groter de honger hoe groter het geluk. Is de honger uitgeput en moe? Laaf hem dan aan de bossen van schoon- en wijsheid en alles komt goed.
Toffe pap (van Bambino) / Vervolg verhalen / 10-07-2013
Mijn papa houdt van mij. Echt wel. Dat zegt ie echt iedere dag. Leuk hè. Ik heb echt een toffe pap. Alleen als ik ondeugend ben is ie niet zo leuk. Zoals gisteren. Hij zat weer achter zijn PC. En maar piepen en zuchten. Traag internet. Zei hij. Ons mam werd er helemaal gek van. Hou toch eens op met die zever. Zever? Dacht ik. Dat is toch mijn terrein. Als ik nou eens heel hard zou zeveren. Dan word papa misschien weer blij. Maar dan moet ik wel kiezen. Tussen ruzie met mams of paps. Ik kies dan liever voor de eerste. Mam … mam … ik moet heel erg poepen. Maar ventje toch? Dat kun je toch heel goed zelf. Ja, maar het doet zo’n pijn. Ja ho even, je bent toch geen kleine bambino meer. Wat doet zo’n pijn? Nou als ik met mijn plasser tussen de rits kom. Ja, maar je gaat toch poepen? Ja, maar daarna moet ik altijd nog even plassen. Zucht. Mams is er helemaal klaar mee. Dat heb ik mooi voor elkaar. Nu kan paps tenminste weer verder op z’n PC. Diep ademhalen. Als ie geduldig is. En z’n rode oren kan verbergen. Die krijgt ie altijd van pornosites. Ik ken mijn pappa. Hij ziet niet dat de pornosites in de kamerraam weerspiegelen. Dom, dom, dom. Maar mama heeft gelukkig niets in de gaten. Lekker puh. Paps is mijn beste maatje. Die moet ik te vriend houden. Toch? Mam. Ik ben klaar. Kom je even helpen? Maar je hebt helemaal niet gepoept. Wat zijn dat voor streken. Geen streken mam. Geen strepen. Alleen maar gele plas vandaag. Sorry. Als mam de kamer in loopt zie ik in het kamerraam de pornosite snel wegflitsen. Best jammer. Van afstand vlogen de blote borsten keihard door beeld. Wat zeg ik. Bijna buiten beeld. Die stoute papa toch. Mams moest eens weten. Die heeft ook van die …
Snoepborsten (van Bambino) / Vervolg verhalen / 15-07-2013
Ik ben een echt mama’s kindje. Hoe dat zo? Niet zo moeilijk. Ik ben namelijk helemaal verliefd op haar snoepborsten. Klein maar fijn. Ik mag er nog steeds van genieten. Waarom? Omdat ons mams dat fijn vindt. Ze geniet er zelf ook van. Ze vindt mijn gezoebel hartstikke lekker. Paps vindt het minder. Moet je dat joch nu nog steeds voeden? Hij is allang geen bambino meer. Je borsten zijn toch geen Zeeuwse babbelaars?
Tja, ik zet er graag mijn tanden in. Maar dat mag dan weer niet. Alleen sloeberen en zoebelen mag ik. Dat is niet erg hoor. Met getuite lippen sloeber ik de warme melk naar binnen. Sloeberen en zoebelen. Dat doe ik het liefst. Bij het sloeberen haak ik mijn boven- en ondertandjes voorzichtjes in de donkerroze tepel. Mama noemt mij dan haar lief konijn. Bij het zoebelen laten mijn tandjes de tepel los. Met naar binnen geperste lippen zuig ik dan het roze vlees en de melk binnen. Dat vindt mama ook fijn. Papa vindt dat maar niets. Hij schudt alleen maar met zijn hoofd. Van links naar rechts. Hij kijkt dan soms sip en soms boos. Mams geeft hem dan meestal een knipoog. Als er wat overblijft mag jij straks ook. Dan verschijnt er een vette glimlach op paps gezicht.
Die snoepborsten van mama zijn mijn en papa’s beste vrienden. Het gekke is alleen dat mama anders reageert als papa aan haar borst sloebert. Dat zag en hoorde ik laatst op de slaapkamer. Zij noemt papa dan geen lief konijn maar geile beer. Ik vraag me dan af wat er uit de snoepborsten komt. Toch, geen honing hoop ik? Dan word ik pas echt jaloers. Af en toe hoor ik mama ook gillen. Aparte gilletjes zijn het. Het lijkt een beetje op het geluid dat duiven en kippen maken. En heel soms hoor ik ook au, au, au! Zouden het dan toch Zeeuwse babbelaars zijn?
Die blijven ook altijd tussen mijn tanden plakken. Dat is best lekker maar doet soms ook wat pijn. De geluiden in de slaapkamer nemen na een poosje in volume toe. Totdat papa als een haantje kraait. Kukelekuuuuuu !!! En mama volgt. Kukelekuuuuu !!! Daarna is het meestal stil. De melk is op denk ik dan. Niet erg. ’s Nachts lopen de snoepborsten van mams altijd weer vol. In de ochtend mag ik als eerste aanleggen en is er altijd genoeg. Morgen is het zaterdag. Mijn papa heeft twee hengels gekocht. Drie keer raden wat we gaan doen? Ik zie er nu al naar uit.
Stoer (van Bambino) / Vervolg verhalen / 16-07-2013
Mijn papa is de stoerste papa die er is. Hij is super, super, super stoer. Hij is zo stoer dat hij bijna niet meer in huis past. Opgezwollen stoer. Zo noemt mams het. Dan stuurt ze paps altijd naar buiten. Meestal op tijd, maar soms net te laat. Als hij dan weer eens bezwijkt onder de stoerdruk verliest ie meestal zijn hoofd. Mams wijst hem dan op z’n oren en neusgaten. Want daar is de stoerdruk altijd aan af te lezen. Alle gaten blazen dan stoom. Best wel grappig.
Soms gaat het zo hard dat zijn hoofd begint te fluiten. Mijn paps zien stoomfluiten is geen gezicht. Hij is in adamskostuum tenger en spierwit. Dat heb ik gezien toen hij uit de douche kwam. Het ziet er niet uit als ons paps zich opblaast. Zijn nek en hoofd, rood van stoerheid, vastgespijkerd op een witte kippenborst. Maar mams heeft het meestal op tijd in de gaten. Gelukkig maar. Ik schaam me kapot als mijn pa als opgeblazen zoutstengel met mij door de buurt loop. Ik kan dan ook moeilijk in zijn schaduw lopen. Zo mager is ie. Ik zou dat wel willen. En liefst zo snel als Lucky Luke. Die schiet met zijn klappertjespistool sneller dan zijn eigen schaduw. Dat is pas stoer.
“Ga je nog mee vissen, jong?”, vraagt pap. Ik spring een half metertje de lucht in. Joepie. Het gaat er eindelijk van komen. Het was wel een heel gedoe, al die visvoorbereidingen. Mijn pap moest eerst uitvogelen hoe het allemaal werkt. Eigenlijk is hij veel meer een uitvogelaar dan een uitvisser. Nee, nee, nee, fout, een thuisvogelaar is ie, met zijn verrekte kanaries. Ik kan ze niet uitstaan die domme beesten. Ze maken altijd een vreselijk kabaal en kijken ook nog eens zuur. Citroenen op pootjes zijn het. Ik zou ze zo willen uitpersen. Ze krijgen ook meer aandacht dan ze verdienen, die zenuwpezen. Zou mijn paps het daarvan hebben? Nee, Bambino, fout. Jouw papa is stoer, niet zenuwachtig. Toch niet voor een vispartijtje? Dat gaat echt niet samen, zenuwachtig stoer. Nu mijn papa niet bezweken is onder de stoerdruk, kunnen we eindelijk op pad.
We gaan vissen in de Zalmschotel, een klein vijvertje voor beginners. Papa is ook een beginner. Ik beloof mezelf om geen moeilijke vragen te stellen. Op internet heb ik snel een spoedcursusje vissen bekeken. Zolang we niet gaan vliegvissen komt het goed. Ik bekijk met een kritische blik de bamboehengels die papa uit het plastic haalt. Ze hebben knalrode dobbers. En ik denk onmiddellijk, wie komt daar nu op af? Rood is de kleur van alarm. Dat vertelde de juffrouw afgelopen week. Ik zeg maar niets tegen paps. Ik vind het veel te leuk om hem stoer te zien doen. Toffe pap heb ik hoor. Ga maar effe zitten jong, zegt paps. Ik moet nog even de lijn aanbrengen en het aas aan het haakje rijgen. Zo gebeurd.
Een uur later zitten de lijnen aan de bamboehengels. Maar met het aas wil het niet goed lukken. De maaien kronkelen uit zijn handen en vallen van de haak als hij ze daarop spiest. Dwars doormidden vallen ze op de grond. Het haakje is ook veel te groot. De stoerheid van paps begint langzaam weg te ebben. Als eindelijk de hengels klaar zijn voor hun visdoop, slaakt papa gecamoufleerd en stilletjes een diepe zucht, van opluchting. Ik heb het toch gezien. Paps geeft me een vette knipoog. Bijna net zo vet als de maai die spartelend boven de waterspiegel hangt, wachtend op zijn noodlot. Daar is niets stoers aan. In plaats van voor de leeuwen, voor de vissen geworpen te worden, is behoorlijk gezichtsverlies. Ook voor een maai.
Daar ga je dan, roept mijn vader richting maai, doe je best. Ik volg zijn voorbeeld. Wetend dat het een lange middag wordt. Maar ik zit hier wel mooi te vissen met een trotse pa. De spanning is te snijden boven het water. Aan de oever niet. Vaders en zonen hebben weinig woorden nodig om elkaar te verstaan. En ik, ik voel me enorm trots. Ik heb maandag spannende verhalen te vertellen op school. Over bijtende vissen en verdronken maaien. Na drie uur hebben we nog niets gevangen. De buurman wel. Die heeft nu heel erg beet. Zijn hengel breekt bijna in twee. We besluiten snel te gaan kijken. Want dit is spannend.
Onze buurman trekt een flinke karper uit de Zalmschotel. Apetrots laat ie hem zien, trekt hem van de haak en houdt de karper voor zijn borst. Een joekel van een karper. Mijn pa en ik druipen af naar onze vissersstoeltjes. Ik haal mijn hengel binnen. Met een afgekloven maai, maar mooi geen vis. Pech weer. Maar mijn vader … mijn vader … mijn paps … hij heeft beet! Een superklein stekelbaarsje is per ongeluk tegen de haak gezwommen en heeft waarschijnlijk van schrik in de haak gehapt. Maar … en dat is het belangrijkst … we hebben beet! We kunnen naar huis. Heel erg benieuwd naar de reactie van mams. Want die zorgt voor het eten en wacht op …
Over de rooie (van Bambino) / Vervolg verhalen / 19-07-2013
“Annie, Annie, kijk eens wat we gevangen hebben?” Vol trots houdt paps een flinke karper de lucht in. Ik herken dat beest. Dat is de vangst van de buurman. Hoe heeft ie dat gefikst? Pa geeft me een vette knipoog en toont mams de vette vis. Die trekt haar neus op en smijt de karper op de aanrecht. Zonder een woord te zeggen. “Ben je niet trots op onze Bambino, die heeft hem gevangen, goed hè?” Mams kijkt me aan met een blik die mij bekend voorkomt en niet veel goeds voorspelt. “Eigenlijk heeft pap hem gevangen, mams, heel stoer.” “Nou dat hebben jullie dan goed voor elkaar. Goh, wat een lucht hangt er aan die vis, ik ga hem snel schoonmaken.”
Het gaat allemaal niet van harte. Mams kijkt ons boos aan. “Doe die vieze kleren eens gauw uit. Ik heb hier net de keuken gepoetst. Zien jullie dat niet?” Mams zit in de moppermood. “En die visspullen die wil ik niet hier in de keuken hebben. Kijk eens wat een vuiligheid. Weg ermee, die spullen horen in de garage. Dat weten jullie toch!? Godsamme, mannen, wat heb je er aan, wie heeft ze ooit verzonnen?” Paps en ik kijken elkaar aan. De signalen zijn duidelijk. Zonder woorden er aan vuil te maken weten we wat ons te doen staat. Gehoorzamen en terugtrekken. Nadat we de spullen hebben opgeruimd en ons hebben omgekleed ploffen we op de bank en zetten een videootje aan. Mams, vliegt de kamer in. “Die voeten van tafel, en gauw een beetje. Zijn jullie helemaal gek geworden? Ik ben gekke Jetje niet. Die tafel is net in de boenwas gezet.” We laten de orkaan rustig over ons heen komen. Maar mams krijgt er geen genoeg van. “Kan die TV niet wat zachter, hij staat wel heel hard. Hebben jullie misschien stopverf in je oren?” Zonder protest zetten paps en ik onze voeten op de grond. De TV gaat naar stand easy listening.
In de keuken klinkt gevloek en getier. De vis wil niet meewerken onder mams handen. Ze wordt zo boos op de karper dat ze hem met zijn visharsens op de aanrecht murw slaat. Dat lucht op. De keukendeur staat net ver genoeg open dat ik de visworstelingen van mama goed kan bekijken. De taferelen van mams zijn veel leuker dan de video. Gekleed in witte schort, de handen gebald in de zij, de borsten naar voren en met opgetrokken neus, lijkt ze verdomd veel op de vrouw van de visboer uit Asterix en Obelix. Hoe heet zij ook alweer. Forentientje, ja, ja, ik weet het weer, getrouwd met Kostunrix. Als dat maar goed afloopt.
“Kunnen we helpen?” Probeert paps. “Laat me met rust.” Klinkt het nors uit de keuken. Ach ja, het zijn zo van die dagen. Het is even rustig in de keuken. De vis wordt schoongemaakt en verdwijnt in de koelkast. “Ik ga me even douchen jongens, want ik voel me vis … eehhh … vies. En haal godverdomme die voeten nu eens van tafel. Ik hoef hier mijn kont maar te draaien of jullie gaan weer je eigen gang. Al dat werk voor niets. Kijk eens wat een zweetvlekken op tafel?” Demonstratief gaat mams tussen de salontafel en de TV staan. “Nou, komt er nog wat van?” Zuchtend zetten we de voeten weer op de grond. Mams loopt naar boven. Het geluid van de geiser in de keuken verstoort het geluid van de video. “Kan die TV niet zachter!” Klinkt het vanuit de douche. God wat is dat mens aanwezig vandaag.
Na een kwartier horen we de stofzuiger boven. Overduidelijk een gevalletje poetsmood. Mijn vader en ik weten voldoende. Zwijgzaam wisselen we de video. Het is tijd voor een beetje stemming, humor en verdriet. Annie gaat erin. Annie de musical. Rooie Annie. Het volume gaat op 10. Maar pas nadat paps en ik onze koptelefoons hebben opgezet. Het ultieme wapen tegen stofzuigergeluid en poesgemopper.
Vakanti (van Bambino) / Vervolg verhalen / 24-07-2013
Sommige woorden zijn best moeilijk. Paps en mams gebruiken er veel. Als ik iets niet weet dan helpen ze mij daarbij. Dat vind ik tof. Ze vinden me een echte wijsneus. Daar heb je zo’n woord. Wijsneus. Is dat een neus die wijst? Waar wijst ie dan naar toe? Bij mij gewoon naar voren. Of is het een neus die zingt? Een leuk wijsje? Dan kun je het net zo goed een fluitneus noemen. Maar dat vinden paps en mams maar niets. Zo mag ik mijn fluitneus niet in andermans zaken steken. Flauw. Anderen doen dat namelijk wel bij mij. Bah. Vies. Raar woord hoor wijsneus. Zou er ook een wijsneuzenschool zijn? Of een onwijsneuzenschool. Dat lijkt me hartstikke leuk. Kun je onwijs met je neus spelen. Of onwijs een lange neus maken naar de juf. Dat vindt ze leuk.
Mijn juf is een echte stoeipoes. Dat zegt mijn vader als ie mij komt ophalen van school. Tegen de buurman. Stoeipoes. Ook al zo’n maf woord. Een poes stoeit niet. Een hond wel. Op zijn hondjes. Ha, ha. Dat zegt mijn paps ook tegen de buurman. Met die stoeipoes wil ik wel eens op z’n hondjes. Ach, mijn paps is ook wel een beetje maf. Malloot. Dat hoorde ik laatst op de televisie. Een stelletje malloten had een trein gemollesteerd. Wat is nou een malloot? Iemand die gek gokt? Of iemand die jonge takjes gipst, in een lootmal? Moeilijk, moeilijk. En dan noemen ze mij een wijsneus. Ik wijs nergens naar. En zeker niet met mijn neus. Ik wijs mijn neus ook nooit in de lucht. Dat is arrogant.
Arrogant? Daar heb ik mijn tanden op stuk gebeten. Ik heb het woord van achter naar voren onderzocht. Daar kom ik niet echt wijs uit. Het is een woord dat mijn moeder altijd gebruikt als ze het over haar zus heeft. Met die ar en die rog kan ik nog wat. Ik zie het al voor me. Zo’n maffe vis die sleetje rijdt. Maar wat die ant erbij moet? Geen idee. Zo’n woord blijft dan kriebelen. Ant. Misschien moet ik het mijn vriendje Adam eens vragen. Die weet nogal veel. Die heeft een hoog iek u gehalte. Daar zeggen ze later als ie groot is u tegen. Iek … u?. Volgens mijn vader heb ik ook een hoog iek u gehalte. Nou daar ben ik blij mee. Ik heb een hoog iek u en een wijsneus. Tegen niemand verder vertellen hoor.
Het is nu vakanti. Over dat woord heb ik me ook verbaast. Het is een woord dat een vreemde uitwerking heeft op mensen. Ze zuchten als ze het woord uitspreken. Ze gebruiken het meestal in combinatie met eindelijk. Ze zijn er ook altijd aan toe. Dan denk ik. ‘Oh, is vakanti dan een toetje?’ En belangrijker, smaakt het net als ijs naar meer? In ieder geval lust iedereen er pap van. Net als mijn juf, de stoeipoes. Volgens mijn paps dan, en de buurman. Als ik een woord moeilijk vind dan draai ik het altijd om. Anti vak. Dat ben je dus als je vakanti hebt. Veel mensen lopen weg met dit woord. Ze hangen dan een caravan of vouwwagen achter hun auto. En hup, wegwezen. Wij lenen altijd de caravan van Cara, de zus van mijn vader, mijn tante. Die gebruikt hem nooit. Die gaat altijd met een tent op vakanti. Op wollen sokken. Volgens mijn vader. Raar hoor. Op wollen sokken, hartje zomer, bij 30 graden.
De buurman gaat altijd met de vouwwagen. Hij belt dan eerst met zo’n geel autootje van de ANWB. Die strijkt dan alle plooien recht en haalt alle vouwen uit de auto. Ja, anders kunnen ze niet met vakanti. Ik blijf het een raar woord vinden. Vakanti. Het mist ook iets. Het klinkt eigenlijk heel buitenlands. Een beetje Oostbloks, Pools, Roemeens, Hongaars, zoiets. Maar ja. Die Oostblokkers zijn ook altijd op vakanti. Volgens mijn paps en de buurman. Op bouwvakanti.
Bamboefontein (van Bambino) / Vervolg verhalen / 25-07-2013
Ik heb vandaag toch iets moois ontdekt. Mijn pielewiel kan exploderen. Vanochtend werd ik wakker en mijn kleine vlaggemast stond recht omhoog. Ik probeerde hem omlaag te duwen, maar hij veerde meteen weer terug. Dat is vreemd. Meestal doet mijn lijf en alles wat eraan hangt wat ik wil. Maar over mijn vlaggemast had ik vanochtend geen controle. Ook mijn poepgaatje bemoeide zich ermee. Het leek wel of ie persé tegen mijn mast aan wilde duwen. Onmogelijk, hoe dan ook. Hij zocht duidelijk contact met mijn piketpaaltje. Ik wilde hem nog met mijn vinger tot de orde roepen, maar dat had ik nou net niet moeten doen.
Mijn bamboestokje veerde extra hard en fier omhoog. Tot overmaat van ramp begon hij ook nog eens keihard te kloppen. Ik dacht, wat krijgen we nou? Het kloppen voelde eigenlijk wel prettig. Heel zachtjes tikte mijn piemel tegen mijn buik, telkens als ik mijn poepgaatje dichtkneep. Ik kreeg er een warm gevoel van. De bovenkant van de bamboestok probeerde nu uit zijn holletje te komen. Dat was een raar gezicht. Het leek wel of mijn piemel bloosde. Of had ie het gewoon warm? Ik pakte hem voorzichtig vast. Dat voelde fijn. Het warme kloppen van mijn piketpaaltje gaf mij bijzondere rillingen. Het kloppen van mijn piemel leek zich voort te zetten in mijn hele lijf. Ik kreeg het er warm van. In de spiegel zag ik dat mijn hoofd net zo rood werd als het topje van mijn bamboestok.
Mijn poepgaatje vond het maar niets. Hij schreeuwde om aandacht. Ik stak er voorzichtig mijn wijsvinger in en verhip, mijn soepstengel sprong bijna uit zijn vel. Wat was dat prettig. Ik ging er eens goed bij liggen. De piemel in mijn hand werd steeds warmer en harder. Het topje van mijn bamboestokje kwam steeds verder naar buiten gepiept. Hij had het natuurlijk warm. Ik trok de kraag die om zijn nek lag een beetje naar beneden. Oei … dat deed een beetje pijn. Maar wel fijn. Het bamboetopje ging er nog harder van blozen. Een warm gevoel zinderde door mijn onderbuik en stootte door naar mijn hart. Dat begon langzaam te bonzen. Het grappige was dat mijn hart in hetzelfde ritme bonsde als mijn pielewiel.
De kraag van mijn pielewiel begon steeds soepeler te bewegen. Ik trok hem nu zo ver mogelijk omlaag. Dat ging niet helemaal lekker. Ergens zat de kraag vast achter in de nek van mijn bamboestok, alsof ie aan een haakje hing. Het was intussen een behoorlijke stok geworden. Hij stond nu heftig in brand. Uit de badkamer haalde ik vlug een koud nat washandje. Zo, dat koelde lekker af. Mijn piemel voelde nu aan als een lekkere ijslolly. Jammer dat ik er niet bij kon. Zou er best wel eens aan willen zuigen. Grappig zo’n ijslolly met een rode kop. Zou die nog meer kleuren kunnen krijgen? Het warme, prettige gevoel in mijn lijf bleef aanhouden. Ik trok de bamboestok in zijn kraag langzaam op en neer. Oei … oei … oei … wat was dat lekker.
Vanuit mijn poepgaatje gebeurde nu ook weer van alles. Hij leek steeds dichter tegen mijn piketpaal aan te willen schuren. Hij trok ook zo nu en dan samen. Hij spande natuurlijk samen met mijn pielewiel. Hij dacht zeker: hij aandacht, dan ik ook aandacht. Mijn bamboetop stond nu compleet in de fik en … heel vreemd … er leek nu ook langzaam iets omhoog te kruipen. Vanuit mijn onderbuik. Nee, nee, lager. Verrek, er stroomde iets in mijn knikkers onder de bamboestok. Mijn gladde knikkers, ze stonden strak van de spanning. Ik voelde het. Ze kriebelden ook enorm. Ontzettend hete kriebels. Mijn pielewiel stond nu volledig in lichterlaaie.
Subtiel bleef ik met het iets te strakke kraagje over de rode bamboebobbel strelen. Telkens flitste er heerlijke scheuten door mijn lijf. Ik voelde ze tot aan mijn tenen. Langzaam voerde ik het tempo van mijn handgeschuif op. Mijn hoofd voelde nu als een vuurtoren die niet wist waar hij zijn licht moest laten schijnen. Kleine stroomstoten vlogen naar de bamboetop. Een weldadig en wellustig gevoel maakte zich van mij meester. Ik kreeg er geen genoeg van.
Totdat … todat … totdat een enorme bliksemuitslag volgde. Kokhalzend spoot er ineens warme karnemelk uit de bamboestok. Mijn bamboe spuugde gif en genot. Spetters melk vlogen rond mijn oren. Een warme gloed trok door mijn hele lichaam. Mijn poepgaatje ontspande eindelijk, net als de rest van mijn lijf. Dat gaf lucht. Zucht. Wat een heerlijke ontdekking vanochtend. De explosie van mijn bamboestok. Wat een heerlijke bevrediging en wat een plakzooi. Nog een keer?
Knokkelkootje / Raad wie ik ben / Themacolumn / 30-07-2013
Het is donker, heel donker in het steegje. Ik kijk mijn ogen uit. Maar zie door de duisternis alleen maar vage silhouetten. Ze bewegen heel traag. Gaan langzaam op en neer. Het geluid dat ze maken is diep en bronstig.
Je zou een vluggertje verwachten hier, hijgende en pulserende lichamen, fanatiek uit op een snelle bevrediging van bijna dierlijke, instinctieve behoeften. Om daarna snel uit de muffe omgeving te vertrekken, in tegengestelde richtingen. Langzaam wennen mijn ogen aan de duisternis of ik nu wil of niet.
‘Nee, nee, oog. Ja, ja, jahhhh, ah lekker. Lekker. Lager, lager, ja, een beetje naar rechts. En nu, ja, nu met je kootje, ja, ja, jahhhh. Ohhhhh … ohhh … wat fijn. Zakken, zakken. Hard, harder. Ja, links, naar links, lin … lin … linksssss … jahhhh. Man, man, wat heb ik een jeuk. Hoger, ja, ja, daar tussen in. Met je knokkelkootje. Nu, ja, ja, jaaaa ….’
‘Hoe is het toch mogelijk dat juist wij elkaar hebben gevonden schat’, ze knoopt haar blouse dicht terwijl hij aan zijn stropdas staat te frunniken. ‘En allebei op de zelfde plaats ook nog’, giechelt hij. ‘Mijn moeder heeft een soort ijzeren handje aan een uitschuif-stokje, die kan het zelf doen en een geluiden dat ze dan maakt’.
‘Wil jij alstublieft voor altijd mijn handje zijn lieveling?’ als vanzelf verplaatst ze een eigen hand naar zijn pantalon en geniet van de zwelling die ze waarneemt.
Ik ben blij dat ik mijn nachtkijker bij me heb. Anders had ik dit mooie tafereel niet kunnen waarnemen. Het is weer lekkere informatieve kost voor mijn onderzoek. Ik kan niet wachten totdat ik het kan toevoegen aan de rest van mijn story. Er zijn weer een aantal parallellen die ik kan trekken. Mooi. De nacht is nog lang. Wie weet vang ik nog een ander verhaal.
Juist nu ik tevreden mijn kijker aan zijn foedraal toevertrouw, hoor ik geluiden waarin geen woorden worden gesproken. Het herinnerde me aan mijn mopperende moeder vroeger, wanneer ze deeg kneedde dat té nat was. Maar dan zonder mopperen. Twee langgerekte kreten van verschillende toonhoogten volgen elkaar snel op en dan is het stil. Blij verrukt kan ik wel juichen. Een nieuwe doctor is opgestaan, snel mijn proefschrift afronden nu. Alleen die verrekte naam; ‘Interactie tussen extramurale prélude en coïtus’, is dat wel academisch genoeg?
(Co-column)
Themacolumn RWIB (Raad wie ik ben): Onderwerp is erotiek
Anoniem geplaatst onder account RWIB. De lezers raden wie de column geschreven heeft.
Co-column geschreven met Libelle
Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.
Er zijn mensen die werkelijk van alles kunnen. Ze zijn van alle markten thuis. Ze kennen de markt op hun duimpje. De bouwmarkt, de groentemarkt, de rommelmarkt, de vlooienmarkt, kaasmarkt, paardenmarkt, kerstmarkt, koning(innen)markt en niet te vergeten de zwarte markt, ook wel marktplaats.nl genoemd. Ze snuffelen zich helemaal suf. En als ze het dan niet kunnen vinden. Ja, dan bestormen ze mijn bos. Gris mich nich. Het bos dient dan als troost- of inspiratieplek.
Voor de mistroostigen biedt het groen rust. Het is niet niks als je iets niet kunt vinden of verzinnen. Het verlies nemen is dan het meest lastige van de zoektocht. De gedachte dat alle energie tot niets heeft geleid is fnuikend. Veel mistroostigen beschouwen zichzelf op zo’n moment als klushout, een hout in klussen. Krijgen de klus niet geklaard en raken als zodanig behoorlijk de kluts kwijt. Om die reden steek ik de mistroostigen in het bos altijd een hart onder de riem.
Ik laat dan meestal de natuur zelf spreken. In al haar schoon- en wijsheid. Opdat de mistroostigen ervaren en zien wat voor een prachtige filosofie ten grondslag ligt aan het leven en de dood. De weg. Want daar draait het om. Niet om de aankomst. Zoals ook een Tour de France veel meer is dan de dagprijs of een optelsom van dagprijzen. Het is bovenal een avontuur gezien vanuit een helicopterview, achter op de motor of zo maar naast de kant. Het zijn meestal de toeschouwers en verslaggevers die het best ervaren wat er daadwerkelijk gebeurd.
Zodra een mistroostige zich tot mij wendt om aan mijn schouder uit te huilen, wijs ik hem of haar altijd op de schoon- en wijsheid van de weg die zij bewandelt. Maar waarheen leidt die weg? Dat is wat ze willen weten. En ik zeg dan troostend. Tot niets. Helemaal niets. Maar dat is juist het mooie. Niets is luchtledig, een punt, geen richting. Daar wil je dus niet aankomen. Maak daar alsjeblieft geen punt van. Blijf zoeken, juist naar richting en het komt allemaal goed. Als daarna het licht nog niet gaat schijnen dan gooi ik het op inspiratie.
Inspiratie, een laatste redmiddel voor mistroostigen. Want daar waar inspiratie groeit wordt honger gestild. En wat wil je nog meer in een consumptiemaatschappij. Het geluk wordt vaak afgelezen aan degene die de kleinste honger heeft. En dat zou ik nu voor eens en voor altijd de kop in willen drukken. Het is namelijk de honger die ons voedt. Ben er zuinig op. Hoe groter de honger hoe groter het geluk. Is de honger uitgeput en moe? Laaf hem dan aan de bossen van schoon- en wijsheid en alles komt goed.
Toffe pap (van Bambino) / Vervolg verhalen / 10-07-2013
Mijn papa houdt van mij. Echt wel. Dat zegt ie echt iedere dag. Leuk hè. Ik heb echt een toffe pap. Alleen als ik ondeugend ben is ie niet zo leuk. Zoals gisteren. Hij zat weer achter zijn PC. En maar piepen en zuchten. Traag internet. Zei hij. Ons mam werd er helemaal gek van. Hou toch eens op met die zever. Zever? Dacht ik. Dat is toch mijn terrein. Als ik nou eens heel hard zou zeveren. Dan word papa misschien weer blij. Maar dan moet ik wel kiezen. Tussen ruzie met mams of paps. Ik kies dan liever voor de eerste. Mam … mam … ik moet heel erg poepen. Maar ventje toch? Dat kun je toch heel goed zelf. Ja, maar het doet zo’n pijn. Ja ho even, je bent toch geen kleine bambino meer. Wat doet zo’n pijn? Nou als ik met mijn plasser tussen de rits kom. Ja, maar je gaat toch poepen? Ja, maar daarna moet ik altijd nog even plassen. Zucht. Mams is er helemaal klaar mee. Dat heb ik mooi voor elkaar. Nu kan paps tenminste weer verder op z’n PC. Diep ademhalen. Als ie geduldig is. En z’n rode oren kan verbergen. Die krijgt ie altijd van pornosites. Ik ken mijn pappa. Hij ziet niet dat de pornosites in de kamerraam weerspiegelen. Dom, dom, dom. Maar mama heeft gelukkig niets in de gaten. Lekker puh. Paps is mijn beste maatje. Die moet ik te vriend houden. Toch? Mam. Ik ben klaar. Kom je even helpen? Maar je hebt helemaal niet gepoept. Wat zijn dat voor streken. Geen streken mam. Geen strepen. Alleen maar gele plas vandaag. Sorry. Als mam de kamer in loopt zie ik in het kamerraam de pornosite snel wegflitsen. Best jammer. Van afstand vlogen de blote borsten keihard door beeld. Wat zeg ik. Bijna buiten beeld. Die stoute papa toch. Mams moest eens weten. Die heeft ook van die …
Snoepborsten (van Bambino) / Vervolg verhalen / 15-07-2013
Ik ben een echt mama’s kindje. Hoe dat zo? Niet zo moeilijk. Ik ben namelijk helemaal verliefd op haar snoepborsten. Klein maar fijn. Ik mag er nog steeds van genieten. Waarom? Omdat ons mams dat fijn vindt. Ze geniet er zelf ook van. Ze vindt mijn gezoebel hartstikke lekker. Paps vindt het minder. Moet je dat joch nu nog steeds voeden? Hij is allang geen bambino meer. Je borsten zijn toch geen Zeeuwse babbelaars?
Tja, ik zet er graag mijn tanden in. Maar dat mag dan weer niet. Alleen sloeberen en zoebelen mag ik. Dat is niet erg hoor. Met getuite lippen sloeber ik de warme melk naar binnen. Sloeberen en zoebelen. Dat doe ik het liefst. Bij het sloeberen haak ik mijn boven- en ondertandjes voorzichtjes in de donkerroze tepel. Mama noemt mij dan haar lief konijn. Bij het zoebelen laten mijn tandjes de tepel los. Met naar binnen geperste lippen zuig ik dan het roze vlees en de melk binnen. Dat vindt mama ook fijn. Papa vindt dat maar niets. Hij schudt alleen maar met zijn hoofd. Van links naar rechts. Hij kijkt dan soms sip en soms boos. Mams geeft hem dan meestal een knipoog. Als er wat overblijft mag jij straks ook. Dan verschijnt er een vette glimlach op paps gezicht.
Die snoepborsten van mama zijn mijn en papa’s beste vrienden. Het gekke is alleen dat mama anders reageert als papa aan haar borst sloebert. Dat zag en hoorde ik laatst op de slaapkamer. Zij noemt papa dan geen lief konijn maar geile beer. Ik vraag me dan af wat er uit de snoepborsten komt. Toch, geen honing hoop ik? Dan word ik pas echt jaloers. Af en toe hoor ik mama ook gillen. Aparte gilletjes zijn het. Het lijkt een beetje op het geluid dat duiven en kippen maken. En heel soms hoor ik ook au, au, au! Zouden het dan toch Zeeuwse babbelaars zijn?
Die blijven ook altijd tussen mijn tanden plakken. Dat is best lekker maar doet soms ook wat pijn. De geluiden in de slaapkamer nemen na een poosje in volume toe. Totdat papa als een haantje kraait. Kukelekuuuuuu !!! En mama volgt. Kukelekuuuuu !!! Daarna is het meestal stil. De melk is op denk ik dan. Niet erg. ’s Nachts lopen de snoepborsten van mams altijd weer vol. In de ochtend mag ik als eerste aanleggen en is er altijd genoeg. Morgen is het zaterdag. Mijn papa heeft twee hengels gekocht. Drie keer raden wat we gaan doen? Ik zie er nu al naar uit.
Stoer (van Bambino) / Vervolg verhalen / 16-07-2013
Mijn papa is de stoerste papa die er is. Hij is super, super, super stoer. Hij is zo stoer dat hij bijna niet meer in huis past. Opgezwollen stoer. Zo noemt mams het. Dan stuurt ze paps altijd naar buiten. Meestal op tijd, maar soms net te laat. Als hij dan weer eens bezwijkt onder de stoerdruk verliest ie meestal zijn hoofd. Mams wijst hem dan op z’n oren en neusgaten. Want daar is de stoerdruk altijd aan af te lezen. Alle gaten blazen dan stoom. Best wel grappig.
Soms gaat het zo hard dat zijn hoofd begint te fluiten. Mijn paps zien stoomfluiten is geen gezicht. Hij is in adamskostuum tenger en spierwit. Dat heb ik gezien toen hij uit de douche kwam. Het ziet er niet uit als ons paps zich opblaast. Zijn nek en hoofd, rood van stoerheid, vastgespijkerd op een witte kippenborst. Maar mams heeft het meestal op tijd in de gaten. Gelukkig maar. Ik schaam me kapot als mijn pa als opgeblazen zoutstengel met mij door de buurt loop. Ik kan dan ook moeilijk in zijn schaduw lopen. Zo mager is ie. Ik zou dat wel willen. En liefst zo snel als Lucky Luke. Die schiet met zijn klappertjespistool sneller dan zijn eigen schaduw. Dat is pas stoer.
“Ga je nog mee vissen, jong?”, vraagt pap. Ik spring een half metertje de lucht in. Joepie. Het gaat er eindelijk van komen. Het was wel een heel gedoe, al die visvoorbereidingen. Mijn pap moest eerst uitvogelen hoe het allemaal werkt. Eigenlijk is hij veel meer een uitvogelaar dan een uitvisser. Nee, nee, nee, fout, een thuisvogelaar is ie, met zijn verrekte kanaries. Ik kan ze niet uitstaan die domme beesten. Ze maken altijd een vreselijk kabaal en kijken ook nog eens zuur. Citroenen op pootjes zijn het. Ik zou ze zo willen uitpersen. Ze krijgen ook meer aandacht dan ze verdienen, die zenuwpezen. Zou mijn paps het daarvan hebben? Nee, Bambino, fout. Jouw papa is stoer, niet zenuwachtig. Toch niet voor een vispartijtje? Dat gaat echt niet samen, zenuwachtig stoer. Nu mijn papa niet bezweken is onder de stoerdruk, kunnen we eindelijk op pad.
We gaan vissen in de Zalmschotel, een klein vijvertje voor beginners. Papa is ook een beginner. Ik beloof mezelf om geen moeilijke vragen te stellen. Op internet heb ik snel een spoedcursusje vissen bekeken. Zolang we niet gaan vliegvissen komt het goed. Ik bekijk met een kritische blik de bamboehengels die papa uit het plastic haalt. Ze hebben knalrode dobbers. En ik denk onmiddellijk, wie komt daar nu op af? Rood is de kleur van alarm. Dat vertelde de juffrouw afgelopen week. Ik zeg maar niets tegen paps. Ik vind het veel te leuk om hem stoer te zien doen. Toffe pap heb ik hoor. Ga maar effe zitten jong, zegt paps. Ik moet nog even de lijn aanbrengen en het aas aan het haakje rijgen. Zo gebeurd.
Een uur later zitten de lijnen aan de bamboehengels. Maar met het aas wil het niet goed lukken. De maaien kronkelen uit zijn handen en vallen van de haak als hij ze daarop spiest. Dwars doormidden vallen ze op de grond. Het haakje is ook veel te groot. De stoerheid van paps begint langzaam weg te ebben. Als eindelijk de hengels klaar zijn voor hun visdoop, slaakt papa gecamoufleerd en stilletjes een diepe zucht, van opluchting. Ik heb het toch gezien. Paps geeft me een vette knipoog. Bijna net zo vet als de maai die spartelend boven de waterspiegel hangt, wachtend op zijn noodlot. Daar is niets stoers aan. In plaats van voor de leeuwen, voor de vissen geworpen te worden, is behoorlijk gezichtsverlies. Ook voor een maai.
Daar ga je dan, roept mijn vader richting maai, doe je best. Ik volg zijn voorbeeld. Wetend dat het een lange middag wordt. Maar ik zit hier wel mooi te vissen met een trotse pa. De spanning is te snijden boven het water. Aan de oever niet. Vaders en zonen hebben weinig woorden nodig om elkaar te verstaan. En ik, ik voel me enorm trots. Ik heb maandag spannende verhalen te vertellen op school. Over bijtende vissen en verdronken maaien. Na drie uur hebben we nog niets gevangen. De buurman wel. Die heeft nu heel erg beet. Zijn hengel breekt bijna in twee. We besluiten snel te gaan kijken. Want dit is spannend.
Onze buurman trekt een flinke karper uit de Zalmschotel. Apetrots laat ie hem zien, trekt hem van de haak en houdt de karper voor zijn borst. Een joekel van een karper. Mijn pa en ik druipen af naar onze vissersstoeltjes. Ik haal mijn hengel binnen. Met een afgekloven maai, maar mooi geen vis. Pech weer. Maar mijn vader … mijn vader … mijn paps … hij heeft beet! Een superklein stekelbaarsje is per ongeluk tegen de haak gezwommen en heeft waarschijnlijk van schrik in de haak gehapt. Maar … en dat is het belangrijkst … we hebben beet! We kunnen naar huis. Heel erg benieuwd naar de reactie van mams. Want die zorgt voor het eten en wacht op …
Over de rooie (van Bambino) / Vervolg verhalen / 19-07-2013
“Annie, Annie, kijk eens wat we gevangen hebben?” Vol trots houdt paps een flinke karper de lucht in. Ik herken dat beest. Dat is de vangst van de buurman. Hoe heeft ie dat gefikst? Pa geeft me een vette knipoog en toont mams de vette vis. Die trekt haar neus op en smijt de karper op de aanrecht. Zonder een woord te zeggen. “Ben je niet trots op onze Bambino, die heeft hem gevangen, goed hè?” Mams kijkt me aan met een blik die mij bekend voorkomt en niet veel goeds voorspelt. “Eigenlijk heeft pap hem gevangen, mams, heel stoer.” “Nou dat hebben jullie dan goed voor elkaar. Goh, wat een lucht hangt er aan die vis, ik ga hem snel schoonmaken.”
Het gaat allemaal niet van harte. Mams kijkt ons boos aan. “Doe die vieze kleren eens gauw uit. Ik heb hier net de keuken gepoetst. Zien jullie dat niet?” Mams zit in de moppermood. “En die visspullen die wil ik niet hier in de keuken hebben. Kijk eens wat een vuiligheid. Weg ermee, die spullen horen in de garage. Dat weten jullie toch!? Godsamme, mannen, wat heb je er aan, wie heeft ze ooit verzonnen?” Paps en ik kijken elkaar aan. De signalen zijn duidelijk. Zonder woorden er aan vuil te maken weten we wat ons te doen staat. Gehoorzamen en terugtrekken. Nadat we de spullen hebben opgeruimd en ons hebben omgekleed ploffen we op de bank en zetten een videootje aan. Mams, vliegt de kamer in. “Die voeten van tafel, en gauw een beetje. Zijn jullie helemaal gek geworden? Ik ben gekke Jetje niet. Die tafel is net in de boenwas gezet.” We laten de orkaan rustig over ons heen komen. Maar mams krijgt er geen genoeg van. “Kan die TV niet wat zachter, hij staat wel heel hard. Hebben jullie misschien stopverf in je oren?” Zonder protest zetten paps en ik onze voeten op de grond. De TV gaat naar stand easy listening.
In de keuken klinkt gevloek en getier. De vis wil niet meewerken onder mams handen. Ze wordt zo boos op de karper dat ze hem met zijn visharsens op de aanrecht murw slaat. Dat lucht op. De keukendeur staat net ver genoeg open dat ik de visworstelingen van mama goed kan bekijken. De taferelen van mams zijn veel leuker dan de video. Gekleed in witte schort, de handen gebald in de zij, de borsten naar voren en met opgetrokken neus, lijkt ze verdomd veel op de vrouw van de visboer uit Asterix en Obelix. Hoe heet zij ook alweer. Forentientje, ja, ja, ik weet het weer, getrouwd met Kostunrix. Als dat maar goed afloopt.
“Kunnen we helpen?” Probeert paps. “Laat me met rust.” Klinkt het nors uit de keuken. Ach ja, het zijn zo van die dagen. Het is even rustig in de keuken. De vis wordt schoongemaakt en verdwijnt in de koelkast. “Ik ga me even douchen jongens, want ik voel me vis … eehhh … vies. En haal godverdomme die voeten nu eens van tafel. Ik hoef hier mijn kont maar te draaien of jullie gaan weer je eigen gang. Al dat werk voor niets. Kijk eens wat een zweetvlekken op tafel?” Demonstratief gaat mams tussen de salontafel en de TV staan. “Nou, komt er nog wat van?” Zuchtend zetten we de voeten weer op de grond. Mams loopt naar boven. Het geluid van de geiser in de keuken verstoort het geluid van de video. “Kan die TV niet zachter!” Klinkt het vanuit de douche. God wat is dat mens aanwezig vandaag.
Na een kwartier horen we de stofzuiger boven. Overduidelijk een gevalletje poetsmood. Mijn vader en ik weten voldoende. Zwijgzaam wisselen we de video. Het is tijd voor een beetje stemming, humor en verdriet. Annie gaat erin. Annie de musical. Rooie Annie. Het volume gaat op 10. Maar pas nadat paps en ik onze koptelefoons hebben opgezet. Het ultieme wapen tegen stofzuigergeluid en poesgemopper.
Vakanti (van Bambino) / Vervolg verhalen / 24-07-2013
Sommige woorden zijn best moeilijk. Paps en mams gebruiken er veel. Als ik iets niet weet dan helpen ze mij daarbij. Dat vind ik tof. Ze vinden me een echte wijsneus. Daar heb je zo’n woord. Wijsneus. Is dat een neus die wijst? Waar wijst ie dan naar toe? Bij mij gewoon naar voren. Of is het een neus die zingt? Een leuk wijsje? Dan kun je het net zo goed een fluitneus noemen. Maar dat vinden paps en mams maar niets. Zo mag ik mijn fluitneus niet in andermans zaken steken. Flauw. Anderen doen dat namelijk wel bij mij. Bah. Vies. Raar woord hoor wijsneus. Zou er ook een wijsneuzenschool zijn? Of een onwijsneuzenschool. Dat lijkt me hartstikke leuk. Kun je onwijs met je neus spelen. Of onwijs een lange neus maken naar de juf. Dat vindt ze leuk.
Mijn juf is een echte stoeipoes. Dat zegt mijn vader als ie mij komt ophalen van school. Tegen de buurman. Stoeipoes. Ook al zo’n maf woord. Een poes stoeit niet. Een hond wel. Op zijn hondjes. Ha, ha. Dat zegt mijn paps ook tegen de buurman. Met die stoeipoes wil ik wel eens op z’n hondjes. Ach, mijn paps is ook wel een beetje maf. Malloot. Dat hoorde ik laatst op de televisie. Een stelletje malloten had een trein gemollesteerd. Wat is nou een malloot? Iemand die gek gokt? Of iemand die jonge takjes gipst, in een lootmal? Moeilijk, moeilijk. En dan noemen ze mij een wijsneus. Ik wijs nergens naar. En zeker niet met mijn neus. Ik wijs mijn neus ook nooit in de lucht. Dat is arrogant.
Arrogant? Daar heb ik mijn tanden op stuk gebeten. Ik heb het woord van achter naar voren onderzocht. Daar kom ik niet echt wijs uit. Het is een woord dat mijn moeder altijd gebruikt als ze het over haar zus heeft. Met die ar en die rog kan ik nog wat. Ik zie het al voor me. Zo’n maffe vis die sleetje rijdt. Maar wat die ant erbij moet? Geen idee. Zo’n woord blijft dan kriebelen. Ant. Misschien moet ik het mijn vriendje Adam eens vragen. Die weet nogal veel. Die heeft een hoog iek u gehalte. Daar zeggen ze later als ie groot is u tegen. Iek … u?. Volgens mijn vader heb ik ook een hoog iek u gehalte. Nou daar ben ik blij mee. Ik heb een hoog iek u en een wijsneus. Tegen niemand verder vertellen hoor.
Het is nu vakanti. Over dat woord heb ik me ook verbaast. Het is een woord dat een vreemde uitwerking heeft op mensen. Ze zuchten als ze het woord uitspreken. Ze gebruiken het meestal in combinatie met eindelijk. Ze zijn er ook altijd aan toe. Dan denk ik. ‘Oh, is vakanti dan een toetje?’ En belangrijker, smaakt het net als ijs naar meer? In ieder geval lust iedereen er pap van. Net als mijn juf, de stoeipoes. Volgens mijn paps dan, en de buurman. Als ik een woord moeilijk vind dan draai ik het altijd om. Anti vak. Dat ben je dus als je vakanti hebt. Veel mensen lopen weg met dit woord. Ze hangen dan een caravan of vouwwagen achter hun auto. En hup, wegwezen. Wij lenen altijd de caravan van Cara, de zus van mijn vader, mijn tante. Die gebruikt hem nooit. Die gaat altijd met een tent op vakanti. Op wollen sokken. Volgens mijn vader. Raar hoor. Op wollen sokken, hartje zomer, bij 30 graden.
De buurman gaat altijd met de vouwwagen. Hij belt dan eerst met zo’n geel autootje van de ANWB. Die strijkt dan alle plooien recht en haalt alle vouwen uit de auto. Ja, anders kunnen ze niet met vakanti. Ik blijf het een raar woord vinden. Vakanti. Het mist ook iets. Het klinkt eigenlijk heel buitenlands. Een beetje Oostbloks, Pools, Roemeens, Hongaars, zoiets. Maar ja. Die Oostblokkers zijn ook altijd op vakanti. Volgens mijn paps en de buurman. Op bouwvakanti.
Bamboefontein (van Bambino) / Vervolg verhalen / 25-07-2013
Ik heb vandaag toch iets moois ontdekt. Mijn pielewiel kan exploderen. Vanochtend werd ik wakker en mijn kleine vlaggemast stond recht omhoog. Ik probeerde hem omlaag te duwen, maar hij veerde meteen weer terug. Dat is vreemd. Meestal doet mijn lijf en alles wat eraan hangt wat ik wil. Maar over mijn vlaggemast had ik vanochtend geen controle. Ook mijn poepgaatje bemoeide zich ermee. Het leek wel of ie persé tegen mijn mast aan wilde duwen. Onmogelijk, hoe dan ook. Hij zocht duidelijk contact met mijn piketpaaltje. Ik wilde hem nog met mijn vinger tot de orde roepen, maar dat had ik nou net niet moeten doen.
Mijn bamboestokje veerde extra hard en fier omhoog. Tot overmaat van ramp begon hij ook nog eens keihard te kloppen. Ik dacht, wat krijgen we nou? Het kloppen voelde eigenlijk wel prettig. Heel zachtjes tikte mijn piemel tegen mijn buik, telkens als ik mijn poepgaatje dichtkneep. Ik kreeg er een warm gevoel van. De bovenkant van de bamboestok probeerde nu uit zijn holletje te komen. Dat was een raar gezicht. Het leek wel of mijn piemel bloosde. Of had ie het gewoon warm? Ik pakte hem voorzichtig vast. Dat voelde fijn. Het warme kloppen van mijn piketpaaltje gaf mij bijzondere rillingen. Het kloppen van mijn piemel leek zich voort te zetten in mijn hele lijf. Ik kreeg het er warm van. In de spiegel zag ik dat mijn hoofd net zo rood werd als het topje van mijn bamboestok.
Mijn poepgaatje vond het maar niets. Hij schreeuwde om aandacht. Ik stak er voorzichtig mijn wijsvinger in en verhip, mijn soepstengel sprong bijna uit zijn vel. Wat was dat prettig. Ik ging er eens goed bij liggen. De piemel in mijn hand werd steeds warmer en harder. Het topje van mijn bamboestokje kwam steeds verder naar buiten gepiept. Hij had het natuurlijk warm. Ik trok de kraag die om zijn nek lag een beetje naar beneden. Oei … dat deed een beetje pijn. Maar wel fijn. Het bamboetopje ging er nog harder van blozen. Een warm gevoel zinderde door mijn onderbuik en stootte door naar mijn hart. Dat begon langzaam te bonzen. Het grappige was dat mijn hart in hetzelfde ritme bonsde als mijn pielewiel.
De kraag van mijn pielewiel begon steeds soepeler te bewegen. Ik trok hem nu zo ver mogelijk omlaag. Dat ging niet helemaal lekker. Ergens zat de kraag vast achter in de nek van mijn bamboestok, alsof ie aan een haakje hing. Het was intussen een behoorlijke stok geworden. Hij stond nu heftig in brand. Uit de badkamer haalde ik vlug een koud nat washandje. Zo, dat koelde lekker af. Mijn piemel voelde nu aan als een lekkere ijslolly. Jammer dat ik er niet bij kon. Zou er best wel eens aan willen zuigen. Grappig zo’n ijslolly met een rode kop. Zou die nog meer kleuren kunnen krijgen? Het warme, prettige gevoel in mijn lijf bleef aanhouden. Ik trok de bamboestok in zijn kraag langzaam op en neer. Oei … oei … oei … wat was dat lekker.
Vanuit mijn poepgaatje gebeurde nu ook weer van alles. Hij leek steeds dichter tegen mijn piketpaal aan te willen schuren. Hij trok ook zo nu en dan samen. Hij spande natuurlijk samen met mijn pielewiel. Hij dacht zeker: hij aandacht, dan ik ook aandacht. Mijn bamboetop stond nu compleet in de fik en … heel vreemd … er leek nu ook langzaam iets omhoog te kruipen. Vanuit mijn onderbuik. Nee, nee, lager. Verrek, er stroomde iets in mijn knikkers onder de bamboestok. Mijn gladde knikkers, ze stonden strak van de spanning. Ik voelde het. Ze kriebelden ook enorm. Ontzettend hete kriebels. Mijn pielewiel stond nu volledig in lichterlaaie.
Subtiel bleef ik met het iets te strakke kraagje over de rode bamboebobbel strelen. Telkens flitste er heerlijke scheuten door mijn lijf. Ik voelde ze tot aan mijn tenen. Langzaam voerde ik het tempo van mijn handgeschuif op. Mijn hoofd voelde nu als een vuurtoren die niet wist waar hij zijn licht moest laten schijnen. Kleine stroomstoten vlogen naar de bamboetop. Een weldadig en wellustig gevoel maakte zich van mij meester. Ik kreeg er geen genoeg van.
Totdat … todat … totdat een enorme bliksemuitslag volgde. Kokhalzend spoot er ineens warme karnemelk uit de bamboestok. Mijn bamboe spuugde gif en genot. Spetters melk vlogen rond mijn oren. Een warme gloed trok door mijn hele lichaam. Mijn poepgaatje ontspande eindelijk, net als de rest van mijn lijf. Dat gaf lucht. Zucht. Wat een heerlijke ontdekking vanochtend. De explosie van mijn bamboestok. Wat een heerlijke bevrediging en wat een plakzooi. Nog een keer?
Knokkelkootje / Raad wie ik ben / Themacolumn / 30-07-2013
Het is donker, heel donker in het steegje. Ik kijk mijn ogen uit. Maar zie door de duisternis alleen maar vage silhouetten. Ze bewegen heel traag. Gaan langzaam op en neer. Het geluid dat ze maken is diep en bronstig.
Je zou een vluggertje verwachten hier, hijgende en pulserende lichamen, fanatiek uit op een snelle bevrediging van bijna dierlijke, instinctieve behoeften. Om daarna snel uit de muffe omgeving te vertrekken, in tegengestelde richtingen. Langzaam wennen mijn ogen aan de duisternis of ik nu wil of niet.
‘Nee, nee, oog. Ja, ja, jahhhh, ah lekker. Lekker. Lager, lager, ja, een beetje naar rechts. En nu, ja, nu met je kootje, ja, ja, jahhhh. Ohhhhh … ohhh … wat fijn. Zakken, zakken. Hard, harder. Ja, links, naar links, lin … lin … linksssss … jahhhh. Man, man, wat heb ik een jeuk. Hoger, ja, ja, daar tussen in. Met je knokkelkootje. Nu, ja, ja, jaaaa ….’
‘Hoe is het toch mogelijk dat juist wij elkaar hebben gevonden schat’, ze knoopt haar blouse dicht terwijl hij aan zijn stropdas staat te frunniken. ‘En allebei op de zelfde plaats ook nog’, giechelt hij. ‘Mijn moeder heeft een soort ijzeren handje aan een uitschuif-stokje, die kan het zelf doen en een geluiden dat ze dan maakt’.
‘Wil jij alstublieft voor altijd mijn handje zijn lieveling?’ als vanzelf verplaatst ze een eigen hand naar zijn pantalon en geniet van de zwelling die ze waarneemt.
Ik ben blij dat ik mijn nachtkijker bij me heb. Anders had ik dit mooie tafereel niet kunnen waarnemen. Het is weer lekkere informatieve kost voor mijn onderzoek. Ik kan niet wachten totdat ik het kan toevoegen aan de rest van mijn story. Er zijn weer een aantal parallellen die ik kan trekken. Mooi. De nacht is nog lang. Wie weet vang ik nog een ander verhaal.
Juist nu ik tevreden mijn kijker aan zijn foedraal toevertrouw, hoor ik geluiden waarin geen woorden worden gesproken. Het herinnerde me aan mijn mopperende moeder vroeger, wanneer ze deeg kneedde dat té nat was. Maar dan zonder mopperen. Twee langgerekte kreten van verschillende toonhoogten volgen elkaar snel op en dan is het stil. Blij verrukt kan ik wel juichen. Een nieuwe doctor is opgestaan, snel mijn proefschrift afronden nu. Alleen die verrekte naam; ‘Interactie tussen extramurale prélude en coïtus’, is dat wel academisch genoeg?
(Co-column)
Themacolumn RWIB (Raad wie ik ben): Onderwerp is erotiek
Anoniem geplaatst onder account RWIB. De lezers raden wie de column geschreven heeft.
Co-column geschreven met Libelle
Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.
Abonneren op:
Posts (Atom)