Posts tonen met het label mien waarheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label mien waarheid. Alle posts tonen

24-06-2025

Mien korte verhalen (66 + 67) met kleine grote waarheid

66) Bevroren buikpijn (20-06-2025)
 
Op dunne trillende beentjes sta ik op de rand van het Sportfondsenbad, in mijn donkergroene zwembroek bedrukt met kleine gele kano's. Het is vandaag afzwemmen voor diploma A. Ik krul de tenen van mijn voeten wat naar binnen op de natte, koude vloer. Ik ben zenuwachtig, maar het moet lukken. Mijn broer is het ook gelukt, de vorige eigenaar van mijn zwembroek. Er prijkt al een klein wit groen diploma op de voorkant van de zwembroek. Door broer Twan vorig jaar gehaald en door mams vakkundig erop genaaid. Maar ik moet nog. Het laatste onderdeel, 60 seconden watertrappelen ... en in het diepe springen. Vanaf het trapje het zwembad in gaan is voelt al als een grote opgave, laat staan springen.

De adem stokt in mijn keel. Er is niemand om me aan te moedigen. Papa werkt en mama heeft geen tijd, gaat niet graag de deur uit, komt liever niet onder de mensen. Ik moet het alleen doen en weet ook dat ik  het durf en kan. Maar het donkerblauwe water ziet er dreigend uit. Vorige keren ging het allemaal goed. Nu sluipt de angst binnen, gevoed door mijn fantasierijke verbeelding. Ik vlucht in mijn gedachten.

Een groot monster wacht onder de waterspiegel, zeker weten. Die slurpt me straks in een slok naar binnen. Of nee, het zijn allemaal kleine piranha's die me, van teen tot hoofd, in 10 seconden zullen wegvreten. Mijn gedachten worden alsmaar erger. Een grote waterwurgslang kringelt zich om mij heen en trekt me omlaag. Langzaam zal ik stikken, geen lucht meer krijgen onder water en de slang zal me wurgen en opeten. 

De zwemleraar telt af tot drie, een scherp fluitsignaal klinkt. Het zwembad verandert in een groot schuimbad met spartelende kleine mensjes. Het is wachten op Jaws. Maar niet voor mij. Ik sta nog aan de waterkant. Bevroren door buikpijn. Gelukkig krijg ik een herkansing en slaag.

Eerder gepubliceerd (geschreven in de derde persoon) op Schrijven Online naar aanleiding van een wekelijks schrijfopdracht. Aangepast naar de eerste persoon. 


67) Duimdiploma (24-06-2025)
 
Een heuglijke dag vandaag. De uitslag van de eindexamens is bekend en daarmee is het momentum aanstaande of ik al dan niet geslaagd ben voor mijn vwo. Voor vele klasgenoten een formaliteit, want ze weten dat ze goed gescoord hebben bij de schoolonderzoeken. De schriftelijke examens zijn altijd makkelijker. Met mij zijn er pakweg twee of drie klasgenoten die in een lastig pakket zitten. De onrust in mijn thuissituatie is niet echt om naar huis te schrijven en in de afgelopen jaren niet bepaald een voedingsbodem voor een succesvolle middelbare schooltijd gebleken. Het gebrek aan rust en concentratie en de ontwikkelingen in mijn puberbrein staan niet garant voor een glansrijk slagen. Sterker nog, ik heb bange vermoedens dat de schriftelijke examens niet voldoende compensatie zullen bieden aan mijn huidige resultaten van de schoolonderzoeken. Een of twee herexamens, daar ben ik bang voor. 
 
En ja hoor. Daar gaat de telefoon al. Mijn klassendocent economie stelt me op de hoogte van de uitslag. Ik ben een van de eersten die hij belt en dat is geen goed teken. Ik ben helaas gezakt voor twee vakken. Economie en aardrijkskunde. En de uitslagen van de andere vakken zijn ook niet echt om over naar huis te schrijven. Ik zwijg en denk kort terug aan een gesprek dat ik een paar weken geleden met hem had over mijn presteren en mijn toekomst. Dat ik er met de pet naar gooide, onvolwassen gedrag vertoonde en dat ik gezien de thuissituatie, ook verdriet deed aan mijn vader. Dat ik niet zou slagen voor het examen en het ook niet zou redden op een universiteit of hogeschool. Dat er iets moest veranderen aan mijn attitude. Harde woorden die zich in mijn hoofd nestelden en niet ik niet snel vergat. Ik kan het me nog goed herinneren. Mijn voorstellingsvermogen ging het te boven. Een klassendocent is er toch om steun te bieden, waar dan? Alleen maar negatief en schoppen onder mijn kont. En ja, thuis is het kut. Maar daar kan ik weinig aan veranderen. Ik troost me bij de gedachten dat ik mijn heil vind in de sport en bij mijn sportvrienden. En dan nu ... gezakt? Ik hoor het hem opnieuw bijna smalend zeggen. Hij voegt er nog aan toe, dat ik mijn stinkende best moet doen de komende weken om de herexamens alsnog te halen en wenst me daar veel sterkte bij. Veel succes. Hij moet nog veel mensen bellen.
 
Een paar weken later. De herexamens zijn geweest. Ik weet niet of ik ze gehaald heb. Beiden moeten ze voldoende zijn voor een vwo diploma. Ik wil niet nog een jaar overdoen. Maar ik heb gelukkig nog wel een troef in handen. Mijn stil gekoesterde wens om naar de Katholieke Academie voor Lichamelijke Oefening te gaan is bijna binnen handbereik. Ik ben geslaagd voor het toelatingsexamen en ook het motivatiegesprek verliep uitstekend. Ik weet dus bijna zeker dat ik het komend jaar in Tilburg ga studeren. Voorwaarde is wel dat ik minimaal een havo diploma heb. Ik hoef dus maar een van de twee herexamens te halen om in aanmerking te komen voor een havo diploma. Een duimdiploma heet dat dan. Hoe dat zo? Nou, je legt op een van de zeven vwo vakken een duim, eentje waar je een onvoldoende voor hebt ... en voilà ... geslaagd voor de havo. Intussen kan ik mijn nieuwsgierigheid niet bedwingen en zoek contact met mijn docent aardrijkskunde. Die mag eigenlijk niet uit de school klappen, maar heeft gelukkig een zwak voor mij. Iemand die wel in mij gelooft. En hij zegt niet wat de score is maar laat wel weten dat het eindresultaat voor aardrijkskunde een voldoende is. Ik spring een gat in de lucht.
 
Een dag later belt de klassendocent economie. Geheimzinnig doet hij over de uitslag van mijn herexamen economie, nadat hij eerst vertelt dat ik voor aardrijkskunde een voldoende heb gescoord. Uitgebreid begint hij eerst het herexamen Economie te bespreken ... en besluit mijn stoute schoenen aan te trekken ... ik heb tabak van zijn gespeel ... en leg hem uit dat mij niet meer boeit hoe ik het herexamen heb gemaakt en wat de uitslag is. Ik heb aardrijkskunde toch gehaald? Nou, dan kan ik naar de Sportacademie. Dan heb ik toch al een havo diploma. Het valt even stil aan de overkant. En dan volgt een zakelijk stem. Je hebt ook voor Economie een voldoende gehaald. Je bent geslaagd. Gefeliciteerd. Ik hang de telefoon op en denk ... wat een lul. 
 
Drie jaar later ontmoet ik in het weekend in mijn stamcafé van vroeger mijn klassendocent aan de bar. Hij zit voorover gebogen boven een bierglas. Hij ziet er droef en dronken uit en doet zijn verhaal. Hij is gescheiden, zijn vrouw heeft hem verlaten en vertelt aan mij hoe kut de wereld is. Ik leg een arm om hem heen en denk ... tja ... wat denk ik precies? Ik weet het zelf even niet meer. Maar echt medelijden. Nee, niet echt. Daarvoor heeft hij mij te diep geraakt.
 

23-12-2024

Mien korte verhalen (64 + 65) met kleine grote waarheid

64) Dronkenschap met oud op nieuw (10-12-2024)

Oudjaarsavond en we verzamelen bij Marcel thuis. Dubbelfeest en gratis drinken. Het gaat een topavond worden, zeker weten. Langzaam stroomt iedereen binnen, op zijn paasbest gekleed, maar dan wel met dikke kleren. Het belooft een koude nieuwjaarsnacht te worden. We beginnen met biertjes. Altijd voorzichtig starten is het devies. Thuis heb ik al melk gedronken. Een vette bodem helpt een kater te voorkomen. Het liefst zou ik willen starten met een Brand Up. Dit zuivere bier zorgt ervoor dat je daarna alle biertjes door elkaar kunt drinken. Zelfs Stella Artois en Leeuwbier, bocht der bieren. Wel zo handig bij een kroegentocht die aanstonds is.
 
Het is vijf voor twaalf. We zijn inmiddels een paar biertjes en wat borrelhappen verder. Zo meteen gaan we luidkeels zingen en scharen ons alvast richting de pa van Marcel, het ultieme feestvarken voor vanavond. De kurken kunnen bijna los. Een ‘Lang zal hij leven’ en ‘Gelukkig nieuwjaar’ vallen samen. En dan ook nog eens vijftig worden. Een dikke proficiat dus voor pa. Daar moet op gedronken worden. Voor deze speciale keer mogen we aan de sterke drank. Maar wat moeten we kiezen? Sterke drank dat kennen we nog niet. Gin Fish en Cola Tic zijn wel vertrouwde en populaire drankjes, maar aan rum, whisky, cognac en jonge klare hebben we ons nog nooit gewaagd. Van het verdomde bier moet ik alweer plassen. Of is het van de zenuwen?
 
Terug van het toilet staat een groot glas troebele vloeistof op me te wachten. Mijn vrienden kijken me verwachtingsvol aan. Ik laat me niet kennen en drink het glas in een paar slokken leeg. Een smaaksensatie die zijn gelijke niet kent. Ik heb nog nooit iets anders dan bier gedronken. Het smaakt vies en smerig en er gebeurt iets met mijn hoofd. Het wordt ineens heel licht. Het lijkt zelfs heel even te zweven. Mijn vrienden applaudisseren. Sommige kijken wat verschrikt. Toch wel stoer die Mien.
 
Ik red het de rest van de nacht niet meer. Vanuit mijn maag komt ineens zuur opzetten. Een stroom van blubber borrelt hikkend en stotend door mijn slokdarm omhoog en valt niet meer te remmen. Ik houd mijn hand voor de mond. Tevergeefs. Een fontein van bruine modder proest uit mijn mond tussen de vingers door. Mijn vrienden wijken en lachen smalend. Het laatste drankje is toch verkeerd gevallen en ik ook. Twee vrienden vangen me net op tijd op en ik bungel in hun armen. Gevoelens van onmacht, schaamte en onzekerheid. Wat nu te doen?  Ik kan helaas niet meer verder. Er blijft niet veel meer over van stoere Mien.
 
Met veel moeite achterhalen mijn vrienden waar ik eventueel naartoe gebracht kan worden. Ik weet dat mijn vader en vriendin bij familie van zijn vriendin op bezoek zijn. Maar waar wonen die ook alweer? Een paar straten verder weet ik te vertellen, maar waar precies. Uiteindelijk vinden we het juiste adres. Dronken word ik afgeleverd. Mijn vader ongerust en boos. Ik wankel naar het toilet en doe de deur op slot. Versuft val ik in slaap. Slaapdronken dronken word ik eventjes later wakker van gestommel en gebonk op de deur. Het lukt me niet goed om de deur open te krijgen. Draai de knop de verkeerde kant uit. Uiteindelijk valt de deur open en ik van de pot. 



65) Dronkenschap in krantenwijk (23-12-2024)

Het leven voor een puber is duur. Zeker als hij bier en liefde ontdekt. Het kan nooit genoeg zijn. Wat dan helpt is een krantenwijk. Maar eerst natuurlijk de voorwaarden lezen. Mijn eerdere mièmere-avontuur, het tot in den treure plukken van rode bosbessen bij een onbeholpen boer die niet alleen de mièmere uitkneep maar ook mijzelf; door slechts een dubbeltje te betalen per grote krat, waarover ik bijna twee uur deed, noodzaakte tot goede voorlichting in de toekomst. Mijn vader sprong nog op de bres en bovenop de boer en vertelde hem wat voor een gierige krent hij was. Nee, dan liever kranten rondbrengen. Veel betere voorwaarden.

De tijden zijn ruim en makkelijk te behappen, maar veel te vroeg. De wijk is eenvoudig te belopen en het ophaalpunt is op fietsafstand. De reclamefolders, zelf te vouwen, leveren een welkome aanvulling op het karig loon. De eerste weken gaat het goed. Behalve op maandag. Sowieso een klote dag voor werklieden. Het weekend is immers voorbij. Maar niet voor deze jongen. Het weekend achtervolgt mij altijd en laat zelden los. Daarvoor is het veel te leuk en het wil ook nooit ophouden. Tot zondagavond laat wil het weekend altijd uitgelaten in de kroeg blijven hangen. Als het even kan ook nog over de bezem springen. De laatste drankjes vinden plaats achter gesloten gordijnen. En hoe?

En ja, dan loopt het soms uit de hand. Zijn de biertjes zo lekker dat ze als vanzelf naar binnen glijden. Eindeloos. Totdat de waard het echt genoeg vindt. Dan gaan we snel nog even naar de bakker. Die bakt al heerlijke warme broodjes en is altijd in voor stoere kroegverhalen. Het is dan vier uur in de ochtend. Nog even slapen en dan de kranten rondbrengen. De mensen wachten ook op het nieuws. Met twee uur slaap achter de kiezen is het dan een zware bevalling. En er zijn maandagen bij waarop het echt niet lukt. Maar dan sleurt pa mij uit bed. Ik zal en moet de kranten rondbrengen, hoe beroerd ik me ook voel. Het arbeidsethos is me met de paplepel ingegoten en zal nooit meer verdwijnen. De opstand ook niet. Die ligt nog in verse herinnering.

Met opkomend gal in mijn slokdarm sla ik het ontbijt over en haal de kranten op. Gelukkig is er niemand bij de uitgiftepost. De kranten liggen buiten. Het is goed weer. Het kost me heel veel moeite om de fietstassen te vullen. En het idee, nog een keer terug te moeten voor een tweede ronde, maakt me nog misselijker. Hoe ga ik dit in vredesnaam redden? Ik zwalk met mijn volgeladen fiets door de eerste straten van de wijk. Het lijkt allemaal eeuwen te duren. Ik zie de brievenbussen soms niet eens goed zitten. Ze zijn toch niet verplaatst? Ik ben gewoon nog dronken. En dat is niet van de slaap. Ik zie op de route iemand vanuit zijn huis naar me toe lopen. Heel lief vraagt de meneer of het wel goed met me gaat? Of ik niet een kopje koffie wil? De gedachte alleen al maakt dat ik kokhals. Ik weet het goed te verbergen en zeg vriendelijk nee. Het gaat wel weer. Ik voel in mijn rug dat ik bezorgd word nagekeken. Is het dan echt zo erg met mij?

Twee straten voor de flat waar ik woon houd ik het niet meer. En ik ben nog maar op een derde van mijn route. Dit red ik nooit. Ik voel weer gal opkomen en buikkrampen. Zo snel als mijn fysiek het toestaat, laat ik mijn fiets vallen en spring uit het zicht. Ik kruip achter wat struiken onder een balkon van de flat waar ik zojuist de kranten in de bus wil duwen en laat me vallen. Het gal brandt op mijn tong en in de keel. Ik walg van mezelf en weet geen blijf. Wat heb ik toch gedaan? Doodmoe word ik overvallen door slaap. Ik stop het gevecht en geef me over aan een diepe slaap, op de koude grond, onder het balkon.

Iemand tikt me op de schouder. Ik schrik wakker. Waar ben ik? Wie ben jij? Het is de krantenman. Shit. Bij reageert boos en terecht. Hij heeft diverse belletjes gehad dat de krant niet op tijd bezorgd is en is mijn route na gefietst. Het is ook al 10 uur. Zonder vragen te stellen helpt hij me overeind en maant mij de overige kranten zo snel mogelijk te bezorgen. Met het schaamrood op de kaken voldoe ik aan de opdracht. Kotsmisselijk, maar het lukt uiteindelijk. Ik heb ook nog eens vette mazzel. Ik word namelijk niet ontslagen, wat mij een dubbel gevoel geeft. De nood aan krantenbezorgers blijkt te hoog. Wel krijg ik een vriendelijk doch dringend verzoek om voortaan niet meer zoveel op zondag te drinken. Om 12 uur kruip ik lijkbleek weer in mijn mandje. Gelukkig is het vakantie. 

06-06-2024

Mien korte verhalen (62 + 63) met kleine grote waarheid

62) Dorstig zestien (31-05-2024)
 
Kratten bier en fris staan hoog opgestapeld in het souterrain van de vier etage-flat, gekleurde lampjes hangen aan het lage plafond en de muziekinstallatie is zojuist stevig uitgetest. Herman Brood klinkt heel 'shpritsz' door de boxen. Bijna is het saturdaynight en vier ik mijn verjaardag. Zestien jaar en heel dorstig. Dorstig om het te worden en dorstig om te zijn. Zou ze komen, mijn voormalige vlam? Het is nog niet zolang geleden en ze heeft al een nieuwe vriend. Haar gedroomde prins, ik weet het. Loslaten. Moeilijk. Iedereen is uitgenodigd. Familie, enkele klasgenoten en veel hockeyvrienden. Zou de trainer en de coach ook komen? Mijn stiefbroer draait nog wat aan de knoppen, het klinkt nog niet helemaal naar zijn zin. Zijn grote hobby, muziek. Ook de mijne, alleen onze smaken verschillen nogal. Heb hem dan ook de nodige instructies gegeven. Het is zeven uur in de avond en begin nu toch wel wat zenuwachtig te worden. Tijd voor een biertje. Intussen inspecteer ik de twee kelderruimtes voor de zoveelste keer. Alles hangt nog. De ballonnen, de slingers, de posters, de lampjes. Een gevoel van trots vervuld me. Ja, ik haat deze flat, het wonen veel te krap, met vieren in een veel te kleine flat. Maar feestvieren kan overal. Zeker in een gezellig sfeervol hol. Het zwarte plastic aan de muur laat nu toch een beetje los. Even beter vastmaken.
 
Langzaam komen de eerste gasten binnen. Familie voorop. Ze zijn er allemaal en ik neem de cadeaus in ontvangst. Ze glunderen bij het zien van mijn blije gezicht. Binnen no time komt ook de rest binnen. Ik heb er zin in en zo ook de gasten. Geen schroom en er wordt volop gedanst. Maar toch ... even overvalt mij de weemoed. Ik zie hoe Carolien dolverliefd is op Mark en het geeft me een misselijk gevoel. We hebben even oogcontact. Glimlachen volstaat. Ik geniet van mijn vrienden die uitzinnig dansen op de muziek. Alle klassiekers trekken voorbij. Deep Purple, Pink Floyd, Stones, Brood en Beatles en ja ook af en toe een Abba-tje. Mijn stiefbroer draait goed. De biertjes gaan er goed in. En heel langzaam verandert de kelderruimte in een bad cave met bier- en zweetlucht. Het zwarte plastic zeil schreit tranen van plezier. De goedkope geurtjes zijn allang verdwenen uit de lucht. Ik glunder tot achter mijn oren. Mijn vader praat met mijn hockeytrainer en met mijn coach, ze zijn toch gekomen. Laat, but who cares? Tot in de kleine uurtjes gaan het feest door. Flatgenoten zijn ermee akkoord. Gelukkig maar. Ik zie mijn vader en stiefmoeder samen tevreden uitkijken naar het gepeupel en naar het eind, dat onvermijdelijk komt. Sweet sixteen ben ik geworden en wil het een leven lang zo blijven vieren. We eindigen het feest met Hotel California. Such a nice surprise. Ik geniet nog lang na.
 
 
63) Bright eyes (06-06-2024)
 
Het is zomervakantie en er zijn nog geen plannen gemaakt, het weer is niet fantastisch en toch willen we op vakantie. Met twee pubers een verzoeking. Het wordt een weekje Duitsland ergens in de middle of nowhere, althans zo voelt het toch. Ik heb helemaal geen zin, want ik wil veel liever in Weert blijven, dichtbij mijn vriendinnetje. Het vertrek geeft me een onbestemd gevoel van het moment dat we in de auto stappen. Ik wil niet weg, ik wil haar zien. Gisteren heb ik haar nog een brief geschreven, dat ik haar zal missen, een hunkerbrief, hoe het haar zal gaan vergaan zo zonder mij, of ze me gaat missen? De laatste ontmoeting bij haar thuis was niet geweldig, snipverkouden was ze, een povere welkomstzoen smaakte naar eucalyptus. Ze was de hele tijd afwezig, het bezoek van korte duur.
 
De autorit naar Duitsland is vreselijk en het regent pijpenstelen. Droef druk ik mijn neus tegen het koude natte raam van het zijportier en tuur naar buiten. Auto’s en witte strepen schieten voorbij. Het vakantieoord met saaie appartementen ligt mistroostig op een kleine heuvel, net als de sfeer die over de hele vakantie hangt. Er is niet veel te doen op de plek waar we zijn. Ik weet niet eens de naam van deze godverlaten plek. Hoe zou het met mijn vriendinnetje zijn? Zou ze de brief al hebben gekregen?
 
Alle attracties hebben we onderhand gehad, welgeteld twee en de flipperkast helpt ook niet echt meer mee de tijd te verdrijven. Mijn stiefbroer is alleen maar bezig met zijn schoolboeken. Hij zit in het laatste jaar van de LTS. Uit verveling besluit ik wat te gaan wandelen in de bossen rondom ons hotel, een bos dat alleen maar bestaat uit dennenbomen en sparren, kilometers lang en meters hoog, de paden rechttoe rechtaan. Het weer is druilerig en alles voelt nat. Naaktslakken, lichtbruin en ontelbaar kruipen traag over het pad, uit baldadigheid ga ik er op eentje staan, zo maar. Ik baal van mezelf, waarom doe ik dat nou? Boosheid, verveling, verdriet, ze schreeuwen om verklaring, maar ik weet het even niet. Trap onderweg nog een aantal slakken plat. Ook de zwarte.
 
Het eten in het hotel is niet te hachelen, na de maaltijd kijk ik nog een film en duik op tijd de koffer in. Een stapelbed in een kleine kamer en ik lig boven. De slaap lijkt maar niet te komen, mijn gedachten zijn bij mijn vriendin in Weert. Hoe ver lijkt dat nu weg. Eindelijk trekt de slaap me een diepe droom in, een ware nachtmerrie. Ik droom van een grote bruine naaktslak die zichzelf langzaam opblaast in mijn kamer. Hij houdt niet op te groeien en kom haast klem te zitten onder zijn massa. Nee, nee, hij gaat me nog dooddrukken! In grote paniek spring ik uit bed en land op de grond. De slak duwt me nu richting deur. Ik wil naar buiten maar de deur zit op slot. Hoe kan dat nu? Ik trap keihard tegen de deur. Een groot gat, want hij blijkt van dunne triplex te zijn. Mijn redding. Dan word ik wakker en besef wat ik heb gedaan. Een vette straf, dat is het.
 
De stemming wordt er de volgende ochtend niet beter op. De schade wordt opgenomen en mijn vader is nors, dit wordt een dure grap. We zijn nu al vier dagen in dit saaie oord en alles in mij roept naar huis te gaan. Maar in de middag komt de post. Ineens stijgt mijn bloedslag naar ongekende hoogte. Ik houd de brief onder mijn neus, hij ruikt een beetje naar parfum en doet mijn hart sneller kloppen. Ik besluit de brief in het bos te lezen en loop naar buiten. Een weeïg onderbuikgevoel laat me sneller lopen. Na een kwartier durf ik de brief te openen. Maar een blaadje, constateer ik droef, wat er geschreven staat nog meer droevig. Mijn vriendin heeft na lang nadenken besloten om een einde te maken aan onze relatie. Mijn eerste grote liefde, wil niet meer verder met mij. Verdriet en ongeloof maken zich meester van mij, tranen biggelen over mijn wang en vallen op de brief, enkele woorden vervagen. Sorry Mien. Ik ben ontroostbaar en wil naar huis.
 
Tot die conclusie is ook mijn vader gekomen. In overleg met stiefmoeder en stiefbroer besluiten we een paar dagen eerder naar huis te gaan. Iedereen blij. Nou ja, blij? Op de autoradio klinkt Garfunkel. ‘Bright eyes. Is it a kind of a dream? Floating out on the tide. Following the river of death downstream. Oh, is it a dream?’ Wishfull thinking. Ik pink een traan weg. Watership down.
Mijn stiefmoeder weet niet goed wat te zeggen en vertelt dat ze helemaal geen zin heeft om volgende week weer te gaan werken. Ze is poetsvrouw, werkt enkele ochtenden in de jambuurt en niet toevallig, of juist wel, ook bij de ouders van mijn vriendin. Nu ex-vriendin dus. Was het sowieso gedoemd te mislukken, onze relatie? Ik weet het niet. Ik moet er nog even aan wennen. Aan de terugreis lijkt geen einde te komen. Het voelt oneindig en onwezenlijk. 
 
 
 

06-05-2024

Mien korte verhalen (60 en 61) met kleine grote waarheid

60) Kind van de oorlog (04-05-2024)
 
Het is woensdagavond 7 april 1943, donker en al laat. M. pakt haar fiets uit het schuurtje en gaat op pad, stiekem op weg naar haar vrijer, die aan de andere kant van Venlo woont. Achttien jaar jong en verliefd in oorlogstijd. Engelse aanvallen op het Ruhrgebied in Duitsland verstoren regelmatig de rust in Venlo, maar het kan haar even niet bommen. Ze wil G. zien. Het is een bewolkte avond en ze trapt stevig door. Dan gaat het luchtalarm af en de hel breekt los. Ze denkt aan haar vader die woest zal zijn, maar M. keert niet om. De schuilkelders haalt ze sowieso niet meer.

Met bonkend hart fietst ze verder. De Wellington bommenwerpers ronken hoog boven haar in de lucht, Duits afweergeschut ratelt en nachtjagers van de Luftwaffe spuwen spervuur. Bommen vallen uit de lucht, slaan in op huizen in de buurt waar M. naar op weg is. De schrik slaat om haar hart. Ze rijdt de straat in waar G. woont en ziet de puinhopen, smeulend vuur, huizen ingestort. Paniek in de straat. Ze rent naar de woning van G. en springt tussen de brokstukken in … en wat ze dan ziet … niet te beschrijven. Haar G. … haar G. … verschrikkelijk toegetakeld … geklemd tussen … verminkt … dood … dood … nee … nee!
 
Een kwartier later, een enorme knal en de lucht in vuur en vlam. Wellington HE 592 wordt getroffen door Duits luchtafweer, scheert over Hout-Blerick en stort neer. Vier Canadezen en een Engelsman vinden de dood. De gedropte bommen in de buurt waar G. woont hebben acht slachtoffers gemaakt. Allen dood, het verdriet enorm.
 
M. is volledig het spoor kwijt, getraumatiseerd door wat ze ziet. Eerder die maand heeft ze nog een schildklieroperatie ondergaan in de kelder van het Sint Josephziekenhuis, onder oorlogsgebulder. Dat ging niet helemaal goed. Teveel weggesneden. Struma heeft ze er aan overgehouden. Tijdens de operatie had ze ook nog een scheet gelaten. “Beter in de vrije lucht dan in de enge buik!”, had de dokter gezegd. Nu weet ik ook waar die spreuk van mijn moeder vandaan komt.
 
De oorlog slaat diepe wonden. Hoe lang heeft M. niet door de stad Venlo gezworven, samen met haar zus A., terwijl de rest van het gezin evacueerde naar Groningen. Gespleten en uit elkaar gereten, op zoek naar eten in een vreselijke hongerwinter, voedseltochten door granaatvuur.  Blerick bevrijd en Venlo nog niet. Uiteindelijk zijn M. en A., gedwongen door de vele bombardementen geëvacueerd naar de grote schuilkelder van trappistenabdij Uelingsheide in Tegelen.
 
Kind van de oorlog zo voel ik mij. “Er is iets mis met M.”, werd mijn vader verteld toen hij verkering kreeg met mijn moeder. Door zus A., die wat ouder is. Uit bezorgdheid, uit jaloezie misschien? Wie zal het zeggen? Logisch dat mijn moeder iets mankeert. Na wat ze op jonge leeftijd al heeft meegemaakt. De trauma’s, haar zwak gestel ontaarden soms in waanvoorstellingen. Die weet ze aanvankelijk nog te onderdrukken maar ontwikkelen zich verder naar verloop van tijd.
 
De liefde voor M. en mijn vaders diepe wens, als enig kind een gezin stichten, zorgen voor een huwelijk. Na de geboortes van mijn oudste broer en zus volgt een diagnose voor mijn moeder. Schizofrenie. Ze kan beter geen kinderen meer krijgen, is het advies van de huisarts. Mijn vader slaat het in de wind. Een groot gezin is zijn wens. Nog een broer en ik komen ter wereld. Een familieleven vol overlevingsdrang, liefde, zorg en stress, is het gevolg. Nauwelijks te bevatten dat mijn twee broers, mijn zus en ik er niet zouden zijn geweest als de vrijer van ons mam niet was gestorven door de oorlog. Hoe bizar, als kinderen van de oorlog. 
 
 
61) Disco Inferno (07-05-2024) 

Disco inferno. De beat klinkt uit de zaal. Black is the night. Dat is wat ik zie, voel en hoor als ik voor 'Disco Club Carte Blanche' sta op de Oelemarkt in Weert. Ik sta in de rij voor een van de hipste discotheken van het land. Een van de eerste ook, naast 'Dansen bij Jansen' en 'Cartouche'. De discotheek is groot vol glitter en fame, zijn naam vooruit gesneld. En ik ga er vanavond voor het eerst naar toe, met vrienden. Als we binnen mogen? Ik twijfel nog wat over mijn outfit. Zou het de portier bevallen? Niks mis mee. We mogen allen naar binnen. Het rode pluche is niet van de lucht en heel het plafond hangt vol met plastic tranen aan touwtjes. Lichtjes twinkelen in onze ogen. Spectaculair, ik kan niet anders zeggen, naar een ontwerp van de Spaanse architect Domingo López. Jassen geven we eerst af in de garderobe, we krijgen zelfs een muntje. Via een bordes betreden we de smalle ring rondom de dansvloer. Wijde pijpen en high heels on the dancefloor. Schaars geklede dames. Ik kijk mijn ogen uit, wat een mooie vrouwen? Een wilde droom manifesteert, komt uit. Maar die verlegenheid ... Hij ligt me nu toch echt wat dwars. We drinken cola tic en gin tonic, maar ook dat helpt niet. De drank is haast onbetaalbaar, zo armlastig als we zijn. Maar we zijn er wel bij. Het hoogtepunt van het weekend in de leepste tent van de wijde omgeving. Maar het moet gezegd, het voelt ook wel klef. Geheel anders als de stamkroeg waar we normaliter in vertoeven. Het voelt wat koud, niet vertrouwd.

Dan maar plassen. Het toilet is al net zo'n happening als het gelikte interieur. En wat groot? Dat wordt betalen, zie ik bij de deur. Ook het toilet vraagt entree. Gelukkig ben ik op alles voorbereid. Dus ik schrijf heel cool een acceptgiro uit, inclusief fooi. Ik haal de betaalkaart uit de binnenzak van mijn goedkope jasje en zie de blik van de portier op glimlach staan. Hij kan het wel waarderen en geeft me een vette knipoog. Vijftig cent schrijf ik op. 'I feel love' schalt intussen door de megagrote boxen. Ik kan amper stilstaan en heupwieg zachtjes mee op de muziek. Ik probeer de bromvlieg weg te schieten op de bodem van het urinoir. Maar het lukt niet echt. Nog nooit zo'n fris ruikend toilet bezocht. Ik snuif de patuli diep mijn neusvleugels in. Weer eens wat anders dan dennengeur. De speciaal uit Amerika geïmporteerde lichtshow en geluidsapparatuur zijn fantastisch. Nog nooit klonk 'Donna Summer' zo mooi. En dan te beseffen dat nog geen maand geleden deze prachtige tent geopend is door Mac Kissoon himself en de Disco Go Go Girls. Helaas tot onze grote spijt konden we daar niet bij zijn. Uitverkocht. In no time. We blijven nog wat hangen. Als we even later toch besluiten om richting onze stamkroeg te gaan buts ik per ongeluk tegen een mooie dame aan. Ze kijkt me verontwaardigd aan en zegt venijnig "Sorry, I'm a lady!". Ik denk onmiddellijk, geef mij maar Baccara. Klinkt en smaakt iets meer appetijtelijk. We halen onze jassen op en vertrekken naar de overkant, naar de Vijzel en treden binnen onder het geluid van Dillinger, Cokane my brain. Nou dat doen we maar effen niet. A bottle bier volstaat.

22-03-2024

Mien korte verhalen (57 t/m 59) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 12-07-2011 en 18-11-2014
(in derde persoon onder alias Kees, in maart 2024 geredigeerd naar eerste persoon Mien)
 
 
57) Getapte mop (12-07-2011 > 22-03-2024 geredigeerd)
 
Vrijdagavond. Ik fiets naar mijn werk. Ik heb er niet zoveel zin in vandaag, maar plicht roept. Langzaam stromen de arbeiders op het industrieterrein de poorten binnen. Het distributiecentrum waar ik werkzaam ben ruikt naar meel, verpakkingsmateriaal en weeë zure lucht. Snel stop ik mijn kaart in de prikklok en berg mijn jas op. Door de grote speakers in de megahal klinkt Skyradio. Hol en leeg. De muziek zal zich vannacht herhalen. Moonlight shadow. Wel drie keer.

Zwijgzaam haal ik een pallettruck op, ook wel BT genoemd. De accu’s van de BT zijn gelukkig al opgeladen voor de nachtploeg. Bij de magazijnchef haal ik mijn eerste orderbon op. Het wordt een vrachtje toiletpapier en chips laden. Lekker makkelijk. Ik stuur mijn BT de toiletpapier- en chipsgang in en kan nog net de heftruck ontwijken die midden in de gang staat. Het is de heftruck van dronken Willem. Die laat zich altijd omhoog takelen door zijn collega Dries. Willem heeft weer eens flink gedronken en gaat zijn roes uitslapen op stelling 44, tussen het toiletpapier. Na de nachtlunch gaat hij pas aan de slag. Hij hoeft maar 20 orders te verwerken. Met zijn ervaring a piece of cake.

Om het uur gaat de pauzezoemer. Heel fijn want een bak koffie gaat er altijd in en houdt de nachtploeg wakker en scherp. Ik ben nog niet echt opgenomen bij de nachtploeg. Ik ben student en uitzendkracht. In de stoere distributiewereld kost het dan extra moeite om een plek te veroveren. Na de pauze check ik of mijn BT niet stiekem is vastgebonden aan een stelling. Gelukkig niet. Mijn twee pallets staan hoog opgestapeld en propvol. Het moment om waakzaam te zijn. De vaste krachten zijn dol op breukpakketten. Het is hun extra bonus. Een stukje verder staat een pas begonnen uitzendkracht zijn omgevallen vracht uit te pluizen. Hij is het slachtoffer van de nacht. De vaste krachten lachen in hun vuistje. Op de pallet stond veel wijn. Dat wordt een mooi breukpakket.

De lunch is altijd het breekpunt van de nachtdienst. De pauze duurt veel te lang. Tijd voor een praatje. Onderwerp van gesprek zijn steevast gore moppen. De mannen met de meeste tattoos lachen het hardst. Ik lach schaapachtig mee. Ik wil er graag bij horen. Ook de magazijnchef lacht mee. Heel belangrijk om hem te vriend te houden. Hij deelt namelijk de orders uit. De moppen zijn van bedenkelijk niveau. “Wat krijg je als je Pinokkio pijpt?” “Splinters in je mond!” Er wordt hard gelachen. “Waarom mag sperma niet heter zijn dan 40 graden?” “Anders gaat je leuter fluiten”.

De nachtdienst zit er op. Het is 06:00 uur. Ik ben blij dat ik naar huis kan. Met een leeg en slaperig hoofd glijd ik op m’n fiets door de ochtendnevel. In de woonwijken staan de rozen in bloei en hangen de vlaggen en boekentassen in top. Vanavond heb ik weer een eindexamenfeest. Thuis duik ik snel in bed. Ik heb vanmiddag nog strafcornertraining en die mag ik niet missen. Ik speel hoofdklasse hockey en zondag staat een belangrijke wedstrijd op het programma. Gauw dus effen een paar uurtjes vooruit slapen.

Het is een half uur fietsen naar het hockeyveld. Ik stroop mijn kousen omlaag en doe mijn scheenbeschermers uit. Het is veel te warm. Aanvoerder Gerard spreekt me aan. “Hee kerel hoe gaat ie? Hoezo moe? Werk je nog steeds in dat distributiecentrum? Je bent gek.” Gerard vindt het maar niks dat ik in een distributiecentrum werk en nachtploegen draai. Dat gaat ten koste van slagkracht. De hockeywedstrijd van aanstaande zondag is een hele belangrijke. Ik denk er het mijne van.

De warming-up is van korte duur. Tijdens de rekkingsoefeningen is er tijd voor een praatje. Onderwerp van gesprek zijn steevast gore moppen. De mannen met de grootste mond lachen het hardst. Ik lach schaapachtig mee. Ik ben nog niet lang bij de club en wil er graag bij horen. De moppen zijn van bedenkelijk niveau. “Wat krijg je als je Pinokkio pijpt?” “Splinters in je mond!” Er wordt hard gelachen. “Waarom mag sperma niet heter zijn dan 40 graden?” “Anders gaat je leuter fluiten.” Gegrinnik in de groep.
 
Ik lig in een deuk van het lachen. Mijn teamgenoten kijken me bedenkelijk aan. De anders zo nuchtere en stille Mien die nu ineens zo hard lacht. Wat is er aan de hand? Ik kan het niet uitleggen. Het is frappant hoezeer mijn hockeymaten overeenkomstig gedrag vertonen met de arbeiders uit het distributiecentrum. Alleen de tattoos ontbreken. Ze moesten eens weten. Ik herinner me plots het gesprek met de directeur van de Academie Beeldende Vorming, dat ik afgelopen week had. Die vroeg aan mij hoe ik in hemelsnaam mijn kunststudie kon combineren met het spelen van tophockey. Dat zijn toch totaal verschillende werelden? Hij moest eens weten? Bulderend van het lachen hervat ik de rekkingsoefeningen, mijn hockeymaten in verwarring achterlatend. Zou dronken Willem alweer aan het bier zitten?
 
 
58) Afscheid in de toekomst (18-11-2014 > 22-03-2024 geredigeerd)
 
Bedeesd zit ik aan het ontbijt. Ik heb geen enkele trek. Niet in eten en niet in gesprek. Mijn gedachten vullen maag en hoofd, met het aanstaande afscheid, met zeurderige pijn en twijfel. Om tien uur is het zover. Ik treed binnen. De groepsruimte voelt zwaarder aan dan normaal. De stoelen leger. Iedereen neemt plaats in de kring.

Hans neemt het woord en vraagt wie er af wil trappen. Ik raap al zijn moed bij elkaar en neem een dapper besluit. Ik heb het er al vaker over gehad maar nog nooit aangedurfd. Ik heb mijn groepsgenoten met hun problemen zien worstelen en nu na twee maanden is het aan mij.

Scherp stel ik de situatie voor. Nu zestien jaar geleden. Ik was negen. De stoelen gaan aan de kant. Uitgezonderd twee. Zij vormen de bank. De bank waarop mijn zieke moeder ligt. Achter de bank zie ik de gestreepte gordijnen hangen. Gordijnen die altijd dicht zijn. Ook hartje zomer. Ze houden de hitte buiten en het drama binnen. Maar niet vandaag.

Met lichte aarzeling trek ik de gordijnen open. Het warme zonlicht vervult de ruimte en schijnt op het gezicht van mams. Ze opent de ogen en kijkt me lieflijk aan. "Dag lieve jongen, kom je eindelijk afscheid nemen? Na zestien lange jaren? Weet dat ik van je gehouden heb, ook al liet ik dat niet merken. Door mijn ziekte, door mijn stoornis. Sorry dat ik zo vroeg heen moest gaan. Hier een dikke knuffel!"

"Dag lieve mams, ik ben zo verdrietig, heb je ook nooit kunnen vertellen dat ik van je hou ... Maar ... ineens ... zo maar ... was je weg ... Ik heb je niet zien gaan. Heb geen afscheid van je kunnen nemen. Mijn tranen heb ik aan de Maas gegeven. Aan moeder Maas. Ik geef ze nu aan jou. Opnieuw en met een glimlach. Dag lieve mams. Love you!" 


59) That will be the day (04-01-2012 > 23-03-2024 geredigeerd)

Met een zwaar hoofd word ik wakker. Langzaam open ik mijn ogen en knipper met mijn lange wimpers doelloos in het donker. Achter in mijn oren hoor ik vaag en dof iets wat lijkt op muziek. Het is mijn wekkerradio die dagelijkse rituelen afdraait. 
Begin de dag met een dansje. Begin de dag met een lach. Want wie vrolijk kijkt in de morgen. Ja die lacht de hele dag. Ja die lacht de hele dag ...
Ja, maar nu even niet. Mijn hoofd staat niet naar Giel’s geluksriedel. Vandaag is een bijzondere dag.

Met lichte weerstand schuif ik langzaam uit zijn bed. Liever wil ik deze dag niet beginnen. Voor mij mag hij gewoon voorbij gaan. Overgeslagen desnoods, geskipt. Al heel lang ligt hij in het verschiet. Nu is deze dag aangebroken. Het voelt als een loodzware deken. Ik overweeg om voor de gelegenheid speciale kleding aan te trekken. Maar welke? Ik denk terug aan wat er toentertijd gedragen werd. Bruin, paars, oranje. Wijde pijpen, lange rokken. Mijn gedachten dwalen af als een gouwe ouwe uit de wekkerradio klinkt. Eres tú van Mocedades. Ik zoek de vertaling op in het Engels, Touch the wind en verbaas me over de tekst.

I woke up this morning and my mind fell away. And looking back sadly from tomorrow. As I heard an echo from the past softly say. Come back, come back, won't you stay. And only forever can I say I love you. And only forever have I lost you. But only a dreamer could wake up. As I do and hope it's still yesterday.

Met een zachte plof en zwaar gemoed zink ik neer op de oude zitzak in de slaapkamer. Met tegenzin schuif ik in mijn sokken. Geitenwol vandaag, want het is winter. Voor de gelegenheid dan toch maar een corduroy broek aan. Een paarse blouse met grote kraag en een bijbehorend vest. Klaar is Kees. Nu nog even de sluipers zoeken. Mijn outfit is bijna compleet. Alleen de groene pukkel ontbreekt nog. In gedachten zie ik mijn gerafelde pukkel op de oude nappa leren bank liggen. Verstild in een armetierige grijze woonkamer. Hij denkt terug aan kapotte knieën, opengehaald aan een veel te harde kokosmat. Ruw. Wreed. Maar ach. Everybody was wounded, wounded at Wounded Knee.

Ik hoef mijn gedachten niet langer te ordenen. Ze achtervolgen me al sinds mijn jeugd. Haunted by days and numbers. Deze dag zou vroeg of laat komen. Daarvoor heb ik geen glazen bol nodig. Ook geen visnet en ook geen macramé. Achtenveertig jaar is zij geworden. Droef en moederziel alleen, 17656 dagen lang. Vandaag word ik net zo oud. Een speciale aangelegenheid. Troostvol bind ik een verjaardagskaart aan een vlieger. Een verjaardagskaart voor mijn moeder, die hoog in de hemel is. Een kaart met 17656 digitale kaarsjes. Voor als het donker is daarboven. Ach, stroom, stroom, stroom, de loop van het leven gaat altijd voort.

21-03-2024

Mien korte verhalen (52 t/m 56) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 19-07-2011 en 17-02-2014
(in derde persoon onder alias Kees, in maart 2024 geredigeerd naar eerste persoon Mien)

 
52) Avventura di chiesa (19-07-2011 > 20-03-2024 geredigeerd)

Na een lange rit van bijna vier dagen stap ik uit de vrachtwagen van mijn oom en komt er een einde aan de lift. Het einddoel is bereikt, de Italiaanse stad Florence. Het oponthoud bij grenspost Vipiteno heeft bijna één dag extra gekost. De vakantie kan nu eindelijk beginnen. Na een moeizaam eindexamen en een verbroken liefdesrelatie ben ik toe aan rust en vrede, als gezonde knaap van negentien met de wereld aan mijn voeten. Wat kan mij gebeuren?

Ik zie er sportief uit in mijn korte groene broek met legerprint en wit T-shirt. Mijn bruine armen, benen en snoet steken mooi af tegen mijn zomerse outfit. Op mijn fris geschoren hoofd draag ik een petje, als bescherming tegen de zon. Mijn goddelijk lichaam is afgetraind en stevig gespierd. Jarenlange hockey heeft mij gezegend met ballonkuiten en een kippenkontje. Ik voel me apetrots. Nog geen maand geleden doorstond ik de selectieprocedure van de Katholieke Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Een brugklasdroom kwam uit. In de toekomst zal ik sportleraar worden, vast en zeker.

Mijn oom heeft me afgezet bij het station van Florence. De avonturenreis kan beginnen. Flink zet ik de pas erin. Het aluminium frame van de grote rugzak prikt in mijn rug en de geitenwollen sokken kriebelen in de bergschoenen. Bijna op iedere hoek van de straat word ik nagekeken, vooral door mannen. Die zijn in de wijk rondom het station volop aanwezig. Het voelt een beetje vreemd, maar laat me verder koud. Ik ben veel meer benieuwd naar de mooie Italiaanse vrouwen. Maar waar zijn ze? Le belle donne?

Een grote kerk met plein, grasveld en fontein ervoor, trekt mijn aandacht. Het is de Santa Maria Novella. De houten bankjes rondom het plein zitten vol mensen. Er heerst een vrolijke sfeer. Hoge schelle geluiden van spelende kinderen klinken in de lucht. Ik plof neer op één van de bankjes om even op adem te komen. Midden op het grasveld klinkt plots een enorm gekerm. Twee hondjes lukt het niet op z’n hondjes. Ineens staan ze met de konten tegen elkaar gekeerd. Ze zitten letterlijk en figuurlijk aan elkaar vast. Een omstander gooit een emmer water over de hondjes heen en bevrijdt ze uit hun lijden. De reu druipt af met een enorme rode kegel. Je zult het maar hebben als reu, last van je Santa Maria Novella.

Ik zwoeg verder door Florence. Al snel heeft de zon haar hoogste punt van de middag bereikt. Het is bloedje heet. Zevenendertig graden Celsius is toch iets te veel van het goede. Ik besluit de eerstvolgende kerk te bezoeken. Kerken zijn namelijk koel en gratis toegankelijk en je hoeft er niets te drinken. Het wordt de San Lorenzo. Amper twee seconden binnen word ik aangesproken door een klein mannetje in net pak met witte boord. Die gebaart met wuivende wijsvinger dat ik iets doet wat niet mag. Druk nee schuddend met zijn hoofd strijkt hij over mijn benen en knijpt heel even in mijn arm. Vervolgens wijst hij naar een klein bordje bij de entree. Ik begrijp het, een kwartje valt. Het is niet toegestaan om met onbedekte armen en benen de kerk te betreden en maak aanstalten om naar buiten te lopen. Maar dat staat het kleine mannetje niet toe. Hij trekt me amicaal naar zich toe.

In gebrekkig Engels legt het mannetje uit dat hij kapelaan is en dat hij voor deze keer de foute kleding door de vingers zal zien. Sterker nog. Ik krijg een rondleiding door het heilige der heiligen. Vol trots loost hij me door de prachtig mooie kerk. Overal krijg ik tekst en uitleg, in Italiaans en gebrekkig Engels. De kapelaan murmelt wat over Medici, Brunelleschi, Donatello en Michelangelo, allemaal namen die me niets zeggen. Af en toe kletst de kapelaan met zijn hand op mijn armen en benen. Het voelt wat onwennig, maar het hoort ongetwijfeld bij de open en vriendelijke volksaard van de Italianen.

Nog één bijzondere plek wil de lieve kapelaan me laten zien. Heel speciaal. Daarvoor maakt de kapelaan eerst het rode koord los dat voor het altaar is gespannen. Achter het altaar is een ruimte afgeschermd door een zwaar roodfluwelen gordijn. Achter het gordijn bevindt zich een hoge ruimte met glazen deuren, een soort serre. Door het glas zie ik een kleine giardino met prachtige struiken en fel gekleurde bloemen. Achter me hoort ik de kapelaan het gordijn zenuwachtig sluiten. Vreemd, denk ik. Als ik vervolgens mijn fototoestel tevoorschijn haal voel ik plotseling een klam handje over mijn bovenbeen glijden. De hand kruipt langzaam omhoog. Achter me hoor ik de kapelaan geil en hijgerig ademhalen. Alle alarmbellen gaan onmiddellijk af. Met de hand voor mijn klokkenspel draai ik me om en duw verontwaardigd de kapelaan van me af en ren zo snel als ik kan de kerk uit. Buiten prikt de zon plagerig in mijn gezicht. San Lorenzo! Waar haalt die kapelaan het in hemelsnaam vandaan om mijn goddelijk lijf zo ongevraagd en brutaal te betasten? De viespeuk.
 
 
53) Bovenaan de ladder (10-12-2014 > 20-03-2024 geredigeerd)
 
Met grote angst klim ik naar boven. Hoeveel stappen moet ik nog? Durf ik nog wel los te laten? Mijn angst te overwinnen? Ogen van beneden priemen in mijn rug. Ze prikkelen en branden en lachen me naar boven. ‘Vooruit Mien, je kunt het!’ De twijfel overmant. Waarom zou ik tot bovenaan klimmen? Maar afdalen is ook geen optie. Heel even kijk ik omlaag. No way.

Het huilen staat me nader dan het lachen. Wrang. Heel wrang. Had ik zelf niet gelachen om enkele van mijn voorgangers? Had ik niet stoer gedacht: ‘makkie, dit doe ik wel even’. Nu mag ik me niet laten kennen. Met zijn tengere lijf klem ik mij tegen het hout en schuif zonder te kijken mijn linkerhand omhoog. Het reiken duurt een eeuwigheid. Opzoek naar houvast. Eindelijk voel ik weer grip. Het zweet staat in mijn handen. Durf ik nu mijn rechtervoet te laten volgen? Of zal ik eerst even mijn rechterhand bijvoegen? Dan kan ik me daarna aan beide armen optrekken.

Vanaf de grond zag het er allemaal zo eenvoudig uit. Met belangstelling had ik de bewegingen van anderen gevolgd. Maar nu heb ik geen idee in welke volgorde ik het beste het laatste stukje kan voltooien. En dan moet ik ook nog over die hoogste stok klimmen. Hoe ga ik dat toch doen? Ondersteboven? Door het laatste gat heen? Nee, dan ga ik vallen. Nog twee vakken te gaan. Wat! Nee, nee, nee, krijg ik nou ook nog een erectie? Zou iemand het kunnen zien? Van beneden? Fout moment. Zeker nu ik de hoogste sport bereikt heb. Ik weet nog steeds niet hoe ik die ga nemen.

‘Schiet eens op Mien!’ brult de juffrouw beneden. Ze moest eens weten. Het hart klopt in mijn keel en in mijn piemel. Hier eindigt de wereld, zeker weten. Ik zie geen mogelijkheid om over de hoogste sport te klimmen. Maar ik moet. In welke houding zal ik mij eens plooien? Niemand die me hier kan helpen. De juffrouw zal echt niet naar boven klimmen. Ik zal hier mogelijk voor de eeuwigheid moeten bivakkeren. Gelukkig is mijn erectie geslonken. Broekbrand kan ik echt niet gebruiken. Het komt nu aan op zelfredzaamheid.

Met de moed der wanhoop zwaai ik mijn rechterbeen over de laatste sport. Vanuit de lucht zie ik de klas beneden op de banken grinnikend lachen. Vooral Sjakie vindt het prachtig. Hij lacht zelfs zijn tanden bloot. Van leedvermaak? Heeft hij mij angst dan toch gezien? Met de blik op stoer klauter ik het klimrek omlaag. Zelfs de juffrouw lacht. Ik wil niet weten waarom. 


54) Eindejaar gein en ongein (01-01-2014 > 20-03-2024 geredigeerd)

De kamer is veel te klein voor zoveel gasten. Een hoek van de kamer wordt volledig opgezogen door een grote kerstboom die reikt tot aan het plafond. De piek lijkt het plafond te kussen maar doet dat net niet. Het is een fantastische boom, wederom. Opgetuigd met mooie lampjes, oude kerstballen en engelenhaar. Voor ieder lampje hangt een plukje haar.

Ik ben apetrots op de boom. Het is de mooiste en grootste kerstboom van heel de buurt. En dat geldt ook voor de kerststal. Die neemt bijna een kwart van de woonkamer in beslag. Eigenlijk is het geen kerststal maar een kerstgrot. De onderste takken van de kerstboom heeft papa afgeknipt. Anders past de grot er niet onder. Aan de onderste tak zweeft een grote engel. Die heet Gloria. Een rare naam. En zijn achternaam is ook heel maf. Excelsis Deo staat geschreven op het bord dat Gloria met beiden handen boven zijn hoofd houdt. “Ekselsisdeo”, leest papa altijd hardop voor. Wie verzint dat nou, zo’n naam?

De engel hangt met zwevende beentjes net boven een bakje waarin een klein baby’tje ligt. Een os en een ezel plukken wat aan het stro dat uit het bakje komt. Een mooi tafereel. Ik tuur over het bultige en gekreukte rotspapier dat met mos bedekt is en vol staat met beeldjes. Koningen, schapen, herders, van alles loopt er rond. Bijna een heel weekend heeft mijn vader erover gedaan om de kerstgrot en de kerstboom op te tuigen. En wat zijn ze weer mooi. Ik ken de geheimen en de inspanningen die schuil gaan achter deze pracht. En het gevloek.

De kartonnen dozen waarin de kerstballen jaarlijks worden opgeborgen, dienen als bodem en grondvlak van de kerstgrot. Het rotspapier ruikt muf en naar zolder. Telkens als ik langs de kerstgrot loopt aai ik over het mos. Het voelt lekker zacht en sponsig. Het ruikt een beetje naar bos. Het bos waar ik samen met zijn broers en papa het mos vandaan haal. Net als de hulst en de mooie takken. Ze geven de kerstgrot een knusse en warme sfeer.

De beeldjes worden jaarlijks in een vast patroon in het veld geplaatst. Met militaire precisie. Het is een groot feest om alle beeldjes uit te pakken. Vooral de kameel, die heel zwaar weegt. Dat is mijn favoriet. Samen met mijn broer en zus vecht ik ieder jaar wie hem mag uitpakken, uit het vergeelde krantenpapier.

Ik ben zo in de ban van de kameel dat ik er dagelijks van droomt. In mijn droom kruip ik dicht tegen de kameel aan. Lekker warm. Maar als ik ‘s morgens wakker word, is het bed koud. Nat en koud. Weer in bed geplast, voor de zoveelste keer. Bah. Van de spanning, zeggen papa en mama. Maar ik ben al zeven.

Vandaag wordt het extra spannend. Dat weet ik. Vanavond komen alle oma’s en opa’s op visite. Het is vandaag oud en nieuw. Ik mag opblijven tot in de late uurtjes. Ik krijg zelfs bowl, kinderbowl. Al gauw loopt het huis vol en is het gezellig druk. Het past allemaal maar net in de kleine woonkamer, maar dat geeft niks. Ik geniet van alle drukte.

Oom moppentap is er ook. Hij heeft het grootste woord, zoals altijd. Tante moppentap doet niets anders dan snoepen. Van de kerstkransjes en de bokkenpootjes. En oma uit de stad rookt de ene sigaret na de andere. Bah. Het glaasje op tafel raakt al snel leeg. Het wordt meteen bijgevuld, met Caballero's en Stuyvesant. Rare namen hebben die sigaretten. Maar de volwassenen vreten ze op. Opa uit het dorp niet. Die rookt alleen maar hofnar. Een hooguit twee, de hele avond. De sigarenbandjes zijn voor mij. Ik heb al een hele verzameling.

Langzaam begint de stemming in de kamer te stijgen. Het uur u nadert. Iedereen is lollig. En dat komt volgens papa niet door oom moppentap. Nee, dat komt door meneer Hermans op tv en de grote mensen bowl. Oma uit de stad en opa uit het dorp hebben het er warm van gekregen. Ze hebben beiden het bovenste knoopje van hun witte hemd los gemaakt en hebben beiden een vuurrood hoofd. Ze lijken op lucifers. Ik moet lachen. Die kunnen straks makkelijk het vuurwerk aansteken. Ik ben er klaar voor.

De glazen worden nog eens gevuld en mijn broers en zus beginnen al hardop te tellen. “Nog effen wachten!”, roept pa. “De klok is nog niet zover!” En hij wijst met zijn grote kerstboomhand naar de klok die traag de seconden weg tikt. Pas als papa zijn donkere stem inzet wordt het serieus. Iedereen in de kleine woonkamer valt bij. “TIEN, NEGEN, ACHT, ZEVEN, ZES, VIJF, VIER, DRIE, TWEE, EEN … ZALIG NIEUWJAAR !!!“

Broers en zus, papa en mama, oom en tante, ze pakken elkaar vast en zoenen dat het een lieve lust is. Totdat met een hele grote gil, oma uit de stad en opa uit het dorp, samen achterover vallen in de kerstboom. Iedereen barst in lachen uit. Oma en opa liggen beteuterd, op elkaar, onder de kerstboom. Opa heeft nu haar. Het engelenhaar ligt als een tulband op zijn kale kop. En oma … oma die draagt ineens twee kleine paddenstoelen in haar oren.

Ik houd het niet meer. Dit moet ik aan de grote klok hangen. Als een idioot ren ik de deur uit, de straat op. Onder luid geknal en met spetterend vuurwerk in de lucht, zet ik twee handen aan mijn mond en roep zo hard ik kan: “OMA EN OPA ZIJN IN DE KERSTBOOM GEVALLEN!!!”. Maar er is niemand die me hoort. Mijn stemgeluid lost op in het grote geknal en de straat is nog leeg. Wat een teleurstelling. 
 
 
55) Maskerade (17-02-2014 > 21-03-2024 geredigeerd)
 
Gekleurde plastic maskers hangen aan een grijze muur. Twee clowns, een hond, een poes en een mannetje met bolhoed. Ze staren leeg voor zich uit en dragen een zure glimlach rondom hun mond. Een gladde bevroren glimlach die eventjes oplicht, zodra een waterig winterzonnetje erop schijnt. Het is feest voor de maskers. Carnaval. Al drie dagen lang.

In de mond houden ze een feesttoeter geklemd. De oranje franjes van de toeters steken flets af tegen de grijze muur. Geen enkel masker heeft haar. Is ook nergens voor nodig. Slingers in vijf bonte kleuren, zorgvuldig vastgeklemd tussen het masker en de muur, zorgen voor een kleurrijk spaghetti-toupet. Uit de muziekboxen klinken aanhoudend vrolijke deuntjes in dialect. 'Mien, wao is mien fiësneus, Mien wao is mien neus? Wao is mien fiësneus geblaeve!'

De ballonnen die aan een koperen kroonluchter hangen lijken hun laatste adem uit te blazen. Ze hangen er magertjes bij. De fut is eruit. Net als bij mij. Ik weet dat als ik nu de ballonnen doorprik, ze niet eens meer zullen knallen. Ik zit op de bank en draag een cowboypak. Een beetje bedroefd stop ik de laatste knallers in mijn pistool en hoor de discussie in de woonkamer aan. Carnaval loopt op zijn laatste benen.

De zwarte snor die mijn vader me iedere dag aanmeet loopt door. Net als mijn bakkebaarden. Het is ook zo warm binnen. De geruite zakdoek om mijn nek kriebelt. Dat doet ie al een paar dagen. Maar zonder zakdoek voel ik mij geen cowboy. Het luciferdoosje waarmee de zakdoek aan elkaar is geknoopt, zit strak onder mijn strottenhoofd. Het is afzien voor een kleine cowboy, maar so what. Alles liever dan verschut staan als dansmarietje of als domme indiaan.

'Ik pas vanavond niet op Mien, niet weer hoor, vanavond ga ik uit. Jullie kunnen op je kop gaan staan!' Mijn zus, schattig verkleed als blauw matroosje met twee vlechten, heeft haar punt gemaakt. 'Ik pas ook niet op, ik heb al afgesproken met vrienden, ik word zo opgehaald'. Mijn broer blijft ook niet thuis. Verkleed als hippie in een wit overhemd, gestift met hippiespreuken en rode hartjes, mag dit jaar voor het eerst uit. Mijn oudste broer ziet de bui al hangen. Maar ook hij laat verstek gaan. 'Sorry jongens, maar vanavond is mijn schaakavond.' Hij houdt niet van Carnaval. Net zo min als zijn schaakvrienden dat doen.

Pa heeft vanuit de keuken alles aangehoord en loopt de woonkamer binnen. 'Dan hebben jullie nu een probleem. Drie dagen hebben jullie kunnen feesten en vanavond is het mijn beurt.' Langzaam lopen de gemoederen hoog op. Niemand wil zich opofferen. Het is een zwaar jaar geweest en iedereen heeft zich verheugd op deze Carnaval. Ma is amper acht maanden geleden gestorven en het liefst wil iedereen dat heel eventjes vergeten. Ook ik.
 
Een schuldgevoel bekruipt mij. Ik ben weer eens de grote lastpost. Stomme Carnaval. Ik zou ook wel uit willen, maar ben nog te jong. Dit gaat geen leuke avond worden. Alweer niet. Treurig kijk ik in de richting van het clownsmasker dat voor me aan de muur hangt. Langzaam schiet ik vol. Dikke tranen rollen langs mijn neus, via snor over de kin op het tegeltapijt. En de clown, de clown tegenover me huilt stilletjes mee.
 
 
56) Te huis (03-10-2013 > 21-03-2024 geredigeerd)
Dit onderwerp later nog eens beschreven in 36) Een titel valt niet af te dwingen op 18-04-2015
 
Bij ieder woord dat ik hoor schrik ik op. Heb ik dat goed gehoord? Ik kruip wat dichter tegen de trapleuning en leg mijn oor vlak langs een van de spijlen die onder de leuning omlaag krult. Zo kan ik me beter concentreren op wat er binnen wordt verteld. Iets vreselijks. Ik vang losse flarden op van een gesprek waarvan de toon me niet aanstaat. Ze hebben weer ruzie.
 
Eigenlijk moet ik in bed liggen, maar de vertwijfeling in mijn vaders vlakke stem, nagelt me vast aan de trap. Ik vraag me af wat er allemaal achter de deur besproken wordt.

De discussie wordt vinniger. De emoties laaien op. Ik heb moeite om te verstaan wat er nu precies wordt gezegd. De losse flarden vormen langzaam een triest verhaal. Het kan toch niet waar zijn? Mij hart bonkt in de keel. Nee, nee, nee, het is niet waar!

Een hoge vrouwenstem slaat een verontwaardigde toon aan. “Het kan zo niet langer. Jouw zoon is onaangepast, hij ruimt niets op en hij luistert niet naar wat ik hem zeg. En dan dat vieze lange haar. Ik mag zijn kamer niet opruimen. Ik mag het niet. Maar hij doet het ook niet.”

Ik fluister in gedachten mijn vader denkbeeldig woorden in. Boze woorden van verzet en lieve woorden van troost. Die vrouw maakt mijn broer zwart. Hoe durft ze? Ik besef dat mijn vader de woorden die ik hem influister niet kan horen. Wat daar achter de deur gebeurt vreet aan mij. Wat haalt dat mens zich in haar hoofd? Wat doet het er toe? Niet opruimen is toch geen doodzonde? Moet ie daarvoor, moet ie daarvoor …
 
Pa verheft nu eindelijk zijn stem. De donkere bas overstemt de hoge klaagzang van de dame, onze nieuwe moeder, sinds kort. ‘Mam’ moeten we tegen haar zeggen. Ze smeekt er bijna om, ze huilt er bijna bij. Dat vertik ik, het is niet mijn moeder. Het is een koude kille tante die mijn vader afblaft en afpikt.

“Ik vind dat je het allemaal te zwaar overdrijft, mens! Oké, hij is geen doorsnee zoon, en hij doet dingen die niet allemaal door de beugel kunnen, hij heeft lang haar, komt te laat thuis voor het eten, ruimt zijn kamer niet op, rookt stiekem en dan … en dan … dat is toch geen reden om … om … om …”

Om wat? Ik hoor niet hoe mijn vader de zin afmaakt. Ik hoor wel hoe boven aan de trap iemand aanschuift. Ik kijk niet op, ik voel en weet dat het mijn broer is. Samen horen we de strijd aan die achter de deur plaatsvindt.

“En ik wil, dat je kiest. Ik kan met die jongen niet verder. Hij gaat naar een tehuis. Hij eruit of ik eruit!” Er volgt een korte stilte. De stilte is ondraaglijk. De lucht is dik en ik kan amper ademhalen. De stilte is ook hoorbaar boven aan de trap. De lucht in de gang voelt loodzwaar, lijkt zwanger van oorlog.

“Dat meen je niet. Hoe kun je … hoe kun je … het is wel mijn zoon hoor!” Wat een ongelofelijk kreng is dat vrouwmens. Ik kan wel janken. Mijn broer, mijn eigen broer, … naar een tehuis? Echt niet? Zal ik de kamer in rennen en die vrouw eens goed de waarheid zeggen? Ik kan het niet langer aanhoren. Hoor ik het nu goed? Huilt mijn vader? Nee, nee?

Boven hem klinkt ongemakkelijk geschuifel. Mijn broer daalt de trap af en schuift stilletjes naast me. Hij legt een arm om de schouder. “Het komt allemaal goed Mien!”, lijkt hij met zijn arm te zeggen. Vol spanning wachten we samen af wat er verder gebeurt.

Het gesnik van pa wordt gevolgd door een tirade. Ik kan het niet helemaal volgen. De woordenstroom van mijn vader klinkt dof in mijn oren. Alsof de woorden in water in mijn oor klotsen. Wil ik dit wel horen? De spanning achter de deur en in de gang is te snijden.

“Hij gaat er niet uit. Jij gaat er dan maar uit, hoe durf je? Mijn vier kinderen zijn me alle dierbaar. Dat moet je toch weten. Geef ze een beetje tijd, ja? Hun moeder is nog geen jaar geleden overleden. Je hebt helemaal niets met de kinderen. Je geeft hen geen enkele vorm van aandacht. Een kille koele tante, dat ben je!”

Achter de deur klinkt nu schel en droevig gejammer. Door het gesnik heen hoor ik de vrouw schreeuwen tegen mijn vader. “Ik hou alleen van jou en niet van de kinderen. Ik ben niet met je kinderen getrouwd, maar met jou. Jij zit niet de hele dag thuis met hen. Ze maken de boel vies en ze luisteren niet. En die zoon van jou die gaat eruit. Naar een tehuis. Jij kunt hem niet opvoeden en ik ook niet. Hij zal er beter van worden, geloof me!”

Ik voel geen arm meer om me heen. Mijn broer is naar zijn kamer gegaan. Triest kijk ik naar mijn kruis. Ik voel nattigheid. Nee, niet weer. Van spanning heb ik in mijn broek geplast. Verdomme, ook dat nog. Maar ik kan nu niet aankloppen. Ik durf niet. Stilletjes ga ik naar boven en kruip in mijn bed. Door het onderlaken voel ik het koude kille bruine zeiltje. Het is al laat. Beneden is het stil. Onheilspellend stil. Bonkend met mijn hoofd, van links naar rechts en van rechts naar links schud ik mezelf in slaap. Droomloos.