Posts tonen met het label familie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label familie. Alle posts tonen

23-12-2024

Mien korte verhalen (64 + 65) met kleine grote waarheid

64) Dronkenschap met oud op nieuw (10-12-2024)

Oudjaarsavond en we verzamelen bij Marcel thuis. Dubbelfeest en gratis drinken. Het gaat een topavond worden, zeker weten. Langzaam stroomt iedereen binnen, op zijn paasbest gekleed, maar dan wel met dikke kleren. Het belooft een koude nieuwjaarsnacht te worden. We beginnen met biertjes. Altijd voorzichtig starten is het devies. Thuis heb ik al melk gedronken. Een vette bodem helpt een kater te voorkomen. Het liefst zou ik willen starten met een Brand Up. Dit zuivere bier zorgt ervoor dat je daarna alle biertjes door elkaar kunt drinken. Zelfs Stella Artois en Leeuwbier, bocht der bieren. Wel zo handig bij een kroegentocht die aanstonds is.
 
Het is vijf voor twaalf. We zijn inmiddels een paar biertjes en wat borrelhappen verder. Zo meteen gaan we luidkeels zingen en scharen ons alvast richting de pa van Marcel, het ultieme feestvarken voor vanavond. De kurken kunnen bijna los. Een ‘Lang zal hij leven’ en ‘Gelukkig nieuwjaar’ vallen samen. En dan ook nog eens vijftig worden. Een dikke proficiat dus voor pa. Daar moet op gedronken worden. Voor deze speciale keer mogen we aan de sterke drank. Maar wat moeten we kiezen? Sterke drank dat kennen we nog niet. Gin Fish en Cola Tic zijn wel vertrouwde en populaire drankjes, maar aan rum, whisky, cognac en jonge klare hebben we ons nog nooit gewaagd. Van het verdomde bier moet ik alweer plassen. Of is het van de zenuwen?
 
Terug van het toilet staat een groot glas troebele vloeistof op me te wachten. Mijn vrienden kijken me verwachtingsvol aan. Ik laat me niet kennen en drink het glas in een paar slokken leeg. Een smaaksensatie die zijn gelijke niet kent. Ik heb nog nooit iets anders dan bier gedronken. Het smaakt vies en smerig en er gebeurt iets met mijn hoofd. Het wordt ineens heel licht. Het lijkt zelfs heel even te zweven. Mijn vrienden applaudisseren. Sommige kijken wat verschrikt. Toch wel stoer die Mien.
 
Ik red het de rest van de nacht niet meer. Vanuit mijn maag komt ineens zuur opzetten. Een stroom van blubber borrelt hikkend en stotend door mijn slokdarm omhoog en valt niet meer te remmen. Ik houd mijn hand voor de mond. Tevergeefs. Een fontein van bruine modder proest uit mijn mond tussen de vingers door. Mijn vrienden wijken en lachen smalend. Het laatste drankje is toch verkeerd gevallen en ik ook. Twee vrienden vangen me net op tijd op en ik bungel in hun armen. Gevoelens van onmacht, schaamte en onzekerheid. Wat nu te doen?  Ik kan helaas niet meer verder. Er blijft niet veel meer over van stoere Mien.
 
Met veel moeite achterhalen mijn vrienden waar ik eventueel naartoe gebracht kan worden. Ik weet dat mijn vader en vriendin bij familie van zijn vriendin op bezoek zijn. Maar waar wonen die ook alweer? Een paar straten verder weet ik te vertellen, maar waar precies. Uiteindelijk vinden we het juiste adres. Dronken word ik afgeleverd. Mijn vader ongerust en boos. Ik wankel naar het toilet en doe de deur op slot. Versuft val ik in slaap. Slaapdronken dronken word ik eventjes later wakker van gestommel en gebonk op de deur. Het lukt me niet goed om de deur open te krijgen. Draai de knop de verkeerde kant uit. Uiteindelijk valt de deur open en ik van de pot. 



65) Dronkenschap in krantenwijk (23-12-2024)

Het leven voor een puber is duur. Zeker als hij bier en liefde ontdekt. Het kan nooit genoeg zijn. Wat dan helpt is een krantenwijk. Maar eerst natuurlijk de voorwaarden lezen. Mijn eerdere mièmere-avontuur, het tot in den treure plukken van rode bosbessen bij een onbeholpen boer die niet alleen de mièmere uitkneep maar ook mijzelf; door slechts een dubbeltje te betalen per grote krat, waarover ik bijna twee uur deed, noodzaakte tot goede voorlichting in de toekomst. Mijn vader sprong nog op de bres en bovenop de boer en vertelde hem wat voor een gierige krent hij was. Nee, dan liever kranten rondbrengen. Veel betere voorwaarden.

De tijden zijn ruim en makkelijk te behappen, maar veel te vroeg. De wijk is eenvoudig te belopen en het ophaalpunt is op fietsafstand. De reclamefolders, zelf te vouwen, leveren een welkome aanvulling op het karig loon. De eerste weken gaat het goed. Behalve op maandag. Sowieso een klote dag voor werklieden. Het weekend is immers voorbij. Maar niet voor deze jongen. Het weekend achtervolgt mij altijd en laat zelden los. Daarvoor is het veel te leuk en het wil ook nooit ophouden. Tot zondagavond laat wil het weekend altijd uitgelaten in de kroeg blijven hangen. Als het even kan ook nog over de bezem springen. De laatste drankjes vinden plaats achter gesloten gordijnen. En hoe?

En ja, dan loopt het soms uit de hand. Zijn de biertjes zo lekker dat ze als vanzelf naar binnen glijden. Eindeloos. Totdat de waard het echt genoeg vindt. Dan gaan we snel nog even naar de bakker. Die bakt al heerlijke warme broodjes en is altijd in voor stoere kroegverhalen. Het is dan vier uur in de ochtend. Nog even slapen en dan de kranten rondbrengen. De mensen wachten ook op het nieuws. Met twee uur slaap achter de kiezen is het dan een zware bevalling. En er zijn maandagen bij waarop het echt niet lukt. Maar dan sleurt pa mij uit bed. Ik zal en moet de kranten rondbrengen, hoe beroerd ik me ook voel. Het arbeidsethos is me met de paplepel ingegoten en zal nooit meer verdwijnen. De opstand ook niet. Die ligt nog in verse herinnering.

Met opkomend gal in mijn slokdarm sla ik het ontbijt over en haal de kranten op. Gelukkig is er niemand bij de uitgiftepost. De kranten liggen buiten. Het is goed weer. Het kost me heel veel moeite om de fietstassen te vullen. En het idee, nog een keer terug te moeten voor een tweede ronde, maakt me nog misselijker. Hoe ga ik dit in vredesnaam redden? Ik zwalk met mijn volgeladen fiets door de eerste straten van de wijk. Het lijkt allemaal eeuwen te duren. Ik zie de brievenbussen soms niet eens goed zitten. Ze zijn toch niet verplaatst? Ik ben gewoon nog dronken. En dat is niet van de slaap. Ik zie op de route iemand vanuit zijn huis naar me toe lopen. Heel lief vraagt de meneer of het wel goed met me gaat? Of ik niet een kopje koffie wil? De gedachte alleen al maakt dat ik kokhals. Ik weet het goed te verbergen en zeg vriendelijk nee. Het gaat wel weer. Ik voel in mijn rug dat ik bezorgd word nagekeken. Is het dan echt zo erg met mij?

Twee straten voor de flat waar ik woon houd ik het niet meer. En ik ben nog maar op een derde van mijn route. Dit red ik nooit. Ik voel weer gal opkomen en buikkrampen. Zo snel als mijn fysiek het toestaat, laat ik mijn fiets vallen en spring uit het zicht. Ik kruip achter wat struiken onder een balkon van de flat waar ik zojuist de kranten in de bus wil duwen en laat me vallen. Het gal brandt op mijn tong en in de keel. Ik walg van mezelf en weet geen blijf. Wat heb ik toch gedaan? Doodmoe word ik overvallen door slaap. Ik stop het gevecht en geef me over aan een diepe slaap, op de koude grond, onder het balkon.

Iemand tikt me op de schouder. Ik schrik wakker. Waar ben ik? Wie ben jij? Het is de krantenman. Shit. Bij reageert boos en terecht. Hij heeft diverse belletjes gehad dat de krant niet op tijd bezorgd is en is mijn route na gefietst. Het is ook al 10 uur. Zonder vragen te stellen helpt hij me overeind en maant mij de overige kranten zo snel mogelijk te bezorgen. Met het schaamrood op de kaken voldoe ik aan de opdracht. Kotsmisselijk, maar het lukt uiteindelijk. Ik heb ook nog eens vette mazzel. Ik word namelijk niet ontslagen, wat mij een dubbel gevoel geeft. De nood aan krantenbezorgers blijkt te hoog. Wel krijg ik een vriendelijk doch dringend verzoek om voortaan niet meer zoveel op zondag te drinken. Om 12 uur kruip ik lijkbleek weer in mijn mandje. Gelukkig is het vakantie. 

02-10-2024

Help ik val of toch niet help?

Help ik val of toch niet help? Joop weet het niet. Joop is fictief. Wil liever niet bij zijn echte naam genoemd worden. Ik heb voor Joop gekozen; Jopie in de volksmond, hij is immers het tegenovergestelde van Popie. Help ik val of toch niet help? is het laatste wat Joop zei toen ik hem gisteren tegenkwam. Opmerkelijk, Joop zoekt zelden hulp. Je krijgt ook amper hoogte van zijn belevingswereld. Wat gaat er nu precies in Joop om?

Niemand die het weet. Maar geen nood. Het werkt zo ook voor Joop. Hij heeft geen benul van wat er speelt bij andere mensen. Vaak weet Joop dan ook niet hoe te reageren op zijn omgeving. Al helemaal niet waar het mensen betreft. Het kan hem weinig boeien. Voor zijn familie is dat anders. Die heeft het laten onderzoeken. Typisch iets voor de familie van Joop. Die wil zekerheid, weten wat er speelt. Hoe past Joop toch in hun plaatje en in het plaatje van de omgeving? Niet. Hij past er niet in. Joop is namelijk neurodivers.

Hoppakee, meteen een etiket geplakt op Joop. En nu? Hoe nu verder? In welke mate neurodivers? Nou gewoon, compleet anders dan de rest van de familie. En maar goed ook. Het zou een saaie boel worden, al die typische mensen die typisch hetzelfde gedrag vertonen en typisch reageren op eender wat. Nee, Joop is de norm voor mij. Compleet normaal dus.

Joop weet dat. We laten elkaar met rust. Heerlijk. Genieten van elkaars aanwezigheid. Met traan en lach. Want ook al zien we deze niet, we worden ze wel gewaar. We brengen ze alleen niet naar buiten. Jammer? Misschien. Voor de omgeving misschien. De typische omgeving.

Joop is overigens niet gevallen. Maar dat terzijde. Een geruststelling voor de familie. Dat dan weer wel.
 
---------------------------------------
 
Schrijfopdracht #526 - Vallen (1 oktober 2024) - Odile Schmidt
Schrijf een kort verhaal waarin vallen een rol speelt. Het kan verval zijn of van de trap afvallen. Ook zou ik graag een bijzonder personage erin zien. Eentje die niet neurotypisch is of op een andere manier niet mainstream in maximaal 300 woorden.

 
 

12-08-2024

Familieopstelling

We staan in het bos. De zon schijnt door de bomen en het ruikt heerlijk naar hars. Ik ben aan de beurt. De gedachte alleen al windt me op. Eerst maar eens mijn grote zus een plekje geven. Ze doet altijd onnozel dus plaats ik haar achter een dikke den. De broer die na mij komt, best aardig, zet ik dicht bij me. Op vijftig centimeter. Minder afstand kan ik niet verdragen en is gezien de situatie ook gevaarlijk. Mijn oudste zus kijkt uitdagend. Waar zal ik die eens plaatsen? Een takkewijf is het. Ik laat haar plaats nemen op een laaghangende tak van een dikke eik. Kan ze mooi overzicht houden. Mijn oudste broer dan nog. Met zijn overstelpend verantwoordelijkheidsgevoel stuur ik hem de struiken in. Nu is het zaak om de juiste tekst bij de juiste personen te vinden.

De therapeut naast me kijkt me aan. Hij ziet me worstelen. Ik heb het mezelf wel lastig gemaakt en moet bekennen dat ik de dingen misschien toch anders had willen doen. Ik kan dan ook niet de juiste woorden vinden bij mijn broers en zussen. Ze blijven wie ze zijn. Zichzelf helaas. Verplaatsen in een ander kunnen ze maar moeilijk. Hoeft ook niet. Het feit dat ik ze opstel geeft al voldoening. Geen terechtstelling maar een gekoesterde wens. Woorden zijn overbodig, daden ook. De therapeut ziet dat het kwartje is gevallen. Vanuit de kuil, die ik met veel pijn en moeite heb gegraven, kijk ik samen met hem naar mijn broers en zussen. Ik nodig hen allen uit om even te lachen en dan langzaam naar mij toe te komen en me een lieve aai over de bol geven. En zowaar, het gebeurt. Ik ben de gelukkigste man ter wereld. Heel even. Wie is de volgende?

--------------

Wekelijkse schrijfopdracht Schrijven Online #518 - Setting (6 augustus 2024)  -  Odile Schmidt
Schrijf een kort verhaal waarin de setting net zo belangrijk is als de personages in maximaal 300 woorden.

06-06-2024

Mien korte verhalen (62 + 63) met kleine grote waarheid

62) Dorstig zestien (31-05-2024)
 
Kratten bier en fris staan hoog opgestapeld in het souterrain van de vier etage-flat, gekleurde lampjes hangen aan het lage plafond en de muziekinstallatie is zojuist stevig uitgetest. Herman Brood klinkt heel 'shpritsz' door de boxen. Bijna is het saturdaynight en vier ik mijn verjaardag. Zestien jaar en heel dorstig. Dorstig om het te worden en dorstig om te zijn. Zou ze komen, mijn voormalige vlam? Het is nog niet zolang geleden en ze heeft al een nieuwe vriend. Haar gedroomde prins, ik weet het. Loslaten. Moeilijk. Iedereen is uitgenodigd. Familie, enkele klasgenoten en veel hockeyvrienden. Zou de trainer en de coach ook komen? Mijn stiefbroer draait nog wat aan de knoppen, het klinkt nog niet helemaal naar zijn zin. Zijn grote hobby, muziek. Ook de mijne, alleen onze smaken verschillen nogal. Heb hem dan ook de nodige instructies gegeven. Het is zeven uur in de avond en begin nu toch wel wat zenuwachtig te worden. Tijd voor een biertje. Intussen inspecteer ik de twee kelderruimtes voor de zoveelste keer. Alles hangt nog. De ballonnen, de slingers, de posters, de lampjes. Een gevoel van trots vervuld me. Ja, ik haat deze flat, het wonen veel te krap, met vieren in een veel te kleine flat. Maar feestvieren kan overal. Zeker in een gezellig sfeervol hol. Het zwarte plastic aan de muur laat nu toch een beetje los. Even beter vastmaken.
 
Langzaam komen de eerste gasten binnen. Familie voorop. Ze zijn er allemaal en ik neem de cadeaus in ontvangst. Ze glunderen bij het zien van mijn blije gezicht. Binnen no time komt ook de rest binnen. Ik heb er zin in en zo ook de gasten. Geen schroom en er wordt volop gedanst. Maar toch ... even overvalt mij de weemoed. Ik zie hoe Carolien dolverliefd is op Mark en het geeft me een misselijk gevoel. We hebben even oogcontact. Glimlachen volstaat. Ik geniet van mijn vrienden die uitzinnig dansen op de muziek. Alle klassiekers trekken voorbij. Deep Purple, Pink Floyd, Stones, Brood en Beatles en ja ook af en toe een Abba-tje. Mijn stiefbroer draait goed. De biertjes gaan er goed in. En heel langzaam verandert de kelderruimte in een bad cave met bier- en zweetlucht. Het zwarte plastic zeil schreit tranen van plezier. De goedkope geurtjes zijn allang verdwenen uit de lucht. Ik glunder tot achter mijn oren. Mijn vader praat met mijn hockeytrainer en met mijn coach, ze zijn toch gekomen. Laat, but who cares? Tot in de kleine uurtjes gaan het feest door. Flatgenoten zijn ermee akkoord. Gelukkig maar. Ik zie mijn vader en stiefmoeder samen tevreden uitkijken naar het gepeupel en naar het eind, dat onvermijdelijk komt. Sweet sixteen ben ik geworden en wil het een leven lang zo blijven vieren. We eindigen het feest met Hotel California. Such a nice surprise. Ik geniet nog lang na.
 
 
63) Bright eyes (06-06-2024)
 
Het is zomervakantie en er zijn nog geen plannen gemaakt, het weer is niet fantastisch en toch willen we op vakantie. Met twee pubers een verzoeking. Het wordt een weekje Duitsland ergens in de middle of nowhere, althans zo voelt het toch. Ik heb helemaal geen zin, want ik wil veel liever in Weert blijven, dichtbij mijn vriendinnetje. Het vertrek geeft me een onbestemd gevoel van het moment dat we in de auto stappen. Ik wil niet weg, ik wil haar zien. Gisteren heb ik haar nog een brief geschreven, dat ik haar zal missen, een hunkerbrief, hoe het haar zal gaan vergaan zo zonder mij, of ze me gaat missen? De laatste ontmoeting bij haar thuis was niet geweldig, snipverkouden was ze, een povere welkomstzoen smaakte naar eucalyptus. Ze was de hele tijd afwezig, het bezoek van korte duur.
 
De autorit naar Duitsland is vreselijk en het regent pijpenstelen. Droef druk ik mijn neus tegen het koude natte raam van het zijportier en tuur naar buiten. Auto’s en witte strepen schieten voorbij. Het vakantieoord met saaie appartementen ligt mistroostig op een kleine heuvel, net als de sfeer die over de hele vakantie hangt. Er is niet veel te doen op de plek waar we zijn. Ik weet niet eens de naam van deze godverlaten plek. Hoe zou het met mijn vriendinnetje zijn? Zou ze de brief al hebben gekregen?
 
Alle attracties hebben we onderhand gehad, welgeteld twee en de flipperkast helpt ook niet echt meer mee de tijd te verdrijven. Mijn stiefbroer is alleen maar bezig met zijn schoolboeken. Hij zit in het laatste jaar van de LTS. Uit verveling besluit ik wat te gaan wandelen in de bossen rondom ons hotel, een bos dat alleen maar bestaat uit dennenbomen en sparren, kilometers lang en meters hoog, de paden rechttoe rechtaan. Het weer is druilerig en alles voelt nat. Naaktslakken, lichtbruin en ontelbaar kruipen traag over het pad, uit baldadigheid ga ik er op eentje staan, zo maar. Ik baal van mezelf, waarom doe ik dat nou? Boosheid, verveling, verdriet, ze schreeuwen om verklaring, maar ik weet het even niet. Trap onderweg nog een aantal slakken plat. Ook de zwarte.
 
Het eten in het hotel is niet te hachelen, na de maaltijd kijk ik nog een film en duik op tijd de koffer in. Een stapelbed in een kleine kamer en ik lig boven. De slaap lijkt maar niet te komen, mijn gedachten zijn bij mijn vriendin in Weert. Hoe ver lijkt dat nu weg. Eindelijk trekt de slaap me een diepe droom in, een ware nachtmerrie. Ik droom van een grote bruine naaktslak die zichzelf langzaam opblaast in mijn kamer. Hij houdt niet op te groeien en kom haast klem te zitten onder zijn massa. Nee, nee, hij gaat me nog dooddrukken! In grote paniek spring ik uit bed en land op de grond. De slak duwt me nu richting deur. Ik wil naar buiten maar de deur zit op slot. Hoe kan dat nu? Ik trap keihard tegen de deur. Een groot gat, want hij blijkt van dunne triplex te zijn. Mijn redding. Dan word ik wakker en besef wat ik heb gedaan. Een vette straf, dat is het.
 
De stemming wordt er de volgende ochtend niet beter op. De schade wordt opgenomen en mijn vader is nors, dit wordt een dure grap. We zijn nu al vier dagen in dit saaie oord en alles in mij roept naar huis te gaan. Maar in de middag komt de post. Ineens stijgt mijn bloedslag naar ongekende hoogte. Ik houd de brief onder mijn neus, hij ruikt een beetje naar parfum en doet mijn hart sneller kloppen. Ik besluit de brief in het bos te lezen en loop naar buiten. Een weeïg onderbuikgevoel laat me sneller lopen. Na een kwartier durf ik de brief te openen. Maar een blaadje, constateer ik droef, wat er geschreven staat nog meer droevig. Mijn vriendin heeft na lang nadenken besloten om een einde te maken aan onze relatie. Mijn eerste grote liefde, wil niet meer verder met mij. Verdriet en ongeloof maken zich meester van mij, tranen biggelen over mijn wang en vallen op de brief, enkele woorden vervagen. Sorry Mien. Ik ben ontroostbaar en wil naar huis.
 
Tot die conclusie is ook mijn vader gekomen. In overleg met stiefmoeder en stiefbroer besluiten we een paar dagen eerder naar huis te gaan. Iedereen blij. Nou ja, blij? Op de autoradio klinkt Garfunkel. ‘Bright eyes. Is it a kind of a dream? Floating out on the tide. Following the river of death downstream. Oh, is it a dream?’ Wishfull thinking. Ik pink een traan weg. Watership down.
Mijn stiefmoeder weet niet goed wat te zeggen en vertelt dat ze helemaal geen zin heeft om volgende week weer te gaan werken. Ze is poetsvrouw, werkt enkele ochtenden in de jambuurt en niet toevallig, of juist wel, ook bij de ouders van mijn vriendin. Nu ex-vriendin dus. Was het sowieso gedoemd te mislukken, onze relatie? Ik weet het niet. Ik moet er nog even aan wennen. Aan de terugreis lijkt geen einde te komen. Het voelt oneindig en onwezenlijk. 
 
 
 

06-05-2024

Mien korte verhalen (60 en 61) met kleine grote waarheid

60) Kind van de oorlog (04-05-2024)
 
Het is woensdagavond 7 april 1943, donker en al laat. M. pakt haar fiets uit het schuurtje en gaat op pad, stiekem op weg naar haar vrijer, die aan de andere kant van Venlo woont. Achttien jaar jong en verliefd in oorlogstijd. Engelse aanvallen op het Ruhrgebied in Duitsland verstoren regelmatig de rust in Venlo, maar het kan haar even niet bommen. Ze wil G. zien. Het is een bewolkte avond en ze trapt stevig door. Dan gaat het luchtalarm af en de hel breekt los. Ze denkt aan haar vader die woest zal zijn, maar M. keert niet om. De schuilkelders haalt ze sowieso niet meer.

Met bonkend hart fietst ze verder. De Wellington bommenwerpers ronken hoog boven haar in de lucht, Duits afweergeschut ratelt en nachtjagers van de Luftwaffe spuwen spervuur. Bommen vallen uit de lucht, slaan in op huizen in de buurt waar M. naar op weg is. De schrik slaat om haar hart. Ze rijdt de straat in waar G. woont en ziet de puinhopen, smeulend vuur, huizen ingestort. Paniek in de straat. Ze rent naar de woning van G. en springt tussen de brokstukken in … en wat ze dan ziet … niet te beschrijven. Haar G. … haar G. … verschrikkelijk toegetakeld … geklemd tussen … verminkt … dood … dood … nee … nee!
 
Een kwartier later, een enorme knal en de lucht in vuur en vlam. Wellington HE 592 wordt getroffen door Duits luchtafweer, scheert over Hout-Blerick en stort neer. Vier Canadezen en een Engelsman vinden de dood. De gedropte bommen in de buurt waar G. woont hebben acht slachtoffers gemaakt. Allen dood, het verdriet enorm.
 
M. is volledig het spoor kwijt, getraumatiseerd door wat ze ziet. Eerder die maand heeft ze nog een schildklieroperatie ondergaan in de kelder van het Sint Josephziekenhuis, onder oorlogsgebulder. Dat ging niet helemaal goed. Teveel weggesneden. Struma heeft ze er aan overgehouden. Tijdens de operatie had ze ook nog een scheet gelaten. “Beter in de vrije lucht dan in de enge buik!”, had de dokter gezegd. Nu weet ik ook waar die spreuk van mijn moeder vandaan komt.
 
De oorlog slaat diepe wonden. Hoe lang heeft M. niet door de stad Venlo gezworven, samen met haar zus A., terwijl de rest van het gezin evacueerde naar Groningen. Gespleten en uit elkaar gereten, op zoek naar eten in een vreselijke hongerwinter, voedseltochten door granaatvuur.  Blerick bevrijd en Venlo nog niet. Uiteindelijk zijn M. en A., gedwongen door de vele bombardementen geëvacueerd naar de grote schuilkelder van trappistenabdij Uelingsheide in Tegelen.
 
Kind van de oorlog zo voel ik mij. “Er is iets mis met M.”, werd mijn vader verteld toen hij verkering kreeg met mijn moeder. Door zus A., die wat ouder is. Uit bezorgdheid, uit jaloezie misschien? Wie zal het zeggen? Logisch dat mijn moeder iets mankeert. Na wat ze op jonge leeftijd al heeft meegemaakt. De trauma’s, haar zwak gestel ontaarden soms in waanvoorstellingen. Die weet ze aanvankelijk nog te onderdrukken maar ontwikkelen zich verder naar verloop van tijd.
 
De liefde voor M. en mijn vaders diepe wens, als enig kind een gezin stichten, zorgen voor een huwelijk. Na de geboortes van mijn oudste broer en zus volgt een diagnose voor mijn moeder. Schizofrenie. Ze kan beter geen kinderen meer krijgen, is het advies van de huisarts. Mijn vader slaat het in de wind. Een groot gezin is zijn wens. Nog een broer en ik komen ter wereld. Een familieleven vol overlevingsdrang, liefde, zorg en stress, is het gevolg. Nauwelijks te bevatten dat mijn twee broers, mijn zus en ik er niet zouden zijn geweest als de vrijer van ons mam niet was gestorven door de oorlog. Hoe bizar, als kinderen van de oorlog. 
 
 
61) Disco Inferno (07-05-2024) 

Disco inferno. De beat klinkt uit de zaal. Black is the night. Dat is wat ik zie, voel en hoor als ik voor 'Disco Club Carte Blanche' sta op de Oelemarkt in Weert. Ik sta in de rij voor een van de hipste discotheken van het land. Een van de eerste ook, naast 'Dansen bij Jansen' en 'Cartouche'. De discotheek is groot vol glitter en fame, zijn naam vooruit gesneld. En ik ga er vanavond voor het eerst naar toe, met vrienden. Als we binnen mogen? Ik twijfel nog wat over mijn outfit. Zou het de portier bevallen? Niks mis mee. We mogen allen naar binnen. Het rode pluche is niet van de lucht en heel het plafond hangt vol met plastic tranen aan touwtjes. Lichtjes twinkelen in onze ogen. Spectaculair, ik kan niet anders zeggen, naar een ontwerp van de Spaanse architect Domingo López. Jassen geven we eerst af in de garderobe, we krijgen zelfs een muntje. Via een bordes betreden we de smalle ring rondom de dansvloer. Wijde pijpen en high heels on the dancefloor. Schaars geklede dames. Ik kijk mijn ogen uit, wat een mooie vrouwen? Een wilde droom manifesteert, komt uit. Maar die verlegenheid ... Hij ligt me nu toch echt wat dwars. We drinken cola tic en gin tonic, maar ook dat helpt niet. De drank is haast onbetaalbaar, zo armlastig als we zijn. Maar we zijn er wel bij. Het hoogtepunt van het weekend in de leepste tent van de wijde omgeving. Maar het moet gezegd, het voelt ook wel klef. Geheel anders als de stamkroeg waar we normaliter in vertoeven. Het voelt wat koud, niet vertrouwd.

Dan maar plassen. Het toilet is al net zo'n happening als het gelikte interieur. En wat groot? Dat wordt betalen, zie ik bij de deur. Ook het toilet vraagt entree. Gelukkig ben ik op alles voorbereid. Dus ik schrijf heel cool een acceptgiro uit, inclusief fooi. Ik haal de betaalkaart uit de binnenzak van mijn goedkope jasje en zie de blik van de portier op glimlach staan. Hij kan het wel waarderen en geeft me een vette knipoog. Vijftig cent schrijf ik op. 'I feel love' schalt intussen door de megagrote boxen. Ik kan amper stilstaan en heupwieg zachtjes mee op de muziek. Ik probeer de bromvlieg weg te schieten op de bodem van het urinoir. Maar het lukt niet echt. Nog nooit zo'n fris ruikend toilet bezocht. Ik snuif de patuli diep mijn neusvleugels in. Weer eens wat anders dan dennengeur. De speciaal uit Amerika geïmporteerde lichtshow en geluidsapparatuur zijn fantastisch. Nog nooit klonk 'Donna Summer' zo mooi. En dan te beseffen dat nog geen maand geleden deze prachtige tent geopend is door Mac Kissoon himself en de Disco Go Go Girls. Helaas tot onze grote spijt konden we daar niet bij zijn. Uitverkocht. In no time. We blijven nog wat hangen. Als we even later toch besluiten om richting onze stamkroeg te gaan buts ik per ongeluk tegen een mooie dame aan. Ze kijkt me verontwaardigd aan en zegt venijnig "Sorry, I'm a lady!". Ik denk onmiddellijk, geef mij maar Baccara. Klinkt en smaakt iets meer appetijtelijk. We halen onze jassen op en vertrekken naar de overkant, naar de Vijzel en treden binnen onder het geluid van Dillinger, Cokane my brain. Nou dat doen we maar effen niet. A bottle bier volstaat.

04-05-2024

Laat me alleen samen zijn

Laat me alleen samen zijn
Met broeders zus en pa
Om het verdriet te tillen
Naar grote hoogte

Laat me alleen samen zijn
Met moeder in gedachten
Veel te jong gestorven
Diep gezonken

Laat me alleen samen zijn
Met oorlog in mijn hoofd
Wapens als emotie
Stuitend heen en weer

Laat me samen alleen zijn
Met slachtoffer en lotgenoot
Een zalig verbond
Ontwapenend lief

Laat me alleen samen zijn
Opdat het nooit gebeurd
Diefstal van de waarheid
Zonde in besluit
 
 
Inzending voor Pomgedichten:

21-03-2024

Mien korte verhalen (52 t/m 56) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 19-07-2011 en 17-02-2014
(in derde persoon onder alias Kees, in maart 2024 geredigeerd naar eerste persoon Mien)

 
52) Avventura di chiesa (19-07-2011 > 20-03-2024 geredigeerd)

Na een lange rit van bijna vier dagen stap ik uit de vrachtwagen van mijn oom en komt er een einde aan de lift. Het einddoel is bereikt, de Italiaanse stad Florence. Het oponthoud bij grenspost Vipiteno heeft bijna één dag extra gekost. De vakantie kan nu eindelijk beginnen. Na een moeizaam eindexamen en een verbroken liefdesrelatie ben ik toe aan rust en vrede, als gezonde knaap van negentien met de wereld aan mijn voeten. Wat kan mij gebeuren?

Ik zie er sportief uit in mijn korte groene broek met legerprint en wit T-shirt. Mijn bruine armen, benen en snoet steken mooi af tegen mijn zomerse outfit. Op mijn fris geschoren hoofd draag ik een petje, als bescherming tegen de zon. Mijn goddelijk lichaam is afgetraind en stevig gespierd. Jarenlange hockey heeft mij gezegend met ballonkuiten en een kippenkontje. Ik voel me apetrots. Nog geen maand geleden doorstond ik de selectieprocedure van de Katholieke Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Een brugklasdroom kwam uit. In de toekomst zal ik sportleraar worden, vast en zeker.

Mijn oom heeft me afgezet bij het station van Florence. De avonturenreis kan beginnen. Flink zet ik de pas erin. Het aluminium frame van de grote rugzak prikt in mijn rug en de geitenwollen sokken kriebelen in de bergschoenen. Bijna op iedere hoek van de straat word ik nagekeken, vooral door mannen. Die zijn in de wijk rondom het station volop aanwezig. Het voelt een beetje vreemd, maar laat me verder koud. Ik ben veel meer benieuwd naar de mooie Italiaanse vrouwen. Maar waar zijn ze? Le belle donne?

Een grote kerk met plein, grasveld en fontein ervoor, trekt mijn aandacht. Het is de Santa Maria Novella. De houten bankjes rondom het plein zitten vol mensen. Er heerst een vrolijke sfeer. Hoge schelle geluiden van spelende kinderen klinken in de lucht. Ik plof neer op één van de bankjes om even op adem te komen. Midden op het grasveld klinkt plots een enorm gekerm. Twee hondjes lukt het niet op z’n hondjes. Ineens staan ze met de konten tegen elkaar gekeerd. Ze zitten letterlijk en figuurlijk aan elkaar vast. Een omstander gooit een emmer water over de hondjes heen en bevrijdt ze uit hun lijden. De reu druipt af met een enorme rode kegel. Je zult het maar hebben als reu, last van je Santa Maria Novella.

Ik zwoeg verder door Florence. Al snel heeft de zon haar hoogste punt van de middag bereikt. Het is bloedje heet. Zevenendertig graden Celsius is toch iets te veel van het goede. Ik besluit de eerstvolgende kerk te bezoeken. Kerken zijn namelijk koel en gratis toegankelijk en je hoeft er niets te drinken. Het wordt de San Lorenzo. Amper twee seconden binnen word ik aangesproken door een klein mannetje in net pak met witte boord. Die gebaart met wuivende wijsvinger dat ik iets doet wat niet mag. Druk nee schuddend met zijn hoofd strijkt hij over mijn benen en knijpt heel even in mijn arm. Vervolgens wijst hij naar een klein bordje bij de entree. Ik begrijp het, een kwartje valt. Het is niet toegestaan om met onbedekte armen en benen de kerk te betreden en maak aanstalten om naar buiten te lopen. Maar dat staat het kleine mannetje niet toe. Hij trekt me amicaal naar zich toe.

In gebrekkig Engels legt het mannetje uit dat hij kapelaan is en dat hij voor deze keer de foute kleding door de vingers zal zien. Sterker nog. Ik krijg een rondleiding door het heilige der heiligen. Vol trots loost hij me door de prachtig mooie kerk. Overal krijg ik tekst en uitleg, in Italiaans en gebrekkig Engels. De kapelaan murmelt wat over Medici, Brunelleschi, Donatello en Michelangelo, allemaal namen die me niets zeggen. Af en toe kletst de kapelaan met zijn hand op mijn armen en benen. Het voelt wat onwennig, maar het hoort ongetwijfeld bij de open en vriendelijke volksaard van de Italianen.

Nog één bijzondere plek wil de lieve kapelaan me laten zien. Heel speciaal. Daarvoor maakt de kapelaan eerst het rode koord los dat voor het altaar is gespannen. Achter het altaar is een ruimte afgeschermd door een zwaar roodfluwelen gordijn. Achter het gordijn bevindt zich een hoge ruimte met glazen deuren, een soort serre. Door het glas zie ik een kleine giardino met prachtige struiken en fel gekleurde bloemen. Achter me hoort ik de kapelaan het gordijn zenuwachtig sluiten. Vreemd, denk ik. Als ik vervolgens mijn fototoestel tevoorschijn haal voel ik plotseling een klam handje over mijn bovenbeen glijden. De hand kruipt langzaam omhoog. Achter me hoor ik de kapelaan geil en hijgerig ademhalen. Alle alarmbellen gaan onmiddellijk af. Met de hand voor mijn klokkenspel draai ik me om en duw verontwaardigd de kapelaan van me af en ren zo snel als ik kan de kerk uit. Buiten prikt de zon plagerig in mijn gezicht. San Lorenzo! Waar haalt die kapelaan het in hemelsnaam vandaan om mijn goddelijk lijf zo ongevraagd en brutaal te betasten? De viespeuk.
 
 
53) Bovenaan de ladder (10-12-2014 > 20-03-2024 geredigeerd)
 
Met grote angst klim ik naar boven. Hoeveel stappen moet ik nog? Durf ik nog wel los te laten? Mijn angst te overwinnen? Ogen van beneden priemen in mijn rug. Ze prikkelen en branden en lachen me naar boven. ‘Vooruit Mien, je kunt het!’ De twijfel overmant. Waarom zou ik tot bovenaan klimmen? Maar afdalen is ook geen optie. Heel even kijk ik omlaag. No way.

Het huilen staat me nader dan het lachen. Wrang. Heel wrang. Had ik zelf niet gelachen om enkele van mijn voorgangers? Had ik niet stoer gedacht: ‘makkie, dit doe ik wel even’. Nu mag ik me niet laten kennen. Met zijn tengere lijf klem ik mij tegen het hout en schuif zonder te kijken mijn linkerhand omhoog. Het reiken duurt een eeuwigheid. Opzoek naar houvast. Eindelijk voel ik weer grip. Het zweet staat in mijn handen. Durf ik nu mijn rechtervoet te laten volgen? Of zal ik eerst even mijn rechterhand bijvoegen? Dan kan ik me daarna aan beide armen optrekken.

Vanaf de grond zag het er allemaal zo eenvoudig uit. Met belangstelling had ik de bewegingen van anderen gevolgd. Maar nu heb ik geen idee in welke volgorde ik het beste het laatste stukje kan voltooien. En dan moet ik ook nog over die hoogste stok klimmen. Hoe ga ik dat toch doen? Ondersteboven? Door het laatste gat heen? Nee, dan ga ik vallen. Nog twee vakken te gaan. Wat! Nee, nee, nee, krijg ik nou ook nog een erectie? Zou iemand het kunnen zien? Van beneden? Fout moment. Zeker nu ik de hoogste sport bereikt heb. Ik weet nog steeds niet hoe ik die ga nemen.

‘Schiet eens op Mien!’ brult de juffrouw beneden. Ze moest eens weten. Het hart klopt in mijn keel en in mijn piemel. Hier eindigt de wereld, zeker weten. Ik zie geen mogelijkheid om over de hoogste sport te klimmen. Maar ik moet. In welke houding zal ik mij eens plooien? Niemand die me hier kan helpen. De juffrouw zal echt niet naar boven klimmen. Ik zal hier mogelijk voor de eeuwigheid moeten bivakkeren. Gelukkig is mijn erectie geslonken. Broekbrand kan ik echt niet gebruiken. Het komt nu aan op zelfredzaamheid.

Met de moed der wanhoop zwaai ik mijn rechterbeen over de laatste sport. Vanuit de lucht zie ik de klas beneden op de banken grinnikend lachen. Vooral Sjakie vindt het prachtig. Hij lacht zelfs zijn tanden bloot. Van leedvermaak? Heeft hij mij angst dan toch gezien? Met de blik op stoer klauter ik het klimrek omlaag. Zelfs de juffrouw lacht. Ik wil niet weten waarom. 


54) Eindejaar gein en ongein (01-01-2014 > 20-03-2024 geredigeerd)

De kamer is veel te klein voor zoveel gasten. Een hoek van de kamer wordt volledig opgezogen door een grote kerstboom die reikt tot aan het plafond. De piek lijkt het plafond te kussen maar doet dat net niet. Het is een fantastische boom, wederom. Opgetuigd met mooie lampjes, oude kerstballen en engelenhaar. Voor ieder lampje hangt een plukje haar.

Ik ben apetrots op de boom. Het is de mooiste en grootste kerstboom van heel de buurt. En dat geldt ook voor de kerststal. Die neemt bijna een kwart van de woonkamer in beslag. Eigenlijk is het geen kerststal maar een kerstgrot. De onderste takken van de kerstboom heeft papa afgeknipt. Anders past de grot er niet onder. Aan de onderste tak zweeft een grote engel. Die heet Gloria. Een rare naam. En zijn achternaam is ook heel maf. Excelsis Deo staat geschreven op het bord dat Gloria met beiden handen boven zijn hoofd houdt. “Ekselsisdeo”, leest papa altijd hardop voor. Wie verzint dat nou, zo’n naam?

De engel hangt met zwevende beentjes net boven een bakje waarin een klein baby’tje ligt. Een os en een ezel plukken wat aan het stro dat uit het bakje komt. Een mooi tafereel. Ik tuur over het bultige en gekreukte rotspapier dat met mos bedekt is en vol staat met beeldjes. Koningen, schapen, herders, van alles loopt er rond. Bijna een heel weekend heeft mijn vader erover gedaan om de kerstgrot en de kerstboom op te tuigen. En wat zijn ze weer mooi. Ik ken de geheimen en de inspanningen die schuil gaan achter deze pracht. En het gevloek.

De kartonnen dozen waarin de kerstballen jaarlijks worden opgeborgen, dienen als bodem en grondvlak van de kerstgrot. Het rotspapier ruikt muf en naar zolder. Telkens als ik langs de kerstgrot loopt aai ik over het mos. Het voelt lekker zacht en sponsig. Het ruikt een beetje naar bos. Het bos waar ik samen met zijn broers en papa het mos vandaan haal. Net als de hulst en de mooie takken. Ze geven de kerstgrot een knusse en warme sfeer.

De beeldjes worden jaarlijks in een vast patroon in het veld geplaatst. Met militaire precisie. Het is een groot feest om alle beeldjes uit te pakken. Vooral de kameel, die heel zwaar weegt. Dat is mijn favoriet. Samen met mijn broer en zus vecht ik ieder jaar wie hem mag uitpakken, uit het vergeelde krantenpapier.

Ik ben zo in de ban van de kameel dat ik er dagelijks van droomt. In mijn droom kruip ik dicht tegen de kameel aan. Lekker warm. Maar als ik ‘s morgens wakker word, is het bed koud. Nat en koud. Weer in bed geplast, voor de zoveelste keer. Bah. Van de spanning, zeggen papa en mama. Maar ik ben al zeven.

Vandaag wordt het extra spannend. Dat weet ik. Vanavond komen alle oma’s en opa’s op visite. Het is vandaag oud en nieuw. Ik mag opblijven tot in de late uurtjes. Ik krijg zelfs bowl, kinderbowl. Al gauw loopt het huis vol en is het gezellig druk. Het past allemaal maar net in de kleine woonkamer, maar dat geeft niks. Ik geniet van alle drukte.

Oom moppentap is er ook. Hij heeft het grootste woord, zoals altijd. Tante moppentap doet niets anders dan snoepen. Van de kerstkransjes en de bokkenpootjes. En oma uit de stad rookt de ene sigaret na de andere. Bah. Het glaasje op tafel raakt al snel leeg. Het wordt meteen bijgevuld, met Caballero's en Stuyvesant. Rare namen hebben die sigaretten. Maar de volwassenen vreten ze op. Opa uit het dorp niet. Die rookt alleen maar hofnar. Een hooguit twee, de hele avond. De sigarenbandjes zijn voor mij. Ik heb al een hele verzameling.

Langzaam begint de stemming in de kamer te stijgen. Het uur u nadert. Iedereen is lollig. En dat komt volgens papa niet door oom moppentap. Nee, dat komt door meneer Hermans op tv en de grote mensen bowl. Oma uit de stad en opa uit het dorp hebben het er warm van gekregen. Ze hebben beiden het bovenste knoopje van hun witte hemd los gemaakt en hebben beiden een vuurrood hoofd. Ze lijken op lucifers. Ik moet lachen. Die kunnen straks makkelijk het vuurwerk aansteken. Ik ben er klaar voor.

De glazen worden nog eens gevuld en mijn broers en zus beginnen al hardop te tellen. “Nog effen wachten!”, roept pa. “De klok is nog niet zover!” En hij wijst met zijn grote kerstboomhand naar de klok die traag de seconden weg tikt. Pas als papa zijn donkere stem inzet wordt het serieus. Iedereen in de kleine woonkamer valt bij. “TIEN, NEGEN, ACHT, ZEVEN, ZES, VIJF, VIER, DRIE, TWEE, EEN … ZALIG NIEUWJAAR !!!“

Broers en zus, papa en mama, oom en tante, ze pakken elkaar vast en zoenen dat het een lieve lust is. Totdat met een hele grote gil, oma uit de stad en opa uit het dorp, samen achterover vallen in de kerstboom. Iedereen barst in lachen uit. Oma en opa liggen beteuterd, op elkaar, onder de kerstboom. Opa heeft nu haar. Het engelenhaar ligt als een tulband op zijn kale kop. En oma … oma die draagt ineens twee kleine paddenstoelen in haar oren.

Ik houd het niet meer. Dit moet ik aan de grote klok hangen. Als een idioot ren ik de deur uit, de straat op. Onder luid geknal en met spetterend vuurwerk in de lucht, zet ik twee handen aan mijn mond en roep zo hard ik kan: “OMA EN OPA ZIJN IN DE KERSTBOOM GEVALLEN!!!”. Maar er is niemand die me hoort. Mijn stemgeluid lost op in het grote geknal en de straat is nog leeg. Wat een teleurstelling. 
 
 
55) Maskerade (17-02-2014 > 21-03-2024 geredigeerd)
 
Gekleurde plastic maskers hangen aan een grijze muur. Twee clowns, een hond, een poes en een mannetje met bolhoed. Ze staren leeg voor zich uit en dragen een zure glimlach rondom hun mond. Een gladde bevroren glimlach die eventjes oplicht, zodra een waterig winterzonnetje erop schijnt. Het is feest voor de maskers. Carnaval. Al drie dagen lang.

In de mond houden ze een feesttoeter geklemd. De oranje franjes van de toeters steken flets af tegen de grijze muur. Geen enkel masker heeft haar. Is ook nergens voor nodig. Slingers in vijf bonte kleuren, zorgvuldig vastgeklemd tussen het masker en de muur, zorgen voor een kleurrijk spaghetti-toupet. Uit de muziekboxen klinken aanhoudend vrolijke deuntjes in dialect. 'Mien, wao is mien fiësneus, Mien wao is mien neus? Wao is mien fiësneus geblaeve!'

De ballonnen die aan een koperen kroonluchter hangen lijken hun laatste adem uit te blazen. Ze hangen er magertjes bij. De fut is eruit. Net als bij mij. Ik weet dat als ik nu de ballonnen doorprik, ze niet eens meer zullen knallen. Ik zit op de bank en draag een cowboypak. Een beetje bedroefd stop ik de laatste knallers in mijn pistool en hoor de discussie in de woonkamer aan. Carnaval loopt op zijn laatste benen.

De zwarte snor die mijn vader me iedere dag aanmeet loopt door. Net als mijn bakkebaarden. Het is ook zo warm binnen. De geruite zakdoek om mijn nek kriebelt. Dat doet ie al een paar dagen. Maar zonder zakdoek voel ik mij geen cowboy. Het luciferdoosje waarmee de zakdoek aan elkaar is geknoopt, zit strak onder mijn strottenhoofd. Het is afzien voor een kleine cowboy, maar so what. Alles liever dan verschut staan als dansmarietje of als domme indiaan.

'Ik pas vanavond niet op Mien, niet weer hoor, vanavond ga ik uit. Jullie kunnen op je kop gaan staan!' Mijn zus, schattig verkleed als blauw matroosje met twee vlechten, heeft haar punt gemaakt. 'Ik pas ook niet op, ik heb al afgesproken met vrienden, ik word zo opgehaald'. Mijn broer blijft ook niet thuis. Verkleed als hippie in een wit overhemd, gestift met hippiespreuken en rode hartjes, mag dit jaar voor het eerst uit. Mijn oudste broer ziet de bui al hangen. Maar ook hij laat verstek gaan. 'Sorry jongens, maar vanavond is mijn schaakavond.' Hij houdt niet van Carnaval. Net zo min als zijn schaakvrienden dat doen.

Pa heeft vanuit de keuken alles aangehoord en loopt de woonkamer binnen. 'Dan hebben jullie nu een probleem. Drie dagen hebben jullie kunnen feesten en vanavond is het mijn beurt.' Langzaam lopen de gemoederen hoog op. Niemand wil zich opofferen. Het is een zwaar jaar geweest en iedereen heeft zich verheugd op deze Carnaval. Ma is amper acht maanden geleden gestorven en het liefst wil iedereen dat heel eventjes vergeten. Ook ik.
 
Een schuldgevoel bekruipt mij. Ik ben weer eens de grote lastpost. Stomme Carnaval. Ik zou ook wel uit willen, maar ben nog te jong. Dit gaat geen leuke avond worden. Alweer niet. Treurig kijk ik in de richting van het clownsmasker dat voor me aan de muur hangt. Langzaam schiet ik vol. Dikke tranen rollen langs mijn neus, via snor over de kin op het tegeltapijt. En de clown, de clown tegenover me huilt stilletjes mee.
 
 
56) Te huis (03-10-2013 > 21-03-2024 geredigeerd)
Dit onderwerp later nog eens beschreven in 36) Een titel valt niet af te dwingen op 18-04-2015
 
Bij ieder woord dat ik hoor schrik ik op. Heb ik dat goed gehoord? Ik kruip wat dichter tegen de trapleuning en leg mijn oor vlak langs een van de spijlen die onder de leuning omlaag krult. Zo kan ik me beter concentreren op wat er binnen wordt verteld. Iets vreselijks. Ik vang losse flarden op van een gesprek waarvan de toon me niet aanstaat. Ze hebben weer ruzie.
 
Eigenlijk moet ik in bed liggen, maar de vertwijfeling in mijn vaders vlakke stem, nagelt me vast aan de trap. Ik vraag me af wat er allemaal achter de deur besproken wordt.

De discussie wordt vinniger. De emoties laaien op. Ik heb moeite om te verstaan wat er nu precies wordt gezegd. De losse flarden vormen langzaam een triest verhaal. Het kan toch niet waar zijn? Mij hart bonkt in de keel. Nee, nee, nee, het is niet waar!

Een hoge vrouwenstem slaat een verontwaardigde toon aan. “Het kan zo niet langer. Jouw zoon is onaangepast, hij ruimt niets op en hij luistert niet naar wat ik hem zeg. En dan dat vieze lange haar. Ik mag zijn kamer niet opruimen. Ik mag het niet. Maar hij doet het ook niet.”

Ik fluister in gedachten mijn vader denkbeeldig woorden in. Boze woorden van verzet en lieve woorden van troost. Die vrouw maakt mijn broer zwart. Hoe durft ze? Ik besef dat mijn vader de woorden die ik hem influister niet kan horen. Wat daar achter de deur gebeurt vreet aan mij. Wat haalt dat mens zich in haar hoofd? Wat doet het er toe? Niet opruimen is toch geen doodzonde? Moet ie daarvoor, moet ie daarvoor …
 
Pa verheft nu eindelijk zijn stem. De donkere bas overstemt de hoge klaagzang van de dame, onze nieuwe moeder, sinds kort. ‘Mam’ moeten we tegen haar zeggen. Ze smeekt er bijna om, ze huilt er bijna bij. Dat vertik ik, het is niet mijn moeder. Het is een koude kille tante die mijn vader afblaft en afpikt.

“Ik vind dat je het allemaal te zwaar overdrijft, mens! Oké, hij is geen doorsnee zoon, en hij doet dingen die niet allemaal door de beugel kunnen, hij heeft lang haar, komt te laat thuis voor het eten, ruimt zijn kamer niet op, rookt stiekem en dan … en dan … dat is toch geen reden om … om … om …”

Om wat? Ik hoor niet hoe mijn vader de zin afmaakt. Ik hoor wel hoe boven aan de trap iemand aanschuift. Ik kijk niet op, ik voel en weet dat het mijn broer is. Samen horen we de strijd aan die achter de deur plaatsvindt.

“En ik wil, dat je kiest. Ik kan met die jongen niet verder. Hij gaat naar een tehuis. Hij eruit of ik eruit!” Er volgt een korte stilte. De stilte is ondraaglijk. De lucht is dik en ik kan amper ademhalen. De stilte is ook hoorbaar boven aan de trap. De lucht in de gang voelt loodzwaar, lijkt zwanger van oorlog.

“Dat meen je niet. Hoe kun je … hoe kun je … het is wel mijn zoon hoor!” Wat een ongelofelijk kreng is dat vrouwmens. Ik kan wel janken. Mijn broer, mijn eigen broer, … naar een tehuis? Echt niet? Zal ik de kamer in rennen en die vrouw eens goed de waarheid zeggen? Ik kan het niet langer aanhoren. Hoor ik het nu goed? Huilt mijn vader? Nee, nee?

Boven hem klinkt ongemakkelijk geschuifel. Mijn broer daalt de trap af en schuift stilletjes naast me. Hij legt een arm om de schouder. “Het komt allemaal goed Mien!”, lijkt hij met zijn arm te zeggen. Vol spanning wachten we samen af wat er verder gebeurt.

Het gesnik van pa wordt gevolgd door een tirade. Ik kan het niet helemaal volgen. De woordenstroom van mijn vader klinkt dof in mijn oren. Alsof de woorden in water in mijn oor klotsen. Wil ik dit wel horen? De spanning achter de deur en in de gang is te snijden.

“Hij gaat er niet uit. Jij gaat er dan maar uit, hoe durf je? Mijn vier kinderen zijn me alle dierbaar. Dat moet je toch weten. Geef ze een beetje tijd, ja? Hun moeder is nog geen jaar geleden overleden. Je hebt helemaal niets met de kinderen. Je geeft hen geen enkele vorm van aandacht. Een kille koele tante, dat ben je!”

Achter de deur klinkt nu schel en droevig gejammer. Door het gesnik heen hoor ik de vrouw schreeuwen tegen mijn vader. “Ik hou alleen van jou en niet van de kinderen. Ik ben niet met je kinderen getrouwd, maar met jou. Jij zit niet de hele dag thuis met hen. Ze maken de boel vies en ze luisteren niet. En die zoon van jou die gaat eruit. Naar een tehuis. Jij kunt hem niet opvoeden en ik ook niet. Hij zal er beter van worden, geloof me!”

Ik voel geen arm meer om me heen. Mijn broer is naar zijn kamer gegaan. Triest kijk ik naar mijn kruis. Ik voel nattigheid. Nee, niet weer. Van spanning heb ik in mijn broek geplast. Verdomme, ook dat nog. Maar ik kan nu niet aankloppen. Ik durf niet. Stilletjes ga ik naar boven en kruip in mijn bed. Door het onderlaken voel ik het koude kille bruine zeiltje. Het is al laat. Beneden is het stil. Onheilspellend stil. Bonkend met mijn hoofd, van links naar rechts en van rechts naar links schud ik mezelf in slaap. Droomloos.
 
 
 
 

 

31-12-2023

Wensgedachten 2024

Een hobbelpaard dat droog staat
Een kabinet dat staat als een huis
Een lijf zo gezond als … ja wat …
Een auto die blijft rijden een leven lang
Een vakantie 24/7 in je hoofd
Een bierbuik zo plat als een dubbeltje
Een goede wijnfles die nooit op gaat
Oliebollen in alle kleuren
Werk dat leuk is
Familie die gewoon familie mag zijn
Vrienden die vrienden blijven
Een hond die niet uitgelaten hoeft (te zijn)
Een poes die houdt van spinnen (rond je buik)
En niet te vergeten … 
Zelfgemaakte appelmoes …
Iedere dag


Inzending Nieuwjaarswens voor:

10-04-2021

Mien korte verhalen (46 t/m 51) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 25-07-2009 en 03-10-2014 
(in derde persoon onder alias Kees, in maart / april 2021 geredigeerd naar eerste persoon Mien) 
 
46) A day in the life   (25-07-2009 > 11-03-2021 geredigeerd)

Een mooie dag in juni. Het is heet. En ik, ik ben opgewonden, heetgebakerd. Adrenaline stroomt door mijn lijf. Want Sjakie treitert. Sjakie mijn boezemvriend tevens grootste vijand. Zo gaat dat onder kindervrienden, negen lentes jong. De zomervakantie staat voor de deur, en ik verkeer in oorlogsstand. Zou ik het nu eindelijk durven, die vervelende Sjakie een mep verkopen.

Samen lopen we door vertrouwde straten. Daar zie ik de speelgoedwinkel al. Ik moet nu toeslaan, zo dadelijk zijn we thuis. Ik pep mezelf op en haal het uiterste in mij boven. Kwaad en bangelijk tegelijk kijk ik Sjakie aan. We zijn bijna in onze straat. De gordijnen van ons huis zijn dicht. Mijn moeder heeft dat graag. Zeker in de zomer. Sjakie loopt nu aan de overkant. Zou hij mijn dreiging en onrust voelen.

Het is nu of nooit. Ik loop op Sjakie af, pak hem vast, duw en trek en verkoop hem trillend van de zenuwen een halve muilpeer. Ik durfde hem niet echt te raken. Maar toch, het heeft effect. Van schrik en met de hand op de wang spurt Sjakie naar huis. Nooit heb ik hem zo bang gezien. De adrenaline keert terug op z’n plek en ik voel een zoete trots opborrelen. Mijn hart bonst in mijn keel. Eindelijk heb ik dat rotjoch een verdiend pak rammel gegeven.

Mijn blik valt op de zwarte achterpoort, die schittert in de zon. Als ik de klink van de poort vastgrijp vliegt ie piepend open. Mijn vader stormt naar buiten. Compleet overstuur. Zijn ogen betraand. De schrik vliegt om mijn oren. Mijn kinderbrein maakt kilometers overuren, wat is hier aan de hand? Pa is niet op zijn werk, en waar is mams? De poort wordt snel dichtgetrokken en mijn vader trilt en stottert: “Lieve … lieve jongen, … mam is dood.”

Ik barst in tranen uit, want een bangelijk vermoeden is bewaarheid. Mijn vader neemt me mee naar de buren, twee deuren verderop. We huilen beiden tranen met tuiten. Ik schreeuw het uit en wordt bang van mijn eigen diepe angst. De buren waken over mij, maar weten eigenlijk met mij geen blijf. Pa keert terug naar wat ooit heel veilig was. Wat nu verworden is tot onheilsplek. En ik, ik wil mee. De buren houden mij tegen, ik stribbel tegen, ik wil mijn moeder zien. Bezorgdheid en paniek staan in hun ogen geschreven.

Ik kan en wil het niet weten. Het enige wat ik wil is mamma zien. Ik storm naar buiten en zie in een dramatisch ogenblik, mams in een metalen kist naar binnen schuiven. De mond in van een zwarte auto. Ik schreeuw het nogmaals uit en mijn pappa vangt mij op. Hemel en aarde storten in. Tranen prikken droog achter mijn ogen en we houden elkaar vast. Waar is nu iedereen? Het is midden op de dag. Mijn zus en mijn broers waar zijn ze? Ik mis ze in dit verschrikkelijk onheilsuur? Na minuten, die wel uren lijken, druipen ze één voor één naar binnen. Droefheidrituelen volgen elkaar op.

Terneergeslagen neemt iedereen het slechte nieuws in ontvangst. Onze lieve mams is niet meer. De buurvrouw heeft haar gevonden, onder een tuinslang die nog sproeide, op deze hete junidag.
De gordijnen blijven nu voorgoed gesloten. Geel en roze gebaand. Waar is mijn moeder nu gebleven? Zo maar uitgevlogen, zonder iets te zeggen? Vier kinderen proberen pa te troosten. Mams is in de hemel. Voorgoed genezen van ziek zijn en haar kwalen. Moeilijk te bevatten. A day in a life.


47) Oma'tje lief  (11-11-2013 > 13-03-2021 geredigeerd)

Het is weekend en ik mag weer naar oma en opa. Dit keer zonder broer. Waarom weet ik niet. Wat ik wel weet is dat mama weer ziek is. Papa is zelfs teruggeroepen van zijn werk. Het komt steeds vaker voor. Ik vind het maar niks. Weer een heel weekend opgesloten bij opa en oma. Met mijn broer is dat nog wel leuk. We timmeren in het schuurtje van opa eerst houten zwaarden. En met de zwaarden spelen we dan Floris de ridder. Dat doe ik het liefste. Mijn broer speelt Sindela de tovenaar en ik ben Floris. Met een oude handdoek of laken om onze schouders geknoopt, wanen we ons koene ridders uit de middeleeuwen. Maar helaas is mijn broer er dit keer niet bij.

Gelukkig is het mooi weer en mag ik in ieder geval naar buiten. Op pad met een glazen potje en een blaadje groen erin. Lieveheersbeestjes vangen. Die zitten op de rode prikstruiken. Prikstruiken die in de hele buurt bij oma en opa de kleine voortuintjes van elkaar scheiden. Al snel heb ik mijn potje vol met Lieveheersbeestjes. Trots laat ik het jampotje aan oma zien. Maar oma heeft geen tijd voor mij. Zij is veel te druk met de zaterdagpoets. Het huis moet schoon. In oma’s huis gelden de regels van reinheid, rust en regelmaat. En opa, waar is opa? Die dut wat in zijn stoel. Ook daar kan ik helemaal niets mee. De verveling slaat al gauw toe. Nog een uurtje en dan is het etenstijd. Dan moet ik mijn handen wassen en netjes aan tafel zitten. Met mes en vork eten, zwijgzaam, want praten wordt aan tafel niet gedaan.

Vandaag heb ik een kou gevat. Daar weet oma wel raad mee. Op tijd naar bed, maar niet nadat de borst is ingewreven met een flinke partij dampo. Nu nog een flanellen lap om de borst en dan stevig onder de gesteven lakens en wollen deken ingestopt in bed. Ik krijg amper adem. En dat is niet van de verkoudheid. Wat verlang ik naar mijn eigen bedje. Het stapelbed op de jongenskamer. En naar mijn broer, die altijd een verhaal verteld voor het slapen gaan. Meestal een spannend verhaal dat steevast eindigt met het eng zwaaien van mijn broers arm langs het bed. Dat vind ik doodeng. Maar mijn broer kan het plagen niet laten. Hij is niet voor niets een grote broer.

Zal ik vannacht weer eng dromen? Ik weet het niet. Ben bang van wel. Wordt het weer de grote witte lege ruimten droom, met onmetelijk licht en leegheid? Of droom ik weer van de school tegenover oma en opa. Waar ik stiekem op het dak ben gekropen, maar niet meer vanaf durf omdat er rond de school enge honden lopen met bekken vol grote tanden. De honden laten hun tanden zien telkens als ik van het dak af wil kruipen. Bonkend met mijn hoofd in het kussen probeer ik de slaap te vatten. Morgen is het zondag. Weer een trieste eenzame dag waarbij ik mijn familie moet missen. Moet missen omdat mama ziek is. Maar wat heeft ze dan? Niemand vertelt me dat. Ik snap er niets van. Uiteindelijk val ik in slaap. Droomloos dit keer. Gelukkig maar.

De zondag is vandaag zonnig en vraagt zoals iedere zondag om zondagse kleren. Dat betekent oppassen wat ik doe. Want zondagse kleren mogen absoluut niet vies worden. Zeker niet bij oma en opa. Vanmiddag gaan we op bezoek bij een zus van oma. Die woont om de hoek. Er komen nog meer oude mensen. Ik weet wat er komen gaat en vrees nu al voor de middag. Maar ik ontkom er niet aan. Het thee- en koffiekransje, inclusief mariakoekjesdip is nog maar amper gestart of oma vertelt aan iedereen hoe mooi ik zingen kan. Dwepend en doordringend vraagt ze mij te zingen.

“Ga maar op tafel staan Mien, je kunt het, toe maar.” Ik heb geen keus en word in de sterke armen van de zwager van mijn oma op tafel geplant. Het moet een vreemd gezicht zijn. Gênant ook. Ik zie mezelf staan als klein jongetje midden op tafel in zondagse kleren, met blauwe ogen en blonde krullen en kwijlende oudjes om me heen. Maar ik laat me niet kennen. Ik weet wat er van me verwacht wordt. Uit volle borst zet ik in: “Oma’tje lief, blijf alstublieft. Heel lang bij ons, net zo lang als u leeft. U hoort bij mij, u bent van mij. Niemand als ik die zo’n oma’tje heeft.”

Applaus volgt. Ik voel mijn wangen rood worden. Ik weet niet goed of ik dit nu leuk vind of niet. Maar in ieder geval is er aandacht. Zou hier de liefde voor het podium bij mij geboren zijn? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat er onmiddellijk een toegift moet volgen. Luidkeels zet ik opnieuw in: “Mama …, je bent de liefste van de hele wereld. Mama, de allerliefste van de hele wereld. Later, wanneer ik ga trouwen. Zal ik een huisje gaan bouwen. Als je dan soms alleen zult zijn, kom dan bij mij in huis. Mama, de liefste van de wereld ben jij. Oh, lieve mama, je bent en blijft altijd een voorbeeld voor mij.” Snikkend vlieg ik van tafel. Dit keer komt het allemaal te dicht bij. Mama is ziek. En ik wil alleen nog maar bij mama zijn. 


48) Trekhaaksmurf (23-03-2014 > 16-03-2021 geredigeerd)
 
“Nog een klein stukje kruipen en dan kun je omhoog komen Mien.” Wat is het spannend en wat duurt de kruiptocht lang. Ik heb best schrik maar laat dat niet merken. Ik wil niet onderdoen voor mijn grote vriend en vijand, Sjakie. Maar kan ik Sjakie wel vertrouwen? Sjakie loodst me onder de kolenwagen door. “Kan ik al omhoog komen?” Ik hoor niets en begin te twijfelen. Omkeren kan niet meer, maar hoe lang duurt het nog? Het lijkt een eeuwigheid. Mijn hart klopt in de keel.

“Ben ik er al Sjakie?” “Nee, nog effe Mien!” Ik houd het niet meer. Ben ongeduldig en zie plots wat meer licht onder de donkere kolenwagen doorschijnen. Ik denk dat ik er ben en kruip onder de kolenwagen uit, met mijn hoofd geheven. Dat had ik niet moeten doen. In een flits van een seconde lijken er in mijn hoofd een aantal dingen te voltrekken. In een soort droom, een waas van acties. Ik voel een pijnlijke steek wat wordt gevolgd door een wattig gevoel in mijn hoofd. Het lijkt alsof ik word voortbewogen door iemand anders, door vreemde wezens.

Sjakie kijkt me met een bevreesd gezicht aan en ziet me naar mijn hoofd grijpen. Ik heb mijn hoofd gestoten tegen de trekhaak van de kolenwagen. Ai, dat doet pijn. Boosheid en paniek staan in mijn kleine blauwe ogen geschreven. Het bloed gutst uit mijn hoofd. De ernst van de situatie dringt amper door bij Sjakie. Weet niet wat te doen en rent keihard weg. Uit paniek, uit onmacht, uit schuldgevoel? Wie zal het zeggen?

Ik grijp met beide handen naar mijn hoofd. Het bloed sijpelt door de vingers langs mijn oren op de schouders. Mijn groengrijs geblokt hemd kleurt in een mum van tijd rood. Ik zie hoe Sjakie wegrent, de lafaard. ‘Wat moet ik doen, wat moet ik nu doen?’ Op de automatische piloot loop ik langs de garageboxen naar huis, dikke rode vette bloedstappen op de grond achterlatend. ‘Wat zal mams schrikken en boos zijn.’ Dat is alles wat ik in mijn paniek kan bedenken.

Mams schrikt hevig. Tijd voor uitleg is er amper. Ik zie ook even paniek in haar ogen. Ze reageert op de automatische piloot. Een theehanddoek wordt over mijn hoofd gegooid. Zonder troost. Korte commando’s volgen. “Houdt vast. Stevig op je hoofd. Drukken en niet loslaten.” Moeder rent naar de telefoon. “Ja, hier met mij, Mien heeft een gat in zijn hoofd en bloedt ontzettend, wat moet ik doen? Ik hoor mijn vader op de achtergrond wat mompelen. Mams gaat verder, "… hij heeft zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen … Ja, daar kroop ie onder … Wat? … Je komt eraan … Alvast naar de dokter … Oké.”

“Dat is een groot gat mijn vriend, hoe heb je dat gedaan?” Er komt geen woord uit mijn mond. Bang kijk ik naar de dokter, wat gaat er nu gebeuren?
De dokter heeft een schaar in zijn hand en grapt dat hij voor kapper gaat spelen. Daar zie ik de lol niet van in. Ik heb een grote hekel aan de kapper. Mijn eerste ontmoeting met een kapper was geen fijne. Die schraapte met zijn scheermes iets te diep in mijn nek. Pijnlijk. Om vervolgens met een vreemd ijskoud blokje mijn nek te deppen. En nu met een groot gat in mijn hoofd vrees ik voor het ergste. Maar gelukkig is de knipbeurt snel voorbij. “Zo, dat is gepiept!” roept de dokter. “En nu gaan we nog even een oliesheik van je maken vriend.” Mijn hoofd wordt ingezwachteld met een grote rol verband. “Kijk maar even in de spiegel Mien, en nu niet meer onder kolenwagens kruipen hè, volgende week terugkomen, oké?” Paps en mams nemen me weer mee naar huis. “Wie kruipt er nu ook onder een kolenwagen, jongen, jongen toch!” Ik zie dat ze net zo hard geschrokken zijn als ikzelf. Maar aan hun commentaar heb ik even geen boodschap.

“Jongens, jongens … Nee, nee, geen grapjes vandaag. Dit is Mien. Hij heeft gisteren een klein ongelukje gehad. Zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen. Hij is heel erg geschrokken maar nu doet het geen pijn meer. Hè Mien?” Daar sta ik in de schoolgymzaal. Met een groot wit verband om mijn hoofd. De hele klas buldert van de lach. Behalve Sjakie. Die staat een beetje bedeesd achterin en duikt weg achter de jongen die voor hem staat. Hij ontwijkt mijn boze blik.  “Smurfje, smurfje!!”, joelt de klas. Juf krijgt de klas niet stil. En eigenlijk, eigenlijk moet ze zelf ook een beetje lachen. In mijn blauwe trainingspak en met het grote witte verband om mijn hoofd lijk ik ook wel verdacht veel op een kleine smurf. “Mien, je hoeft vandaag niet mee te doen hoor. Ga jij maar op het bankje zitten!” proest de juf. Ik ga zitten en kan alleen maar denken: ‘Ik ben geen smurf, ik ben een oliesheik.’ 
 

49) Bovenaan de trap (11-07-2014 > 28-03-2021 geredigeerd)
 
Mams staat bovenaan de trap. Vreemd. Paniek staat in haar ogen. Ik begrijp het niet. Wat doet ze daar nu eigenlijk? Buiten regent het. Het weer is guur. Zo is ook de sfeer in huis. Een vreemd soort dreiging hangt er rond. Een spanning die moeilijk te beschrijven is. Zo voel ik het. Het zorgt voor pijn in mijn onderbuik. Broer staat naast me onder het trapluik.

Mam is in de war. Dat is duidelijk. De ongeruste blik in de ogen van broer maakt mijn nare onderbuikgevoel alleen maar erger. Na de eerste schreeuw van mams, zijn we beiden keihard naar boven gerend. De schreeuw is door merg en been gegaan. Nog nooit heb ik mams zo hard horen schreeuwen. Angstschreeuwen zijn het.

Een half uur geleden heeft mams op haar houten klompslippers met een volle wasmand, moeiteloos de vlizotrap naar de zolder bestegen. Tijdens het uitvouwen van de lakens heeft ze paniek gevoeld en naar haar hoofd gegrepen. De paniek is vanuit haar hals, achterlangs de oren, ongecontroleerd haar hersens binnen gestuiterd. Het heeft alles op tilt geslagen. Trillend van de zenuwen lijkt haar hoofd te ontploffen. Vuurrood is ze aangelopen.

Zo hebben mijn broer en ik ons mams nog nooit gezien. We schrikken er behoorlijk van. Maar het wordt nog veel erger. “Ik maak er een eind aan, ik spring, ik spring, godverdomme …”, dat is wat ze roept. Vloeken, dat heeft ze nog nooit eerder gedaan. Gelovig als ze is. Wat is hier in hemelsnaam aan de hand? Een paar seconden staan we vastgenageld aan de grond. Wat te doen? Zonder ook maar een woord met elkaar uit te wisselen vliegen we naar beneden. Ik kan mijn broer amper volgen, zo hard stormt hij van de trap af.

Ik snap er niets van. Allerlei gedachten en vragen schieten door mijn hoofd. ‘Gaat mams echt springen? En waarom dan? Waren we niet beter bij haar gebleven?’ Het hart klopt in mijn borst. Ik mag mijn broer niet uit het oog verliezen. “Wacht op mij, wacht op mij!” Maar broerlief is al de voordeur uitgerend, richting buren.

“Help, help!”, hoor ik mijn broer roepen. Hij bonkt keihard op de deur van de buren. “Mijn moeder wil van de trap springen. Help, help!” Het gordijn van het raam naast de voordeur wordt opzij geschoven. De dochter van de buren kijkt verschrikt naar buiten. Tegelijkertijd gaat de deur open. Gelukkig maar, de buren zijn thuis. Maar de schrik is er niet minder door.

De buurman stelt ons gerust en loopt mee om poolshoogte te nemen. Hij is politieman van beroep. Die zal de angstige situatie ongetwijfeld kunnen hendelen. Maar ook de buurman heeft de schrik in zijn ogen staan. Met lood in de schoenen en niet wetend wat er te wachten staat loopt iedereen naar boven. Behalve ik. Ik zie beelden voor mijn ogen die ik maar moeilijk los kan laten. Ik zie mijn moeder onderaan het trapgat liggen, badend in bloed. Het zal toch niet waar zijn?

Ik maak het niet meer mee. Het wordt me zwart voor ogen en ik val flauw. De spanning is te groot. Even later kom ik bij. De dochter van de buurman vangt me op en brengt me naar bed. Als ik wakker word zit mijn vader naast me in een stoel. “Mams voelt zich niet zo goed mijn jongen, ze ligt in bed.” Nog steeds begrijp ik er helemaal niets van. Wat is er in hemelsnaam gebeurd? 
 
 
50) Drakenvriend (23-01-2014 > 05-04-2021 geredigeerd)
 
Met een zucht sla ik de deur van mijn nieuwe slaapkamer open. Het ruikt naar vers behang en latex. Flauwtjes neem ik de nieuwe plek in me op. Drie muren beige, één muur chocoladebruin. En dat op de vijftiende verdieping van een okergele flat. De verflucht kriebelt in mijn neus. “En wat vind je ervan, is ie niet mooi?” In de blik van pa ligt het antwoord hoopvol opgesloten. “Ja pa, het ziet er goed uit.” Een leugentje om bestwil, de ruimte is veel te klein.

Ik kan mijn kont amper keren. De spullen uit mijn vorige kamer lijken de muren van dit hol omver te duwen. Tussen het bed en het bureau is nauwelijks loopruimte. Als de stoel naar achteren is geschoven kan er niemand door. Ik zie al snel dat ik voortaan op mijn linkerzij moet slapen. Op de rechterzij is het risico te groot dat ik de slaapkamerdeur bij plotse entering langs mijn gezicht zie schuren. En dat wil ik niet. Een goede slaper ben ik niet. Daar ben ik te waakzaam voor. Op mijn buik of rug slapen kan ik niet.

Met een plof gooi ik me neer op het bed. Op de buik met mijn neus in het kussen. Pa rommelt wat in de keuken. Zo te horen op zoek naar nieuwe orde. Een orde die hij maar moeilijk lijkt te vinden. Sinds kort woon ik alleen met pa. Het hoekhuis in de volksbuurt waarin ik geboren en getogen ben, is noodgedwongen verkocht. Alle mensen uit dat huis zijn vertrokken. Twee broers en een zus. Verliefd, verloofd, getrouwd. Weggerend, zo voelt het toch. Mams had het huis allang verlaten, zwevend naar de sterrenhemel. De tranen biggelen over mijn wangen. Ik druk mijn neus en tranen stevig in het kussen. Zelfs de geur in het kussen voelt niet vertrouwd. Hoe hard ik ook snuif. Waarom? Waarom?

“Zit toch niet zo te mokken!” Ik veer op. Waar komt die stem vandaan? Een onbekende stem. Niet eerder gehoord. De slaapkamerdeur is dicht. Mijn vader is het niet. Wie leest mij de les. “Ja, ja, je hoeft niet onder het bed te kijken hoor, ik ben het maar. Ja, hiero, hier op de deur!” Met grote verbazing kijk ik naar de poster op de deur. Mijn fluwelen draak is tot leven gekomen. De paarszwarte draak kwispelt wat met zijn staart en zijn fluorescerende ogen lijken vuur te spugen. Het maakt mij en mijn koude kamer heel eventjes warm. “Bij de pakken neerzitten heeft geen zin, jongeman, je moet vooruit. Je nieuwe wereld ontdekken. Kop op. Droog je tranen!” Hoe durft de draak. Terugbrengen naar de winkel is geen optie. Zo’n brutale poster heb ik nog nooit gehad. “Bemoei je met je eigen zaken, lelijke draak, wie denk je wel dat je bent?”

De draak bevriest onder de kou en stolt weer terug tot poster. Heel even twijfel ik aan mezelf. Sprak die draak nu echt, of hoorde ik mezelf praten? Mijn puberbrein haalt rare streken met me uit. En toch, de draak in zijn gedachten had wel een punt. Een plaatje draaien, dat is wat ik wil doen. Muziek in droefenis maakt mijn lijden zachter. Ik kan alleen niet kiezen. Tussen Dylan en de Groot. Ach, arm kind, wat lig je hier stil, dertien lentes zo pril met het antwoord in de wind. 
 
 
51) Grote liefdes liggen op de grond (03-10-2014 > 09-04-2021 geredigeerd)
 
Het is zaterdagavond, de mooiste avond van de week. Vanavond gaat het gebeuren, zeker weten. Ik ben nu al in mijn element. En toch slaat de twijfel toe. Als ik in de badkamerspiegel kijk zie ik grote tekortkomingen. Te groot en te veel. Hoe moet dat nu vanavond? De grote stapavond. Zou ze er weer zijn? Zou ik haar kunnen boeien, durven aanspreken? Zou ze me zien staan? Het meisje uit de stad, waar iedereen verliefd op is. Ben ik de moeite waard? Mien?

Het is vroeg en het stamcafé loopt nog niet echt vol. Zenuwen kriebelen in mijn buik. Op het toilet bekijk ik in de spiegel nog eventjes mijn outfit. Ik draag mijn favoriete blouse en broek. De stoere schoenen zitten stevig. Alleen beweeg ik er nog wat onzeker in.

Een biertje dan maar. Mijn gabbers stromen langzaam de kroeg binnen. En de dames. Nog geen Bibi te zien. Ze komt toch wel, vanavond? Op de avond die ik bedacht heb als mijn avond. Het is warm in de kroeg. Of ligt dat aan mij? Een prachtige zomeravond en bijna iedereen die ik ken is aanwezig. Dat wordt lastig. De zoektocht naar het juiste momentum. Maar eerst moet Bibi nog komen.

Mijn vrienden zwermen om me heen. ‘Wie Motten das Licht’. Heel vervelend, nu ik wat anders aan mijn hoofd heb. De liefde plakt achter mijn oren. Gelukkig weet ik dit nog te camoufleren met stoer gedrag. Ik bestel snel wat biertjes, ook al is het nog niet mijn beurt. Ik geniet een grote populariteit onder mijn vrienden. Dat steken ze niet onder stoelen of banken. Ik weet dat. En toch, nog nooit heb ik mij zo alleen gevoeld. Alleen onder de mensen. Hoe moet dat nu? Hoe moet dat nu vanavond?

“Wat ben je vanavond toch afwezig Mien?” Het is Sabine die zich over mij ontfermt. Ik weet dat zij verliefd op me is. En wil nu eigenlijk niet gezien worden in haar gezelschap. Ik weet eigenlijk niet wat ik mis. Een schat van een meid is Sabine. Alleen erg lelijk. Bijna zo lelijk als de nacht. Vreemde uitdrukking. Want juist de nacht kan erg mooi zijn.

Hartje zomer onder vrienden en de combi bier en brandende liefde, geven me een benauwd gevoel. De drank stijgt vanavond snel naar mijn hoofd. Wat moet ik doen, ten overstaan van al mijn gedachte vrienden? Het liefst zou ik wegrennen. Bibi is er niet. Het hele plein voor de stamkroeg staat vol mensen. Ik zie het niet meer. Ik zie haar niet. Ik durf ook niet naar Bibi te vragen. Waar ze blijft. En al zeker niet bij haar boezemvriendin, Sandra, de vriendin zonder boezem. God, wat ben ik verliefd op Bibi. Het mooiste en zwoelste meisje van de stad. Met haar gitzwarte haar en reebruine ogen, haar guitige glimlach en haar goddelijke lijf. Rondingen om van te dromen. Onbereikbaar. Wat doet de liefde toch pijn.

Ik moet handelen. Nu. Een daad zetten. De liefde vraagt om daden. Niet om geduld. En zeker niet als hormonen gieren in de keel. De alcohol maakt rozig en creatief. Het kraakt en piept in mijn hoofd, hart, ziel en lenden. Waar is ze nu? Theatraal gooi ik me op de grond, te midden van mijn vrienden, voor het stamcafé, languit op het plein en krab met mijn vingers over de grond. “Bibi, Bibi, waar ben je, waar zit je, ik hou van jou …?!” De vrienden reageren eerst verbijsterd en barsten dan in lachen uit. Weer zo’n maffe act van Mien? Totdat ze me zien huilen. Grote tranen. Echte tranen. Frank, mijn beste vriend raapt me op en biedt troost. Diepe troost. Arme ik.