Posts tonen met het label flat. Alle posts tonen
Posts tonen met het label flat. Alle posts tonen

23-12-2024

Mien korte verhalen (64 + 65) met kleine grote waarheid

64) Dronkenschap met oud op nieuw (10-12-2024)

Oudjaarsavond en we verzamelen bij Marcel thuis. Dubbelfeest en gratis drinken. Het gaat een topavond worden, zeker weten. Langzaam stroomt iedereen binnen, op zijn paasbest gekleed, maar dan wel met dikke kleren. Het belooft een koude nieuwjaarsnacht te worden. We beginnen met biertjes. Altijd voorzichtig starten is het devies. Thuis heb ik al melk gedronken. Een vette bodem helpt een kater te voorkomen. Het liefst zou ik willen starten met een Brand Up. Dit zuivere bier zorgt ervoor dat je daarna alle biertjes door elkaar kunt drinken. Zelfs Stella Artois en Leeuwbier, bocht der bieren. Wel zo handig bij een kroegentocht die aanstonds is.
 
Het is vijf voor twaalf. We zijn inmiddels een paar biertjes en wat borrelhappen verder. Zo meteen gaan we luidkeels zingen en scharen ons alvast richting de pa van Marcel, het ultieme feestvarken voor vanavond. De kurken kunnen bijna los. Een ‘Lang zal hij leven’ en ‘Gelukkig nieuwjaar’ vallen samen. En dan ook nog eens vijftig worden. Een dikke proficiat dus voor pa. Daar moet op gedronken worden. Voor deze speciale keer mogen we aan de sterke drank. Maar wat moeten we kiezen? Sterke drank dat kennen we nog niet. Gin Fish en Cola Tic zijn wel vertrouwde en populaire drankjes, maar aan rum, whisky, cognac en jonge klare hebben we ons nog nooit gewaagd. Van het verdomde bier moet ik alweer plassen. Of is het van de zenuwen?
 
Terug van het toilet staat een groot glas troebele vloeistof op me te wachten. Mijn vrienden kijken me verwachtingsvol aan. Ik laat me niet kennen en drink het glas in een paar slokken leeg. Een smaaksensatie die zijn gelijke niet kent. Ik heb nog nooit iets anders dan bier gedronken. Het smaakt vies en smerig en er gebeurt iets met mijn hoofd. Het wordt ineens heel licht. Het lijkt zelfs heel even te zweven. Mijn vrienden applaudisseren. Sommige kijken wat verschrikt. Toch wel stoer die Mien.
 
Ik red het de rest van de nacht niet meer. Vanuit mijn maag komt ineens zuur opzetten. Een stroom van blubber borrelt hikkend en stotend door mijn slokdarm omhoog en valt niet meer te remmen. Ik houd mijn hand voor de mond. Tevergeefs. Een fontein van bruine modder proest uit mijn mond tussen de vingers door. Mijn vrienden wijken en lachen smalend. Het laatste drankje is toch verkeerd gevallen en ik ook. Twee vrienden vangen me net op tijd op en ik bungel in hun armen. Gevoelens van onmacht, schaamte en onzekerheid. Wat nu te doen?  Ik kan helaas niet meer verder. Er blijft niet veel meer over van stoere Mien.
 
Met veel moeite achterhalen mijn vrienden waar ik eventueel naartoe gebracht kan worden. Ik weet dat mijn vader en vriendin bij familie van zijn vriendin op bezoek zijn. Maar waar wonen die ook alweer? Een paar straten verder weet ik te vertellen, maar waar precies. Uiteindelijk vinden we het juiste adres. Dronken word ik afgeleverd. Mijn vader ongerust en boos. Ik wankel naar het toilet en doe de deur op slot. Versuft val ik in slaap. Slaapdronken dronken word ik eventjes later wakker van gestommel en gebonk op de deur. Het lukt me niet goed om de deur open te krijgen. Draai de knop de verkeerde kant uit. Uiteindelijk valt de deur open en ik van de pot. 



65) Dronkenschap in krantenwijk (23-12-2024)

Het leven voor een puber is duur. Zeker als hij bier en liefde ontdekt. Het kan nooit genoeg zijn. Wat dan helpt is een krantenwijk. Maar eerst natuurlijk de voorwaarden lezen. Mijn eerdere mièmere-avontuur, het tot in den treure plukken van rode bosbessen bij een onbeholpen boer die niet alleen de mièmere uitkneep maar ook mijzelf; door slechts een dubbeltje te betalen per grote krat, waarover ik bijna twee uur deed, noodzaakte tot goede voorlichting in de toekomst. Mijn vader sprong nog op de bres en bovenop de boer en vertelde hem wat voor een gierige krent hij was. Nee, dan liever kranten rondbrengen. Veel betere voorwaarden.

De tijden zijn ruim en makkelijk te behappen, maar veel te vroeg. De wijk is eenvoudig te belopen en het ophaalpunt is op fietsafstand. De reclamefolders, zelf te vouwen, leveren een welkome aanvulling op het karig loon. De eerste weken gaat het goed. Behalve op maandag. Sowieso een klote dag voor werklieden. Het weekend is immers voorbij. Maar niet voor deze jongen. Het weekend achtervolgt mij altijd en laat zelden los. Daarvoor is het veel te leuk en het wil ook nooit ophouden. Tot zondagavond laat wil het weekend altijd uitgelaten in de kroeg blijven hangen. Als het even kan ook nog over de bezem springen. De laatste drankjes vinden plaats achter gesloten gordijnen. En hoe?

En ja, dan loopt het soms uit de hand. Zijn de biertjes zo lekker dat ze als vanzelf naar binnen glijden. Eindeloos. Totdat de waard het echt genoeg vindt. Dan gaan we snel nog even naar de bakker. Die bakt al heerlijke warme broodjes en is altijd in voor stoere kroegverhalen. Het is dan vier uur in de ochtend. Nog even slapen en dan de kranten rondbrengen. De mensen wachten ook op het nieuws. Met twee uur slaap achter de kiezen is het dan een zware bevalling. En er zijn maandagen bij waarop het echt niet lukt. Maar dan sleurt pa mij uit bed. Ik zal en moet de kranten rondbrengen, hoe beroerd ik me ook voel. Het arbeidsethos is me met de paplepel ingegoten en zal nooit meer verdwijnen. De opstand ook niet. Die ligt nog in verse herinnering.

Met opkomend gal in mijn slokdarm sla ik het ontbijt over en haal de kranten op. Gelukkig is er niemand bij de uitgiftepost. De kranten liggen buiten. Het is goed weer. Het kost me heel veel moeite om de fietstassen te vullen. En het idee, nog een keer terug te moeten voor een tweede ronde, maakt me nog misselijker. Hoe ga ik dit in vredesnaam redden? Ik zwalk met mijn volgeladen fiets door de eerste straten van de wijk. Het lijkt allemaal eeuwen te duren. Ik zie de brievenbussen soms niet eens goed zitten. Ze zijn toch niet verplaatst? Ik ben gewoon nog dronken. En dat is niet van de slaap. Ik zie op de route iemand vanuit zijn huis naar me toe lopen. Heel lief vraagt de meneer of het wel goed met me gaat? Of ik niet een kopje koffie wil? De gedachte alleen al maakt dat ik kokhals. Ik weet het goed te verbergen en zeg vriendelijk nee. Het gaat wel weer. Ik voel in mijn rug dat ik bezorgd word nagekeken. Is het dan echt zo erg met mij?

Twee straten voor de flat waar ik woon houd ik het niet meer. En ik ben nog maar op een derde van mijn route. Dit red ik nooit. Ik voel weer gal opkomen en buikkrampen. Zo snel als mijn fysiek het toestaat, laat ik mijn fiets vallen en spring uit het zicht. Ik kruip achter wat struiken onder een balkon van de flat waar ik zojuist de kranten in de bus wil duwen en laat me vallen. Het gal brandt op mijn tong en in de keel. Ik walg van mezelf en weet geen blijf. Wat heb ik toch gedaan? Doodmoe word ik overvallen door slaap. Ik stop het gevecht en geef me over aan een diepe slaap, op de koude grond, onder het balkon.

Iemand tikt me op de schouder. Ik schrik wakker. Waar ben ik? Wie ben jij? Het is de krantenman. Shit. Bij reageert boos en terecht. Hij heeft diverse belletjes gehad dat de krant niet op tijd bezorgd is en is mijn route na gefietst. Het is ook al 10 uur. Zonder vragen te stellen helpt hij me overeind en maant mij de overige kranten zo snel mogelijk te bezorgen. Met het schaamrood op de kaken voldoe ik aan de opdracht. Kotsmisselijk, maar het lukt uiteindelijk. Ik heb ook nog eens vette mazzel. Ik word namelijk niet ontslagen, wat mij een dubbel gevoel geeft. De nood aan krantenbezorgers blijkt te hoog. Wel krijg ik een vriendelijk doch dringend verzoek om voortaan niet meer zoveel op zondag te drinken. Om 12 uur kruip ik lijkbleek weer in mijn mandje. Gelukkig is het vakantie. 

06-06-2024

Mien korte verhalen (62 + 63) met kleine grote waarheid

62) Dorstig zestien (31-05-2024)
 
Kratten bier en fris staan hoog opgestapeld in het souterrain van de vier etage-flat, gekleurde lampjes hangen aan het lage plafond en de muziekinstallatie is zojuist stevig uitgetest. Herman Brood klinkt heel 'shpritsz' door de boxen. Bijna is het saturdaynight en vier ik mijn verjaardag. Zestien jaar en heel dorstig. Dorstig om het te worden en dorstig om te zijn. Zou ze komen, mijn voormalige vlam? Het is nog niet zolang geleden en ze heeft al een nieuwe vriend. Haar gedroomde prins, ik weet het. Loslaten. Moeilijk. Iedereen is uitgenodigd. Familie, enkele klasgenoten en veel hockeyvrienden. Zou de trainer en de coach ook komen? Mijn stiefbroer draait nog wat aan de knoppen, het klinkt nog niet helemaal naar zijn zin. Zijn grote hobby, muziek. Ook de mijne, alleen onze smaken verschillen nogal. Heb hem dan ook de nodige instructies gegeven. Het is zeven uur in de avond en begin nu toch wel wat zenuwachtig te worden. Tijd voor een biertje. Intussen inspecteer ik de twee kelderruimtes voor de zoveelste keer. Alles hangt nog. De ballonnen, de slingers, de posters, de lampjes. Een gevoel van trots vervuld me. Ja, ik haat deze flat, het wonen veel te krap, met vieren in een veel te kleine flat. Maar feestvieren kan overal. Zeker in een gezellig sfeervol hol. Het zwarte plastic aan de muur laat nu toch een beetje los. Even beter vastmaken.
 
Langzaam komen de eerste gasten binnen. Familie voorop. Ze zijn er allemaal en ik neem de cadeaus in ontvangst. Ze glunderen bij het zien van mijn blije gezicht. Binnen no time komt ook de rest binnen. Ik heb er zin in en zo ook de gasten. Geen schroom en er wordt volop gedanst. Maar toch ... even overvalt mij de weemoed. Ik zie hoe Carolien dolverliefd is op Mark en het geeft me een misselijk gevoel. We hebben even oogcontact. Glimlachen volstaat. Ik geniet van mijn vrienden die uitzinnig dansen op de muziek. Alle klassiekers trekken voorbij. Deep Purple, Pink Floyd, Stones, Brood en Beatles en ja ook af en toe een Abba-tje. Mijn stiefbroer draait goed. De biertjes gaan er goed in. En heel langzaam verandert de kelderruimte in een bad cave met bier- en zweetlucht. Het zwarte plastic zeil schreit tranen van plezier. De goedkope geurtjes zijn allang verdwenen uit de lucht. Ik glunder tot achter mijn oren. Mijn vader praat met mijn hockeytrainer en met mijn coach, ze zijn toch gekomen. Laat, but who cares? Tot in de kleine uurtjes gaan het feest door. Flatgenoten zijn ermee akkoord. Gelukkig maar. Ik zie mijn vader en stiefmoeder samen tevreden uitkijken naar het gepeupel en naar het eind, dat onvermijdelijk komt. Sweet sixteen ben ik geworden en wil het een leven lang zo blijven vieren. We eindigen het feest met Hotel California. Such a nice surprise. Ik geniet nog lang na.
 
 
63) Bright eyes (06-06-2024)
 
Het is zomervakantie en er zijn nog geen plannen gemaakt, het weer is niet fantastisch en toch willen we op vakantie. Met twee pubers een verzoeking. Het wordt een weekje Duitsland ergens in de middle of nowhere, althans zo voelt het toch. Ik heb helemaal geen zin, want ik wil veel liever in Weert blijven, dichtbij mijn vriendinnetje. Het vertrek geeft me een onbestemd gevoel van het moment dat we in de auto stappen. Ik wil niet weg, ik wil haar zien. Gisteren heb ik haar nog een brief geschreven, dat ik haar zal missen, een hunkerbrief, hoe het haar zal gaan vergaan zo zonder mij, of ze me gaat missen? De laatste ontmoeting bij haar thuis was niet geweldig, snipverkouden was ze, een povere welkomstzoen smaakte naar eucalyptus. Ze was de hele tijd afwezig, het bezoek van korte duur.
 
De autorit naar Duitsland is vreselijk en het regent pijpenstelen. Droef druk ik mijn neus tegen het koude natte raam van het zijportier en tuur naar buiten. Auto’s en witte strepen schieten voorbij. Het vakantieoord met saaie appartementen ligt mistroostig op een kleine heuvel, net als de sfeer die over de hele vakantie hangt. Er is niet veel te doen op de plek waar we zijn. Ik weet niet eens de naam van deze godverlaten plek. Hoe zou het met mijn vriendinnetje zijn? Zou ze de brief al hebben gekregen?
 
Alle attracties hebben we onderhand gehad, welgeteld twee en de flipperkast helpt ook niet echt meer mee de tijd te verdrijven. Mijn stiefbroer is alleen maar bezig met zijn schoolboeken. Hij zit in het laatste jaar van de LTS. Uit verveling besluit ik wat te gaan wandelen in de bossen rondom ons hotel, een bos dat alleen maar bestaat uit dennenbomen en sparren, kilometers lang en meters hoog, de paden rechttoe rechtaan. Het weer is druilerig en alles voelt nat. Naaktslakken, lichtbruin en ontelbaar kruipen traag over het pad, uit baldadigheid ga ik er op eentje staan, zo maar. Ik baal van mezelf, waarom doe ik dat nou? Boosheid, verveling, verdriet, ze schreeuwen om verklaring, maar ik weet het even niet. Trap onderweg nog een aantal slakken plat. Ook de zwarte.
 
Het eten in het hotel is niet te hachelen, na de maaltijd kijk ik nog een film en duik op tijd de koffer in. Een stapelbed in een kleine kamer en ik lig boven. De slaap lijkt maar niet te komen, mijn gedachten zijn bij mijn vriendin in Weert. Hoe ver lijkt dat nu weg. Eindelijk trekt de slaap me een diepe droom in, een ware nachtmerrie. Ik droom van een grote bruine naaktslak die zichzelf langzaam opblaast in mijn kamer. Hij houdt niet op te groeien en kom haast klem te zitten onder zijn massa. Nee, nee, hij gaat me nog dooddrukken! In grote paniek spring ik uit bed en land op de grond. De slak duwt me nu richting deur. Ik wil naar buiten maar de deur zit op slot. Hoe kan dat nu? Ik trap keihard tegen de deur. Een groot gat, want hij blijkt van dunne triplex te zijn. Mijn redding. Dan word ik wakker en besef wat ik heb gedaan. Een vette straf, dat is het.
 
De stemming wordt er de volgende ochtend niet beter op. De schade wordt opgenomen en mijn vader is nors, dit wordt een dure grap. We zijn nu al vier dagen in dit saaie oord en alles in mij roept naar huis te gaan. Maar in de middag komt de post. Ineens stijgt mijn bloedslag naar ongekende hoogte. Ik houd de brief onder mijn neus, hij ruikt een beetje naar parfum en doet mijn hart sneller kloppen. Ik besluit de brief in het bos te lezen en loop naar buiten. Een weeïg onderbuikgevoel laat me sneller lopen. Na een kwartier durf ik de brief te openen. Maar een blaadje, constateer ik droef, wat er geschreven staat nog meer droevig. Mijn vriendin heeft na lang nadenken besloten om een einde te maken aan onze relatie. Mijn eerste grote liefde, wil niet meer verder met mij. Verdriet en ongeloof maken zich meester van mij, tranen biggelen over mijn wang en vallen op de brief, enkele woorden vervagen. Sorry Mien. Ik ben ontroostbaar en wil naar huis.
 
Tot die conclusie is ook mijn vader gekomen. In overleg met stiefmoeder en stiefbroer besluiten we een paar dagen eerder naar huis te gaan. Iedereen blij. Nou ja, blij? Op de autoradio klinkt Garfunkel. ‘Bright eyes. Is it a kind of a dream? Floating out on the tide. Following the river of death downstream. Oh, is it a dream?’ Wishfull thinking. Ik pink een traan weg. Watership down.
Mijn stiefmoeder weet niet goed wat te zeggen en vertelt dat ze helemaal geen zin heeft om volgende week weer te gaan werken. Ze is poetsvrouw, werkt enkele ochtenden in de jambuurt en niet toevallig, of juist wel, ook bij de ouders van mijn vriendin. Nu ex-vriendin dus. Was het sowieso gedoemd te mislukken, onze relatie? Ik weet het niet. Ik moet er nog even aan wennen. Aan de terugreis lijkt geen einde te komen. Het voelt oneindig en onwezenlijk. 
 
 
 

10-04-2021

Mien korte verhalen (46 t/m 51) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 25-07-2009 en 03-10-2014 
(in derde persoon onder alias Kees, in maart / april 2021 geredigeerd naar eerste persoon Mien) 
 
46) A day in the life   (25-07-2009 > 11-03-2021 geredigeerd)

Een mooie dag in juni. Het is heet. En ik, ik ben opgewonden, heetgebakerd. Adrenaline stroomt door mijn lijf. Want Sjakie treitert. Sjakie mijn boezemvriend tevens grootste vijand. Zo gaat dat onder kindervrienden, negen lentes jong. De zomervakantie staat voor de deur, en ik verkeer in oorlogsstand. Zou ik het nu eindelijk durven, die vervelende Sjakie een mep verkopen.

Samen lopen we door vertrouwde straten. Daar zie ik de speelgoedwinkel al. Ik moet nu toeslaan, zo dadelijk zijn we thuis. Ik pep mezelf op en haal het uiterste in mij boven. Kwaad en bangelijk tegelijk kijk ik Sjakie aan. We zijn bijna in onze straat. De gordijnen van ons huis zijn dicht. Mijn moeder heeft dat graag. Zeker in de zomer. Sjakie loopt nu aan de overkant. Zou hij mijn dreiging en onrust voelen.

Het is nu of nooit. Ik loop op Sjakie af, pak hem vast, duw en trek en verkoop hem trillend van de zenuwen een halve muilpeer. Ik durfde hem niet echt te raken. Maar toch, het heeft effect. Van schrik en met de hand op de wang spurt Sjakie naar huis. Nooit heb ik hem zo bang gezien. De adrenaline keert terug op z’n plek en ik voel een zoete trots opborrelen. Mijn hart bonst in mijn keel. Eindelijk heb ik dat rotjoch een verdiend pak rammel gegeven.

Mijn blik valt op de zwarte achterpoort, die schittert in de zon. Als ik de klink van de poort vastgrijp vliegt ie piepend open. Mijn vader stormt naar buiten. Compleet overstuur. Zijn ogen betraand. De schrik vliegt om mijn oren. Mijn kinderbrein maakt kilometers overuren, wat is hier aan de hand? Pa is niet op zijn werk, en waar is mams? De poort wordt snel dichtgetrokken en mijn vader trilt en stottert: “Lieve … lieve jongen, … mam is dood.”

Ik barst in tranen uit, want een bangelijk vermoeden is bewaarheid. Mijn vader neemt me mee naar de buren, twee deuren verderop. We huilen beiden tranen met tuiten. Ik schreeuw het uit en wordt bang van mijn eigen diepe angst. De buren waken over mij, maar weten eigenlijk met mij geen blijf. Pa keert terug naar wat ooit heel veilig was. Wat nu verworden is tot onheilsplek. En ik, ik wil mee. De buren houden mij tegen, ik stribbel tegen, ik wil mijn moeder zien. Bezorgdheid en paniek staan in hun ogen geschreven.

Ik kan en wil het niet weten. Het enige wat ik wil is mamma zien. Ik storm naar buiten en zie in een dramatisch ogenblik, mams in een metalen kist naar binnen schuiven. De mond in van een zwarte auto. Ik schreeuw het nogmaals uit en mijn pappa vangt mij op. Hemel en aarde storten in. Tranen prikken droog achter mijn ogen en we houden elkaar vast. Waar is nu iedereen? Het is midden op de dag. Mijn zus en mijn broers waar zijn ze? Ik mis ze in dit verschrikkelijk onheilsuur? Na minuten, die wel uren lijken, druipen ze één voor één naar binnen. Droefheidrituelen volgen elkaar op.

Terneergeslagen neemt iedereen het slechte nieuws in ontvangst. Onze lieve mams is niet meer. De buurvrouw heeft haar gevonden, onder een tuinslang die nog sproeide, op deze hete junidag.
De gordijnen blijven nu voorgoed gesloten. Geel en roze gebaand. Waar is mijn moeder nu gebleven? Zo maar uitgevlogen, zonder iets te zeggen? Vier kinderen proberen pa te troosten. Mams is in de hemel. Voorgoed genezen van ziek zijn en haar kwalen. Moeilijk te bevatten. A day in a life.


47) Oma'tje lief  (11-11-2013 > 13-03-2021 geredigeerd)

Het is weekend en ik mag weer naar oma en opa. Dit keer zonder broer. Waarom weet ik niet. Wat ik wel weet is dat mama weer ziek is. Papa is zelfs teruggeroepen van zijn werk. Het komt steeds vaker voor. Ik vind het maar niks. Weer een heel weekend opgesloten bij opa en oma. Met mijn broer is dat nog wel leuk. We timmeren in het schuurtje van opa eerst houten zwaarden. En met de zwaarden spelen we dan Floris de ridder. Dat doe ik het liefste. Mijn broer speelt Sindela de tovenaar en ik ben Floris. Met een oude handdoek of laken om onze schouders geknoopt, wanen we ons koene ridders uit de middeleeuwen. Maar helaas is mijn broer er dit keer niet bij.

Gelukkig is het mooi weer en mag ik in ieder geval naar buiten. Op pad met een glazen potje en een blaadje groen erin. Lieveheersbeestjes vangen. Die zitten op de rode prikstruiken. Prikstruiken die in de hele buurt bij oma en opa de kleine voortuintjes van elkaar scheiden. Al snel heb ik mijn potje vol met Lieveheersbeestjes. Trots laat ik het jampotje aan oma zien. Maar oma heeft geen tijd voor mij. Zij is veel te druk met de zaterdagpoets. Het huis moet schoon. In oma’s huis gelden de regels van reinheid, rust en regelmaat. En opa, waar is opa? Die dut wat in zijn stoel. Ook daar kan ik helemaal niets mee. De verveling slaat al gauw toe. Nog een uurtje en dan is het etenstijd. Dan moet ik mijn handen wassen en netjes aan tafel zitten. Met mes en vork eten, zwijgzaam, want praten wordt aan tafel niet gedaan.

Vandaag heb ik een kou gevat. Daar weet oma wel raad mee. Op tijd naar bed, maar niet nadat de borst is ingewreven met een flinke partij dampo. Nu nog een flanellen lap om de borst en dan stevig onder de gesteven lakens en wollen deken ingestopt in bed. Ik krijg amper adem. En dat is niet van de verkoudheid. Wat verlang ik naar mijn eigen bedje. Het stapelbed op de jongenskamer. En naar mijn broer, die altijd een verhaal verteld voor het slapen gaan. Meestal een spannend verhaal dat steevast eindigt met het eng zwaaien van mijn broers arm langs het bed. Dat vind ik doodeng. Maar mijn broer kan het plagen niet laten. Hij is niet voor niets een grote broer.

Zal ik vannacht weer eng dromen? Ik weet het niet. Ben bang van wel. Wordt het weer de grote witte lege ruimten droom, met onmetelijk licht en leegheid? Of droom ik weer van de school tegenover oma en opa. Waar ik stiekem op het dak ben gekropen, maar niet meer vanaf durf omdat er rond de school enge honden lopen met bekken vol grote tanden. De honden laten hun tanden zien telkens als ik van het dak af wil kruipen. Bonkend met mijn hoofd in het kussen probeer ik de slaap te vatten. Morgen is het zondag. Weer een trieste eenzame dag waarbij ik mijn familie moet missen. Moet missen omdat mama ziek is. Maar wat heeft ze dan? Niemand vertelt me dat. Ik snap er niets van. Uiteindelijk val ik in slaap. Droomloos dit keer. Gelukkig maar.

De zondag is vandaag zonnig en vraagt zoals iedere zondag om zondagse kleren. Dat betekent oppassen wat ik doe. Want zondagse kleren mogen absoluut niet vies worden. Zeker niet bij oma en opa. Vanmiddag gaan we op bezoek bij een zus van oma. Die woont om de hoek. Er komen nog meer oude mensen. Ik weet wat er komen gaat en vrees nu al voor de middag. Maar ik ontkom er niet aan. Het thee- en koffiekransje, inclusief mariakoekjesdip is nog maar amper gestart of oma vertelt aan iedereen hoe mooi ik zingen kan. Dwepend en doordringend vraagt ze mij te zingen.

“Ga maar op tafel staan Mien, je kunt het, toe maar.” Ik heb geen keus en word in de sterke armen van de zwager van mijn oma op tafel geplant. Het moet een vreemd gezicht zijn. Gênant ook. Ik zie mezelf staan als klein jongetje midden op tafel in zondagse kleren, met blauwe ogen en blonde krullen en kwijlende oudjes om me heen. Maar ik laat me niet kennen. Ik weet wat er van me verwacht wordt. Uit volle borst zet ik in: “Oma’tje lief, blijf alstublieft. Heel lang bij ons, net zo lang als u leeft. U hoort bij mij, u bent van mij. Niemand als ik die zo’n oma’tje heeft.”

Applaus volgt. Ik voel mijn wangen rood worden. Ik weet niet goed of ik dit nu leuk vind of niet. Maar in ieder geval is er aandacht. Zou hier de liefde voor het podium bij mij geboren zijn? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat er onmiddellijk een toegift moet volgen. Luidkeels zet ik opnieuw in: “Mama …, je bent de liefste van de hele wereld. Mama, de allerliefste van de hele wereld. Later, wanneer ik ga trouwen. Zal ik een huisje gaan bouwen. Als je dan soms alleen zult zijn, kom dan bij mij in huis. Mama, de liefste van de wereld ben jij. Oh, lieve mama, je bent en blijft altijd een voorbeeld voor mij.” Snikkend vlieg ik van tafel. Dit keer komt het allemaal te dicht bij. Mama is ziek. En ik wil alleen nog maar bij mama zijn. 


48) Trekhaaksmurf (23-03-2014 > 16-03-2021 geredigeerd)
 
“Nog een klein stukje kruipen en dan kun je omhoog komen Mien.” Wat is het spannend en wat duurt de kruiptocht lang. Ik heb best schrik maar laat dat niet merken. Ik wil niet onderdoen voor mijn grote vriend en vijand, Sjakie. Maar kan ik Sjakie wel vertrouwen? Sjakie loodst me onder de kolenwagen door. “Kan ik al omhoog komen?” Ik hoor niets en begin te twijfelen. Omkeren kan niet meer, maar hoe lang duurt het nog? Het lijkt een eeuwigheid. Mijn hart klopt in de keel.

“Ben ik er al Sjakie?” “Nee, nog effe Mien!” Ik houd het niet meer. Ben ongeduldig en zie plots wat meer licht onder de donkere kolenwagen doorschijnen. Ik denk dat ik er ben en kruip onder de kolenwagen uit, met mijn hoofd geheven. Dat had ik niet moeten doen. In een flits van een seconde lijken er in mijn hoofd een aantal dingen te voltrekken. In een soort droom, een waas van acties. Ik voel een pijnlijke steek wat wordt gevolgd door een wattig gevoel in mijn hoofd. Het lijkt alsof ik word voortbewogen door iemand anders, door vreemde wezens.

Sjakie kijkt me met een bevreesd gezicht aan en ziet me naar mijn hoofd grijpen. Ik heb mijn hoofd gestoten tegen de trekhaak van de kolenwagen. Ai, dat doet pijn. Boosheid en paniek staan in mijn kleine blauwe ogen geschreven. Het bloed gutst uit mijn hoofd. De ernst van de situatie dringt amper door bij Sjakie. Weet niet wat te doen en rent keihard weg. Uit paniek, uit onmacht, uit schuldgevoel? Wie zal het zeggen?

Ik grijp met beide handen naar mijn hoofd. Het bloed sijpelt door de vingers langs mijn oren op de schouders. Mijn groengrijs geblokt hemd kleurt in een mum van tijd rood. Ik zie hoe Sjakie wegrent, de lafaard. ‘Wat moet ik doen, wat moet ik nu doen?’ Op de automatische piloot loop ik langs de garageboxen naar huis, dikke rode vette bloedstappen op de grond achterlatend. ‘Wat zal mams schrikken en boos zijn.’ Dat is alles wat ik in mijn paniek kan bedenken.

Mams schrikt hevig. Tijd voor uitleg is er amper. Ik zie ook even paniek in haar ogen. Ze reageert op de automatische piloot. Een theehanddoek wordt over mijn hoofd gegooid. Zonder troost. Korte commando’s volgen. “Houdt vast. Stevig op je hoofd. Drukken en niet loslaten.” Moeder rent naar de telefoon. “Ja, hier met mij, Mien heeft een gat in zijn hoofd en bloedt ontzettend, wat moet ik doen? Ik hoor mijn vader op de achtergrond wat mompelen. Mams gaat verder, "… hij heeft zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen … Ja, daar kroop ie onder … Wat? … Je komt eraan … Alvast naar de dokter … Oké.”

“Dat is een groot gat mijn vriend, hoe heb je dat gedaan?” Er komt geen woord uit mijn mond. Bang kijk ik naar de dokter, wat gaat er nu gebeuren?
De dokter heeft een schaar in zijn hand en grapt dat hij voor kapper gaat spelen. Daar zie ik de lol niet van in. Ik heb een grote hekel aan de kapper. Mijn eerste ontmoeting met een kapper was geen fijne. Die schraapte met zijn scheermes iets te diep in mijn nek. Pijnlijk. Om vervolgens met een vreemd ijskoud blokje mijn nek te deppen. En nu met een groot gat in mijn hoofd vrees ik voor het ergste. Maar gelukkig is de knipbeurt snel voorbij. “Zo, dat is gepiept!” roept de dokter. “En nu gaan we nog even een oliesheik van je maken vriend.” Mijn hoofd wordt ingezwachteld met een grote rol verband. “Kijk maar even in de spiegel Mien, en nu niet meer onder kolenwagens kruipen hè, volgende week terugkomen, oké?” Paps en mams nemen me weer mee naar huis. “Wie kruipt er nu ook onder een kolenwagen, jongen, jongen toch!” Ik zie dat ze net zo hard geschrokken zijn als ikzelf. Maar aan hun commentaar heb ik even geen boodschap.

“Jongens, jongens … Nee, nee, geen grapjes vandaag. Dit is Mien. Hij heeft gisteren een klein ongelukje gehad. Zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen. Hij is heel erg geschrokken maar nu doet het geen pijn meer. Hè Mien?” Daar sta ik in de schoolgymzaal. Met een groot wit verband om mijn hoofd. De hele klas buldert van de lach. Behalve Sjakie. Die staat een beetje bedeesd achterin en duikt weg achter de jongen die voor hem staat. Hij ontwijkt mijn boze blik.  “Smurfje, smurfje!!”, joelt de klas. Juf krijgt de klas niet stil. En eigenlijk, eigenlijk moet ze zelf ook een beetje lachen. In mijn blauwe trainingspak en met het grote witte verband om mijn hoofd lijk ik ook wel verdacht veel op een kleine smurf. “Mien, je hoeft vandaag niet mee te doen hoor. Ga jij maar op het bankje zitten!” proest de juf. Ik ga zitten en kan alleen maar denken: ‘Ik ben geen smurf, ik ben een oliesheik.’ 
 

49) Bovenaan de trap (11-07-2014 > 28-03-2021 geredigeerd)
 
Mams staat bovenaan de trap. Vreemd. Paniek staat in haar ogen. Ik begrijp het niet. Wat doet ze daar nu eigenlijk? Buiten regent het. Het weer is guur. Zo is ook de sfeer in huis. Een vreemd soort dreiging hangt er rond. Een spanning die moeilijk te beschrijven is. Zo voel ik het. Het zorgt voor pijn in mijn onderbuik. Broer staat naast me onder het trapluik.

Mam is in de war. Dat is duidelijk. De ongeruste blik in de ogen van broer maakt mijn nare onderbuikgevoel alleen maar erger. Na de eerste schreeuw van mams, zijn we beiden keihard naar boven gerend. De schreeuw is door merg en been gegaan. Nog nooit heb ik mams zo hard horen schreeuwen. Angstschreeuwen zijn het.

Een half uur geleden heeft mams op haar houten klompslippers met een volle wasmand, moeiteloos de vlizotrap naar de zolder bestegen. Tijdens het uitvouwen van de lakens heeft ze paniek gevoeld en naar haar hoofd gegrepen. De paniek is vanuit haar hals, achterlangs de oren, ongecontroleerd haar hersens binnen gestuiterd. Het heeft alles op tilt geslagen. Trillend van de zenuwen lijkt haar hoofd te ontploffen. Vuurrood is ze aangelopen.

Zo hebben mijn broer en ik ons mams nog nooit gezien. We schrikken er behoorlijk van. Maar het wordt nog veel erger. “Ik maak er een eind aan, ik spring, ik spring, godverdomme …”, dat is wat ze roept. Vloeken, dat heeft ze nog nooit eerder gedaan. Gelovig als ze is. Wat is hier in hemelsnaam aan de hand? Een paar seconden staan we vastgenageld aan de grond. Wat te doen? Zonder ook maar een woord met elkaar uit te wisselen vliegen we naar beneden. Ik kan mijn broer amper volgen, zo hard stormt hij van de trap af.

Ik snap er niets van. Allerlei gedachten en vragen schieten door mijn hoofd. ‘Gaat mams echt springen? En waarom dan? Waren we niet beter bij haar gebleven?’ Het hart klopt in mijn borst. Ik mag mijn broer niet uit het oog verliezen. “Wacht op mij, wacht op mij!” Maar broerlief is al de voordeur uitgerend, richting buren.

“Help, help!”, hoor ik mijn broer roepen. Hij bonkt keihard op de deur van de buren. “Mijn moeder wil van de trap springen. Help, help!” Het gordijn van het raam naast de voordeur wordt opzij geschoven. De dochter van de buren kijkt verschrikt naar buiten. Tegelijkertijd gaat de deur open. Gelukkig maar, de buren zijn thuis. Maar de schrik is er niet minder door.

De buurman stelt ons gerust en loopt mee om poolshoogte te nemen. Hij is politieman van beroep. Die zal de angstige situatie ongetwijfeld kunnen hendelen. Maar ook de buurman heeft de schrik in zijn ogen staan. Met lood in de schoenen en niet wetend wat er te wachten staat loopt iedereen naar boven. Behalve ik. Ik zie beelden voor mijn ogen die ik maar moeilijk los kan laten. Ik zie mijn moeder onderaan het trapgat liggen, badend in bloed. Het zal toch niet waar zijn?

Ik maak het niet meer mee. Het wordt me zwart voor ogen en ik val flauw. De spanning is te groot. Even later kom ik bij. De dochter van de buurman vangt me op en brengt me naar bed. Als ik wakker word zit mijn vader naast me in een stoel. “Mams voelt zich niet zo goed mijn jongen, ze ligt in bed.” Nog steeds begrijp ik er helemaal niets van. Wat is er in hemelsnaam gebeurd? 
 
 
50) Drakenvriend (23-01-2014 > 05-04-2021 geredigeerd)
 
Met een zucht sla ik de deur van mijn nieuwe slaapkamer open. Het ruikt naar vers behang en latex. Flauwtjes neem ik de nieuwe plek in me op. Drie muren beige, één muur chocoladebruin. En dat op de vijftiende verdieping van een okergele flat. De verflucht kriebelt in mijn neus. “En wat vind je ervan, is ie niet mooi?” In de blik van pa ligt het antwoord hoopvol opgesloten. “Ja pa, het ziet er goed uit.” Een leugentje om bestwil, de ruimte is veel te klein.

Ik kan mijn kont amper keren. De spullen uit mijn vorige kamer lijken de muren van dit hol omver te duwen. Tussen het bed en het bureau is nauwelijks loopruimte. Als de stoel naar achteren is geschoven kan er niemand door. Ik zie al snel dat ik voortaan op mijn linkerzij moet slapen. Op de rechterzij is het risico te groot dat ik de slaapkamerdeur bij plotse entering langs mijn gezicht zie schuren. En dat wil ik niet. Een goede slaper ben ik niet. Daar ben ik te waakzaam voor. Op mijn buik of rug slapen kan ik niet.

Met een plof gooi ik me neer op het bed. Op de buik met mijn neus in het kussen. Pa rommelt wat in de keuken. Zo te horen op zoek naar nieuwe orde. Een orde die hij maar moeilijk lijkt te vinden. Sinds kort woon ik alleen met pa. Het hoekhuis in de volksbuurt waarin ik geboren en getogen ben, is noodgedwongen verkocht. Alle mensen uit dat huis zijn vertrokken. Twee broers en een zus. Verliefd, verloofd, getrouwd. Weggerend, zo voelt het toch. Mams had het huis allang verlaten, zwevend naar de sterrenhemel. De tranen biggelen over mijn wangen. Ik druk mijn neus en tranen stevig in het kussen. Zelfs de geur in het kussen voelt niet vertrouwd. Hoe hard ik ook snuif. Waarom? Waarom?

“Zit toch niet zo te mokken!” Ik veer op. Waar komt die stem vandaan? Een onbekende stem. Niet eerder gehoord. De slaapkamerdeur is dicht. Mijn vader is het niet. Wie leest mij de les. “Ja, ja, je hoeft niet onder het bed te kijken hoor, ik ben het maar. Ja, hiero, hier op de deur!” Met grote verbazing kijk ik naar de poster op de deur. Mijn fluwelen draak is tot leven gekomen. De paarszwarte draak kwispelt wat met zijn staart en zijn fluorescerende ogen lijken vuur te spugen. Het maakt mij en mijn koude kamer heel eventjes warm. “Bij de pakken neerzitten heeft geen zin, jongeman, je moet vooruit. Je nieuwe wereld ontdekken. Kop op. Droog je tranen!” Hoe durft de draak. Terugbrengen naar de winkel is geen optie. Zo’n brutale poster heb ik nog nooit gehad. “Bemoei je met je eigen zaken, lelijke draak, wie denk je wel dat je bent?”

De draak bevriest onder de kou en stolt weer terug tot poster. Heel even twijfel ik aan mezelf. Sprak die draak nu echt, of hoorde ik mezelf praten? Mijn puberbrein haalt rare streken met me uit. En toch, de draak in zijn gedachten had wel een punt. Een plaatje draaien, dat is wat ik wil doen. Muziek in droefenis maakt mijn lijden zachter. Ik kan alleen niet kiezen. Tussen Dylan en de Groot. Ach, arm kind, wat lig je hier stil, dertien lentes zo pril met het antwoord in de wind. 
 
 
51) Grote liefdes liggen op de grond (03-10-2014 > 09-04-2021 geredigeerd)
 
Het is zaterdagavond, de mooiste avond van de week. Vanavond gaat het gebeuren, zeker weten. Ik ben nu al in mijn element. En toch slaat de twijfel toe. Als ik in de badkamerspiegel kijk zie ik grote tekortkomingen. Te groot en te veel. Hoe moet dat nu vanavond? De grote stapavond. Zou ze er weer zijn? Zou ik haar kunnen boeien, durven aanspreken? Zou ze me zien staan? Het meisje uit de stad, waar iedereen verliefd op is. Ben ik de moeite waard? Mien?

Het is vroeg en het stamcafé loopt nog niet echt vol. Zenuwen kriebelen in mijn buik. Op het toilet bekijk ik in de spiegel nog eventjes mijn outfit. Ik draag mijn favoriete blouse en broek. De stoere schoenen zitten stevig. Alleen beweeg ik er nog wat onzeker in.

Een biertje dan maar. Mijn gabbers stromen langzaam de kroeg binnen. En de dames. Nog geen Bibi te zien. Ze komt toch wel, vanavond? Op de avond die ik bedacht heb als mijn avond. Het is warm in de kroeg. Of ligt dat aan mij? Een prachtige zomeravond en bijna iedereen die ik ken is aanwezig. Dat wordt lastig. De zoektocht naar het juiste momentum. Maar eerst moet Bibi nog komen.

Mijn vrienden zwermen om me heen. ‘Wie Motten das Licht’. Heel vervelend, nu ik wat anders aan mijn hoofd heb. De liefde plakt achter mijn oren. Gelukkig weet ik dit nog te camoufleren met stoer gedrag. Ik bestel snel wat biertjes, ook al is het nog niet mijn beurt. Ik geniet een grote populariteit onder mijn vrienden. Dat steken ze niet onder stoelen of banken. Ik weet dat. En toch, nog nooit heb ik mij zo alleen gevoeld. Alleen onder de mensen. Hoe moet dat nu? Hoe moet dat nu vanavond?

“Wat ben je vanavond toch afwezig Mien?” Het is Sabine die zich over mij ontfermt. Ik weet dat zij verliefd op me is. En wil nu eigenlijk niet gezien worden in haar gezelschap. Ik weet eigenlijk niet wat ik mis. Een schat van een meid is Sabine. Alleen erg lelijk. Bijna zo lelijk als de nacht. Vreemde uitdrukking. Want juist de nacht kan erg mooi zijn.

Hartje zomer onder vrienden en de combi bier en brandende liefde, geven me een benauwd gevoel. De drank stijgt vanavond snel naar mijn hoofd. Wat moet ik doen, ten overstaan van al mijn gedachte vrienden? Het liefst zou ik wegrennen. Bibi is er niet. Het hele plein voor de stamkroeg staat vol mensen. Ik zie het niet meer. Ik zie haar niet. Ik durf ook niet naar Bibi te vragen. Waar ze blijft. En al zeker niet bij haar boezemvriendin, Sandra, de vriendin zonder boezem. God, wat ben ik verliefd op Bibi. Het mooiste en zwoelste meisje van de stad. Met haar gitzwarte haar en reebruine ogen, haar guitige glimlach en haar goddelijke lijf. Rondingen om van te dromen. Onbereikbaar. Wat doet de liefde toch pijn.

Ik moet handelen. Nu. Een daad zetten. De liefde vraagt om daden. Niet om geduld. En zeker niet als hormonen gieren in de keel. De alcohol maakt rozig en creatief. Het kraakt en piept in mijn hoofd, hart, ziel en lenden. Waar is ze nu? Theatraal gooi ik me op de grond, te midden van mijn vrienden, voor het stamcafé, languit op het plein en krab met mijn vingers over de grond. “Bibi, Bibi, waar ben je, waar zit je, ik hou van jou …?!” De vrienden reageren eerst verbijsterd en barsten dan in lachen uit. Weer zo’n maffe act van Mien? Totdat ze me zien huilen. Grote tranen. Echte tranen. Frank, mijn beste vriend raapt me op en biedt troost. Diepe troost. Arme ik.

24-06-2016

Bob - 4

En dan gebeurt het. Het nieuws ligt plots op straat. Niemand die er iets van begrijpt. Hoe is het mogelijk? En dat in hun eigen vertrouwde volksbuurtje. De postbode, de bouwvakkers, de stratenmakers, de kroegbaas, ze rennen allemaal naar het spektakel. Het spektakel bij huisnummer 19. Als ware ze er naar toe gezogen. Maar het is ook amper te missen. Eerst de knal en dan het gerinkel. Wat een explosie.

“Hoe is het mogelijk?”
“Kijk eens hoe ze erbij ligt?”
“Wie is het?”
“Waar is de gevel gebleven?”
“Wat doet die jongen daar?”
“Jongen? Is het wel een jongen?”
“Het is Bob!”
“Wat een vreemde spullen liggen er in de tuin?”
“Toch niet van zijn moeder? Nee, dat kan niet!”

Bob, gekleed in rood negligé, staart met grote ogen naar de grote menigte die zich in no time in zijn voortuin verzameld heeft. Het hele dorp lijkt wel uitgelopen. Hij kan zich niet langer verstoppen en het besef dringt pijnlijk tot hem door. Het onderste in hem komt plots boven. Braakneigingen hikken in zijn buik, borst en neus. Hoe nu deze onmogelijke situatie te redden? Al zijn geheimen liggen op straat en in de tuin. Dameskousen, handboeien, glitterjurken, dildo’s en het ergste van al, zijn zorgvuldig opgebouwde collectie pornobanden.

Met een scherpe blik overziet Bob de crimescene. Een crimescene is het. Sowieso. Het dringt meteen tot Bob door in welke benarde positie hij zich heeft gemanoeuvreerd. Hitchcock kan hier een puntje aan zuigen. Suspense, suspense, suspense. Maar wat heeft ie nu gedaan? Niets toch? Bob taxeert en schat de situatie in. Zo meteen komt de politie, zeker weten. Welk verhaal moet hij vertellen? Wat gaat hij vertellen over het meisje dat daar onder hem in het gras ligt. Hij kent haar amper.

Oh nee, nee, nee, daar ligt Bob’s favoriete video, ‘Gangbangen met de geilste meisjes. Net zestien’, voor de voeten van zijn buurvrouw, Annie. Blonde Annie. Maar die mag dat helemaal niet zien. Heel even draait een andere film terug in Bob’s hoofd. Een film die zelfs zijn moeder niet kent. Er zit maar een ding op. De waarheid vertellen. En niets dan de waarheid. Maar is Bob daartoe in staat? Hij twijfelt.

De politie en brandweer zijn gearriveerd. De postbode, bepaald niet verstoken van groot verantwoordelijkheidsgevoel klampt onmiddellijk de agenten aan. De postbode weet niet wie de leiding heeft dus orakelt hij in het algemeen. “Ik had geen pakje voor hem vandaag. Dat is op zich heel merkwaardig. Wilt u dat meenemen in het onderzoek. U gaat toch onderzoek doen, neem ik aan?”

De brandweer en politie beoordelen de situatie en manen de dorpelingen aan de kant te gaan en vooral overal van af te blijven. Sonja, de dochter van de bakker, houdt een dildo in haar hand en vraagt zich af waar dit ding in hemelsnaam voor dient. Verschrikt door de politie legt ze het snel weer terug in de tuin.

Deel 4 van een vervolgverhaal / thriller, geschreven door leden van schrijvers- en lezerswebsite ColumnX

Deel 1 door NicoleS
Deel 2 door Arta
Deel 3 door Meralixe
Deel 5 door Lianne
Deel 6 door J.oost
Deel 7 door Esther Suzanna
Deel 8 door Bruun
Deel 9 door van Gellekom

09-12-2015

Mien korte verhalen (40 en 41) met kleine grote waarheid

Beiden geschreven op 09-12-2015


40) Slecht nieuws vanuit een portiek

Ik slenter met twee vrienden wat rond in de stad. Zij lopen voorop en ik bungel er wat achteraan. Ze lijken druk in discussie en ik voel me wat buitengesloten. Altijd vervelend om niet deel uit te maken van een boeiend gesprek. Waar hebben ze het toch over? De sfeer bevalt me helemaal niet maar ik ben ook niet bij machte om er verandering in te brengen. Ik kan natuurlijk naast hen gaan lopen, maar dat voelt niet gepast. Iets in mij zegt dat ik dat even niet moet doen. Een vreemd voorgevoel maakt zich meester van mij.

Plots houden de twee vrienden halt. Vlak voor een portiek van een winkel in een zijstraat van de hoofdstraat. Het is wat stiller in deze straat en een van mijn vrienden neemt het woord. Hij trekt me aan mijn hand de portiek in. Hij wil me iets zeggen wat niet leuk is. Dat voel ik. Er flitst van alles door mijn hoofd. Waar gaat dit over? Toch niet over onze gemeenschappelijke kaartavonden? Willen ze ermee stoppen misschien? Vinden zij me niet meer leuk? Onzin. Waarom kom ik daar nu op? Hoe dan ook, iets voelt niet goed.

Het hoge woord komt eruit. Keihard. De vrienden willen niet meer met mij omgaan. Hoe vervelend zij het ook vinden, ze vertellen het mij, vlakaf in een portiek, in een verlaten stad. Recht in mijn gezicht. Haast als een gewone mededeling. Ik voel afwijzing en grote onmacht. Een klein beetje boosheid zelfs, verdriet. Maar die slik ik in. Ik laat me toch niet kennen. De redenen volgen nu. Ook deze komen keihard binnen. Ik ben te jong en sluit niet aan bij hun gedachtewereld. Ze vinden mij wel aardig hoor. Maar zij houden zich bezig met andere zaken en willen mij er niet meer bij hebben. Ze ervaren mij als ballast.

Ik vraag me onmiddellijk af, welke zaken? Durf het niet te vragen. Te overrompeld met het directe en slechte nieuws. Meisjes, denk ik, ze willen afspreken met meisjes en willen mij daar niet bij hebben. Ik heb ook nog niets met meisjes. Willen jullie dan ook niet meer kaarten met mij? Waarom niet? Is het misschien niet gezellig bij ons thuis? Daar kan ik me iets bij voorstellen. Op die stomme flat waar ik nu met mijn vader woon is het natuurlijk niet zo gezellig.

Het enige dat ik kan doen, is berusten. Mij ontbreekt de energie, de wilskracht en overtuiging om tegen het besluit, dat al dik beklonken is, in te gaan. In stilte lopen we met drieën verder. Mijn twee vrienden voorop. Ik erachter. Leeg en verdrietig. Het zijn mijn vrienden niet meer. De afwijzing komt hard binnen. Ik zou er graag met iemand over willen praten en toch ook niet. Zou sowieso niet weten met wie. Ik hou het voor me. Pijnlijk.

We fietsen terug naar huis. Mijn twee vrienden zwaaien uitbundig naar een groep jongeren die bij de ijssalon staan. Meer specifiek naar twee meiden waarvan ik weet dat zij ze beiden leuk vinden. De vrienden stoppen en haken aan bij de groep. Joviaal en duidelijk geamuseerd. Ik fiets door naar huis en gooi mezelf op bed, op mijn buik, en druk mijn gezicht in het kussen. Huilend, eerst zacht, dan hard. Niemand die mij hoort. Niemand die mij troost. Wie en wat mis ik toch? Na het huilen val ik in slaap. Wordt tegen de avond wakker. Alleen. Mijn vader komt zo thuis. Zal ik vertellen wat er is gebeurd? Ik kan en wil het niet. Mijn vader is ook zo alleen.


41) Flatontmoeting

De flat voelt nog niet vertrouwd. Een nieuwe woonruimte, een nieuwe kamer, een nieuwe omgeving, nieuwe mensen. Allemaal onwennig. Na school is er niemand thuis om een praatje mee te maken. Ik smijt de boekentas in mijn kamer op bed. In de keuken trek ik de koelkast open. Vind in zijn buik weinig troost. Dan maar een boterham smeren. De leegte moet gevuld. Wat nu? Ik heb verder nergens trek in. Huiswerk maken wil ik nog niet. Over een of twee uurtjes gaan we eten. Maar wat? Geen idee wat mijn vader op het menu heeft staan.

Zal ik even tegen de muur van de flat gaan tennissen? Heb kortgeleden een goedkoop tennisracket op de kop getikt. Een andere sport dan hockey. Maar wel eentje die ik alleen kan doen en die mij ook balvaardigheid leert. Sport werkt helend. Helend in de aanhoudende leegte die ik voel. Ik besluit met de lift te gaan. In de lift zie ik een meisje. Niet mooi en niet lelijk. Ze lacht me vriendelijk toe. Ik durf niets te zeggen. Weet wel dat ze me ergens leuk vindt. Dat voel ik. Maar ik weet er geen raad mee. Ik heb haar al vaker in de buurt van de flat gezien en vermoed dat ze hier ook woont.

Het tennissen tegen de muur lucht op. Ik daag mezelf uit en geef opdrachten. De bal mag maar een keer stuiten. Afwisselend moet ik links en rechts slaan. Rechts met mijn backhand en links met mijn forehand. Soms doe ik een stapje naar voor, soms naar achter. Liefst zo min mogelijk. Ook schuin naar links en rechts lopen doe ik niet graag. De bal goed raken en goed richten met mijn tennisracket heeft alle prioriteit. Heel even vergeet ik de wereld om mij heen. Nu probeer ik zonder te stuiten de bal vanaf de muur in een keer te raken. Ook de opslag zou ik graag willen oefenen, maar dat gaat niet goed. Is eigenlijk ook niet nodig. Het is geen slag die bij het hockeyen gebruikt wordt.

Aan de zijkant bij de flat zie ik onder een lantaarnpaal het meisje uit de lift staan. Zoekt ze nu contact met mij? Het lijkt er wel op. Het brengt mij in verlegenheid. Ze kijkt voortdurend mijn kant op. Heel af en toe keert ze haar hoofd. Ik weet me eventjes geen raad. Zal ik contact met haar zoeken, haar aanspreken? Ik durf niet. Weet niet goed wat ik moet zeggen. Zal ik jaar vragen of zij ook een tennisracket heeft? Dan kunnen we misschien samen tennissen. Zou ik leuk vinden. Maar het is misschien wel een rare vraag. Wil ze wel tennissen? Kan ze tennissen? Ze komt nu naar me toegelopen. Heeft ze een vraag voor mij? Waarover dan?

Het gesprek gaat stroef en onwennig. Ja, ik woon hier nog niet zo lang. Zij ook niet. Ze gaat naar een andere school dan ik. Heb geen idee hoe oud zij is. Van mijn leeftijd denk ik, hoop ik. Waarom? Geen idee. Vragen dan maar? Ik durf niet. Te verlegen. Dag. Dag. Heb ik nu stom gedaan? Had ik meer moeten vragen? Maar wat dan? Ik sla nog een balletje tegen de flat. In de lift omhoog laten de gedachten aan het meisje me niet los. Helemaal vergeten te vragen hoe ze heet. Dat doe ik de volgende keer dan maar. Als ik durf.


23-11-2015

Mien korte verhalen (38 en 39) met kleine grote waarheid

Beiden geschreven op 23-11-2015


38) Paniek in de tent

Paniek in de tent. Hoe is het mogelijk. Mijn broer heeft zijn vriendin zwanger gemaakt. Maar wanneer dan? En waarom? Allemaal vragen die op harde toon geuit worden, maar niet meteen een antwoord krijgen. Eigenlijk helemaal niet. Wat voorop staat is de ongelofelijke schande. Hij krijgt van iedereen om zijn oren en de emoties lopen hoog op. 'Je deugt niet. Je denkt alleen aan jezelf. Wat doe je de familie aan? Schande. Wat zullen de buren en de familie niet denken?' Zinsneden die bij mij als klein jongetje dwars door mijn hoofd blijven zinderen. Ik zie mijn lieve broer nog verder van mij verwijderd raken. Hoe pijnlijk. Zeventien jaar, de school nog niet eens af en dan al papa worden. Dat kan toch niet. De schok is groot in huize Mien.

Na de eerste schrik moeten zaken goed geregeld worden. Het valt niet mee om de schande weg te poetsen. Het hoogstnoodzakelijke wordt geregeld. Maar hoe zit het met de toekomst? Van mijn broer, zijn nog ongeboren kind, zijn vriendin, maar twee jaar ouder? Hoe vinden zij werk? Gaan ze beiden werken? Wie vangt dan het kindje op? Allemaal zorgen. De zorgen worden niet gedeeld aan de koude kant. Daar is voldoende support. Koude kant? Ja, want getrouwd moet er worden. Op zijn minst. Over en weer worden deals gesloten. Soms van harte maar vaak pijnlijk en met veel weerstand. Groeien is pijnlijk. Zeker als die groei buiten het bevattingsvermogen en geijkte kaders plaatsvindt. Uiteindelijk wil ook mijn vader het beste voor zijn eigen kind.

Om de eerste kosten te financieren van mijn broer's eigen haard en huis verkoopt mijn vader zijn eigen haard en huis. Moeder's erfdeel zit er namelijk in. Dat erfdeel is nodig om de aankoop van een huis en inrichting te bekostigen voor broerlief. Dat wordt dus straks verhuizen voor pa en mij. Naar een flatje op twaalf hoog. Ik vind het vreselijk als puber. Ik wil er niet aan denken.

De sfeer in huis is na de openbaring van mijn broer beklemmend. De lucht zwaar en zwanger van pijnlijke stiltes, gevloek en getier. Ik voel alleen maar droefheid en eenzaamheid. In drie jaar tijd verlaat mijn familie het ouderlijk huis en vinden drie huwelijken en een scheiding plaats. Ik vind het vreselijk. Een rollercoaster van emoties.

Eerst trouwt mijn vader met zijn nieuwe vriendin. Op de eerste dag van de lente. Mijn moeder is dan nog geen anderhalf jaar geleden overleden. Maar pas nadat het veel te kleine huis eerst grondig is verbouwd. Een jaar later trouwt mijn oudste broer, 23 jaar jong. Weer een jaar later mijn andere broer, 17 jaar jong. Dat moet, ook al wil ie liever niet. Niet voor de kerk althans. Beiden met lang blond haar, zij met dikke buik. Mijn vader en zijn vrouw ondergaan dit huwelijk met ingehouden trots en woede. De woede wint. Twee maanden later scheidt mijn vader van zijn tweede vrouw. Mijn zus trouwt nog geen maand later na deze pijnlijke scheiding en verlaat ook huize Mien, 22 jaar jong. Samen met mijn pa verhuis ik naar een trieste flat aan de Maas.

Tot aan het huwelijk verstopt broerlief, papa in spé, zich op zijn kamer op de zolder. Zolang het nog kan. Ik zie hem nog niet klussen in huis, luiers wisselen en papa spelen. Een spel kan het ook zeker niet genoemd worden. Vanaf de zolder wordt Boudewijn de Groot met de volumeknop flink open grijs gedraaid. 'Arm kind, zestien lentes zo pril. Ach wat lig je hier stil, langs de kant van de weg'. Via via vindt mijn broer een baan bij de krant. Schrijven is zijn passie. Hard labour, maar los van huize Mien. Uit het trapgat komt wierook vermengd met weedlucht de trap af gedwarreld. Het bedwelmt voor even de emoties.


39) Ansje

Eindelijk heb ik een kamer voor mij alleen. Grote broer is getrouwd en heeft huize Mien verlaten, mijn zus heeft haar eigen kamer en mijn andere broer huist op de zolder. Maar niet voor lang meer. Ook hij gaat binnenkort trouwen en verhuizen. Ik kan me nog niet goed voorstellen dat hij straks papa wordt. Weliswaar volwassen voor zijn leeftijd hoop ik stiekem dat hij het nooit wordt en dat hij weer terugkeert als mijn oude vertrouwde speel- en vertrouwensbroertje. Hem durf ik alles te vertellen. Maar de afstand is nu zo groot.

Ik lig op bed en geniet van mijn nieuw ingerichte territorium. Alles ademt eindelijk ruimte. Ik draai een plaatje op mijn zuur verdiende muziekinstallatie. Daar zitten heel wat uurtjes aardbeienplukken in. Ik wissel de dubbelaar Jesus Christ Superstar af met de blauwe van de Beatles, met Bob Dylan, Santana en Boudewijn de Groot. Johnny Cash, Elly en Rikkert en de Everly Brothers bewaar ik voor later. Een eigen muzieksmaak heb ik nog niet ontwikkeld. Die van mijn broers volstaat.

'I don't know how to love him ...', komt bij me binnen. Ik smelt bij de lieve stem van Yvonne Elliman. Heel even droom ik weg en laat me meeslepen in de muziek. Buiten op straat hoor ik gegiechel en geschaterlach. Mijn hart slaat op hol. Hoor ik daar een bekende stem? Ja. De stem van Ansje. Ik spring van mijn bed en kruip naar het raam. Heel voorzichtig til ik mijn hoofd boven de vensterbank en gluur langs het gordijn. Ze mogen mij niet zien. Ik ben veel te verlegen en bang om gespot te worden. Het gordijn moet bewogen hebben want ik zie de vriendinnen van Ansje omhoog wijzen. Ik duik weg. Ik heb Ansje niet kunnen zien. Ze is ook zo klein. Ik ben al een flinke tijd verliefd op haar. Durf dat haar echter niet te tonen. Laat staan haar vriendinnen. Ze weten dat ik thuis ben en vanachter het gordijn de boel bespied. Wat moet ik nu doen?

Hopelijk lopen ze snel door. Ik schaam me dood. Ineens voelt mijn eigen kamer niet langer vertrouwd. Ik voel me vreemd en gevangen. Gevangen in emoties. Wanneer zal ik toch ooit mijn gevoelens voor Ansje durven tonen? Nu nog even niet. Zal ik toch nog een keer naar buiten kijken? Ik denk te weten wat ze aan heeft, mijn lieve Ansje. Een spijkerbroek en bijbehorend spijkerjasje. Hoe stoer! En sluipers, die heeft ze ook aan, zeker weten. Bruine stoere schoenen. In gedachte verdrink ik in haar donkere ogen en kroel met mijn vingers door haar lange haar. In gedachten. Giechelend loopt de meidengroep verder. Waren ze nu speciaal langs ons huis gelopen? Op verzoek van Ansje? Had ik toch ...?

23-01-2014

Drakenvriend

Met een zucht slaat Kees de deur van zijn nieuwe slaapkamer open. Het ruikt naar vers behang en latex. Flauwtjes neemt hij de nieuwe plek in zich op. Drie muren beige, één muur chocoladebruin. En dat op de vijftiende verdieping van een okergele flat. De verflucht kriebelt in zijn neus. “En wat vind je ervan, is ie niet mooi?” In de blik van pa ligt het antwoord hoopvol opgesloten. “Ja pa, het ziet er goed uit.” Kees liegt, om bestwil, de ruimte is veel te klein.

Hij kan zijn kont amper keren. De spullen uit zijn vorige kamer lijken de muren van dit hol omver te duwen. Tussen het bed en het bureau is nauwelijks loopruimte. Als de stoel naar achteren is geschoven kan er niemand door. Kees ziet al snel dat hij voortaan op zijn linkerzij moet slapen. Op de rechterzij is het risico te groot dat hij de slaapkamerdeur bij plotse entering langs zijn gezicht ziet schuren. En dat wil ie niet. Een goede slaper is hij niet. Daar is Kees te waakzaam voor. Op zijn buik of rug slapen kan ie niet.

Met een plof gooit Kees zich neer op het bed. Op de buik met zijn neus in het kussen. Pa rommelt wat in de keuken. Zo te horen op zoek naar nieuwe orde. Een orde die hij maar moeilijk lijkt te vinden. Sinds kort woont Kees alleen met pa. Het hoekhuis in de volksbuurt waarin Kees geboren en getogen is, is noodgedwongen verkocht. Alle mensen uit het huis zijn vertrokken. Twee broers en een zus. Verliefd, verloofd, getrouwd. Weggerend, zo voelt het toch. Mams had het huis allang verlaten, zwevend naar de sterrenhemel. De tranen biggelen Kees over de wangen. Hij drukt zijn neus en tranen stevig in het kussen. Zelfs de geur in het kussen is niet vertrouwd. Hoe hard Kees ook snuift. Waarom? Waarom?

“Zit toch niet zo te mokken!” Kees veert op. Waar komt die stem vandaan? Een onbekende stem. Niet eerder gehoord. De slaapkamerdeur is dicht. Zijn vader is het niet. Wie leest Kees de les. “Ja, ja, je hoeft niet onder het bed te kijken hoor, ik ben het maar. Ja, hiero, hier op de deur!” Met grote verbazing kijkt Kees naar de poster op de deur. Zijn fluwelen draak is tot leven gekomen. De paarszwarte draak kwispelt wat met zijn staart en zijn fluorescerende ogen spugen vuur. Het maakt Kees en zijn koude kamer heel eventjes warm. “Bij de pakken neerzitten heeft geen zin, jongeman, je moet vooruit. Je nieuwe wereld ontdekken. Kop op. Droog je tranen!” Hoe durft de draak. Terugbrengen naar de winkel is geen optie. Zo’n brutale poster heeft Kees nog nooit gehad. “Bemoei je met je eigen zaken lelijke draak, wie denk je wel dat je bent?”

De draak bevriest onder de kou en stolt weer terug tot poster. Even twijfelt Kees aan zichzelf. Sprak die draak nu echt, of hoorde hij zichzelf praten? Zijn puberbrein haalt rare streken uit. En toch, de draak in zijn gedachten had wel een punt. Een plaatje draaien, dat is wat Kees wil doen. Muziek in droefenis maakt zijn lijden zacht. Hij kan alleen niet kiezen. Tussen Dylan en de Groot. Ach, arm kind, wat lig je hier stil, dertien lentes zo pril met het antwoord in de wind.