Posts tonen met het label oma. Alle posts tonen
Posts tonen met het label oma. Alle posts tonen

10-04-2021

Mien korte verhalen (46 t/m 51) met kleine grote waarheid

Geschreven tussen 25-07-2009 en 03-10-2014 
(in derde persoon onder alias Kees, in maart / april 2021 geredigeerd naar eerste persoon Mien) 
 
46) A day in the life   (25-07-2009 > 11-03-2021 geredigeerd)

Een mooie dag in juni. Het is heet. En ik, ik ben opgewonden, heetgebakerd. Adrenaline stroomt door mijn lijf. Want Sjakie treitert. Sjakie mijn boezemvriend tevens grootste vijand. Zo gaat dat onder kindervrienden, negen lentes jong. De zomervakantie staat voor de deur, en ik verkeer in oorlogsstand. Zou ik het nu eindelijk durven, die vervelende Sjakie een mep verkopen.

Samen lopen we door vertrouwde straten. Daar zie ik de speelgoedwinkel al. Ik moet nu toeslaan, zo dadelijk zijn we thuis. Ik pep mezelf op en haal het uiterste in mij boven. Kwaad en bangelijk tegelijk kijk ik Sjakie aan. We zijn bijna in onze straat. De gordijnen van ons huis zijn dicht. Mijn moeder heeft dat graag. Zeker in de zomer. Sjakie loopt nu aan de overkant. Zou hij mijn dreiging en onrust voelen.

Het is nu of nooit. Ik loop op Sjakie af, pak hem vast, duw en trek en verkoop hem trillend van de zenuwen een halve muilpeer. Ik durfde hem niet echt te raken. Maar toch, het heeft effect. Van schrik en met de hand op de wang spurt Sjakie naar huis. Nooit heb ik hem zo bang gezien. De adrenaline keert terug op z’n plek en ik voel een zoete trots opborrelen. Mijn hart bonst in mijn keel. Eindelijk heb ik dat rotjoch een verdiend pak rammel gegeven.

Mijn blik valt op de zwarte achterpoort, die schittert in de zon. Als ik de klink van de poort vastgrijp vliegt ie piepend open. Mijn vader stormt naar buiten. Compleet overstuur. Zijn ogen betraand. De schrik vliegt om mijn oren. Mijn kinderbrein maakt kilometers overuren, wat is hier aan de hand? Pa is niet op zijn werk, en waar is mams? De poort wordt snel dichtgetrokken en mijn vader trilt en stottert: “Lieve … lieve jongen, … mam is dood.”

Ik barst in tranen uit, want een bangelijk vermoeden is bewaarheid. Mijn vader neemt me mee naar de buren, twee deuren verderop. We huilen beiden tranen met tuiten. Ik schreeuw het uit en wordt bang van mijn eigen diepe angst. De buren waken over mij, maar weten eigenlijk met mij geen blijf. Pa keert terug naar wat ooit heel veilig was. Wat nu verworden is tot onheilsplek. En ik, ik wil mee. De buren houden mij tegen, ik stribbel tegen, ik wil mijn moeder zien. Bezorgdheid en paniek staan in hun ogen geschreven.

Ik kan en wil het niet weten. Het enige wat ik wil is mamma zien. Ik storm naar buiten en zie in een dramatisch ogenblik, mams in een metalen kist naar binnen schuiven. De mond in van een zwarte auto. Ik schreeuw het nogmaals uit en mijn pappa vangt mij op. Hemel en aarde storten in. Tranen prikken droog achter mijn ogen en we houden elkaar vast. Waar is nu iedereen? Het is midden op de dag. Mijn zus en mijn broers waar zijn ze? Ik mis ze in dit verschrikkelijk onheilsuur? Na minuten, die wel uren lijken, druipen ze één voor één naar binnen. Droefheidrituelen volgen elkaar op.

Terneergeslagen neemt iedereen het slechte nieuws in ontvangst. Onze lieve mams is niet meer. De buurvrouw heeft haar gevonden, onder een tuinslang die nog sproeide, op deze hete junidag.
De gordijnen blijven nu voorgoed gesloten. Geel en roze gebaand. Waar is mijn moeder nu gebleven? Zo maar uitgevlogen, zonder iets te zeggen? Vier kinderen proberen pa te troosten. Mams is in de hemel. Voorgoed genezen van ziek zijn en haar kwalen. Moeilijk te bevatten. A day in a life.


47) Oma'tje lief  (11-11-2013 > 13-03-2021 geredigeerd)

Het is weekend en ik mag weer naar oma en opa. Dit keer zonder broer. Waarom weet ik niet. Wat ik wel weet is dat mama weer ziek is. Papa is zelfs teruggeroepen van zijn werk. Het komt steeds vaker voor. Ik vind het maar niks. Weer een heel weekend opgesloten bij opa en oma. Met mijn broer is dat nog wel leuk. We timmeren in het schuurtje van opa eerst houten zwaarden. En met de zwaarden spelen we dan Floris de ridder. Dat doe ik het liefste. Mijn broer speelt Sindela de tovenaar en ik ben Floris. Met een oude handdoek of laken om onze schouders geknoopt, wanen we ons koene ridders uit de middeleeuwen. Maar helaas is mijn broer er dit keer niet bij.

Gelukkig is het mooi weer en mag ik in ieder geval naar buiten. Op pad met een glazen potje en een blaadje groen erin. Lieveheersbeestjes vangen. Die zitten op de rode prikstruiken. Prikstruiken die in de hele buurt bij oma en opa de kleine voortuintjes van elkaar scheiden. Al snel heb ik mijn potje vol met Lieveheersbeestjes. Trots laat ik het jampotje aan oma zien. Maar oma heeft geen tijd voor mij. Zij is veel te druk met de zaterdagpoets. Het huis moet schoon. In oma’s huis gelden de regels van reinheid, rust en regelmaat. En opa, waar is opa? Die dut wat in zijn stoel. Ook daar kan ik helemaal niets mee. De verveling slaat al gauw toe. Nog een uurtje en dan is het etenstijd. Dan moet ik mijn handen wassen en netjes aan tafel zitten. Met mes en vork eten, zwijgzaam, want praten wordt aan tafel niet gedaan.

Vandaag heb ik een kou gevat. Daar weet oma wel raad mee. Op tijd naar bed, maar niet nadat de borst is ingewreven met een flinke partij dampo. Nu nog een flanellen lap om de borst en dan stevig onder de gesteven lakens en wollen deken ingestopt in bed. Ik krijg amper adem. En dat is niet van de verkoudheid. Wat verlang ik naar mijn eigen bedje. Het stapelbed op de jongenskamer. En naar mijn broer, die altijd een verhaal verteld voor het slapen gaan. Meestal een spannend verhaal dat steevast eindigt met het eng zwaaien van mijn broers arm langs het bed. Dat vind ik doodeng. Maar mijn broer kan het plagen niet laten. Hij is niet voor niets een grote broer.

Zal ik vannacht weer eng dromen? Ik weet het niet. Ben bang van wel. Wordt het weer de grote witte lege ruimten droom, met onmetelijk licht en leegheid? Of droom ik weer van de school tegenover oma en opa. Waar ik stiekem op het dak ben gekropen, maar niet meer vanaf durf omdat er rond de school enge honden lopen met bekken vol grote tanden. De honden laten hun tanden zien telkens als ik van het dak af wil kruipen. Bonkend met mijn hoofd in het kussen probeer ik de slaap te vatten. Morgen is het zondag. Weer een trieste eenzame dag waarbij ik mijn familie moet missen. Moet missen omdat mama ziek is. Maar wat heeft ze dan? Niemand vertelt me dat. Ik snap er niets van. Uiteindelijk val ik in slaap. Droomloos dit keer. Gelukkig maar.

De zondag is vandaag zonnig en vraagt zoals iedere zondag om zondagse kleren. Dat betekent oppassen wat ik doe. Want zondagse kleren mogen absoluut niet vies worden. Zeker niet bij oma en opa. Vanmiddag gaan we op bezoek bij een zus van oma. Die woont om de hoek. Er komen nog meer oude mensen. Ik weet wat er komen gaat en vrees nu al voor de middag. Maar ik ontkom er niet aan. Het thee- en koffiekransje, inclusief mariakoekjesdip is nog maar amper gestart of oma vertelt aan iedereen hoe mooi ik zingen kan. Dwepend en doordringend vraagt ze mij te zingen.

“Ga maar op tafel staan Mien, je kunt het, toe maar.” Ik heb geen keus en word in de sterke armen van de zwager van mijn oma op tafel geplant. Het moet een vreemd gezicht zijn. Gênant ook. Ik zie mezelf staan als klein jongetje midden op tafel in zondagse kleren, met blauwe ogen en blonde krullen en kwijlende oudjes om me heen. Maar ik laat me niet kennen. Ik weet wat er van me verwacht wordt. Uit volle borst zet ik in: “Oma’tje lief, blijf alstublieft. Heel lang bij ons, net zo lang als u leeft. U hoort bij mij, u bent van mij. Niemand als ik die zo’n oma’tje heeft.”

Applaus volgt. Ik voel mijn wangen rood worden. Ik weet niet goed of ik dit nu leuk vind of niet. Maar in ieder geval is er aandacht. Zou hier de liefde voor het podium bij mij geboren zijn? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat er onmiddellijk een toegift moet volgen. Luidkeels zet ik opnieuw in: “Mama …, je bent de liefste van de hele wereld. Mama, de allerliefste van de hele wereld. Later, wanneer ik ga trouwen. Zal ik een huisje gaan bouwen. Als je dan soms alleen zult zijn, kom dan bij mij in huis. Mama, de liefste van de wereld ben jij. Oh, lieve mama, je bent en blijft altijd een voorbeeld voor mij.” Snikkend vlieg ik van tafel. Dit keer komt het allemaal te dicht bij. Mama is ziek. En ik wil alleen nog maar bij mama zijn. 


48) Trekhaaksmurf (23-03-2014 > 16-03-2021 geredigeerd)
 
“Nog een klein stukje kruipen en dan kun je omhoog komen Mien.” Wat is het spannend en wat duurt de kruiptocht lang. Ik heb best schrik maar laat dat niet merken. Ik wil niet onderdoen voor mijn grote vriend en vijand, Sjakie. Maar kan ik Sjakie wel vertrouwen? Sjakie loodst me onder de kolenwagen door. “Kan ik al omhoog komen?” Ik hoor niets en begin te twijfelen. Omkeren kan niet meer, maar hoe lang duurt het nog? Het lijkt een eeuwigheid. Mijn hart klopt in de keel.

“Ben ik er al Sjakie?” “Nee, nog effe Mien!” Ik houd het niet meer. Ben ongeduldig en zie plots wat meer licht onder de donkere kolenwagen doorschijnen. Ik denk dat ik er ben en kruip onder de kolenwagen uit, met mijn hoofd geheven. Dat had ik niet moeten doen. In een flits van een seconde lijken er in mijn hoofd een aantal dingen te voltrekken. In een soort droom, een waas van acties. Ik voel een pijnlijke steek wat wordt gevolgd door een wattig gevoel in mijn hoofd. Het lijkt alsof ik word voortbewogen door iemand anders, door vreemde wezens.

Sjakie kijkt me met een bevreesd gezicht aan en ziet me naar mijn hoofd grijpen. Ik heb mijn hoofd gestoten tegen de trekhaak van de kolenwagen. Ai, dat doet pijn. Boosheid en paniek staan in mijn kleine blauwe ogen geschreven. Het bloed gutst uit mijn hoofd. De ernst van de situatie dringt amper door bij Sjakie. Weet niet wat te doen en rent keihard weg. Uit paniek, uit onmacht, uit schuldgevoel? Wie zal het zeggen?

Ik grijp met beide handen naar mijn hoofd. Het bloed sijpelt door de vingers langs mijn oren op de schouders. Mijn groengrijs geblokt hemd kleurt in een mum van tijd rood. Ik zie hoe Sjakie wegrent, de lafaard. ‘Wat moet ik doen, wat moet ik nu doen?’ Op de automatische piloot loop ik langs de garageboxen naar huis, dikke rode vette bloedstappen op de grond achterlatend. ‘Wat zal mams schrikken en boos zijn.’ Dat is alles wat ik in mijn paniek kan bedenken.

Mams schrikt hevig. Tijd voor uitleg is er amper. Ik zie ook even paniek in haar ogen. Ze reageert op de automatische piloot. Een theehanddoek wordt over mijn hoofd gegooid. Zonder troost. Korte commando’s volgen. “Houdt vast. Stevig op je hoofd. Drukken en niet loslaten.” Moeder rent naar de telefoon. “Ja, hier met mij, Mien heeft een gat in zijn hoofd en bloedt ontzettend, wat moet ik doen? Ik hoor mijn vader op de achtergrond wat mompelen. Mams gaat verder, "… hij heeft zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen … Ja, daar kroop ie onder … Wat? … Je komt eraan … Alvast naar de dokter … Oké.”

“Dat is een groot gat mijn vriend, hoe heb je dat gedaan?” Er komt geen woord uit mijn mond. Bang kijk ik naar de dokter, wat gaat er nu gebeuren?
De dokter heeft een schaar in zijn hand en grapt dat hij voor kapper gaat spelen. Daar zie ik de lol niet van in. Ik heb een grote hekel aan de kapper. Mijn eerste ontmoeting met een kapper was geen fijne. Die schraapte met zijn scheermes iets te diep in mijn nek. Pijnlijk. Om vervolgens met een vreemd ijskoud blokje mijn nek te deppen. En nu met een groot gat in mijn hoofd vrees ik voor het ergste. Maar gelukkig is de knipbeurt snel voorbij. “Zo, dat is gepiept!” roept de dokter. “En nu gaan we nog even een oliesheik van je maken vriend.” Mijn hoofd wordt ingezwachteld met een grote rol verband. “Kijk maar even in de spiegel Mien, en nu niet meer onder kolenwagens kruipen hè, volgende week terugkomen, oké?” Paps en mams nemen me weer mee naar huis. “Wie kruipt er nu ook onder een kolenwagen, jongen, jongen toch!” Ik zie dat ze net zo hard geschrokken zijn als ikzelf. Maar aan hun commentaar heb ik even geen boodschap.

“Jongens, jongens … Nee, nee, geen grapjes vandaag. Dit is Mien. Hij heeft gisteren een klein ongelukje gehad. Zijn hoofd gestoten onder een kolenwagen. Hij is heel erg geschrokken maar nu doet het geen pijn meer. Hè Mien?” Daar sta ik in de schoolgymzaal. Met een groot wit verband om mijn hoofd. De hele klas buldert van de lach. Behalve Sjakie. Die staat een beetje bedeesd achterin en duikt weg achter de jongen die voor hem staat. Hij ontwijkt mijn boze blik.  “Smurfje, smurfje!!”, joelt de klas. Juf krijgt de klas niet stil. En eigenlijk, eigenlijk moet ze zelf ook een beetje lachen. In mijn blauwe trainingspak en met het grote witte verband om mijn hoofd lijk ik ook wel verdacht veel op een kleine smurf. “Mien, je hoeft vandaag niet mee te doen hoor. Ga jij maar op het bankje zitten!” proest de juf. Ik ga zitten en kan alleen maar denken: ‘Ik ben geen smurf, ik ben een oliesheik.’ 
 

49) Bovenaan de trap (11-07-2014 > 28-03-2021 geredigeerd)
 
Mams staat bovenaan de trap. Vreemd. Paniek staat in haar ogen. Ik begrijp het niet. Wat doet ze daar nu eigenlijk? Buiten regent het. Het weer is guur. Zo is ook de sfeer in huis. Een vreemd soort dreiging hangt er rond. Een spanning die moeilijk te beschrijven is. Zo voel ik het. Het zorgt voor pijn in mijn onderbuik. Broer staat naast me onder het trapluik.

Mam is in de war. Dat is duidelijk. De ongeruste blik in de ogen van broer maakt mijn nare onderbuikgevoel alleen maar erger. Na de eerste schreeuw van mams, zijn we beiden keihard naar boven gerend. De schreeuw is door merg en been gegaan. Nog nooit heb ik mams zo hard horen schreeuwen. Angstschreeuwen zijn het.

Een half uur geleden heeft mams op haar houten klompslippers met een volle wasmand, moeiteloos de vlizotrap naar de zolder bestegen. Tijdens het uitvouwen van de lakens heeft ze paniek gevoeld en naar haar hoofd gegrepen. De paniek is vanuit haar hals, achterlangs de oren, ongecontroleerd haar hersens binnen gestuiterd. Het heeft alles op tilt geslagen. Trillend van de zenuwen lijkt haar hoofd te ontploffen. Vuurrood is ze aangelopen.

Zo hebben mijn broer en ik ons mams nog nooit gezien. We schrikken er behoorlijk van. Maar het wordt nog veel erger. “Ik maak er een eind aan, ik spring, ik spring, godverdomme …”, dat is wat ze roept. Vloeken, dat heeft ze nog nooit eerder gedaan. Gelovig als ze is. Wat is hier in hemelsnaam aan de hand? Een paar seconden staan we vastgenageld aan de grond. Wat te doen? Zonder ook maar een woord met elkaar uit te wisselen vliegen we naar beneden. Ik kan mijn broer amper volgen, zo hard stormt hij van de trap af.

Ik snap er niets van. Allerlei gedachten en vragen schieten door mijn hoofd. ‘Gaat mams echt springen? En waarom dan? Waren we niet beter bij haar gebleven?’ Het hart klopt in mijn borst. Ik mag mijn broer niet uit het oog verliezen. “Wacht op mij, wacht op mij!” Maar broerlief is al de voordeur uitgerend, richting buren.

“Help, help!”, hoor ik mijn broer roepen. Hij bonkt keihard op de deur van de buren. “Mijn moeder wil van de trap springen. Help, help!” Het gordijn van het raam naast de voordeur wordt opzij geschoven. De dochter van de buren kijkt verschrikt naar buiten. Tegelijkertijd gaat de deur open. Gelukkig maar, de buren zijn thuis. Maar de schrik is er niet minder door.

De buurman stelt ons gerust en loopt mee om poolshoogte te nemen. Hij is politieman van beroep. Die zal de angstige situatie ongetwijfeld kunnen hendelen. Maar ook de buurman heeft de schrik in zijn ogen staan. Met lood in de schoenen en niet wetend wat er te wachten staat loopt iedereen naar boven. Behalve ik. Ik zie beelden voor mijn ogen die ik maar moeilijk los kan laten. Ik zie mijn moeder onderaan het trapgat liggen, badend in bloed. Het zal toch niet waar zijn?

Ik maak het niet meer mee. Het wordt me zwart voor ogen en ik val flauw. De spanning is te groot. Even later kom ik bij. De dochter van de buurman vangt me op en brengt me naar bed. Als ik wakker word zit mijn vader naast me in een stoel. “Mams voelt zich niet zo goed mijn jongen, ze ligt in bed.” Nog steeds begrijp ik er helemaal niets van. Wat is er in hemelsnaam gebeurd? 
 
 
50) Drakenvriend (23-01-2014 > 05-04-2021 geredigeerd)
 
Met een zucht sla ik de deur van mijn nieuwe slaapkamer open. Het ruikt naar vers behang en latex. Flauwtjes neem ik de nieuwe plek in me op. Drie muren beige, één muur chocoladebruin. En dat op de vijftiende verdieping van een okergele flat. De verflucht kriebelt in mijn neus. “En wat vind je ervan, is ie niet mooi?” In de blik van pa ligt het antwoord hoopvol opgesloten. “Ja pa, het ziet er goed uit.” Een leugentje om bestwil, de ruimte is veel te klein.

Ik kan mijn kont amper keren. De spullen uit mijn vorige kamer lijken de muren van dit hol omver te duwen. Tussen het bed en het bureau is nauwelijks loopruimte. Als de stoel naar achteren is geschoven kan er niemand door. Ik zie al snel dat ik voortaan op mijn linkerzij moet slapen. Op de rechterzij is het risico te groot dat ik de slaapkamerdeur bij plotse entering langs mijn gezicht zie schuren. En dat wil ik niet. Een goede slaper ben ik niet. Daar ben ik te waakzaam voor. Op mijn buik of rug slapen kan ik niet.

Met een plof gooi ik me neer op het bed. Op de buik met mijn neus in het kussen. Pa rommelt wat in de keuken. Zo te horen op zoek naar nieuwe orde. Een orde die hij maar moeilijk lijkt te vinden. Sinds kort woon ik alleen met pa. Het hoekhuis in de volksbuurt waarin ik geboren en getogen ben, is noodgedwongen verkocht. Alle mensen uit dat huis zijn vertrokken. Twee broers en een zus. Verliefd, verloofd, getrouwd. Weggerend, zo voelt het toch. Mams had het huis allang verlaten, zwevend naar de sterrenhemel. De tranen biggelen over mijn wangen. Ik druk mijn neus en tranen stevig in het kussen. Zelfs de geur in het kussen voelt niet vertrouwd. Hoe hard ik ook snuif. Waarom? Waarom?

“Zit toch niet zo te mokken!” Ik veer op. Waar komt die stem vandaan? Een onbekende stem. Niet eerder gehoord. De slaapkamerdeur is dicht. Mijn vader is het niet. Wie leest mij de les. “Ja, ja, je hoeft niet onder het bed te kijken hoor, ik ben het maar. Ja, hiero, hier op de deur!” Met grote verbazing kijk ik naar de poster op de deur. Mijn fluwelen draak is tot leven gekomen. De paarszwarte draak kwispelt wat met zijn staart en zijn fluorescerende ogen lijken vuur te spugen. Het maakt mij en mijn koude kamer heel eventjes warm. “Bij de pakken neerzitten heeft geen zin, jongeman, je moet vooruit. Je nieuwe wereld ontdekken. Kop op. Droog je tranen!” Hoe durft de draak. Terugbrengen naar de winkel is geen optie. Zo’n brutale poster heb ik nog nooit gehad. “Bemoei je met je eigen zaken, lelijke draak, wie denk je wel dat je bent?”

De draak bevriest onder de kou en stolt weer terug tot poster. Heel even twijfel ik aan mezelf. Sprak die draak nu echt, of hoorde ik mezelf praten? Mijn puberbrein haalt rare streken met me uit. En toch, de draak in zijn gedachten had wel een punt. Een plaatje draaien, dat is wat ik wil doen. Muziek in droefenis maakt mijn lijden zachter. Ik kan alleen niet kiezen. Tussen Dylan en de Groot. Ach, arm kind, wat lig je hier stil, dertien lentes zo pril met het antwoord in de wind. 
 
 
51) Grote liefdes liggen op de grond (03-10-2014 > 09-04-2021 geredigeerd)
 
Het is zaterdagavond, de mooiste avond van de week. Vanavond gaat het gebeuren, zeker weten. Ik ben nu al in mijn element. En toch slaat de twijfel toe. Als ik in de badkamerspiegel kijk zie ik grote tekortkomingen. Te groot en te veel. Hoe moet dat nu vanavond? De grote stapavond. Zou ze er weer zijn? Zou ik haar kunnen boeien, durven aanspreken? Zou ze me zien staan? Het meisje uit de stad, waar iedereen verliefd op is. Ben ik de moeite waard? Mien?

Het is vroeg en het stamcafé loopt nog niet echt vol. Zenuwen kriebelen in mijn buik. Op het toilet bekijk ik in de spiegel nog eventjes mijn outfit. Ik draag mijn favoriete blouse en broek. De stoere schoenen zitten stevig. Alleen beweeg ik er nog wat onzeker in.

Een biertje dan maar. Mijn gabbers stromen langzaam de kroeg binnen. En de dames. Nog geen Bibi te zien. Ze komt toch wel, vanavond? Op de avond die ik bedacht heb als mijn avond. Het is warm in de kroeg. Of ligt dat aan mij? Een prachtige zomeravond en bijna iedereen die ik ken is aanwezig. Dat wordt lastig. De zoektocht naar het juiste momentum. Maar eerst moet Bibi nog komen.

Mijn vrienden zwermen om me heen. ‘Wie Motten das Licht’. Heel vervelend, nu ik wat anders aan mijn hoofd heb. De liefde plakt achter mijn oren. Gelukkig weet ik dit nog te camoufleren met stoer gedrag. Ik bestel snel wat biertjes, ook al is het nog niet mijn beurt. Ik geniet een grote populariteit onder mijn vrienden. Dat steken ze niet onder stoelen of banken. Ik weet dat. En toch, nog nooit heb ik mij zo alleen gevoeld. Alleen onder de mensen. Hoe moet dat nu? Hoe moet dat nu vanavond?

“Wat ben je vanavond toch afwezig Mien?” Het is Sabine die zich over mij ontfermt. Ik weet dat zij verliefd op me is. En wil nu eigenlijk niet gezien worden in haar gezelschap. Ik weet eigenlijk niet wat ik mis. Een schat van een meid is Sabine. Alleen erg lelijk. Bijna zo lelijk als de nacht. Vreemde uitdrukking. Want juist de nacht kan erg mooi zijn.

Hartje zomer onder vrienden en de combi bier en brandende liefde, geven me een benauwd gevoel. De drank stijgt vanavond snel naar mijn hoofd. Wat moet ik doen, ten overstaan van al mijn gedachte vrienden? Het liefst zou ik wegrennen. Bibi is er niet. Het hele plein voor de stamkroeg staat vol mensen. Ik zie het niet meer. Ik zie haar niet. Ik durf ook niet naar Bibi te vragen. Waar ze blijft. En al zeker niet bij haar boezemvriendin, Sandra, de vriendin zonder boezem. God, wat ben ik verliefd op Bibi. Het mooiste en zwoelste meisje van de stad. Met haar gitzwarte haar en reebruine ogen, haar guitige glimlach en haar goddelijke lijf. Rondingen om van te dromen. Onbereikbaar. Wat doet de liefde toch pijn.

Ik moet handelen. Nu. Een daad zetten. De liefde vraagt om daden. Niet om geduld. En zeker niet als hormonen gieren in de keel. De alcohol maakt rozig en creatief. Het kraakt en piept in mijn hoofd, hart, ziel en lenden. Waar is ze nu? Theatraal gooi ik me op de grond, te midden van mijn vrienden, voor het stamcafé, languit op het plein en krab met mijn vingers over de grond. “Bibi, Bibi, waar ben je, waar zit je, ik hou van jou …?!” De vrienden reageren eerst verbijsterd en barsten dan in lachen uit. Weer zo’n maffe act van Mien? Totdat ze me zien huilen. Grote tranen. Echte tranen. Frank, mijn beste vriend raapt me op en biedt troost. Diepe troost. Arme ik.

07-03-2017

Een lampenkap met franje

Een zwaar dressoir en dito tafel, eiken gefineerd. Perzisch kleed, met witgele touwtjes aan het eind. Echt. Maar niet uit Perzië. Keurmerk aan de onderkant. Een tv die flink wat ruimte inneemt. En niet alleen fysiek. Een klein mens kan zich erin verstoppen. Afstandsbediening, zo groot als een iPad. Op het dressoir, twee grote vazen, Romeins motief, van gips, zwart geschilderd. Aan de muur een drie eenheid, Jezus, Maria en Jozef, en profiel in oranjebruin blikkoper. Een glazen stolp op een driehoekig plankje, hoog in de hoek. Onder de stolp, Maria en kindje Jezus. Maria in blauwrode mantel, vroom, heel vroom kijkend, omlaag, neer op de grote tafel.

In de hoek van de kamer, staand op drie in elkaar geschoven kleine bijzettafeltjes, een te grote schemerlamp, bestaand uit een in strak doek gevouwen vaalgele lampenkap, afgezet met kleine franjes en een metalen standaard in koperkleur, met aan de voet, zittend op een rots, een kleine Griekse god, Hercules, leunend op een lange kromgebogen drietandvork.

Ik kijk naar de kleine bruine sleuteltjes, die half uit de deurtjes van het dressoir steken. Daar liggen ze. Achter een van de kleine deurtjes, in een oude ronde blikken trommel met bloemmotief. De Nutsen, die niemand lust, oud, taai, gedateerd, net als opa en oma. Maar ze zijn wel lief. Opa tenminste, zwijgend zittend in een grote fauteuil, met tevreden glimlach op zijn mond. Een mond die in de linkerhoek een Hofnar bolknak draagt. Hij geeft me een knipoog, met zijn goede oog. Zijn glazen oog tuurt kaal en koud de ruimte in. Een leven trekt voorbij.

Toelichting:
Geschreven naar aanleiding van een idee van Hella Kuipers
Zie ook: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Schrijfveer: Een lampenkap met franje (13-02-2017)

30-04-2016

120 Woorden April 2016

120 Woorden (120W) is een website gerund door vrijwilligers waarop ik kleine stukjes van exact 120 woorden plaats. Meestal aan de hand van opgelegde themawoorden.
Motto 120 Woorden: Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg.


Het zwarte legioen (08-04-2016) (Themawoord: Legioen)

Met mijn neus hoog in de laagstam kersenboom gedrukt volg ik de zwarte beestjes die in colonne achter elkaar een weg naar beneden zoeken. Soms staan de beestjes abrupt, na een fase van vertwijfeling stokstijf stil. Ik schrik ervan en dreig dan achterover te vallen. De stoet vervolgt dan plots weer hun weg en slaan soms naar links en soms naar rechts in. Tak voor tak trippelen ze omlaag om uiteindelijk via de stam op de grond te landen. Vervolgens trekt de colonne langs de schutting richting muur, omhoog over het houthok en weer omlaag naar de grond. Kunnen ze geen kortere weg kiezen? De stoet verdwijnt in een gat naast het deurkozijn. De schuur stinkt plots zuur naar mier.


A en O (09-04-2016) (Themawoord: Legioen)

A en O nemen hun intrek. Maar eerst stapt een magere Rus uit zijn grote bontjas. Wat oogde hij groot. Er blijft niets van hem over.

O is verliefd. Dat maakt een aantal zaken wat gecompliceerd. Gelukkig is er altijd een Idefix om zaken op te lossen. Mits het brein op tijd wordt gevoed.

A en O klaargestormd voor het 1e legioen, op instigatie van JC. Nee, geen Johan of lieve Heer, maar Julius.

In hoogst eigen persoon krabt hij zijn hoofd, heel even maar, vlak onder zijn lauwerenkroon. Wat moet hij in hemelsnaam met A en O? Hij vertrouwt het voor geen meter. Bij Toutaris en bij Jupiter.

De bard lacht in zijn afgebonden vuistje. Muziek maakt de toon.


Pioenenlegioen (11-04-2016) (Themawoord: Legioen)

Wat is dat nu? Ben gerust lezer. Het is geen invasie uit een Oosters ver land. Hoewel, wat doen die bussen dan hier voor mijn deur? Allemaal kleine mensjes stappen uit. Ze lijken op elkaar en vertonen ook nog eens eenzelfde gedrag. Ze zijn pakweg een meter vijftig en dragen petjes en fotocamera’s. Ze zijn heel erg luidruchtig en spreken een taal die ik niet kan verstaan. Het brabbelt wat vanachter uit de keel. De oehhs en aahhs zijn ook niet van de lucht. Ze wijzen naar de garagedeur naast mijn huis. Hoe weten die lui wat daar te doen is? “Pioen, pioen…?” vragen ze mij, met gestrekte arm en wijsvinger richting deur. “Ja, ja, pioen!” antwoord ik vriendelijk knikkend.


Polo op slot (11-04-2016) (Themawoord: Polo)

Ik hoop dat u het nooit hoeft mee te maken lezer. Dan rij je eerst pakweg 1200 km fullspeed richting Italië, trotseer je Duitse heuvelruggen en Oostenrijkse Alpen, hik en stuiter je over onmogelijke weggetjes, ergens diep en ver weg van de Autostrada, in een weids achterland, onvindbaar voor de TomTom, via onuitspreekbare kleine dorpjes, of in ieder geval onverstaanbaar voor de lokale bevolking, richting eindbestemming, een lieftallige minicamping bij de boer, gelegen tussen graanvelden waar je niet overheen kunt kijken, onder een snikhete zon, vlak bij rivier de Po.
Je rolt, nog vastgeplakt met blote benen aan de driversseat, uit je kleine VW en zoekt met samengeknepen billen het toilet. “Waar is nou dat verrekte Polo? Shit, op slot!”


Marco ontdekt polo (12-04-2016) (Themawoord: Polo)

Marco heeft een groot hoofd. Het staat regelmatig op exploderen. Hoe dat zo komt? Onvervulde verlangens. Het drijft Marco haast tot waanzin.

Gelukkig heeft Marco de juiste mensen om zich heen. Ze voorspellen hem een gouden toekomst. Marco zelf gelooft er niets van. Maar ja, als iedereen het zegt, dan zal het wel waar zijn, toch?

Ga op ontdekkingstocht? Dat is wat de geschiedenisleraar aan Marco voorstelt. Bij iedere geschiedenisles leef je op. Ga reizen jongeman!

Marco neemt zijn houten paard en reist af naar Mongolië. In het diepste geheim uiteraard. Wat vreemd, denkt Marco. Waarom zit iedereen ondersteboven op zijn paard? Snel zet Marco alle Mongolen andersom en geeft ze een bal en stok.

Een nieuwe sport spontaan geboren.


Polox Maison (13-04-2016) (Themawoord: Polo)

Nu stoot ik mij er weer aan. Mijn vrouw heeft het gekocht op de markt. Was ik maar meegegaan. Ik heb spijt. Het is een zwart houten tafeltje, 30 cm hoog. Stelt niets voor zou je denken. Ware het niet dat er aan alle vier de hoeken een klein armpje en handje zit. Dat verwacht je niet bij een tafeltje. Mijn vrouw viel juist op de schattige handjes. Ik vind het een onding. En nu heb ik voor de derde keer mijn scheenbeen opengehaald. Ik besluit op zoek te gaan naar de maker van het onding. Onder aan het tafeltje vind ik een klein labeltje.
‘Polox Maison: Ankara Yolu Üzeri No 43 İnegöl Bursa Turkey’.
Ik bel met reisbureau Tui.


Groundcontrol (14-04-2016) (Themawoord: Polo)

Locatie: Nevada. Tijd: Ergens jaren zeventig. Opdracht: Vind verdacht voorwerp. Opdrachtgever: NASA.
Twaalf witte mannen met grote helm en zware schoenen struinen door de woestijn. Het is bloedjeheet. De vloeistof om het kapje van de helm schoon te vegen is bijna op. Al vijf uur sjouwen ze rond. De eerste uitputtingsverschijnselen doen zich voor. De mannen kruipen bij elkaar in een kring, bukken voorover en slaan de armen over elkaars schouders. Uit de helmen klinkt een yel, het glas beslaat. Ze hebben nog een dik uur voor hun missie. Een missie op leven en dood. De twaalfde man zwaait ineens met zijn armen. Gevonden. Eindelijk. Grote losse letters en cijfers in het zand. APOLO73. Grote schrik. Waar is de L.


Kiem (19-04-2016) (Themawoord: Kiem

“Kiem, Kiem!”
Peuter Joepke wijst met uitgestrekte wijsvinger naar de buurvrouw die in de deuropening staat. Een hele lieve buurvrouw die niet zo vaak thuis is maar nu eventjes gezellig koffie komt drinken.

“Effe buurten!”, roept ze met een brede glimlach op het gezicht. Ze ploft op de bank en gooit haar blonde lange haren kwiek naar achteren. Ze glijden een beetje weg achter de rugleuning.

Het valt me weer op hoe enorm groot haar borsten eigenlijk zijn. Iets waar ik normaal nooit op let.

“Kiem, Kiem!”, roept Joepke weer.
“Wat bedoel je toch?”, vraagt de buurvrouw.
“Ollander!”, krijst de kleine.

Buurvrouw en ik kijken elkaar wat verbaast aan en schieten daarna spontaan in de lach.
Totdat het kwartje valt.


Met dank aan Brugman (21-04-2016) (Themawoord: Kiem

Ik stop hem heel voorzichtig in de grond. Nu is het slechts een kwestie van voeden en water geven. Daglicht, dat moet ie ook veel hebben. Zon, heel veel zon. Iedere dag hoop ik dat er al iets boven de grond uitsteekt. Het wachten duurt lang. Er is zelfs nog geen bolling te zien. Ook niet na drie dagen. Ik begin te twijfelen. Heb ik mogelijk over de houdbaarheidsdatum gekeken? Of heb ik iets anders over het hoofd gezien? Praten, wordt me aangeraden. Ik praat als Brugman tegen de kale grond. En warempel, het helpt. Na vier dagen zie ik resultaat. Een klein steeltje steekt fier omhoog. Kaarsrecht. Eureka. De geboorte van een uitroepteken, gekiemd uit een hele kleine punt.


Kiem Ono (23-04-2016) (Themawoord: Kiem

Het stichtingsbestuur kwam er maar niet aan uit. Dagen werd er gedebatteerd. Welke naam moest er nu aan hun vakbond verbonden worden? De dagen verstreken en nu begon ook de Kamer van Koophandel zich te bemoeien. Ze konden het gereserveerde nummer niet eeuwig vrijhouden. Dan kwam hun hele administratie in de war. Haast geboden dus. De bestuurders van de secties Informatie, Entertainment, Media en Kunsten besloten uiteindelijk te kiezen voor een naam waarin iedere sectie zichtbaar moest zijn. De sectiebestuurder Informatie was heel helder. We nemen de eerste letter van onze secties. Oké, sprak de bestuurder Kunsten, te beginnen met de K. KEIM, KEMI, KMEI, KMIE, KIME, KIEM. Ono, sprak Entertainment. Jawel, besloot Media. KIEM bekt het best. KIEM ono!


Sleeping beauty (25-04-2016) (Themawoord: Morfine

In de hoek van de kamer zit een kleine muis. Zijn kleine zwarte kraaloogjes struinen de kamer af. Hij wil vluchten maar kan het niet. Wat heeft hij toch aangericht?

Het bed dat midden in de kamer staat kraakt heel even. Het papieren onderlaken druipt van het bloed. Op de vloer vormt zich langzaam een grote plas bloed.

De muis wrijft met zijn pootjes zijn snuitje schoon. Hij kan niet anders. De kat op het bed kijkt hem geduldig en plagerig aan. Hoe zenuwachtig kan een muis zijn?

Het liefst wil hij slapen, Morfine, de witte kater. Maar het is nog lang geen ochtend. Bovendien roept de natuur in hem tot aanval. Wanneer geeft die klotemuis zich nu eens over?


Amorfine (25-04-2016) (Themawoord: Kiem

Heeft u voor mij wat fine?
Fine?
Ja fine.
Nee, dat verkopen we niet.
Hoezo niet, dit is toch een apotheek?
Klopt, maar wij verkopen geen fine.

Doe dan maar wat amor.
Amor? U houdt me voor de gek zeker?
Nee, 15 milligram tabletten graag.
U maakt een grapje?
Nee hoor.
Nou, dat verkopen we hier ook niet hoor.

Dan ga ik wel naar de buren.
De buren?
Ja, de buren.
Maar dat is een coffeeshop?
Nou en?
Daar verkopen ze echt niet wat u zoekt hoor?
Ik kan het in ieder geval proberen.
Dat is waar.

Verkoopt u fine?
Jazeker.
En amor?
Ook.
Doe dan maar allebei.
Apart of in combinatie?
Ach, laten we eens uitpakken. In combinatie graag.


Dingetje (26-04-2016) (Themawoord: Morfine)

K. en M. zitten op het terras vlak bij de Mexicaanse grens in een klein dorpje dat geen naam mag hebben. Niemand die het weten mag. Ze zitten incognito. In Cognito? Nee, niet in Cognito. En ook niet in Margarita. Ze zouden niet durven. De pakkans is veel te groot.

De zon schijnt en het is erg warm. K. heeft erg veel zin in een dingetje. M. heeft onmiddellijk in de gaten wat K. bedoelt. En ook hij heeft wel trek. Maar waar vinden ze hun dingetje zo snel, in dit door god verlaten oord?

De situatie vraagt om een flinke brainkraak. En dat zo vroeg in de ochtend. Toch maar even bellen. Met Coca Metamorfine. Hopelijk is ze thuis.


Dingetje (2) (26-04-2016) (Themawoord: Morfine)

Hoi, met Coca.
Hoi, K. hier.
Ha K., alles goed?
Alles goed.
Wat kan ik voor je doen?
We hebben zin in dingetjes.
Dat kan geregeld worden. Ik bel zo terug.

Hallo, K. hier.
Met Coca.
Metamorfine?
Ja, Metamorfine, wie anders?
Oh, heb je iets kunnen scoren?
Nee.
Hoezo nee?

Ik kon de hond niet vinden.
De hond niet vinden?
Ja, de hond niet vinden.
Heb jij dan een hond?
Yep, Snoep heet ie.
Die eet zeker graag snoepjes.
Wat denk jij?

Wat voor ras is het?
Een Amerikaanse dog.
Amerikaanse? Ik ken alleen maar Deense.
Het is een Deense die is doorgefokt.
Doorgefokt?
Nou nee, eigenlijk opgefokt.

Maakt niet uit. Zolang ie maar dingetjes doet.
Die doet ie zeker.


For Mien (28-04-2016) (Themawoord: Morfine)

Daar lag het op tafel. Vergezeld van een heel klein briefje. Een klein gedichtje, ondertekend met ‘For Mien, with love’. Waarom in het Engels vroeg ik mij af. Totdat ik het klein dagboekje vond, verstopt onder een stapeltje ondergoed in de garderobekast. Ik wist genoeg. Tranen stroomden in mijn ogen.

‘I love morfine, and morfine loves me.’
Dat was de titel van ieder gedicht, in dikke grote letters opgetekend. Een leesbril was niet nodig. Op iedere pagina prijkten drie gedichten, Engelstalig, wonderschoon.

Ik las de gedichten gretig door. Waarom oma, waarom? De glazen ampul gleed uit mijn hand op de vloer stuk. Het glas versplinterde in kleine stukjes. Net als de gedichten in mijn weke hoofd. With love for Mien.


Handsfree (29-04-2016)

Handsfree dingen doen. Overal kom je het tegen. Het beperkt zich niet langer tot bellen. Handsfree is het nieuwe modewoord.

Stelt u zich eens voor? Handsfree plassen. Mannen maken handig gebruik van hun selfiestick, als statief. Ook erg handig bij het tuinsproeien.

Handsfree poepen wordt wat lastiger. Zowel voor mannen als vrouwen. Hoewel een selfiestickstatief met klein borsteltje erop ook daar uitkomst biedt.

Handsfree eten. Moet kunnen. Met een tong die werkt als Zwitsers zakmes. Lepel, vork, mes en rietje, alles rolt zich makkelijk uit. Met gedachtenschakelaar.

Handsfree masturberen. Vertrouwen op je voeten en tenen dan maar. Het baart wel even oefening en kunst.

Handsfree schrijven. Ook een lastige. Gebruik de opgedane ervaring bij het masturberen. Schrijven wordt nu geil.

07-12-2015

Een vreemde gang van zaken

Toon was al jaren flessendrager. Hij wist niet beter. Hij droeg nu eenmaal graag flessen. In de buurt waar hij woonde noemden ze hem altijd Toontje Bottel. Het was een naam die bij hem paste. Sinds kort had Toon wat last van gemengde gevoelens. Ze ontstonden toen hij de geur van het oude tapijt van zijn pas overleden oma nog eens rook. Het tapijt was het grootste geschenk dat Toon ooit van haar gekregen had.

Toen hij de geur opnieuw rook werd opeens alles duidelijk. Alle puzzelstukken vielen op hun plek. De onverwachte bezoeken waarover zijn oma hem had verteld vlak voor haar dood, hadden bij oma geleid tot heuse vulkaanuitbarstingen. Nog nooit had Toon zijn oma zo hard horen huilen. ‘Het leven is als een …’, had oma nog geroepen en was toen languit op de vloer gevallen. Op het oude tapijt. In een foute bloemetjesjurk met schoenen die er niet bij pasten. Na tien minuten was ze weer opgestaan, alsof er niets aan de hand was. Een gemengd gevoel achterlatend bij Toon.

Kortgeleden had zijn oma nog bezoek ontvangen. Van een vreemde man. Die was met de auto gekomen. De kleur van de auto kon oma zich niet meer herinneren. De man had bij haar aangebeld omdat hij een week te voren op de gang iets belangrijks verloren was. Een houten beeldje dat hij had gemaakt toen hij als klein jongetje had leren timmeren. Vers van de pers had hij toentertijd het beeldje in elkaar gedraaid. Het stelde zijn opa voor. Volgens de vreemde man was alleen de verbeelding van zijn opa echt. Zijn opa was eigenlijk een nepgast, iemand die de boel graag voor de gek hield. Hij was vorige week overleden.

Tijdens het gesprek op de gang had de vreemde man een telefoontje gekregen. Een raar gesprek was het geweest volgens oma. Over een inboorling die een hekel had aan de kleur kakkerlakbruin. Het was een heel gejojo om de inboorling goed te verstaan. De inboorling was door een impressario geboekt voor een theatervoorstelling in Nederland. Hij zou binnenkort op het toneel verschijnen. Maar nu twijfelde hij. Hij had het theater gegoogled en alles in het theater was kakkerlakbruin. Het stuk waarin hij zou spelen was van Shakespeare. Een pas ontdekt stuk. Iets over varkentjes wassen, hoofden leegmaken en rouwverwerking. Daarover zou Toontje dus nooit schrijven. Maar Shakespeare blijkbaar wel.

‘De draak van de rouw.’ Zo heette het stuk. Niets voor Toon. Die zou veel liever een spannend stuk schrijven over iemand die de loterij won. Wie zou hij of zij dan allemaal bellen? En wanneer? Meteen? Toon schrijft niet omdat hij beroemd wil worden. Hij schrijft voor zijn plezier. Roem laat hij graag over aan roemjagers. Aan de hemelpoort is straks toch weer iedereen gelijk. Wat maakt een beetje roem dan uit? Mocht de hemel überhaupt bestaan natuurlijk.

De vreemde man had oma gevraagd wat spiritualiteit voor haar betekende. Mijn oma, in de winter van haar leven, vond het een impertinente vraag. Het was hoogzomer en ze wenste nog te genieten van haar onafhankelijkheid. Aan afhankelijkheid had ze een broertje dood. Ze weigerde de vraag te beantwoorden. ‘Waar smaakt je favoriete muziek dan naar?’ had de man vervolgens brutaal gevraagd. Wat een lef.

Oma was compleet overrompeld door zoveel openheid, zoveel directheid, zoveel vragen. Daar had ze dan gestaan, op de gang met een vreemde man. De zon was zojuist prachtig ondergegaan. Vlinders dwarrelden in haar buik. Helaas te laat om er nog van te kunnen genieten. Voor de voeten van de vreemde man was ze ingestort. Hij had haar gezicht bestudeerd. Onmiddellijk gezien hoe de voorbije jaren haar vragen hadden gesteld en tevens antwoorden hadden gegeven. Het stond allemaal in haar gezicht geschreven. Ze pasten als kleine puzzelstukjes in elkaar. Grijze groeven linkten alles aan elkaar.

Ondanks de wilde vragen had oma nog lang geluisterd naar de mooie vreemde man. Toontje Bottel bleef gemengde gevoelens houden. Was ie wel zo vreemd, die man? En wat had hij nog betekend voor zijn oma? De vragen en gevoelens bleven in het duister hangen. Zouden ze nog ooit het licht zien?

Geschreven n.a.v. 16e schrijfopdracht op ColumnX (december 2015), van professioneel schrijfcoach Hella Kuipers (http://heldenreis.nl):
- Oefen dagelijks met het schrijven van Schrijfveren.
- Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
- Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice
- Een schrijfveer houdt in dat je voor iedere dag een woord, zin of uitdrukking krijgt, waar je een kwartier lang associatief (zonder nadenken) op los mag gaan.
- Ik heb er voor gekozen om alle schrijfveren in een column te vatten. Het duurde wel iets langer dan een kwartier.
- De schrijfveren voor de maand december zijn:
1 flessendrager - 2 past je naam bij je? - 3 gemengde gevoelens - 4 de geur van een oud tapijt - 5 het grootste geschenk - 6 opeens werd alles duidelijk - 7 onverwacht bezoek - 8 vulkaanuitbarsting - 9 het leven is als een ... - 10 schoenen die er niet bij passen - 11 de kleur van een auto - 12 iets belangrijks verloren - 13 leren timmeren - 14 vers van de pers - 15 alleen de verbeelding is echt - 16 telefoon van een onbekende - 17 alles was kakkerlakbruin - 18 jojo - 19 wie geboekt heeft, moet verschijnen - 20 daar zou ik nooit over schrijven - 21 de draak van de rouw - 22 wie zou je bellen als je de loterij won - 23 ik schrijf niet omdat ... - 24 aan de hemelpoort - 25 wat betekent spiritualiteit - 26 hoogzomer - 27 (on)afhankelijkheid - 28 waar smaakt je favoriete muziek naar? - 29 de zon ging prachtig onder - 30 wat miste je als kind - 31 jaren die vragen stellen en jaren die antwoord geven

11-11-2013

Oma’tje lief

Het is weekend en Kees mag weer naar oma en opa. Dit keer zonder broer. Waarom weet Kees niet. Wat hij wel weet is dat mama weer ziek is. Papa is zelfs teruggeroepen van zijn werk. Het komt steeds vaker voor. Kees vindt het maar niks. Weer een heel weekend opgesloten bij opa en oma. Met zijn broer is dat nog wel leuk. Ze timmeren dan in het schuurtje van opa eerst houten zwaarden. Met de zwaarden spelen ze dan Floris de ridder. Dat doet Kees het liefste. Zijn broer speelt Sindela de tovenaar en Kees is Floris. Met een oude handdoek of laken om de schouders geknoopt, wanen ze zich koene ridders uit de middeleeuwen. Maar helaas is zijn broer er dit keer niet bij.

Gelukkig is het mooi weer en kan Kees in ieder geval naar buiten. Op pad met een glazen potje en een blaadje groen erin. Lieveheersbeestjes vangen. Die zitten op de rode prikstruiken. Prikstruiken die in de hele buurt bij oma en opa de kleine voortuintjes van elkaar scheiden. Al snel heeft Kees zijn potje vol met Lieveheersbeestjes. Trots laat ie het jampotje aan oma zien. Maar oma heeft geen tijd voor Kees. Zij is veel te druk met de zaterdagpoets. Het huis moet schoon. In oma’s huis gelden de regels van reinheid, rust en regelmaat. En opa, waar is opa? Die dut wat in zijn stoel. Ook daar kan Kees helemaal niets mee. De verveling slaat al gauw toe. Nog een uurtje en dan is het gelukkig etenstijd. Dan mag hij zijn handen weer wassen en netjes aan tafel zitten. Met mes en vork eten, zwijgzaam, want praten wordt aan tafel niet gedaan.

Vandaag heeft Kees een kou gevat. Daar weet oma wel raad mee. Op tijd naar bed, maar niet nadat de borst is ingewreven met een flinke partij dampo. Nu nog een flanellen lap om de borst en dan stevig onder de gesteven lakens en wollen deken in bed. Kees krijgt amper adem. En dat is niet van de verkoudheid. Wat verlangt hij naar zijn eigen bedje. Het stapelbed op de jongenskamer. En naar zijn broer, die altijd een verhaal verteld voor het slapen gaan. Meestal een spannend verhaal dat steevast eindigt met het eng zwaaien van zijn broer’s arm langs het bed. Dat vindt Kees doodeng. Maar zijn broer kan het plagen niet laten. Hij is niet voor niets een grote broer.

Zal Kees vanavond weer eng dromen? Hij weet het niet. Hij is bang van wel. Wordt het weer de grote witte lege ruimten droom, met onmetelijk licht en leegheid? Of droomt Kees weer van de school tegenover oma en opa. Waar hij stiekem op het dak is gekropen, maar niet meer vanaf durft omdat er rond de school enge honden lopen met bekken vol grote tanden. De honden laten hun tanden zien telkens als hij van het dak af wil kruipen. Bonkend met zijn hoofd in het kussen probeert Kees de slaap te vatten. Morgen is het zondag. Weer een trieste eenzame dag waarbij Kees zijn familie moet missen. Moet missen omdat mama ziek is. Maar wat heeft ze dan? Kees snapt er niets van. Uiteindelijk valt hij in slaap. Droomloos dit keer. Gelukkig maar.

De zondag is vandaag zonnig en vraagt zoals iedere zondag om zondagse kleren. Dat betekent oppassen wat je doet. Want zondagse kleren mogen absoluut niet vies worden. Zeker niet bij oma en opa. Vanmiddag gaan ze op bezoek bij een zus van oma. Die woont om de hoek. Er komen nog meer oude mensen. Kees weet wat er komen gaat en vreest nu al voor de middag. Maar hij ontkomt er niet aan. Het thee- en koffiekransje, inclusief mariakoekjesdip is nog maar amper gestart of oma vertelt aan iedereen hoe mooi Keesje zingen kan. Dwepend en doordringend vraagt ze Kees te zingen.

“Ga maar op tafel staan Keesje, je kunt het, toe maar.” Hij heeft geen keus en wordt in de sterke armen van de zwager van zijn oma op de tafel geplant. Het moet een vreemd gezicht zijn, denkt Kees. Gênant ook. Hij ziet zichzelf staan als klein jongetje midden op tafel in zondagse kleren, met blauwe ogen en blonde krullen en kwijlende oudjes om hem heen. Maar Kees laat zich niet kennen. Hij weet wat er van hem verwacht wordt. Uit volle borst zet hij in: “Oma’tje lief, blijf alstublieft. Heel lang bij ons, net zo lang als u leeft. U hoort bij mij, u bent van mij. Niemand als ik die zo’n oma’tje heeft.”

Applaus volgt. Kees krijgt een kleur. Hij weet niet goed of hij dit nu leuk vindt of niet. Maar in ieder geval is er aandacht. Zou hier de liefde voor het podium bij Kees geboren zijn? Kees weet het niet. Wat hij wel weet is dat er onmiddellijk een toegift moet volgen. Luidkeels zet hij in: “Mama …, je bent de liefste van de hele wereld. Mama, de allerliefste van de hele wereld. Later, wanneer ik ga trouwen. Zal ik een huisje gaan bouwen. Als je dan soms alleen zult zijn, kom dan bij mij in huis. Mama, de liefste van de wereld ben jij. Oh, lieve mama, je bent en blijft altijd een voorbeeld voor mij.” Snikkend vliegt Keesje van tafel. Dit keer komt het allemaal te dicht bij. Mama is ziek. En Keesje wil alleen nog maar bij mama zijn.