120 Woorden (120W) is een website gerund door vrijwilligers waarop ik kleine stukjes van exact 120 woorden plaats. Meestal aan de hand van opgelegde themawoorden.
Motto 120 Woorden: Er wordt veel te veel geschreven en daardoor veel te weinig gelezen. Weg met de breedsprakigheid. 120 woorden is precies genoeg.
1 April (01-04-2017) (Themawoord: Veter)
Nog een uur en elf minuten op het moment als ik DIT schrijf. Ik moet en ik zal nog een 1 aprilmop verzinnen. Maar ik kom niet verder dan ‘je schoenveter zit los’. Mijn eerste 1aprilmop. Plintenladder dan? Benzinewater? Nee, allemaal gekende grappen. Het laat me niet meer los.
De beste moppen komen rond middernacht. Ik heb geduld. Het valt me zo binnen. Wedden? Maar voor wie is de mop dan? Ik ben op dit moment alleen. Degene die ik morgen het eerst ontmoet is de sjaak. Misschien de postbode wel. Of de buurman. Morgen ga ik helemaal los. Wat zeg ik over acht minuten. Toch maar, ‘hė je veter zit los’. Misschien zijn ze hem wel vergeten. Wie weet?
2 April (02-04-2017)
Ik heb gisteren alleen maar gehuild lieve mensen. Waarom? Dat leest u in de titel. Gisteren was het namelijk 1 april. En ik zeg het maar gelijk. Ik ben erin getrapt. In maar liefst twaalf 1aprilmoppen. Niemand, maar dan ook niemand had mij verteld dat het 1 april was. Echt balen.
Maar waarom moest ik dan huilen? Van het lachen natuurlijk. Het waren geen van allen flauwe moppen. Integendeel. Grappig, scherp, goed verhuld, geloofwaardig, geniaal. De tranen rolden me telkens over de wangen. Daar schrokken de grappenmakers wel een beetje van. Zo’n heftige reactie waren ze niet gewend. En zeker niet van mij. De koele kikker en zelf de grootste grappenmaker op feestjes en partijen. Had ik ze even tuk!
Creactor (03-04-2017) (Themawoord: Reactor)
Heel oer is de creactor. Hij stamt nog af van de jeukbeestjes uit het pleistoceen. Heeft jaren klem gezeten tussen alle aardlagen, maar is nu eindelijk bevrijd uit zijn geschiedenisslaap.
Wie heeft hem wakker gemaakt? De langetandvormige keliscopter natuurlijk. Deze aardverwoestende machine heeft sinds zijn intrede, de aarde al behoorlijk opgeschud.
Zo heeft ie uit de aardlaag van het krijstoceen, de plantatus gigantus losgeweekt. Dit groenkakige slaapmonster heeft jarenlang planeet aarde geterroriseerd. Sinds zijn ontdekking weten we ineens waar al onze planten vandaan komen. En ik kan u alvast verklappen. Niet van Appie Happie.
Terug naar de creactor. De biologen vinden het maar niets. Dit verschrikkelijke jeukbeest kan de ondergang betekenen van planeet aarde. Niets zo erg dan jeuk, toch?
Boekenweekgeschenktreinescapades (03-04-2017)
Zat u gisteren ook in of tussen de trein? Tussen heel veel mensen? Met het boekenweekgeschenk krampachtig op schoot? Amper tijd en ruimte om te lezen? Omdat of het perron, of de trein, of de tijd in de gaten gehouden moest worden? Omdat de conductrice niet door het gangpad kon en dat heel vriendelijk met veel aandacht voor haar klandizie liet merken. ‘U gaat ook allemaal op hetzelfde tijdstip met de trein. Hebben jullie dat met elkaar afgesproken?’ Ja, de NS-humor is van hoog niveau. Waarna de snoependrankverkoopstudent het gangpad onveilig maakte. ‘Kan ik u iets aanbieden?’ Hoef ik niet lang over na te denken. ‘Ja, een extra treinstel misschien? Doe er maar tien!’ Herman Koch ook nergens meer gezien.
Torrentreactor (03-04-2017) (Themawoord: Reactor)
Nou heb ik het gevonden. Unne torrentreactor. En unne goeie. Nou ken ik alle films downloaden die ik maar wil zien. Det kennen gullie nog nie toch? Met deze torrentreactor heb ik HBO en MBO en LBO. Ik ken het allemaal zien. De nieuwste series. En ook alles van SBS, Veronica, RTL 5, 6, 7, 8 en 9. Ik heb het gelijk.
Nooit meer wachten. Dankzij munne torrentreactor. Ken het amper uitspreken. En het schrijven heb me ook efkes gekost. Maar ik wil nooit nie meer wa anders. Gisteren de oudste van de Muppetshow bekeken. Gaaf. En helemaal dolblij zuurrond. Een geluid man. Hard. En hard.
Ik hoef niks niet meer te zien op televisie. Ik vat gewoon munne torrentreactor.
Emotionele pornografie (04-04-2017) (Themawoord: Reactor)
Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is het mooiste van het land? Een dagelijkse praktijk in willekeurige pashokjes. Heel eventjes bloot ontbloot voor het egoglas. Strippen langs armen, knieën, enkels, polsen dijen. Reactor pumps up the base. Leer en latex, zijde, bont. Het volume op tien.
Koud zweet, bijna betrapt. Achter het velours kloppen harten in de keel. Emotional pornograpy. Geen maatje is te groot of te klein. Perfect size. Ritsen, vegers, alles gaat los. Heel eventjes verdwaald in het rare kledingbos. Poster aan de muur. Van David, Ewan, Kevin en Evan. Feeling the love.
De geur is overwelming. In de palm van hand en oksels dringt passie langzaam door. Zet lichamen kortstondig in vuur en vlam. Hitsig en heet.
Podoreactor (04-04-2017) (Themawoord: Reactor)
Mijn voeten veeg ik ermee aan. Hoe haalt ie het in zijn hoofd? Niet tot op het bot maar wel tot in de kern. Zo laag? Bukken gaat haast niet meer. Een BMI dat op ontploffen staat hangt ervoor. Hoe durft ie dit te vragen, hij kent me toch?
“Iets verder mevrouw, ja, zo is het goed. U kunt het!”
Ik kijk schuin in de spiegel en zie mezelf in standje hopeloos staan.
“Wilt u nu even uw rechterbeen naar achteren steken.”
“Zo?”
“Nee, hoger! En houd uw rug recht. Zo ja. En nu nog even uw voet flexen. Nee, niet strekken. Flexen! Waar zitten uw oren mevrouw!”
De podotherapeut vraagt onmogelijke dingen van mij. Tijd voor actie.
“Au! Mevrouw!”
Uiteenzetting van een kernreactor (05-04-2017) (Themawoord: Reactor)
Dit is een korte filosofische, antroposofische, literaire, niet technische verhandeling over de kernreactor.
Diepzinnig, kalm en wijsgerig verklaar ik u, waar en waarom, nucleaire kettingreacties van kernsplijtingen plaatsvinden onder gecontroleerde en stabiele omstandigheden.
Een kernreactor levert warmte. Punt. Voor huis, industrie, ontziltingsinstallaties en voor de voortstuwing van schepen en onderzeeërs. Pint. Multi-cultureel en los van ras. Gepostuleerd vanuit een geestelijke omgeving via innerlijke ontwikkeling.
De vrijgekomen warmte versterkt zintuigvrij denken en bewustzijn. Aldus Blavatsky. Volgens Hippocrates zowel cholerisch, sanguinisch, flegmatisch als melancholisch.
Hoewel de term ‘kernreactor’ ook gebruikt kan worden voor een fusiereactor wordt dit meestal niet gedaan en worden er uitsluitend splijtingsreactors mee bedoeld. Hoe dubbel, hoe ambivalent.
Verantwoording. Al het bovenstaande is recent gedicht in een literair café.
All in the game (06-04-2017) (Themawoord: Reactor)
Zo, vandaag weer een gezellig potje oorlogvoeren. Eerst stevig ontbeten. Alles uit blik. Camouflage-outfit aan, schmink aangebracht. Ik ruik naar oorlog en Nivea.
Ik neem plaats achter mijn console in de kelder. Licht uit, koptelefoon op. Altlas Reactor start op. Waar ben ik gebleven? Ah, genoeg levens over. Alle maten zijn wakker. De eerste teamopdracht is makkelijk. Samen met Dragon Tailor en Droppie Charge zetten we de aanval in op Herrie No Mistake en Miscile Putje33. We kiezen aanvalsplan Scoop. Alle interventies gaan ons makkelijk af. Dragon en Droppie zijn al snel de sjaak. Op naar een hoger level, fase drie. Welke characters moeten we nu dissen?
“Mien… Mien, wil je nog koffie?” Hoor ik ver weg roepen.
Shit, betrapt!
Onderzoek ReaCTOR (07-04-2017) (Themawoord: Reactor)
Onderzoek ReaCTOR heeft er eindelijk voor gezorgd dat het Ministerie van ICT de erkenning krijgt die het verdient. Het kersverse ministerie doet daarmee recht aan levensvatbaarheid. Een welkome aanvulling op het Ministerie van Justitie. Middels ReaCTOR hebben beide ministeries succesvol de handen in elkaar geslagen in de oorlog tegen cybercrime. Aanleiding, de lamlegging van computersystemen van beide ministeries.
Onderzoeksresultaten wijzen uit dat het hier geen maleware maar femaleware betreft. Vrouwduleus is getracht gevoelige informatie te verzamelen. Hoe? Door CTOR (Click To Open Rates) naar het woord ‘rea’ te analyseren. Uitkomst. Godin eindigt op grote afstand van plaats en loopvogel. Daarmee is het aantal potentiële daders gereduceerd tot 5%. Daderinnen of daderessen. Vroeg of laat worden ze gepakt. Nee, niet genomen.
Grote boodschap (10-04-2017)
Het toilet staat droog. De grond eronder lijkt te bewegen. Dat kan toch helemaal niet? De muren rondom het toilet staan gelukkig nog overeind. Dat geldt niet voor het plafond en de muren van het huis van het kleine kamertje waarin het toilet en ik me bevinden.
Het is oorlogstijd. Vrijwel niets staat meer overeind. Je zult dan moeten. Een grote boodschap. De schaamte blijft. Ook in oorlogstijd. Heel vreemd. En toch. Iets onder het toilet lijkt te bewegen. In de kelder? Die heb ik niet geïnspecteerd. Ik loop naar beneden en zie een gat in het plafond. Nee?
Ik kijk omhoog en zie een doos. Aan de doos hangt een drol. Merde! Bah! Ik spring net op tijd weg.
Kijkbox (10-04-2017)
Trinnngggg! De voordeurbel gaat. En toch ren ik naar de achterdeur. Hoe vreemd. Aan de achterdeur hangt namelijk geen bel. Wie heeft er nu een bel aan zijn achterdeur hangen? Degene die geen voordeur heeft wellicht? Maakt niet uit. De paniek is allang toegeslagen. Ben ik nog op tijd bij de voordeur?
Ik ren door mijn huis dat ineens wel tien kilometer lang lijkt. Gelukkig is dat niet zo en arriveer ik net op tijd bij de voordeur. Door het matte glas zie ik de Zalandoman staan. De oranje gloed komt me warm tegemoet. Ik doe snel de deur open en neem met een dankbare groet een grote doos in ontvangst. Mijn eigenste kijkbox. Zal alles er weer in zitten?
Mamatuintjes (10-04-2017)
De mamatuintjes van Appie Happie scoren weer goed. Buiten word ik opgewacht door een bende straatjongens en -meisjes. Geen boodschapper ontkomt aan hun blik en armen.
“Heeft u nog mamatuintjes voor ons?”
Ach, ik heb geen kinderen. Desondanks is een kinderhand snel gevuld. Dat spreekwoord geldt immers voor iedereen. Kinderen of geen kinderen. Maar ik geef ze niets voor niets weg. Nee, nee. Voor wat hoort wat, toch?
“Jullie krijgen mijn mamatuintjes, maar alleen als jullie eerst allemaal een sinaasappel eten.”
Ik heb er al rekening mee gehouden en haal alvast een sinaasappel uit het net. Geen kind meer te bespeuren.
Raar hoor. Ik kijk naar het kleine doosje in mijn hand. Moestuintje. Maar waar zijn de mamakindjes nu gebleven?
Panorama Mesdag (11-04-2017)
Daar sta ik in de vitrine van de Noordzee. Een grote ronde koektrommel van ongewapend glas. Een levensecht zeezicht met strand- en zeegangers. Hoe vaak en hoe lang zou meneer Mesdag en zijn kornuiten door de cilinder, de ronde doos van glas gekeken hebben? De spiegeling vastgelegd met varkenskwast op doek? Een fata morgana in tempera, waterverf of is het toch geolied?
Het schilderen liep hoe dan ook gesmeerd. Alles werd gevangen. Niets ontsnapte aan het schildersoog. Vincent zei het mooi. ‘Het enige dat er mankeert aan het schilderij is dat er niets mankeert’. De Breitner cavalerie, lucht en duinen à la Théophile, de gluurster van Blommers, Sien’s Scheveningen, Mesdag’s zee en bootjes. Vastgelegd in 1881, op zeventien vierkante meters.
Kijkzicht (11-04-2017)
Het is allemaal begonnen met de Okkie en Taptoe. De verbeelding. Dromen met en over Donald Duck en Olivier B. Bommel. Kwik, Kwek en Kwak, Pluto en Willie Wortel. Daarna volgde de wetenschap met inkijkjes in de Kijk. Ontdekkingstochten langs honderden pagina’s allemaal opgeslagen in het kinderbrein. Hoeveel melktanden zijn daar niet ingezet? Met paplepels ingegoten?
Nu staan de dozen op zolder. Complete jaargangen vol geschiedkundig, natuurkundig, scheikundig, biologisch en kunstzinnig inzicht. Zonder Kijk geen inzicht in padvinderij. Kijkzicht. Zonder Pluto, geen flaters, risico’s en uitglijders. Zonder Willie geen uitvindingen. Zonder Kijk geen ruimtevaart en vreemde vogels. Bekijk het maar.
Lang leve de postbode, die altijd extra hard met de brievenbus klepperde als deze de Okkie, Taptoe en Kijk bezorgde.
Kijkdozen (12-04-2017)
Ze zitten op ieder terras. Kijkdozen. Ja, kijkt u maar eens rustig om u heen op een willekeurig terras. Wedden dat ze u spotten? Kijkdozen in alle soorten en maten. De meeste kijkdozen doen dit heimelijk, althans dat proberen ze, vanachter een Ray Ban of Gucci zonnebril met liefst donkere glazen.
De ergste kijkdozen zitten erg stil. Althans dat lijkt zo. Want als u goed kijkt ziet u dat ze u weldegelijk monitoren om dan vervolgens verslag uit te brengen aan een van hun buurdozen. Zonder blikken of blozen en zonder hun nek te draaien. Ze prevelen het gewoon voor zich uit, gezeten vanachter hun zoete witte wijn, rosé of kersenbiertje. De zuren drinken tonic met citroen. U bent gespot.
Lokbox (13-04-2017)
Lokbox, ook wel lookbox genoemd. Nog voor het woord mail uitgevonden was. Berichten werden in een klein parlemoeren doosje onder de aandacht gebrscht door deftige dames en heren. Aan elkaar. Naar willekeur. Een soort sleutelspel maar dan anders. Ongeacht de sexe werd ontvangen op kasteelkamers, waar heren en dames kasteelromangeschiedenis schreven, al dan niet gemaskerd.
Was de box verzegeld dan werd het echt spannend. De hoofdprijs zonder hoofse liefde lag te wachten in de bedstee. Verstopt achter de dienstingang. Daar kon men dan wild tekeergaan, telkens weer. Ruwe liefde. Hard en meedogenloos. Niet voor watjes. Het personeel zweeg. Het kon niet anders. Werkloos toezien was geen optie. Als mieren kropen ze erop af. De lokdozen, zo verlokkelijk. Ruwe wilde seks.
Knustelen (13-04-2017)
Een grote schoenendoos ligt voor me op tafel. Daarnaast het instrumentarium. Een decoupeerzaag, een nijptang, een klein waterpomptangetje, touw, plakband, lijmklemmen, ducttape en voor de zekerheid een schaar en een hobbymesje. Een nietmachine niet te vergeten.
Eerst ga ik de doos decouperen. Dan nijp ik de scherpe randjes eraf. Met de waterpomptang stapel ik de onderdelen op elkaar. Touwtje eromheen. Voor de zekerheid ook plakband. De lijmklemmen houden het zaakje bij elkaar. De ducttape laat ik nog even liggen.
Met de schaar knip ik figuurtjes uit het karton dat uitsteekt. Met het hobbymesje steek ik raampjes uit. Er moet immers wat te kijken zijn. Met de nietmachine niet ik de wanden weer aanelkaar. Nu kan ik de doos verder inrichten.
Haaseieren (14-04-2017)
Als u goed oplet dames, heren, en u heeft een tuin, dan kunt u hem gewaarworden. Meestal tijdens ochtendgloren of avondschemering. Hij draagt, en dat doet ie niet altijd, alleen vlak voor pasen, een doos op zijn rug.
Een doos ja, geen mand. Kijk, het zit namelijk zo. Manden zijn voor watjes. En ik mag hopen dat u geen watjessoort in uw tuin hebt. Daar komt u namelijk niet snel meer vanaf. Ze dralen en dralen en weten nooit goed wat ze moeten doen in uw tuin.
Nee, veel beter kunt u een echte stoere haas hebben. Die uw tuin tot in de kleinste hoekjes kent. Waarom? Om zijn haaseieren goed te verstoppen natuurlijk. Anders volgend jaar geen nieuwe paashaas.
Melkuniseks (20-04-2017) (Themawoord: Uniseks)
Lady Madamme zit op een stoel aan de keukentafel. Ze likt haar baard. De melk druipt van haar snoet. Wat een mazzel dat er nog een kopje was achtergelaten door de nachtraven. Het is volle maan en de nacht zwart, lichtzwart. Buiten wordt ze opgewacht. Ze weet het. Maar ze moeten nog even geduld hebben. Ze is er nog niet klaar voor. De melk bevalt haar veel te goed.
Wachten maakt hongerig. Ze weet dat als geen ander. Hoe vaak heeft zij niet moeten wachten. Op brokken en op vis. Een viswachter leek ze af en toe. Mouwen helpt dan niet. Laat staan mauwen of miauwen. En janken al helemaal niet. De krolse katers wachten. Op vette melkpoes Lady Madamme.
Communiseksschandaal (20-04-2017) (Themawoord: Uniseks)
Ik kniel op het harde bankje, naast mijn klasgenoten. We dragen allemaal een korte broek, een net wit overhemd, kleine stropdasjes, witte sokken en sandalen. Gekocht bij Peek&Cloppenburg of C&A. Niet bij V&D, veel te duur.
Mijn knieën schuren en langzaam schuift de pastoor aan ons voorbij. In zijn belachelijke jurk en smalle tafelloper. De kwast om zijn middel fascineert. Bij ons thuis hangt ie aan de gordijnen.
Jantje naast me bukt al voorover en steekt zijn tong uit. De stukjes lichaam van Christus bevinden zich nog zeker een meter van hem vandaan. Een rolmodel Jantje. Liefste kabouter van de klas.
De hostiehand hangt voor me. Ik lik hem helemaal schoon. Bijt er zachtjes in. De pastoor schrikt. Lekker puh!
Uniseksiteit (20-04-2017) (Themawoord: Uniseks)
Vandaag gaan ze voor het eerst naar de Uniseksiteit. Spannend! De eeneiige tweeling heeft gekozen voor dezelfde studie, in dezelfde stad aan dezelfde Uniseksiteit, in Alkmaar.
Alkmaar? Maar daar is toch helemaal geen Uniseksiteit? Jawel hoor. Alleen voor uniseksgeaarden. Maar dat moet u eerst wel even ontdekken. De uniseks? Nee, de geaardheid. Zodra die zich manifesteert weet u vrijwel onmiddellijk dat de Uniseksiteit voor uniseksgeaarden zich bevindt in Alkmaar. Daar hoeven we niet stiekem over te doen of geheimzinnig. Dat is gewoon zo.
Piet en Jo hebben er zin in. Ze komen uit Limburg en moeten treinen. Om vier uur ’s ochtends zijn ze al op het station Heerlen. Je kunt maar beter op tijd zijn voor een zitplaats. Limbabwe-express.
Juniseks (22-04-2017) (Themawoord: Uniseks)
Juni, de mooiste maand om in te vrijen. Heel simpel. In Nederland uiteraard. Want dan is het mooi weer. Een heerlijke tussenmaand ook. Iedereen at ease. De kindjes komen dan in maart. Met een beetje planning eind maart. Voor zover je wil of moet plannen natuurlijk.
Een prachtig lentekindje. Een lief stoer rammetje als kers op de taart. Van lekkere spontane seks. In juni, als het gras twee kontjes hoog is of in een nog niet te hete duinpan. Of gewoon in de bosjes. Of in de tram. Doe eens stoer. De laatste tram met een voyeur. In de mooiste maand van het jaar. De zomermaand. De rozenmaand. Rote Rosenmonat. Rote Rosen sind die ewigen Boten der Liebe. Juniseks, supergeil.
Geschikt voor mannen en vrouwen (22-04-2017) (Themawoord: Uniseks)
Dan kom je al snel uit bij uniseks. Want was is er meer geschikt voor mannen en vrouwen? Seks ja. Door de eeuwen heen heeft dat zich al bewezen. Immers anders waren u en ik er niet geweest. Dankzij uniseks, geschikt voor mannen en vrouwen, zijn u en ik ter aarde gekomen. Daar zit geen letter Spaans, Chinees of Latijn tussen. Het is heel Esperanto. Overduidelijk toch?
Ik wil de dieren natuurlijk niet tekort doen. Die weten ook van wanten. Sinds den beginne. Al sinds de oerknal is het duidelijk. Uniseks is de enige voorwaarde voor het bestaan. Maar wie is er eigenlijk begonnen? De eicel of de zaadcel? Planten laat ik even buiten beschouwing. Hoewel? Zonder planten geen voortplanting.
Bruniseks (23-04-2017) (Themawoord: Uniseks)
Wie wil dat nu niet? Bruniseks. Vraag het aan Mick Jagger, Eric Clapton, Donald Trump, Kevin Costner en Vincent Pérez. Ze hebben het er allemaal mee gedaan. En niet te vergeten onze kleine Napoleon Sarkozy. Sarkozy en Sarkoza. O ja, en met Raphaël Enthoven kwam er ook nieuw leven. Samen kregen zij in 2002 een zoon, Aurélien.
Quelqu’un m’a dit dat ze ook nog goed kon zingen. Naast mooi en lekker zijn. A la Joni Mitchell en Serge Gainsbourg. Die Carla. Van alle markten thuis. Met een neus van zalm. Maar even onder ons. No promises. Geen idee wat ze er nog verder in haar vat zit. Comme si de rien n’était. Mijn favoriet blijft toch haar French little songs.
Wijdse weidevogelarij (25-04-2017) (Themawoord: Weide)
De snip snapt er niets van. De kievit vit. Maar dat doet ie altijd. En wat te denken van de tuureluur. Juist ja, compleet tureluurs. De leeuwerik schreeuwt het lelijk uit. Bidden dat ie niet van schrik uit de lucht valt. Probeer ze maar eens te tellen, die rotjong. En voorzichtig met de eieren.
Boer Maaimans heeft zijn tractor al opgestart. Zijn vrouw heeft hij vooruit gestuurd. Wijdbeens struint ze door het weideland. Vierentwintig grondnesten moet ze vinden. Ze krijgt een half uur. U weet vast hoe dat gaat lezer, met grote regenlaarzen. Als het gras twee kontjes nat is schiet dat voor geen meter op. Gisteren heeft de familie Maaimans uien gegeten. Hadden ze niet moeten doen. Wijdse weidevogelarij.
Schaarweide (29-04-2017) (Themawoord: Weide)
Op mijn kleine fietsje flits ik naar de drogist op de hoek. Het is zaterdagochtend en het heeft licht gesneeuwd. Zou de wedstrijd doorgaan? En tegen wie moeten we?
Teleurgesteld keer ik huiswaarts. De droefenis is van mijn gezicht te lezen.
‘Gaat de wedstrijd niet door?’, vraagt mams. ‘Nee, weer niet.’
‘Het sneeuwt te hard’, zegt mams. ‘Tegen wie moesten jullie.’
‘Schaarweide mams.’
‘Schaerweijde zul je bedoelen kerel.’
‘Ach, wat doet het ertoe mams. Nat worden we toch.’
‘En heb je op het goede schema gekeken op de raam bij de drogist?’
‘Goede schema mams?’
‘Ja, goede schema. Op het hockeyschema of het golfschema? Dat is nogal een verschil.’
Ik fiets terug. Gelukkig het hockey gaat wel door. Op kunstgras.
Ai Weiwei weidegras (29-04-2017) (Themawoord: Weide)
Hoe kan ik de wereld nog verrassen, verbinden en verblijden? Dat dacht de Chinese kunstenaar toen hij in de metro zat van Parijs. Wat deed ie überhaupt in Parijs? City of old dreams. Een verkiezingsstunt wellicht? Zou hij een zekere Pen mogelijk willen jennen? Maar hoe dan?
Gewoon heel simpel bij jezelf houden. Waar houdt iedereen van? Buiten Parijs, zo cliché. Iets met een twijfeltoren misschien? Een champignon de Elysee? Paris St Germain zou het dit jaar weer niet redden. Och arme. De Champions League ging net als aan Ajax weer aan de Parijzenaren voorbij.
Holy shit. Dat was er nodig voor een goed gazon. Natuurlijk lag het weer eens aan perifere omstandigheden. Alleen Ai Weiwei weidegras zou redding brengen.
Uitweiden (30-04-2017) (Themawoord: Weide)
Uitweiden. Fout geschreven? Dacht het niet. Op de valreep mogen ze naar buiten. Omdat het weekend bijna is afgelopen. Boer blij. Koeien blij. Weer lekker uitweiden. Beter dan binnen zitten. Hoewel? Vraag het eens aan een koe. Ze zijn er lang niet allemaal blij mee. Ze worden namelijk ontiegelijk verwend in de stal. Zeker in de moderne stal. Niks uitweiden. Veel liever weiden ze in in de stal. Lekker op het stro als ze een beetje ziek zwak of misselijk zijn. Lekker onder de scrubmachine en niet helemaal onbelangrijk. Op zijn tijd naar de melkmachine. Want daar zijn snoepjes te verkrijgen. Heerlijke lokchocolaadjes. Puur of melk. Nee, dat is toch veel fijner dan buiten in de wei wat liggen klooien.
Posts tonen met het label 1 april. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 1 april. Alle posts tonen
30-04-2017
30-09-2015
Columns van Harrie (September 2015)
Steenmannetjes / Verkeer / 21-09-2015
Zijn het sneeuwmannetjes die ik zie? Ik ben het spoor even bijster. Dit landschap komt mij bekend voor, maar ergens ook weer niet. Nee, het zijn geen sneeuwmannetjes. Het zijn steenmannetjes, besneeuwd. Het zijn platte keien op elkaar gestapeld bedolven onder sneeuw. En het rare is, ze dragen rood-witte strepen, twee om precies te zijn, aan beide kanten. Dat veronderstelt dat je ze aan beide zijden kunt benaderen, die steenmannetjes. Zo heb ik ze voor het gemak maar even genoemd. Vanuit de verte houden ze de wacht en lokken de wandelaar, al dan niet verdwaald. Ik maak nog iets anders op uit de uitgestippeldheid waarmee de mannetjes in het landschap geplaatst zijn. Ze vormen een route, het kan niet anders. Ze nemen me bij de hand de mannetjes, niet bij de neus mag ik hopen, want ik behoor toch echt op dit moment tot de categorie verdwaalden. Ik overweeg nog even naar mijn TARDIS te lopen. Maar ach, die loopt niet weg. Hij steekt al dan niet besneeuwd toch zeker twee meter boven de steenmannetjes uit. Zolang ik niet te ver wegloop blijft mijn transportvriend onder handbereik.
Ik kijk naar de lucht en zie dat deze wolkloos is. Daar houd ik nu van, wolkloze luchten. Ben in ieder geval nieuwsgierig waar de steenmannetjes me toe leiden. Achter de bergen zie ik langzaam de zon opkomen. Dat geeft in ieder geval licht en warmte. Geen enkel steenmannetje is hetzelfde en ik weet nu ook ineens waaraan ze mij doen denken. Aan vakantie die ik ooit met mijn ouders vierde op het vaste land. Ergens in Europa, ik dacht Zwitserland of Oostenrijk, maar ik kan me vergissen. Maar waar ik me nu bevind kan nooit sprake zijn van vast land, laat staan het aloude Oostenrijk of Zwitserland. Daarvoor heb ik te lang door de ruimte gezworven. De gedachte werpt me wel terug naar een ver verleden. Geen idee ook wie er het eerste was. Oostenrijk of Zwitserland. Ik voel sterk de neiging om het even op te zoeken in mijn TARDIS. Ja, die is onlangs geupdate met de nieuwste snufjes op technologisch en informatica gebied. Ik kan natuurlijk ook opzoeken via mijn TARDIS waar ik me precies bevind. Maar dat vind ik te makkelijk. Ook ik moet mijn leven als wizzard 24/7 waarmaken. Ook ik word een jaartje ouder, al valt dat in het niet ten aanzien van mijn ruimtelijke leeftijd. Maar nu ik me op moedertje aarde bevind voel ik me stokoud. Deze aarde vreet namelijk energie.
Ik zie de steenmannetjes nu een brede glimlach trekken. Ze krijgen me echter niet klein die monsterkeien. Ik heb een donkerbruin vermoeden wat zich achter de berg bevindt, die ik nu opklim. En ja hoor, bovengekomen lonkt een volgende berg. Het is een land van berg en dal waarin ik me bevind. Een look-a-like Oostenrijk of Zwitserland. Ware het niet dat de steenmannetjes kunnen praten. Een rare taal, maar met wat moeite en de taaltranslator die ik altijd bij me draag, kom ik veel te weten. Ik bevind me in Trakdurbia en achter de volgende berg zal het ophouden. Ik kan niet wachten. Trakdurbia heb ik lang niet meer bezocht. Het is een land dat zich voortdurend uitbreidt. En ook nu is het goed mogelijk dat de grens zich mogelijk oprekt. De steenmannetjes wijzen me de weg. Sommige dragen nu een sjaal. Dat is geen goed teken. Het zijn geen sjaals voor de kou, maar sjaals om virussen buiten de houden. Ik overweeg heel even om terug te gaan naar mijn TARDIS. Maar eigenlijk is het daarvoor te laat. Ik zit in dubio. Wat zal ik kiezen? De grens verder opzoeken en verkennen met het risico een virus op te lopen of toch maar een andere weg kiezen. Het laatste virus heeft drie maanden mensentijd in mij rond gewoekerd. Dat wil ik niet nog eens meemaken. De andere optie, een andere weg kiezen is misschien de beste. Ik sla bij het eerstvolgende steenmannetje linksaf. Niet rechtdoor, zoals de rood-witte markering mij wil doen geloven. Het steenmannetje kucht gevaarlijk luid. Het klinkt als een waarschuwing, maar ik trek mij er niets van aan.
Maar goed dat ik de andere weg gekozen heb. Trakdurbia laat ik snel achter me. De grens sluit zich onmiddellijk. Ik kan niet meer naar mijn TARDIS realiseer ik me ineens. Ik sta er nu toch alleen voor. Als het goed is loop ik nu linea recta naar Frontportalis. Bij ruimtekunde op school heb ik altijd goed opgelet. Links van Trakdurbia ligt Frontportalis. Zeker weten. En in Frontportalis is het leven goed. Bijna hemels om het maar eens aards te zeggen. Ik besluit dan ook om hier een pauze te nemen. Vierhonderd jaar zwerven door de ruimte heeft me toch wel erg vermoeid. Vanuit Frontportalis ben ik ook moeilijk bereikbaar. Zeker zonder TARDIS. Ik geniet voorlopig van welverdiende rust. Snel zend ik een korte Steenmannetjes-rapportage inclusief virusverwachting in Trakdurbia naar mijn thuishaven. Ze moeten wel weten waarom ik zolang wegblijf. Mijn plek kan in no-time zijn overgenomen in Galactica 7.0. En dat wil ik niet.
De maan en de andere kant / Verkeer / 27-09-2015
‘Ground control to doctor Tom …’
‘Ground control to doctor Tom …’
Snel ren ik naar mijn Tardis en gooi de deur open. Maar helaas, ik ben net te laat, de hoorn ligt van de haak.
‘Piep, piep, piep, piep …’
Snel ren ik weer naar buiten. Het is volle maan. Maar niet lang meer. De zon kan ieder moment voor de maan kruipen. En ik weet wat dat betekent. Het telefoontje had me mogelijk kunnen redden. De andere kant had mij ongetwijfeld een locatie kunnen doorgeven om te schuilen. Een andere planeet, of in het ergste geval een ander lichtstelsel.
Vol spanning wacht ik de gebeurtenissen af. De maan ziet er op dit moment knaloranje uit en lijkt uit haar voegen te barsten. Best wel eigenaardig. Ik ben speciaal op missie gezonden om het natuurwonder op aarde te aanschouwen. Maar of ik er nu zo blij mee ben. Ok sla mijn lange sjaal nog maar eens keer extra om mijn nek, het is best koud bij deze volle maan.
‘Ground control to doctor Tom …’
Ik gooi de deur open en pak de zwarte hoorn die aan de glibberkabel hangt snel vast en leg hem aan mijn oor.
‘Ground control to doctor Tom …’
‘Ja hallo, met Tom … Ehhh … Doctor Who … Hoe weet u dat …’
‘Dear Tom, ga onmiddellijk richting Jupiter en land daar, we nemen zo snel mogelijk contact met je op, doei!’
Godverdomme, dat heb ik weer. De andere kant geeft weer eens net niet genoeg informatie. Ze nemen niet eens de kans om een praatje met me te maken. Ik besluit toch nog even te wachten. Ben niet voor niets naar het spektakel op aarde gereist. Deze missie wil ik toch nog wel eventjes volbrengen.
Had ik het maar niet gedaan. De oranje maan blaast zich steeds verder op. Ik zie nu ook duidelijk het vlekkenpatroon waar de andere kant het over had. De sinaasappelhuid op de maan voorspelt niet veel goeds. Ik heb geen tijd meer om weg te raken. Dit voelt niet goed. Ik zie een groot mes door het hemelruim schieten. Wat een gevaarlijk ding. Met grote kartels. Kartels zo groot als haaienvinnen.
Ik duik weg achter een boom. Het mes hakt in op de maan en begint deze dwars door midden te snijden. Nu is het echt wegwezen. Als de maan in twee splijt hebben we twee halve manen. En dat betekent oorlog in het heelal. Dat mag duidelijk zijn. Had ik nu maar geluisterd naar de andere kant.
Het mes snijdt aan twee kanten. De maan valt doormidden. In twee helften botst ze tegen de aarde. Ik hou me vast aan de boom. De aarde kantelt en ik bungel samen met de boom onderaan. Ik kan twee dingen doen. Vasthouden of loslaten. Ik kies voor het laatste en vlieg door de ruimte onder de aarde. Heel even geeft me dat een zweverig gevoel. Totdat ik opgevangen word in mijn eigen Tardis. De wereld ondersteboven. Veilig vlieg ik verder. Zeker weten dat de andere kant een aandeel had in deze actie. Terwijl we terugvliegen naar de andere kant schrijf ik mijn rapportage, bij gebroken maan.
Reïncarnatie / Uitdaging van de maand / 28-09-2015
Terugkeren in vlees, dat werd mij meegegeven door de andere kant. Ik denk wat krijgen we nu. Wat is vlees? En waarom moet ik terugkeren in vlees? Naar de aarde kun je het beste gaan. Daar hebben grote vleeseters rondgelopen en nog. Ik begreep er niets van. Wanneer dan? Hoe lang geleden? Meer dan duizend jaar? In aardjaren gerekend? Een lichtjaar? Een kwart lichtjaar? Het doet er niet meer toe. Ik ben er nu toch. Dan maar aan de slag. Ik laat me informeren door mijn Tardis en door de andere kant. Ik krijg al gauw wat tips door. Iets met bibliotheken en Wikipedia. Daar moet ik zoeken. Fysiek of digitaal, ik kan twee kanten op. Ik kies voor de digitale, wel zo makkelijk en ik kan hem vanaf mijn Tardis besturen. Het wereld wijde net. Maar al snel kom ik erachter dat het wereld wijde net het net niet is. De moderne speeltjes van moeder aarde lopen voortdurend vast en vormen een bron van grote ergernis. Dan toch maar naar de bibliotheek. Maar welke? Er zijn er zoveel. Ik kies voor de Koninklijke. Het heeft iets deftigs en royaal. Bovendien heb ik me laten vertellen dat de voormalige koningin, nu heet dat prinses geloof ik, daar nog regelmatig komt. Een erudiete vrouw ook. Misschien dat zij me kan voorlichten. Ik heb begrepen dat zij in haar regententijd ook altijd het naadje van de kous wilde weten. Een vrouw naar mijn hart.
In de bibliotheek word ik snel wegwijs gemaakt door de bibliothecaris. Maar niet voordat ik lid gemaakt ben. Of ik een identiteitsbewijs bij me heb? Ik zeg, ik kom niet van deze aarde, niet van Mars en niet van Jupiter. Ik toon mijn intergalactisch paspoort en gelukkig neemt de bibliothecaris het voor lief. Hoewel hij mij niet kan opnemen in het administratiesysteem, locatie galactica is geen gekende optie, besluit hij mij toe te voegen in een vrij veld. Beroep: doctor. Adres: galactica kent geen postcode en geen huisnummer. Geboortedatum en -plaats: ik heb werkelijk geen idee. De bibliothecaris besluit overal kruisjes te zetten. Er moet per slot van rekening wel wat ingevuld worden. Anders raakt de administratie in de war. Dat vind ik prima. Ben ik tenminste ook niet direct opvraagbaar. Sorry, lezer, maar beroepsdeformatie van de bibliothecaris maakt dat dit stukje tekst een beetje ingewikkeld en saai overkomt. U en ik moeten het er maar even mee doen. Ik ontvang een mooi pasje en heb nu toegang tot alle zalen van de bibliotheek. Mijn speurwerk kan beginnen. Wat is vlees? Dat is voorlopig de hoofdvraag. De bibliothecaris schudt zijn hoofd. Een onmogelijke zaak om vlees in een keer te bevatten. Hij fluistert mij in om een onderverdeling te maken. Het vlees zogenaamd in kleine stukken te hakken. Hij stelt voor om bij het begin te beginnen. Het vlees bestaat al lang. Een mensenleven lang. Zelfs voor de mens op aarde kwam was er al vlees. Terug in de geschiedenis beginnen we bij het vlees van dinosaurussen. Ik wil het toch wel groot aanpakken. Reïncarneren komt dan wel later. Ik zou ook niet weten hoe een dinosaurus teruggestopt kan worden in vlees. Ja, in heel veel beesten of mensen. Maar dat is niet goed voor het evenwicht op aarde. We willen de boel wel een beetje in balans houden.
Ik stel de bibliothecaris gerust. Ik zie duidelijk dat hij moeite heeft met de materie. Zijn hoofd kraakt. Het mijne daarentegen maakt overuren. Ik begin al snel het principe van reïncarnatie te bevatten. Volgens mij is de bibliothecaris er al mee begonnen. Hij kruipt terug in zijn eigen vlees. Kookt zichzelf in zijn hete brein, dat via de oren veel stoom afblaast. Nu snap ik ook waarom aardlingen die chips aan hun hoofd hebben hangen. Het is niet alleen een tuitje om te horen maar ook om af te gieten. Enfin. Tijd voor mezelf om met deze wijsheid terug te keren naar de andere kant. Ik reïncarneer mezelf in mezelf. Reïncarneren in een ander vind ik zo’n gedoe. Bovendien bevalt de zak vlees waarin ik mij bevind uitstekend. Niet te zwaar en best wel goed ogend, zeker als ik de rest van de aardlingen beschouw. Nog heel even overweeg ik om in een vrouw terug te keren. Maar dat wordt te complex. Van zwak vlees is de andere kant ook niet gediend. Zoveel is zeker. Mijn Tardis is ook in de tussentijd gereïncarneerd. Was ie eerst blauw, nu is ie rood, met spierwitte randjes. Het lijkt wel een grote vierkante biefstuk. Ben benieuwd of het vliegen daarin gaat lukken. Het is eventjes wennen, de nieuwe kleur. Het steekt in ieder geval veel beter af tegen de blauwe lucht. De bibliothecaris en de oude koningin zwaaien me uit. Ik vraag me nu ineens af uit welk vlees zij gekneed zijn. En gaan ze straks verder als hammetjes of koteletjes? Vleesgeworden realiteit. Het blijft een maffe aarde.
Dit is mijn uitwerking van een Schrijfveer van de maand september.
Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.
28-02-2015
Mien korte verhalen (16 t/m 30) met kleine grote waarheid
Geschreven tussen 01-02-2015 en 05-03-2015
16) Tafereel (01-02-2015)
Het middageten wordt in stilte genuttigd. Zo heet als de soep is, zo ijzig is de sfeer. De rook uit de soepborden slaat neer zodra mijn broer aan tafel schuift. Pa laat zijn afkeuring merken met een boze blik. Priemende ogen spreken boekdelen, duivels giftig.
“Kun je nou niet één keer op tijd komen?”
Mijn broer zwijgt met onverschilligheid.
“Had je je haren niet even kunnen kammen? Moet je eens zien hoe onverzorgd je eruit ziet, het is zondag, weet je?”
Mijn pa, in zondags pak met stropdas, lepelt langzaam zijn soep naar binnen. Ik zie de rook uit zijn oren komen.
“Heb je je tong verloren? Ik vraag je wat?”
Onverstoord eet broerlief verder. Voorovergebogen. Het grote peace-medaillon om zijn nek, hangt bijna in de soep.
“Hallo, ik vraag je wat, heb je niet eens het fatsoen om antwoord te geven? Ga eens even rechtop zitten als je eet. Je haren hangen bijna in het bord!”
Langzaam richt mijn broer het hoofd op en slaat met één hand zijn lange haardos achteloos naar achteren. Laatdunkend kijkt hij mijn vader aan.
“Man, zeur toch niet zo!”
Als een duvel uit de doos richt pa zich op en buigt voorover om mijn broer een draai om zijn oren te geven.
“Wat krijgen we nou? Jij … jij … Brutale vlegel …!”
De tafel is te lang en de klap mist doel. Broerlief is net op tijd naar achteren geschoten.
Compleet verbouwereerd door zijn falen en afgang, neemt pa plaats op zijn stoel. In al zijn woede leunt hij per ongeluk op zijn soepbord en trekt dit al zittend over zich heen. De tomatensoep spat spottend op zijn witte overhemd.
Het is doodstil aan tafel. Totdat mijn vader ineens begint te bulderen van de lach. En wij … wij bulderen mee. Heel even.
17) Opgesloten (03-02-2015)
We gaan logeren bij oma en opa. Het gaat niet goed met mams. De drukte van twee jonge kinderen is haar te veel. Weer naar opa en oma. Voor even leuk, daarna oersaai. Oma is streng en alleen maar bezig met huishouden. Opa zit alleen maar in zijn stoel of knutselt wat in zijn schuurtje. Bij dat laatste mogen we absoluut niet storen. Soms klinkt er een vloek uit de schuur. “Potverduuzemehhhhh …!” Weer een kromme roestige spijker die zich niet recht laat slaan.
In het kleine tuintje spelen mijn broer en ik voor de duizendste keer ridder Floris, met zelfgemaakte houten zwaarden en oude lakens die dienen als mantel. We vechten net zolang totdat een van de zwaarden in stukken valt. Daarna spelen we met de lakens ‘hutje’, onder de kleine tuintafel, tot oma ons binnenroept: “Eten, eerst handjes wassen!”
Snel ren ik naar de kleine badkamer met stenen lavet. Ik draai de deur op slot. Nog maar pas heb ik ontdekt hoe dat moet. Mijn sleutelfascinatie is meteen gevoed. Op mijn tenen kan ik net bij de kraan en was mijn handen. Als ik de deur wil opendraaien schiet paniek in mijn lijf. Ik krijg het slot niet open. Wat ik ook doe. Ik zet de sirene aan en huil mezelf schor.
Opa is wakker. Helaas valt er niet meer met mij te communiceren. Verlatingsangst verlamt mijn gedachten en handelen. De termen ‘links’ en ‘rechts’ hebben iedere betekenis verloren. Een ladder wordt van stal gehaald. Opa verschijnt voor het raam en wijst met zijn vingers. “Klink omhoog!” Opa maakt een draaibeweging en valt bijna van de trap. Aan de deur staat oma te roepen. “De sleutel naar links draaien!” Het komt niet binnen. En ik geraak niet buiten. Totdat … de sleutel ineens meegeeft. Eindelijk. Naar links? Geen idee. Iedereen blij.
18) Devil in his heart (06-02-2015)
Het is zondagochtend en ik blijf nog eventjes liggen. Heerlijk dromerig kneuteren, niks hoeven, niks moeten. Ik luister naar vertrouwde ochtendgeluiden. Haast onzichtbaar weggedoken onder mijn deken, kijk ik de kamer rond. Niemand die me ziet. Het voelt warm, vertrouwd en veilig. Donkere Alice Coopers kijken me vanaf posters aan de muur onheilspellend aan, slangen kronkelen rond zijn nek. In de ochtend doet het me niets. Mijn broers beschermen mij. Bij het slapen gaan wordt het een ander verhaal.
De Beatles zingen zachtjes door de kamer. ‘She’s got the devil in her heart … oh, no, no, no … ho … She’s gonna tear you heart apart … oh, no, no no.’ Ik neurie, fluisterend van binnen, de warme tonen mee. Ik ben nog niet in staat de tekst te verstaan, laat staan te begrijpen. Maar dat ie mooi is, dat weet ik zeker. ‘She’ll never hurt me, She won’t desert me, She’s an angel sent to me … She’s got the devil in her heart … No, no, no, this I can’t believe.’
Iedere zondagochtend wacht ik op dit lied. Het is zo mooi en voelt vertrouwd, als een warme oude jas. Mijn grote broer spaart ze allemaal, de Beatles, in een speciale platenkoffer. Maar alleen elpees met het originele labels, bij voorkeur Apple Records, Parlophone mag ook. Hij is een echte fan, perfectionist en zuinig. Niemand mag aan zijn elpees komen. Met een rood borsteltje kamt hij iedere elpee, zowel voor als na het draaien, volledig stofvrij. Daarna schuift hij uiterst voorzichtig de zwarte schijf in een papieren binnenhoes om hem vervolgens in de mond van de harde hoes te laten glijden.
De zondag hangt nog wat zwaar in de lucht, als een hangende kuil. Totdat mijn andere broer, de boven mij ligt, uit het stapelbed kruipt. We slapen met z’n drieën op een kamer. Door het vlechtwerk van de spiralen bodem zie ik het matras even op en neer veren. De kuil is weg. De lakens schieten los en maken van mijn bed een tent. ‘Hee, joh, trek dat laken eens naar boven, roep ik nog …’ Maar broer is al verdwenen. Richting badkamer. Grote broer zit intussen op zijn knieën voor de kaptafel. Hij kamt zijn haren netjes en plooit zijn stropdas. Het wil niet echt lukken. De spiegel fronst van ijdelheid en zucht. ‘She’s got the devil in her heart … No, no, no, this I can’t believe.’
http://www.beatlesbible.com/songs/devil-in-her-heart
http://youtu.be/oMOf6Vm3Ye8
19) Op de boerderij (10-02-2015)
De grote zomervakantie is aangebroken. Nog nooit zag ik er zo tegen op. Ik zit eigenlijk liever op school dan dat ik thuis ben. Thuis is het niet plezierig. Te veel rust of te veel stress. Het is uitgelaten druk op het schoolplein. Iedereen is blij dat het vakantie is. Met een bloempot in de hand loop ik naar huis. Het is een cactus met een klein roze bloempje. Die heeft niet zo veel zorg nodig. Ik meet mijn passen voorzichtig af, want ik wil niet dat het kleine bloempje eraf valt.
Bij thuiskomst zie ik een grote sporttas in de gang liggen. Dat is waar ook. Morgen ga ik op scoutingkamp. Sinds kort ben ik bij de welpen. We gaan naar de boerderij, op de fiets. Een week lang. Mijn zus gaat ook mee. Zij zit in de leiding. Dat komt goed uit. Zo kan ze een oogje in het zeil houden. De volgende dag is het bloedheet. Gelukkig is de fietstocht niet al te lang. De boerderij ligt verlaten tegen een bosrand. Ik voel me net als de andere kinderen wat onwennig en onzeker. De koeien zijn natuurlijk vet cool en een groot dik varken heeft net kleine biggetjes gekregen. Die mogen we even vasthouden. Wat knorren ze lief.
Thuis vonden ze het een goed idee om bij de scouting te gaan. De kinderen uit de groep ken ik nog niet zo goed. Dat vind ik best lastig. Ik draag veel verdriet me me mee. Mijn moeder is pas een jaar geleden overleden. Stiekem ben ik bang dat de kinderen dat zien, mijn verdriet, stil en teruggetrokken als ik ben. Gelukkig hebben we een hele lieve akela. Die geeft me zo af en toe een aai over mijn bol. Het schept meteen een band.
Het dag- en avondprogramma vliegen voorbij. We hebben kennis gemaakt met het boerenleven en leuke spellen gedaan. Binnen een aantal dagen zal een van de koeien een kalfje krijgen. Ik neem dit gegeven als een zoete droom mee mijn slaapzak in. We slapen naast de koeien. Ik hoor achter de muur de koeienkettingen zachtjes rinkelen. Het geeft een vertrouwd en gelukzalig gevoel. Als ik nu vanavond maar niet in bed plas? Mijn zus zal me vannacht nog een keer extra wakker maken. Voor de zekerheid.
Midden in de nacht schiet ik wakker, met tranen in mijn ogen. Gedroomd over mijn moeder. Ik kan het verdriet niet langer inhouden en ben ontroostbaar. Boos ook. Zomaar ineens. Hoe kan dat nou? Akela knielt naast me en vraagt waarom ik zo verdrietig ben. “Mam, mam, mam, mamma …”, kan ik alleen maar uitbrengen. Op de vraag of ze mijn zus erbij moet halen trek ik aan haar arm. “Nee, nee, nee …!” Uit boosheid, schaamte, of bescherming, ik weet en wil het niet. Akela weet wel beter en haalt mijn zus erbij. Samen huilen lucht op, voelt fijner, heel even.
20) Lopend vuur (14-02-2015)
Samen met mijn vriendje loop ik door het dorp. We krabben wat aan onze kont uit verveling. Wat zullen we vandaag toch eens gaan doen? Er staat midden in het dorp al een hele tijd een oude boerderij leeg. Compleet vervallen staat ie tussen hoog onkruid te wachten op … ja … op wat eigenlijk? In ieder geval heeft hij onze aandacht getrokken. We kruipen door een groot gat in het hek dat de boerderij omgeeft.
Met bonzend hart verkennen we de boerderij en verwonderen ons over de grootte er van. We zijn onder de indruk. Het ruikt muf, naar hout en droog hooi. Verder is het erg warm. Het is hartje zomer. Met een beetje fantasie zie ik een gezellig leven op de boerderij voor me. Zou dit de koeienstal zijn? Hee, kijk, een trap naar de zolder. Durven we erop? Beter van niet, de trap mist enkele sporten en de zolder oogt toch wel erg hoog.
Mijn vriendje stoot me aan en kijkt ondeugend. “Fikkie stoken?” Ondertussen haalt hij een doosje lucifers te voorschijn. Het hart in mijn keel probeert nu door mijn oren naar buiten te springen. “Ja, ja, doen we!” Samen zoeken we een geschikt plekje. We kijken ook goed of het vuur zonder belemmeringen omhoog kan. Dat hebben we geleerd bij de scouting. Daar in de hoek tegen de muur is een perfecte plek. We verzamelen wat droog hout en hooi en kijken elkaar aan, goedkeurend. De hens er in.
Fascinerend kijken we hoe het vuur langzaam om zich heen grijpt. Eerst heel klein, zich nestelend in het hooi … maar dan … ineens … jemig … er lijkt geen houden meer aan. De vlammen zijn ineens een halve meter hoog. Wat nu! De paniek slaat toe. We proberen het nog met een oude lap uit te slaan, maar dat wakkert het vuur alleen maar aan. We raken de controle volledig kwijt. Als bange honden vluchten we met de staart tussen de benen weg van de boerderij.
De vlammen slaan reeds hoog uit het raam en zoeken zich een weg naar het dak. Heel even blijven we, veilig op afstand, staren naar de ramp die zich voor onze ogen voltrekt. “Wegwezen, kom …!”, roept mijn vriendje. We rennen zo hard als we kunnen door het hoge onkruid. In de bewoonde wereld houden we onze pas in. Niemand mag onze paniek zien. We vluchten richting de friteskraam om de hoek. Daar houden we ons even koest.
Duizend gedachten flitsen door mijn hoofd. Stinken mijn kleren? Zal de boerderij helemaal afbranden? Waren er mensen aanwezig? Heeft iemand ons gezien? Even later horen we de brandweer met luide sirene. Bezoekers van de friteskraam lopen naar buiten. De brand moet ergens in de buurt zijn. Hopelijk hebben we geen roetvlekken in ons gezicht. Voor de zekerheid wrijf ik met een nat gespuwde zakdoek over mijn voorhoofd en wangen.
“Tegen niemand iets zeggen!”, spreken we met elkaar af. Het nieuws over de grote boerderijbrand gaat snel als een lopend vuurtje door het dorp en bereikt ook de friteskraam. Gelukkig zijn er geen gewonden. We houden onze mondjes dicht. Ik speel voorlopig niet meer met vuur. Zeker weten. “Wat ben jij laat, waar heb jij gezeten, wat heb jij uitgespookt?” Hoe zal ik straks antwoord geven op al die vragen? Ik probeer alvast wat antwoorden te verzinnen. Dat valt niet mee. Ik tril. De schrik zit er nog goed in.
21) Zuigend water (18-02-2015)
Een beetje verdwaald struin ik langs de oever van de Maas. Het water heeft een zuigende werking. Ondanks alle waarschuwingen schuim ik de waterkant af. Ik luister naar het klotsen van de golven. Die worden voortgestuwd door de grote riviersloepen op het water. De modderige oevers zijn hier en daar afgebrokkeld. Wilgenbosjes proberen laatste restjes zand met hun wortels vast te houden. Veel wortels liggen al bloot.
Ze mogen niet verdwijnen, de wilgenbosjes. Ze vormen pretvoedsel voor onze papegaai, Rico, de blauwvoorhoofdamazone. Met zijn kale grijze poten houdt hij de twijgen die mijn pa ieder weekend voor hem plukt stevig vast en pulkt met zijn snavel het zachte hart uit het hout. Blauwvoorhoofdamazone, ik zal die naam nooit meer vergeten. Net als Rico, papa’s gekooide piratenvogel.
De wortels en stronken die tussen het wilgenbos bloot liggen vormen voor mij een ideale springplank en landingsbasis. Het wilgenbos hangt half over het water. Zodra de golven door het wilgenbos klotsen zoek ik naar ideale landingsplaatsen om mijn voeten droog neer te zetten. Als ik dreig te vallen houd ik me vast aan de wilgentakken. Ik waan me een stoere piraat. Een piraat ver van huis. Rico zit denkbeeldig op mijn schouder en ik ga op zoek naar nieuwe uitdagingen.
Telkens als een grote riviersloep voorbij trekt en het water naar zich toe zuigt, tuur ik over het water en maak inschattingen. Hoe ver kan ik vanaf de oever over de bodem van de rivier het terugtrekkend water volgen? Hoeveel seconden heb ik om op tijd terug te rennen richting oever, zonder ingesloten te worden door vloedgolven die mij woest van opzij en van achteren proberen te omsingelen?
Vandaag is het druk verkeer op het water. Van al het gespring en alle overwegingen word ik al snel moe. Het is ook al laat. Nog een keer wil ik een grote slag slaan. Ik wacht op een grote boot. Daar komt ie. Zie ik het goed? Het zijn er twee. Van beiden kanten glijden piratenschepen door het water. Ik hoor kleine en grote kiezels onder en achter de waterspiegel stevig wegrollen. Ze worden mee gezogen door de stroming. Het maakt een snerpend geluid. Dit wordt een grote vloedgolf. Zeker weten. Ik ren achter het zuigende water aan. Nog effe. En … terug … terug … ik moet terug!
Het water komt nu heel snel. De golven zijn groter dan anders en ze komen van twee kanten. Waar moet ik naar toe? Ik ben het even kwijt. Ik zie bij het terugrennen rechts van mij de golven al tegen de oever beuken. Het water klotst omhoog en slaat de oever stuk. Ik schrik. Dit is heftig. Aan de linkerkant schuin achter mij komt nu ook een grote golf opzetten. Ik mag niet langer twijfelen. De golf en ik zijn beiden zo’n drie meter verwijderd van de oever. Ik kom amper vooruit op de kiezels die onder mijn voeten met mij mee rollen richting oever.
Dan voel ik ineens het water in mijn broek lopen. De golf beukt tegen mijn knieën aan en slaat me bijna onderuit. Ik kan me nog net vastklampen aan wat lange graspollen op de oever. In de kraag van mijn jas kruipt plots een hand. Een oude man buigt zich voorover en trekt me de kant op. “Hebbes … net op tijd, menneke! Ehhh … wat … zie ik het goed? Ben jij niet die kleinste van Mien familie? Vorige maand heb ik hier jouw broer nog uit het water gevist. Die was echt bijna verdronken … Jongens, jongens, toch … Leren jullie het dan nooit! Die Maas, die is gevaarlijk. Met al die schepen en zijn onderstroom!”
22) Hulppiet (18-02-2015)
Het zijn spannende dagen vlak voor Sinterklaas. Op de kleuterschool is het lekker warm. We hebben de afgelopen weken zwarte Pieten uit het karton geprikt en de ramen hangen vol met Sinterklazen. De Sint zal nu toch zeker wel komen? Door het schoolgebouw klinkt plots flink geraas. De juf van de eerste kleuterklas komt ons halen.
Alle kinderen verzamelen zich in de grote speelzaal. Sinterklaas kan ieder moment binnenkomen. Vol spanning wachten we af. Daar springen de eerste Pieten al binnen. Ze dragen grote jute zakken, buitelen door de klas, zwaaien met hun roe en gooien keihard met pepernoten en suikergoed. Het klettert via de muren en het schoolbord, omlaag tegen de vloer. Met z’n allen zingen we keihard: “Sinterklaasje, kom maar binnen met je knecht …!”
Van recht zitten is geen sprake. De hoofdjuf vraagt om stilte. Sinterklaas heeft een belangrijke boodschap. Hij is op zoek naar een Hulppiet. Er is een Piet ziek geworden. ‘Dat wil ik!’ denk ik stilletjes. We gaan een wedstrijdje houden. Vier kinderen mogen meedoen. Snel bedenk ik een list. Ik wil niet dat Chrisje mee doet, die wint altijd.
‘Pets!’, zonder dat iemand het ziet plet ik met een vlakke hand, mijn zachte kauwgom boven op Chrisje’s hoofd. Het kauwgom plakt in zijn haar. Op het moment dat de juf vraagt om vingers op te steken, wie mee wil doen, draait Chris zich om, op zoek naar zijn belager. Zittend op mijn knieën, steek ik snel mijn arm omhoog en ondersteun deze met mijn andere arm, om nog hoger te reiken. “Ik, ik!”, roep ik zo hard ik kan. “Kies mij!” Nu maar hopen dat de juf me hoort en ziet. En ja hoor. Ik word gekozen, samen met drie andere kinderen.
Snel overwin ik mijn diepgewortelde angst voor Sinterklaas. Als bijna Hulppiet kan ik moeilijk bang blijven voor die man? We krijgen allemaal opdrachten. De gele lijnen op de vloer stellen daken voor. We moeten Sinterklaas laten zien dat we daar goed overheen kunnen lopen, zonder er vanaf te vallen. We slagen allemaal. Spannend. Ook de vragen van Sinterklaas weten we allemaal goed te beantwoorden. Wat nu? Een laatste vraag. Wat is de lievelingskleur van Sinterklaas? “Geel, geel, geel!”, roep ik keihard. En dat is goed.
Ik geloof het nog amper. Ik word Hulppiet. Trots als een pauw laat ik me zwart schminken. Snel krijg ik een kleine pofbroek, met bijbehorende blouse en een Pietenmantel aangemeten. Een mooie Pietenpet met grote veer maakt mijn pak compleet. Grote Piet duwt een veel te grote jute zak vol snoepgoed in mijn kleine knuisten. “Niet allemaal in een keer uitstrooien hoor!” Grapt ie naar mij. “Kom op vooruit, we gaan eerst naar de jongens- en dan naar de meisjesschool”. De kleuterschool ligt in het midden.
Al in de eerste klas gooi ik mijn zak vol enthousiasme half leeg. Wat een lol. Ik zie grote Piet naar me lachen en ook Sinterklaas heeft het niet meer. De altijd strak en streng voor zich uitkijkende oude man draagt ineens een grote glimlach in zijn baard. Ik begrijp er niets van. Terwijl ik langs de schoolbankjes huppel hoor ik een aantal kinderen tegen elkaar zeggen: “Hee, dat is die kleine van Familie Mien!” Ik geef niets om het gesmoes. Voor mij is dit een van de gelukkigste dagen van mijn leven. Dat neemt niemand mij meer af. Zo hard als ik kan gooi ik nog wat extra suikergoed richting het roddelclubje. Van schrik vallen ze bijna achterover. Lekker puh. Thuis van school, laat ik vol trots mijn Pietendiploma aan mama zien. Mijn schoen is helaas nog leeg.
23) 1 April (19-02-2015)
Het is vandaag 1 april, opletten geblazen dus. Ze houden mij vandaag niet voor de gek. De aanval is de beste verdediging. Maar ik kom niet verder dan een flauwe eeuwenoude losse schoenvetermop. Wie trapt daar nu in? Vorig jaar nog geprobeerd de losse schoenvetermop om te bouwen naar een vaste. Hoe? Door onder de eettafel, de schoenveters van de linkerschoen van mijn broer vast te strikken aan zijn rechterschoen, via de tafelpoot en stevig met een dubbele knoop. Succes verzekerd. Het leverde mij een draai om mijn oren op en mijn broer een bloedneus. Idioot. Wie valt er nu op zijn neus?
De hele dag houd ik iedereen scherp in de gaten. Mij houden ze niet voor de gek. Op school gebeurt niet veel. Niemand lijkt met 1 april bezig te zijn. Tussen de middag ga ik thuis eten. Mijn pa schuift dan ook altijd aan. Of mijn broer even blauw motorwater wil halen bij de garagehouder. Ik zie grote broer en zus aan tafel knipogen naar elkaar. De eerste aprilgrap is in de maak. Mijn broer blijft lang weg. Er is toch niets gebeurd? Ah, daar is ie. Nonchalant schuift ie aan tafel. “En … hadden ze nog blauw motorwater?” Pa kan zijn lach nauwelijks onderdrukken. “Uitverkocht …!”, antwoordt mijn broer met een onbewogen gezicht. “Voor de moeite heb ik van het geld een Mars gekocht. Dat is toch oké, pa?” Van de garagehouder horen we later het hele verhaal. Mijn broer is eerst doorgestuurd naar de drogist en vervolgens naar de verfwinkel. Dat verdient zeker een Mars.
Ik ben nu extra op mijn hoede. Dit gaat mij niet gebeuren. Zo’n flauwe grap. Als ik na school thuiskom is mijn pa druk bezig met klussen. Hij heeft de middag vrij genomen. De slaapkamer van mijn zus is toe aan een schilderbeurt. Maar eerst drinken we aan tafel thee en koffie. Of ik daarna even een plintenladdertje wil halen, pa kan er anders niet goed bij. Logisch. Zo gezegd, zo gedaan. “Waar moet ik dat halen, pa?” “Ik denk dat je die het beste bij de verfwinkel kunt halen.”
“Verkoopt u ook plintenladdertjes meneer?” De man aan de toonbank kijkt me met een grote glimlach aan. “Nee, jongen, die verkopen wij niet, maar misschien kun je het eens proberen bij de fietsenmaker, die verkoopt van alles en nog wat. Succes.” Bij de fietsenmaker een stukje verder. “Meneer, meneer, ik ben op zoek naar een plintenladdertje.” Weer een vette glimlach, wat zijn de mensen aardig vandaag. “Oeps, de laatste zojuist verkocht. Probeer het eens bij de stoffenwinkel, hier om de hoek, die zijn gespecialiseerd in ladders!” “Mevrouw, mevrouw, mijn vader heeft een plintenladder nodig, verkoopt u die?” Zurig antwoordt de vrouw: “Nee, die verkopen wij niet! Probeer het eens bij de drogist.”
Ook de drogist en de bakker verkopen helaas geen plintenladders. Ik geef het op en loop teleurgesteld naar huis. Ik kan mijn pa niet helpen. Ik vraag me nu serieus af hoe zo’n plintenladder er eigenlijk uitziet. ‘Hoe groot ie is? Kan ik hem wel dragen? Waarvoor wordt ie nu precies gebruikt? Had ik wel genoeg geld bij me?’ Thuis vind ik de oplossing op al mijn vragen. Ik ben er keihard ingetrapt. Wat een oen! De hele familie ligt dubbel van het lachen. Het verklaart meteen ook waarom ik tot de dag van vandaag weiger plinten te schilderen. Het zit te diep!
24) Verstoppertje (24-02-2015)
Ik lig onder een struik en weet het honderd procent zeker. Er is niemand die me kan zien. De grote truc is om zo lang mogelijk te blijven liggen. Maar ook weer niet zo lang dat ik als laatste overblijf. Het is nog lang en ver naar de pot. Ik maak voor mezelf een berekening en teken de weg in gedachten uit.
Ik moet wachten tot de zoeker ver genoeg van de pot verwijderd is. Bij voorkeur in tegengestelde richting. Het probleem alleen is, ik kan dat niet zien. De pot is om de hoek. Het aftellen is al afgelopen. Is de zoeker al op zoek? En wat voor zoeker is het? Meer een potbewaker dan een zoeker? Dan kan het lang duren. Ik luister met gespitste oren. Probeer euforische ontdek- en verraadgeluiden te detecteren. Wat duurt het lang dit keer.
Vanaf de plek waar ik nu lig is het minstens vijftig passen lopen. Ik kan natuurlijk alvast naar de hoek lopen. Dan heb ik de helft van de afstand al gewonnen. Maar stel dat de potbewaker dat vanaf de andere kant ook doet? Nee, Mien, even geduld bewaren. Hoe moeilijk het ook is.
Aha, daar hoor ik het eerste ontdekgeluid. Het klinkt dichtbij, vlak om de hoek. De verstopper loopt harder dan de zoeker. Die is binnen. De zoeker komt terug, ik hoor het. Snel trek ik wat gebladerte over me heen. Ik duw de steel met bladeren tegen de grond zodat de struik niet meer beweegt. Ik kan nu niets meer zien. Toch weet ik dat de zoeker in de buurt is. Ik voel het, maar durf niet te kijken.
Doodstil houd ik me. De stilte wordt verbroken door een vreemd rinkelend geluid. Even later hoor ik iemand persgeluidjes maken. Wat is dat nu? Het rinkelend geluid herhaalt zich, gevolgd door een doffe plof. Dan blijft het stil. Lang stil. Ik hou het niet meer uit en besluit mijn kans te wagen. It’s now or never. Ik spring onder mijn struik vandaan en ren zo vlug als een haas richting hoek.
Al mijn zintuigen slaan op tilt. Zo ook mijn neus. Mijn god wat een lucht hangt hier. Het ruikt naar poep. Verse poep. Wegwezen denk ik. Zo hard als ik kan ren ik de hoek om. Wat ik dan zie kan ik amper geloven. Uit het bosschage grenzend aan de muur steken twee benen. Ik herken die benen. Ze zijn van de zoeker, de potbewaker. Naast de zoeker ligt een grote drol, een grote dampende mensendrol. Iiieeekkk, het is niet waar! Walging verstrooit mijn handelen. Wat moet ik doen? Hulp inschakelen of afkloppen?
25) De grote oversteek (25-02-2015)
Langzaam wordt het tijd om de buurt eens wat beter te verkennen. Ik ken zowat iedere stoeptegel in de omliggende straten en bijna alle stenen in de muur zijn mij ook bekend. Hoe vaak heb ik die muren niet gestreeld? Uit verveling, saai. Voor mij lonkt een weg, een grote weg, een verboden weg. Zal ik oversteken? Niemand die mij ziet.
Een zijde van de verboden weg ken ik op mijn duimpje. Het is de schoolzijde. Door de week loop ik daar via de sigarenboer, de apotheek, de kledingwinkel, de fietsenzaak en niet te vergeten de snoepwinkel en de fritesboer, naar school. Deze wegzijde is vertrouwd. Dat geldt niet voor de overkant. Die ligt altijd in de zon. Hij lonkt, alweer. Vandaag waag ik het erop. Beurtelings kijk ik links, rechts en weer links en steek over. Het is me meer dan honderd keer ingegeven.
Stout klopt het bloed in mijn hoofd en aderen. Maar niet lang. De nieuwsgierigheid wint het al snel van mijn bloedgebonk. Eerst maar eens dat grote ding verkennen, de kerk met zijn grote grasveld. Daar waar broerlief met zijn vriendjes dagelijks de muren geselt met een voetbal. Dat mag niet. Zou de buurtwachter op de loer liggen? Ik hoop van niet. Dan houdt mijn ontdekkingsreis bij deze op.
Vanaf de kerk loop ik richting school. Maar dan via de andere zijde. De school lijkt van deze kant enorm groot. En daar die school daar verderop die ken ik niet. Is dat niet de school van mijn zus? Vast. Op een klein pleintje zie ik wat kinderen rolschaatsen. Dat wil ik ook. De rolschaatsen maken flink lawaai. Dat komt door de ijzeren wieltjes. Daar waar de stoep wat ongelijk is vallen de rolschaatsers bijna om. Ze stuiteren af en toe wat omhoog en landen met knikkende knieën.
Ik kom bij een andere drukke straat. Met stoplicht. Het begint al wat te schemeren. Zal ik deze ook nog oversteken? Wel spannend zo’n stoplicht. Ik ga op mijn tenen staan en druk op het knopje. Dat heb ik mama ook al eens zien doen. “Het is groen jongen, je kunt doorlopen!” Een dikke vrouw kijkt me vriendelijk aan. “Zo laat nog op straat, moet jij niet eten?” “Nee hoor, ik loop naar huis!”
Ik dwaal door wat kleine straatjes. Ze komen me steeds onbekender voor. Ik ben omsloten door grote witte huizen. Die heb ik nog nooit gezien. Het is intussen al donker geworden. De auto’s op straat schijnen met hun lichten vals in mijn gezicht. Ik heb het koud. Waar ben ik? Ongerustheid begint bezit van mij te nemen. In geen velden of wegen zie ik herkenningspunten. Alleen maar vreemde huizen met grote gazonnen.
Het besef is daar. Ik ben verdwaald. Wind en kou bevriezen mijn angst en tranen. Ik durf geen kant meer op. Seconden lijken minuten. Minuten lijken uren. Plots herken ik achter mij een stem. “Ben jij misschien verdwaald?” De dikke vrouw staat achter mij. Is ze mij gevolgd? “Hoe heet jij, jongen?” De vrouw bukt langzaam naar mij voorover. ‘Niet met vreemde praten …! ‘, roept een stemmetje in mij. “Waar woon je, lieverd, god wat heb jij het koud, rustig maar, ik doe je niets!” De vrouw wrijft mijn koude handjes warm. Wat lief. Ik kan en durf geen woord uit te brengen. Ik wil het wel.
“We zullen eerst eens even naar mijn huis lopen, jongeman, dan krijg je het wat warmer. Kom maar mee!” Ik word getrakteerd op thee en koekjes, maar durf nog steeds niets te zeggen. “Nou vertel me eens, hoe heet jij?” Aarzelend mompel ik haast onverstaanbaar: “Mien, mevrouw!” “En wat is jouw achternaam?” “Weet ik niet!” “En waar woon jij?” Ik kan er niet meer opkomen. Hoezeer ik mijn best ook doe. ‘Links, rechts, links’ dat is makkelijk te onthouden, maar hoe heet die straat nu ook alweer? “Ik weet het mevrouw … Gazellestraat … Ido Gazellestraat …!”
De dikke vrouw maakt een klein vreugdedansje. En ik doe mee. Ik mag achterop haar fiets in een veel te grote jas. Dat voelt heel even oké. Totdat we ons huis naderen. Wat zullen ze kwaad zijn op mij. Wat ben ik stout geweest. De dikke vrouw belt aan. Nog voor de deurbel rinkelt valt de deur al open. Mams in volle tranen en paps met ongeruste blik, hijsen mij in hun armen omhoog. “Mien toch, lieve Mien, waar was je …!?”
26) Op hockey (26-02-2015)
Aangespoord door mijn beide broers krijg ik een veel te grote hockeystick in mijn handen gedrukt.In de kiezels van een veel te kleine tuin schep ik een aantal dagen kilo’s steen. De nieuwe witte hardkurken hockeybal blijft gelukkig herkenbaar door zijn afwijkend formaat. Ik oefen zo hard met stick en bal dat de witte verf in korte tijd van de hockeybal vliegt. Ik heb het spelletje snel door. Helaas past de stick niet goed bij mijn lichaam en stuntel ik wat met afstand en lengte. Mijn broers leren me de kneepjes van het hockeyvak. Ik word ingewijd in bully’s en in backhands. Het hoog houden van de bal op mijn veel te grote stick blijft een grote uitdaging. Dat lukt nog niet echt.
De overstap van voetbal naar hockey is mijn broers goed bevallen. Ik popel om in hun voetsporen te treden maar ben helaas nog wat te jong.Ik kan niet wachten tot ik zes jaar oud word en zeur mijn vader de oren van het hoofd. Gedrevenheid en passie worden maar moeilijk getemd. Mijn broers vinden het prachtig en blijven me aanmoedigen. Ik mag op zaterdag mee naar de hockeyclub, om te kijken naar hun wedstrijden. Zodra de wedstrijden zijn afgelopen ren ik naar ze toe en vraag of ik een stick mag lenen. Nu kan ik eindelijk op goal slaan, samen met wat leeftijdgenootjes. Keileuk. De hockeyclub ligt midden in een volksbuurt. Mijn vader heb ik horen vertellen dat de club niet elitair is. Ik heb geen idee wat dat betekent, kan me ook niet boeien. Het enige wat ik wil is ravotten met stick en bal en zo hard mogelijk slaan op goal.
Al gauw word ik zes en nu mag ik echt op hockey. Apetrots ben ik op het rode shirt met ronde witte hals, de witte sportbroek en de rode kousen met witte bies. De kleuren van de hockeyclub. Ook krijgt mijn vader in de sportwinkel nog een wit embleem mee. Dat moet nog op het shirt genaaid worden. Maar het meest trots ben ik natuurlijk op mijn spiksplinternieuw hockeystick. Een lang gedroomde hockeystick die mij past. Scheenbeschermers krijg ik er ook bij. Donderdagavond heb ik de eerste training, bij de F-jes. Iedere dag oefen ik met de bal hooghouden op mijn nieuwe stick. Dat is goed voor het balgevoel, zo vertellen mijn broers. Ook oefen ik met bal en stick op de grond. Ik tik de bal beurtelings van de forehand naar de backhand. De stick twirrelt door mijn rechterhand men met de linker geef ik telkens gedoseerd gas. Wat is dit spelletje leuk. Ik trek de bal van links naar rechts en van voor naar achter, wip hem op mijn stick en tel het aantal keren dat ik de bal hoog houd. Al meer dan tien keer.
Ik kan alleen op straat oefenen, want er is geen grasveld in de buurt. Mijn vader vindt dat helemaal niks. De stick schuurt over de grond en slijt snel. Hij vind dat ik zuiniger moet zijn op de nieuwe stick. Met tegenzin ruil ik hem in tegen een oude stick van mijn broer. Maar die is eigenlijk veel te lang. Nu ik de techniek meer onder de knie heb begint de last die ik heb van de grote lengte te irriteren. Dan maar het balletje hooghouden. Ook dat gaat lastiger, want de stick weegt veel zwaarder dan mijn eigen stick. Ik heb niet in de gaten dat door deze ongemakken mijn techniek en kracht juist toenemen. Vanavond mag ik voor het eerst naar de training. Best wel spannend.
Een uur voordat de training begint sta ik al klaar. In vol ornaat met mijn nieuwe hockeykleren aan. Een trainingsjack is niet nodig. Het is best warm. Popelend loop ik veel te vroeg aan. Ik ben de eerste die aanwezig is bij de training. Al snel leer ik de trainer en de kinderen kennen. We leren overslaan en met de bal dribbelen. Ook krijgen we de eerste beginselen van het pushen aangeleerd. Best moeilijk. De bal stuitert vaak de struiken in. Maar dat vind ik helemaal niet erg. Het gras en de struiken ruiken heerlijk. Ik snuif de avonddauw naar binnen en voel mijn lijf lekker moe worden. Aan het einde van de training doen we nog even wedstrijdje. Zes tegen zes op kleine goals. De trainer doet ook mee. Hij is speler van het eerste herenelftal. Dat hebben mijn broers me verteld. Wat is ie goed. Even let de trainer niet op. Ik ontfutsel hem de bal en ren snel naar de goal. Juist op tijd haalt ie mij in en legt zijn stick voor de bal. Net geen goal gescoord, jammer. Een beetje verstrooid kijkt hij mij aan en zegt: “Jij kunt hockeyen!?”
27) Onweer (26-02-2015)
Het is een warme zomeravond en ik kan de slaap niet vatten. De lakens heb ik met mijn voeten weggeschopt. Dorst plakt in mijn keel. Een half uur geleden heb ik nog wat water mogen drinken, niet te veel, want anders plas ik in bed. Wat is het toch verschrikkelijk heet. De ramen en gordijnen zijn dicht. Dat is beter zo, het houdt de warmte buiten. In de verte hoor ik het rommelen. Er is onweer op komst.
De deur van de slaapkamer staat open en het licht op de gang is aan. Zo kan ik de geluiden van gezelligheid, die nu en dan, van beneden langs de trap omhoog klimmen, stiekem meepikken. Het lukt alleen als ik heel goed luister. Het geeft een vertrouwd gevoel, ondanks dat het onweer nadert. Af en toe schiet een bliksemlicht als enge voorbode de slaapkamer binnen. Ik tel de seconden af en wacht op de eerste knal. Die blijft uit. Bij iedere lichtflits trek ik snel het kussen over mijn hoofd. Het licht weerkaatst namelijk op de enge posters van Alice Cooper aan de muur. Met zijn zwartgeverfde ogen en enge slangen om zijn nek, kijkt de freak me doordringend aan.
Af en toe rijdt er een auto door de straat. Vanonder mijn kussen volg ik het licht van de koplampen dat van links naar rechts over de grijze gordijnen schijnt. Het licht trekt in een grote boog door de kamer. Ik tel het aantal auto’s op eenzelfde manier zoals ik soms de schaapjes tel. Gewoon om in slaap te kunnen vallen. De gedachte aan naderend onweer maakt dat ik al snel de tel kwijt raak. De zomeravond lijkt een eeuwigheid te duren. De gezelligheidsgeluiden beneden zwellen aan. Ik voel me eenzaam en jaloers. Bang ook, voor het onweer dat nu erg dichtbij komt. Maar ik durf niet uit bed te stappen.
Een harde knal laat me eventjes stuiteren op bed. Ik heb dit keer geen waarschuwende lichtflits gezien. Wel is het gaan waaien. Regen striemt hard tegen het raam. De donder rolt zwaar door de lucht, grommend als een reusachtige hond. Eigenlijk zou ik enorm bang moeten zijn. Vreemd genoeg is dat niet meer het geval. Ik lijk mijn angst overwonnen te hebben. Ik wil naar buiten kijken, zien hoe de regen de straten schoon spoelt. Vorige week stonden de straten tijdens een hoosbui nog volledig blank. Zou dat nu weer zijn?
Ik kruip uit bed en duw mijn neus en hoofd tussen de vensterbank en de gordijnen voorzichtig omhoog. Ik wil niet dat iemand mij kan zien van buiten. Eigenlijk behoor ik in bed te liggen en te slapen. De regen kletst buiten keihard op straat en op een auto aan de overkant. Een nieuwe harde knal volgt, dit keer met lichtflits. In het lichtschijnsel zie ik een man in de auto voorovergebogen met zijn hoofd op het stuur liggen. Het hart klopt ineens in mijn keel. Wat is hier aan de hand? Wat doen die auto en die man daar? Zou die … zou die … nee … nee … dat kan niet … door de bliksem geraakt zijn …? Bewegingsloos blijft de man. Wat moet ik doen? Ik wacht nog twee donderslagen af en ren dan naar beneden.
“Pap, pap, kom eens gauw kijken, er ligt buiten een man in de auto. Wat doet ie man daar? Is ie dood?” De hele familie rent nu mee naar boven. Pa, ma, broers en zus. Beurtelings kijken we uit het raam. Spannend. De man in de auto beweegt nog geen centimeter. Na vijf minuten neemt mijn vader een besluit. “Allemaal hier blijven, ik ga even kijken wat er precies aan de hand is.” We zien pa naar buiten lopen en op de raam van de auto tikken. Er gebeurt helemaal niets. Pa klopt wat harder op de raam, dit keer met zijn zegelring. Er lijkt beweging te komen achter het stuur. De man kijkt heel even op. Hij leeft dus nog. Gelukkig maar.
Al snel laat hij zijn hoofd weer op het stuur vallen. Pa doet de deur van de auto open en stoot de man aan. Door de stoot schudt zijn hoofd wat op en neer. Het is een eng gezicht. Mijn moeder besluit de gordijnen voor onze neus dicht te trekken en maant ons weer naar bed te gaan. “Hallo, mams, ik ben bang. Ik wil zien wat er aan de hand is buiten.” Maar mams is onverbiddelijk. “Dat is niets voor kleine kinderen. En nu slapen!” Mijn broers en zus hebben hun hoofd alweer achter het gordijn gestoken. “Hij staat op! Kijk, kijk, hij wankelt!”
De man houdt zich rechtop vast aan de auto. Mijn vader staat achter hem. De man leunt nu met twee armen tegen de auto en wiebelt wat op en neer. Ineens draait hij zich van de auto weg, loopt een pas opzij en buigt voorover. Mijn vader springt bij hem weg. Een enorme vloed braaksel spuwt uit de mond van de man. “Ach, kijk nou …”, roept mijn moeder nuchter, “… die heeft te veel gedronken, die is niet dood … en nu allemaal naar bed!”.
28) Zaterdagavond (03-03-2015)
De haren gewassen, de nagels geknipt, verse pyjama aan, de zaterdagavond kan beginnen. Langzaam druipen mijn broers de woonkamer binnen en zoeken een plaatsje op de bank. De stoelen zijn gereserveerd voor ma en pa. Klaar voor een ontspannen zaterdagavond televisie. De hele familie ruikt naar Andrélon. Op tafel staan kleine bakjes, pastelkleurig, met daarin afgemeten handjes zoute pinda´s. Ik mag er nog niet aankomen. Eerst moet iedereen beneden zijn. Ik zie al uit naar het glaasje sinas dat zo meteen wordt ingeschonken. De pinda´s lonken. Straks komt ‘Een van de Acht’ met Mies Bouwman, moeder des vaderlands. We zijn bijna compleet. Mijn zus doet er weer het langste over. Haar lange paardenstaart geeft altijd oponthoud. Samen met mijn broers en zus vecht ik om de fijnste plek op de bank. “En nu ophouden!”, roept mijn vader als het dreinen over dreigt te gaan in oorlog. De sinas komt eraan en op de televisie verschijnt een vrouw met donker haar, een superbrede glimlach en pretoogjes. Mies! De zaterdagavond kan beginnen.
Van dit moment kan ik altijd zo genieten. Met z’n allen verzameld rond de televisie, in een lekkere warme vers gestreken pyjama met pinda’s om te knabbelen, een glaasje bruisende sinas om stukjes pinda’s tussen de tanden weg te spoelen en Mies op televisie, die alle kandidaten aan ons voorstelt. De hele familie zit in aanvalsstand om als eerste de vragen van Mies te beantwoorden, liefst nog voor de vragen aan de kandidaten zijn gesteld. Het geeft me een haast onbeschrijfbaar thuisgevoel. Natuurlijk doen Mies en de kandidaten het goed. Braaf, netjes en voorspelbaar, net als wij. Het voelt vertrouwd. Helaas voor mij nadert de quiz het einde. Leuke dingen gaan altijd veel te snel voorbij. Gelukkig mag de leukste kandidaat als winnaar meedoen aan het klapstuk van de quiz, de lopende band, het leukste raadspel ooit verzonnen. De te onthouden artikelen vliegen op de band aan onze ogen voorbij. Niet vergeten het vraagteken te houden. En wat is dat nu voor een raar ding? Ook onthouden, want dat staat vast model voor een van de hoofdprijzen.
De winnaar weet veel artikelen op te noemen en gaat overladen met cadeaus naar huis. Een gevoel van spanning neemt bezit van mij. Zouden ze mij vergeten zijn? Door alle hapiness? Dat ik nu naar bed moet? Duimen maar. Tevergeefs. “Bedtijd Mien!”. Nee, nee … Ik mag nog heel even tegen paps omhoog klimmen, via de knie, zijn buik, hup naar de schouder en dan drie keer buitelen in zijn armen. En dan is het toch echt bedtijd. Ik ben een expert in tijdrekken en geef iedereen een luchtkus op de wang. “Waps …!”, zeg ik erbij. Want zo klinken kussen nu eenmaal.
Zodra mijn vader mij in bed heeft gestopt luister ik of de kust veilig is. Is hij al naar beneden? Luistert hij nog aan de trap? Kust is veilig. Ik wil nog niet slapen en loop stiekem naar beneden. Niemand die mij hoort of ziet. Snel kruip ik onder de tafel. Ik wil er nog eventjes bij zijn. Geboeid kijkt iedereen televisie. Er is een spannende film op. Vanonder de tafel gluur ik mee. Al snel word ik bevangen door de enge beelden en geluiden. Ik kan de film amper volgen maar vind hem doodeng. Iets over Morlocks en tijdmachine. Ik kan het bijna niet meer uithouden van angst. Het geluid op televisie zwelt aan en ineens zie ik hoe een hoofd in razend tempo al zijn vlees verliest en verandert in een schedel. Ik schreeuw het uit en begin keihard te huilen. Wat heb ik een spijt. Bij de grote mensen horen is nog niet aan mij besteed. Mijn vader brengt me, onder lachend gebulder van heel de familie, opnieuw naar bed. Ik ben ontroostbaar.
29) Zoete Pasen (04-03-2015)
In de keuken hangt een zure azijnlucht. De lucht stijgt op uit een pan kokend water. Eieren ratelen op de bodem. Het is Pasen. Het kleuren van de eieren is een spannend proces. Rood en paars zijn mijn favoriete kleuren, naast groen en geel. Morgen komt de paashaas, zo is beloofd. Vandaag eerst nog naar de kerk. Mijn zus draait het vuur van het gasfornuis uit. Mams is op haar opperbest gekleed. Ze heeft een kort donkerrood jasje aan en draagt haar zondagse tas, van wit glanzend nappaleer. Mijn vader heeft een pak aan en draagt een das. Voordat we richting kerk gaan worden onze haren strak gekamd.
Kleine centen verzameld voor de collecte? Pa knikt ja. Voor ma is de paasmis het heiligen der heiligen. Ik vind het helemaal niks. Een uur lang stil zijn, stil zitten, niet omkijken, opstaan, rood kniekussen van het haakje halen, knielen, bidden. Met verbazing kijk ik altijd even schuin omhoog. Ik zie mijn moeder prevelen. Geen idee waar ze het over heeft. Het maakt wel indruk. Vooral door de sfeer. Die voelt vroom, plechtig en bedrukt. Wierook prikkelt mijn neus. Moet ik nu wel of niet niezen? Pa kijkt strak voor zich uit. Hoe gelovig is hij eigenlijk? Net zo gelovig als mams?
Ik verveel mezelf de paasmis voorbij. Thuisgekomen wordt de tafel gedekt. Voor het paasontbijt. Het goede servies is van diep achter uit de keukenkast, speciaal voor de gelegenheid van stal gehaald. Het is showtime. Dikke sneden suikerbrood en krentenmik liggen in een ijzeren mandje, op witte servetten, zorgvuldig gerangschikt. Vandaag geen grijze mik. Dikke plakken gekookte ham en roompaté liggen uitgestald op boterhammenbordjes. Aardbeien- en abrikozenjam zijn afzonderlijk uitgesmeerd in toetjesschaaltjes. Veel te veel. Op het midden van de tafel staat een klein vaasje met een takje forsythia, gedecoreerd met kleine paaseitjes van plastic. Een schaal met warme worstenbroodjes wordt binnengedragen. Ze ruiken heerlijk. Daar komt de schaal met eieren. Gekleurde eieren. Heel veel eieren. De rode eieren zijn van binnen roze en plakken koud tegen het gehemelte. Ik kan er maar drie op. Meer mag ik er ook niet eten. Na een dik uur zijn we klaar met het ontbijt. De zondag vliegt daarna voorbij.
En dan eindelijk is het maandagochtend. Ik kijk uit het badkamerraam en zie hoe mijn vader de eieren verstopt. Losse eieren en eieren in mandjes. Daar zitten de chocolade eitjes en de suikereitjes in. Ik voel me betrapt, door mezelf, een vreemde gewaarwording. Maar alles liever dan dat mijn broers en zus de eitjes eerder vinden. Zeker de chocolade eitjes. Ik kruip terug in bed en wacht tot er geroepen wordt. “De paashaas is geweest, komen jullie?” Ik spring snel uit mijn bed. Perfecte timing. In pyjama stropen we met vieren door de kleine tuin. Het blijft ieder jaar weer knap hoe pa het voor elkaar krijgt om eieren voor ons onvindbaar te maken. Of kan hij misschien toveren achter zijn rug? Met een vette glimlach maken we in de woonkamer de buit op. Het was dit jaar wederom een zoete Pasen.
30) Gezinszorg (05-03-2015)
Mijn vader neemt me even apart, gaat voor me op zijn hurken zitten en vraagt of ik bij de begrafenis van mams wil zijn. Of ik mee wil naar de kerk? Ik heb alleen nog maar gehuild deze ochtend, stiekem en alleen. Ik ben helemaal uit mijn doen. Weet eigenlijk met mezelf geen blijf. Zo te zien de anderen ook niet. De keuken van mijn tante staat vol met mensen, een beetje verdwaald, op zoek naar wat? Ja naar wat? Naar de begrafenis van mama. Sommigen ken ik, anderen niet. Ik ben boos en verdrietig tegelijk. Ik kan toch niet beslissen of ik mee wil? Dat weet ik toch niet? Is dat ook aan mijn broers en zus gevraagd? Gaan die wel mee?
Ik zal toch echt zelf een keuze moeten maken. Mijn vader kan het niet. Ik maak snel een inschatting van de situatie. Vanuit een super kleine jongetjeswereld. Mijn eigen kleine mannenwereld. Of ik er bij wil zijn, bij de begrafenis van mams? Mijn gevoel zegt ja, het jongensverstand zegt nee. Te veel gedoe voor de anderen, te lastig allemaal, ik sta maar in de weg. Ik ben toch veel te jong? Ik kan dat toch niet aan? Ik durf geen ja te zeggen en ook geen nee. Iemand moet voor mij kiezen, alsjeblieft. Ik weet niet meer precies wat ik geantwoord heb. Gevoeld des te meer. Verdrietig, boos, eenzaam en verlaten. Doe maar niet, geef ik fluisterend aan, het is beter dat ik niet mee ga.
Ergens hoor ik zuchten van verlichting. Van verlichting maar ook van zorg. Wie is er zo bezorgd? De vriendin van mijn grote broer blijft met me thuis en belooft op mij te passen. De rest verlaat in droeve opwinding en verlegenheid het huis van mijn tante. Netjes gekleed in donker. Wat een droefenis allemaal. Ik vat het niet helemaal. De laatste dagen leeft de hele familie in een roes, een waas van verstandsverbijstering en afwezigheid. Zo herinner ik het mij. Later hoor ik dat we zijn gaan wandelen, de vriendin van grote broer en ik. Langs de oevers van de Maas. Voor wat afleiding. Schepen kijken. Het zal vast troost geboden hebben. Tranen heeft hij gedragen van mij, de Maas. Tranen om mams. Het moet haast wel.
Ik weet het niet meer zeker. Kan het me niet meer herinneren. Vriendin heeft ongetwijfeld mijn hand vastgehouden. Mij vastgepakt en stevig geknuffeld. Of is ze ook heel even afwezig geweest? Net als ik. In gedachten van. Ja, in gedachten van wie? Van mams en grote broer natuurlijk. Welke liedjes zullen er gezongen zijn? In de Maas drijven wat takjes voorbij, met kleine bloempjes er aan vast. Een drijvend bosje bloemen. Voor mams. Mijn mams. Ze is niet meer. Hoe moet iedereen in hemelsnaam nu verder? Pa, mijn broers, mijn zus en ik? Ik wil niet weten hoe de begrafenis is geweest. Er wordt bij thuiskomst ook niet over gesproken. Vragen durf ik het niet. Veel te moeilijk. Ondraaglijk is het verdriet.
De volgende ochtend is iedereen vroeg wakker. We kruipen allemaal bij pa op bed, zeggen niets, missen samen mams. Mijn vader vertelt ons dat er morgen iemand van de gezinszorg langs zal komen. Die gaat tijdelijk voor ons zorgen. Ik kan me er even niets bij voorstellen. We zorgen toch zelf voor ons gezin? Ik wil helemaal geen gezinszorg. Ik wil naar school. Het leven gaat door. Zoals het vroeger was, toch, alsjeblieft? De tranen prikken achter mijn ogen en ik loop hard de kamer uit. Mijn grote zus rent achter me aan en pakt me vast. Eindelijk kan ik huilen, samen. Het voelt warm en goed.
16) Tafereel (01-02-2015)
Het middageten wordt in stilte genuttigd. Zo heet als de soep is, zo ijzig is de sfeer. De rook uit de soepborden slaat neer zodra mijn broer aan tafel schuift. Pa laat zijn afkeuring merken met een boze blik. Priemende ogen spreken boekdelen, duivels giftig.
“Kun je nou niet één keer op tijd komen?”
Mijn broer zwijgt met onverschilligheid.
“Had je je haren niet even kunnen kammen? Moet je eens zien hoe onverzorgd je eruit ziet, het is zondag, weet je?”
Mijn pa, in zondags pak met stropdas, lepelt langzaam zijn soep naar binnen. Ik zie de rook uit zijn oren komen.
“Heb je je tong verloren? Ik vraag je wat?”
Onverstoord eet broerlief verder. Voorovergebogen. Het grote peace-medaillon om zijn nek, hangt bijna in de soep.
“Hallo, ik vraag je wat, heb je niet eens het fatsoen om antwoord te geven? Ga eens even rechtop zitten als je eet. Je haren hangen bijna in het bord!”
Langzaam richt mijn broer het hoofd op en slaat met één hand zijn lange haardos achteloos naar achteren. Laatdunkend kijkt hij mijn vader aan.
“Man, zeur toch niet zo!”
Als een duvel uit de doos richt pa zich op en buigt voorover om mijn broer een draai om zijn oren te geven.
“Wat krijgen we nou? Jij … jij … Brutale vlegel …!”
De tafel is te lang en de klap mist doel. Broerlief is net op tijd naar achteren geschoten.
Compleet verbouwereerd door zijn falen en afgang, neemt pa plaats op zijn stoel. In al zijn woede leunt hij per ongeluk op zijn soepbord en trekt dit al zittend over zich heen. De tomatensoep spat spottend op zijn witte overhemd.
Het is doodstil aan tafel. Totdat mijn vader ineens begint te bulderen van de lach. En wij … wij bulderen mee. Heel even.
17) Opgesloten (03-02-2015)
We gaan logeren bij oma en opa. Het gaat niet goed met mams. De drukte van twee jonge kinderen is haar te veel. Weer naar opa en oma. Voor even leuk, daarna oersaai. Oma is streng en alleen maar bezig met huishouden. Opa zit alleen maar in zijn stoel of knutselt wat in zijn schuurtje. Bij dat laatste mogen we absoluut niet storen. Soms klinkt er een vloek uit de schuur. “Potverduuzemehhhhh …!” Weer een kromme roestige spijker die zich niet recht laat slaan.
In het kleine tuintje spelen mijn broer en ik voor de duizendste keer ridder Floris, met zelfgemaakte houten zwaarden en oude lakens die dienen als mantel. We vechten net zolang totdat een van de zwaarden in stukken valt. Daarna spelen we met de lakens ‘hutje’, onder de kleine tuintafel, tot oma ons binnenroept: “Eten, eerst handjes wassen!”
Snel ren ik naar de kleine badkamer met stenen lavet. Ik draai de deur op slot. Nog maar pas heb ik ontdekt hoe dat moet. Mijn sleutelfascinatie is meteen gevoed. Op mijn tenen kan ik net bij de kraan en was mijn handen. Als ik de deur wil opendraaien schiet paniek in mijn lijf. Ik krijg het slot niet open. Wat ik ook doe. Ik zet de sirene aan en huil mezelf schor.
Opa is wakker. Helaas valt er niet meer met mij te communiceren. Verlatingsangst verlamt mijn gedachten en handelen. De termen ‘links’ en ‘rechts’ hebben iedere betekenis verloren. Een ladder wordt van stal gehaald. Opa verschijnt voor het raam en wijst met zijn vingers. “Klink omhoog!” Opa maakt een draaibeweging en valt bijna van de trap. Aan de deur staat oma te roepen. “De sleutel naar links draaien!” Het komt niet binnen. En ik geraak niet buiten. Totdat … de sleutel ineens meegeeft. Eindelijk. Naar links? Geen idee. Iedereen blij.
18) Devil in his heart (06-02-2015)
Het is zondagochtend en ik blijf nog eventjes liggen. Heerlijk dromerig kneuteren, niks hoeven, niks moeten. Ik luister naar vertrouwde ochtendgeluiden. Haast onzichtbaar weggedoken onder mijn deken, kijk ik de kamer rond. Niemand die me ziet. Het voelt warm, vertrouwd en veilig. Donkere Alice Coopers kijken me vanaf posters aan de muur onheilspellend aan, slangen kronkelen rond zijn nek. In de ochtend doet het me niets. Mijn broers beschermen mij. Bij het slapen gaan wordt het een ander verhaal.
De Beatles zingen zachtjes door de kamer. ‘She’s got the devil in her heart … oh, no, no, no … ho … She’s gonna tear you heart apart … oh, no, no no.’ Ik neurie, fluisterend van binnen, de warme tonen mee. Ik ben nog niet in staat de tekst te verstaan, laat staan te begrijpen. Maar dat ie mooi is, dat weet ik zeker. ‘She’ll never hurt me, She won’t desert me, She’s an angel sent to me … She’s got the devil in her heart … No, no, no, this I can’t believe.’
Iedere zondagochtend wacht ik op dit lied. Het is zo mooi en voelt vertrouwd, als een warme oude jas. Mijn grote broer spaart ze allemaal, de Beatles, in een speciale platenkoffer. Maar alleen elpees met het originele labels, bij voorkeur Apple Records, Parlophone mag ook. Hij is een echte fan, perfectionist en zuinig. Niemand mag aan zijn elpees komen. Met een rood borsteltje kamt hij iedere elpee, zowel voor als na het draaien, volledig stofvrij. Daarna schuift hij uiterst voorzichtig de zwarte schijf in een papieren binnenhoes om hem vervolgens in de mond van de harde hoes te laten glijden.
De zondag hangt nog wat zwaar in de lucht, als een hangende kuil. Totdat mijn andere broer, de boven mij ligt, uit het stapelbed kruipt. We slapen met z’n drieën op een kamer. Door het vlechtwerk van de spiralen bodem zie ik het matras even op en neer veren. De kuil is weg. De lakens schieten los en maken van mijn bed een tent. ‘Hee, joh, trek dat laken eens naar boven, roep ik nog …’ Maar broer is al verdwenen. Richting badkamer. Grote broer zit intussen op zijn knieën voor de kaptafel. Hij kamt zijn haren netjes en plooit zijn stropdas. Het wil niet echt lukken. De spiegel fronst van ijdelheid en zucht. ‘She’s got the devil in her heart … No, no, no, this I can’t believe.’
http://www.beatlesbible.com/songs/devil-in-her-heart
http://youtu.be/oMOf6Vm3Ye8
19) Op de boerderij (10-02-2015)
De grote zomervakantie is aangebroken. Nog nooit zag ik er zo tegen op. Ik zit eigenlijk liever op school dan dat ik thuis ben. Thuis is het niet plezierig. Te veel rust of te veel stress. Het is uitgelaten druk op het schoolplein. Iedereen is blij dat het vakantie is. Met een bloempot in de hand loop ik naar huis. Het is een cactus met een klein roze bloempje. Die heeft niet zo veel zorg nodig. Ik meet mijn passen voorzichtig af, want ik wil niet dat het kleine bloempje eraf valt.
Bij thuiskomst zie ik een grote sporttas in de gang liggen. Dat is waar ook. Morgen ga ik op scoutingkamp. Sinds kort ben ik bij de welpen. We gaan naar de boerderij, op de fiets. Een week lang. Mijn zus gaat ook mee. Zij zit in de leiding. Dat komt goed uit. Zo kan ze een oogje in het zeil houden. De volgende dag is het bloedheet. Gelukkig is de fietstocht niet al te lang. De boerderij ligt verlaten tegen een bosrand. Ik voel me net als de andere kinderen wat onwennig en onzeker. De koeien zijn natuurlijk vet cool en een groot dik varken heeft net kleine biggetjes gekregen. Die mogen we even vasthouden. Wat knorren ze lief.
Thuis vonden ze het een goed idee om bij de scouting te gaan. De kinderen uit de groep ken ik nog niet zo goed. Dat vind ik best lastig. Ik draag veel verdriet me me mee. Mijn moeder is pas een jaar geleden overleden. Stiekem ben ik bang dat de kinderen dat zien, mijn verdriet, stil en teruggetrokken als ik ben. Gelukkig hebben we een hele lieve akela. Die geeft me zo af en toe een aai over mijn bol. Het schept meteen een band.
Het dag- en avondprogramma vliegen voorbij. We hebben kennis gemaakt met het boerenleven en leuke spellen gedaan. Binnen een aantal dagen zal een van de koeien een kalfje krijgen. Ik neem dit gegeven als een zoete droom mee mijn slaapzak in. We slapen naast de koeien. Ik hoor achter de muur de koeienkettingen zachtjes rinkelen. Het geeft een vertrouwd en gelukzalig gevoel. Als ik nu vanavond maar niet in bed plas? Mijn zus zal me vannacht nog een keer extra wakker maken. Voor de zekerheid.
Midden in de nacht schiet ik wakker, met tranen in mijn ogen. Gedroomd over mijn moeder. Ik kan het verdriet niet langer inhouden en ben ontroostbaar. Boos ook. Zomaar ineens. Hoe kan dat nou? Akela knielt naast me en vraagt waarom ik zo verdrietig ben. “Mam, mam, mam, mamma …”, kan ik alleen maar uitbrengen. Op de vraag of ze mijn zus erbij moet halen trek ik aan haar arm. “Nee, nee, nee …!” Uit boosheid, schaamte, of bescherming, ik weet en wil het niet. Akela weet wel beter en haalt mijn zus erbij. Samen huilen lucht op, voelt fijner, heel even.
20) Lopend vuur (14-02-2015)
Samen met mijn vriendje loop ik door het dorp. We krabben wat aan onze kont uit verveling. Wat zullen we vandaag toch eens gaan doen? Er staat midden in het dorp al een hele tijd een oude boerderij leeg. Compleet vervallen staat ie tussen hoog onkruid te wachten op … ja … op wat eigenlijk? In ieder geval heeft hij onze aandacht getrokken. We kruipen door een groot gat in het hek dat de boerderij omgeeft.
Met bonzend hart verkennen we de boerderij en verwonderen ons over de grootte er van. We zijn onder de indruk. Het ruikt muf, naar hout en droog hooi. Verder is het erg warm. Het is hartje zomer. Met een beetje fantasie zie ik een gezellig leven op de boerderij voor me. Zou dit de koeienstal zijn? Hee, kijk, een trap naar de zolder. Durven we erop? Beter van niet, de trap mist enkele sporten en de zolder oogt toch wel erg hoog.
Mijn vriendje stoot me aan en kijkt ondeugend. “Fikkie stoken?” Ondertussen haalt hij een doosje lucifers te voorschijn. Het hart in mijn keel probeert nu door mijn oren naar buiten te springen. “Ja, ja, doen we!” Samen zoeken we een geschikt plekje. We kijken ook goed of het vuur zonder belemmeringen omhoog kan. Dat hebben we geleerd bij de scouting. Daar in de hoek tegen de muur is een perfecte plek. We verzamelen wat droog hout en hooi en kijken elkaar aan, goedkeurend. De hens er in.
Fascinerend kijken we hoe het vuur langzaam om zich heen grijpt. Eerst heel klein, zich nestelend in het hooi … maar dan … ineens … jemig … er lijkt geen houden meer aan. De vlammen zijn ineens een halve meter hoog. Wat nu! De paniek slaat toe. We proberen het nog met een oude lap uit te slaan, maar dat wakkert het vuur alleen maar aan. We raken de controle volledig kwijt. Als bange honden vluchten we met de staart tussen de benen weg van de boerderij.
De vlammen slaan reeds hoog uit het raam en zoeken zich een weg naar het dak. Heel even blijven we, veilig op afstand, staren naar de ramp die zich voor onze ogen voltrekt. “Wegwezen, kom …!”, roept mijn vriendje. We rennen zo hard als we kunnen door het hoge onkruid. In de bewoonde wereld houden we onze pas in. Niemand mag onze paniek zien. We vluchten richting de friteskraam om de hoek. Daar houden we ons even koest.
Duizend gedachten flitsen door mijn hoofd. Stinken mijn kleren? Zal de boerderij helemaal afbranden? Waren er mensen aanwezig? Heeft iemand ons gezien? Even later horen we de brandweer met luide sirene. Bezoekers van de friteskraam lopen naar buiten. De brand moet ergens in de buurt zijn. Hopelijk hebben we geen roetvlekken in ons gezicht. Voor de zekerheid wrijf ik met een nat gespuwde zakdoek over mijn voorhoofd en wangen.
“Tegen niemand iets zeggen!”, spreken we met elkaar af. Het nieuws over de grote boerderijbrand gaat snel als een lopend vuurtje door het dorp en bereikt ook de friteskraam. Gelukkig zijn er geen gewonden. We houden onze mondjes dicht. Ik speel voorlopig niet meer met vuur. Zeker weten. “Wat ben jij laat, waar heb jij gezeten, wat heb jij uitgespookt?” Hoe zal ik straks antwoord geven op al die vragen? Ik probeer alvast wat antwoorden te verzinnen. Dat valt niet mee. Ik tril. De schrik zit er nog goed in.
21) Zuigend water (18-02-2015)
Een beetje verdwaald struin ik langs de oever van de Maas. Het water heeft een zuigende werking. Ondanks alle waarschuwingen schuim ik de waterkant af. Ik luister naar het klotsen van de golven. Die worden voortgestuwd door de grote riviersloepen op het water. De modderige oevers zijn hier en daar afgebrokkeld. Wilgenbosjes proberen laatste restjes zand met hun wortels vast te houden. Veel wortels liggen al bloot.
Ze mogen niet verdwijnen, de wilgenbosjes. Ze vormen pretvoedsel voor onze papegaai, Rico, de blauwvoorhoofdamazone. Met zijn kale grijze poten houdt hij de twijgen die mijn pa ieder weekend voor hem plukt stevig vast en pulkt met zijn snavel het zachte hart uit het hout. Blauwvoorhoofdamazone, ik zal die naam nooit meer vergeten. Net als Rico, papa’s gekooide piratenvogel.
De wortels en stronken die tussen het wilgenbos bloot liggen vormen voor mij een ideale springplank en landingsbasis. Het wilgenbos hangt half over het water. Zodra de golven door het wilgenbos klotsen zoek ik naar ideale landingsplaatsen om mijn voeten droog neer te zetten. Als ik dreig te vallen houd ik me vast aan de wilgentakken. Ik waan me een stoere piraat. Een piraat ver van huis. Rico zit denkbeeldig op mijn schouder en ik ga op zoek naar nieuwe uitdagingen.
Telkens als een grote riviersloep voorbij trekt en het water naar zich toe zuigt, tuur ik over het water en maak inschattingen. Hoe ver kan ik vanaf de oever over de bodem van de rivier het terugtrekkend water volgen? Hoeveel seconden heb ik om op tijd terug te rennen richting oever, zonder ingesloten te worden door vloedgolven die mij woest van opzij en van achteren proberen te omsingelen?
Vandaag is het druk verkeer op het water. Van al het gespring en alle overwegingen word ik al snel moe. Het is ook al laat. Nog een keer wil ik een grote slag slaan. Ik wacht op een grote boot. Daar komt ie. Zie ik het goed? Het zijn er twee. Van beiden kanten glijden piratenschepen door het water. Ik hoor kleine en grote kiezels onder en achter de waterspiegel stevig wegrollen. Ze worden mee gezogen door de stroming. Het maakt een snerpend geluid. Dit wordt een grote vloedgolf. Zeker weten. Ik ren achter het zuigende water aan. Nog effe. En … terug … terug … ik moet terug!
Het water komt nu heel snel. De golven zijn groter dan anders en ze komen van twee kanten. Waar moet ik naar toe? Ik ben het even kwijt. Ik zie bij het terugrennen rechts van mij de golven al tegen de oever beuken. Het water klotst omhoog en slaat de oever stuk. Ik schrik. Dit is heftig. Aan de linkerkant schuin achter mij komt nu ook een grote golf opzetten. Ik mag niet langer twijfelen. De golf en ik zijn beiden zo’n drie meter verwijderd van de oever. Ik kom amper vooruit op de kiezels die onder mijn voeten met mij mee rollen richting oever.
Dan voel ik ineens het water in mijn broek lopen. De golf beukt tegen mijn knieën aan en slaat me bijna onderuit. Ik kan me nog net vastklampen aan wat lange graspollen op de oever. In de kraag van mijn jas kruipt plots een hand. Een oude man buigt zich voorover en trekt me de kant op. “Hebbes … net op tijd, menneke! Ehhh … wat … zie ik het goed? Ben jij niet die kleinste van Mien familie? Vorige maand heb ik hier jouw broer nog uit het water gevist. Die was echt bijna verdronken … Jongens, jongens, toch … Leren jullie het dan nooit! Die Maas, die is gevaarlijk. Met al die schepen en zijn onderstroom!”
22) Hulppiet (18-02-2015)
Het zijn spannende dagen vlak voor Sinterklaas. Op de kleuterschool is het lekker warm. We hebben de afgelopen weken zwarte Pieten uit het karton geprikt en de ramen hangen vol met Sinterklazen. De Sint zal nu toch zeker wel komen? Door het schoolgebouw klinkt plots flink geraas. De juf van de eerste kleuterklas komt ons halen.
Alle kinderen verzamelen zich in de grote speelzaal. Sinterklaas kan ieder moment binnenkomen. Vol spanning wachten we af. Daar springen de eerste Pieten al binnen. Ze dragen grote jute zakken, buitelen door de klas, zwaaien met hun roe en gooien keihard met pepernoten en suikergoed. Het klettert via de muren en het schoolbord, omlaag tegen de vloer. Met z’n allen zingen we keihard: “Sinterklaasje, kom maar binnen met je knecht …!”
Van recht zitten is geen sprake. De hoofdjuf vraagt om stilte. Sinterklaas heeft een belangrijke boodschap. Hij is op zoek naar een Hulppiet. Er is een Piet ziek geworden. ‘Dat wil ik!’ denk ik stilletjes. We gaan een wedstrijdje houden. Vier kinderen mogen meedoen. Snel bedenk ik een list. Ik wil niet dat Chrisje mee doet, die wint altijd.
‘Pets!’, zonder dat iemand het ziet plet ik met een vlakke hand, mijn zachte kauwgom boven op Chrisje’s hoofd. Het kauwgom plakt in zijn haar. Op het moment dat de juf vraagt om vingers op te steken, wie mee wil doen, draait Chris zich om, op zoek naar zijn belager. Zittend op mijn knieën, steek ik snel mijn arm omhoog en ondersteun deze met mijn andere arm, om nog hoger te reiken. “Ik, ik!”, roep ik zo hard ik kan. “Kies mij!” Nu maar hopen dat de juf me hoort en ziet. En ja hoor. Ik word gekozen, samen met drie andere kinderen.
Snel overwin ik mijn diepgewortelde angst voor Sinterklaas. Als bijna Hulppiet kan ik moeilijk bang blijven voor die man? We krijgen allemaal opdrachten. De gele lijnen op de vloer stellen daken voor. We moeten Sinterklaas laten zien dat we daar goed overheen kunnen lopen, zonder er vanaf te vallen. We slagen allemaal. Spannend. Ook de vragen van Sinterklaas weten we allemaal goed te beantwoorden. Wat nu? Een laatste vraag. Wat is de lievelingskleur van Sinterklaas? “Geel, geel, geel!”, roep ik keihard. En dat is goed.
Ik geloof het nog amper. Ik word Hulppiet. Trots als een pauw laat ik me zwart schminken. Snel krijg ik een kleine pofbroek, met bijbehorende blouse en een Pietenmantel aangemeten. Een mooie Pietenpet met grote veer maakt mijn pak compleet. Grote Piet duwt een veel te grote jute zak vol snoepgoed in mijn kleine knuisten. “Niet allemaal in een keer uitstrooien hoor!” Grapt ie naar mij. “Kom op vooruit, we gaan eerst naar de jongens- en dan naar de meisjesschool”. De kleuterschool ligt in het midden.
Al in de eerste klas gooi ik mijn zak vol enthousiasme half leeg. Wat een lol. Ik zie grote Piet naar me lachen en ook Sinterklaas heeft het niet meer. De altijd strak en streng voor zich uitkijkende oude man draagt ineens een grote glimlach in zijn baard. Ik begrijp er niets van. Terwijl ik langs de schoolbankjes huppel hoor ik een aantal kinderen tegen elkaar zeggen: “Hee, dat is die kleine van Familie Mien!” Ik geef niets om het gesmoes. Voor mij is dit een van de gelukkigste dagen van mijn leven. Dat neemt niemand mij meer af. Zo hard als ik kan gooi ik nog wat extra suikergoed richting het roddelclubje. Van schrik vallen ze bijna achterover. Lekker puh. Thuis van school, laat ik vol trots mijn Pietendiploma aan mama zien. Mijn schoen is helaas nog leeg.
23) 1 April (19-02-2015)
Het is vandaag 1 april, opletten geblazen dus. Ze houden mij vandaag niet voor de gek. De aanval is de beste verdediging. Maar ik kom niet verder dan een flauwe eeuwenoude losse schoenvetermop. Wie trapt daar nu in? Vorig jaar nog geprobeerd de losse schoenvetermop om te bouwen naar een vaste. Hoe? Door onder de eettafel, de schoenveters van de linkerschoen van mijn broer vast te strikken aan zijn rechterschoen, via de tafelpoot en stevig met een dubbele knoop. Succes verzekerd. Het leverde mij een draai om mijn oren op en mijn broer een bloedneus. Idioot. Wie valt er nu op zijn neus?
De hele dag houd ik iedereen scherp in de gaten. Mij houden ze niet voor de gek. Op school gebeurt niet veel. Niemand lijkt met 1 april bezig te zijn. Tussen de middag ga ik thuis eten. Mijn pa schuift dan ook altijd aan. Of mijn broer even blauw motorwater wil halen bij de garagehouder. Ik zie grote broer en zus aan tafel knipogen naar elkaar. De eerste aprilgrap is in de maak. Mijn broer blijft lang weg. Er is toch niets gebeurd? Ah, daar is ie. Nonchalant schuift ie aan tafel. “En … hadden ze nog blauw motorwater?” Pa kan zijn lach nauwelijks onderdrukken. “Uitverkocht …!”, antwoordt mijn broer met een onbewogen gezicht. “Voor de moeite heb ik van het geld een Mars gekocht. Dat is toch oké, pa?” Van de garagehouder horen we later het hele verhaal. Mijn broer is eerst doorgestuurd naar de drogist en vervolgens naar de verfwinkel. Dat verdient zeker een Mars.
Ik ben nu extra op mijn hoede. Dit gaat mij niet gebeuren. Zo’n flauwe grap. Als ik na school thuiskom is mijn pa druk bezig met klussen. Hij heeft de middag vrij genomen. De slaapkamer van mijn zus is toe aan een schilderbeurt. Maar eerst drinken we aan tafel thee en koffie. Of ik daarna even een plintenladdertje wil halen, pa kan er anders niet goed bij. Logisch. Zo gezegd, zo gedaan. “Waar moet ik dat halen, pa?” “Ik denk dat je die het beste bij de verfwinkel kunt halen.”
“Verkoopt u ook plintenladdertjes meneer?” De man aan de toonbank kijkt me met een grote glimlach aan. “Nee, jongen, die verkopen wij niet, maar misschien kun je het eens proberen bij de fietsenmaker, die verkoopt van alles en nog wat. Succes.” Bij de fietsenmaker een stukje verder. “Meneer, meneer, ik ben op zoek naar een plintenladdertje.” Weer een vette glimlach, wat zijn de mensen aardig vandaag. “Oeps, de laatste zojuist verkocht. Probeer het eens bij de stoffenwinkel, hier om de hoek, die zijn gespecialiseerd in ladders!” “Mevrouw, mevrouw, mijn vader heeft een plintenladder nodig, verkoopt u die?” Zurig antwoordt de vrouw: “Nee, die verkopen wij niet! Probeer het eens bij de drogist.”
Ook de drogist en de bakker verkopen helaas geen plintenladders. Ik geef het op en loop teleurgesteld naar huis. Ik kan mijn pa niet helpen. Ik vraag me nu serieus af hoe zo’n plintenladder er eigenlijk uitziet. ‘Hoe groot ie is? Kan ik hem wel dragen? Waarvoor wordt ie nu precies gebruikt? Had ik wel genoeg geld bij me?’ Thuis vind ik de oplossing op al mijn vragen. Ik ben er keihard ingetrapt. Wat een oen! De hele familie ligt dubbel van het lachen. Het verklaart meteen ook waarom ik tot de dag van vandaag weiger plinten te schilderen. Het zit te diep!
24) Verstoppertje (24-02-2015)
Ik lig onder een struik en weet het honderd procent zeker. Er is niemand die me kan zien. De grote truc is om zo lang mogelijk te blijven liggen. Maar ook weer niet zo lang dat ik als laatste overblijf. Het is nog lang en ver naar de pot. Ik maak voor mezelf een berekening en teken de weg in gedachten uit.
Ik moet wachten tot de zoeker ver genoeg van de pot verwijderd is. Bij voorkeur in tegengestelde richting. Het probleem alleen is, ik kan dat niet zien. De pot is om de hoek. Het aftellen is al afgelopen. Is de zoeker al op zoek? En wat voor zoeker is het? Meer een potbewaker dan een zoeker? Dan kan het lang duren. Ik luister met gespitste oren. Probeer euforische ontdek- en verraadgeluiden te detecteren. Wat duurt het lang dit keer.
Vanaf de plek waar ik nu lig is het minstens vijftig passen lopen. Ik kan natuurlijk alvast naar de hoek lopen. Dan heb ik de helft van de afstand al gewonnen. Maar stel dat de potbewaker dat vanaf de andere kant ook doet? Nee, Mien, even geduld bewaren. Hoe moeilijk het ook is.
Aha, daar hoor ik het eerste ontdekgeluid. Het klinkt dichtbij, vlak om de hoek. De verstopper loopt harder dan de zoeker. Die is binnen. De zoeker komt terug, ik hoor het. Snel trek ik wat gebladerte over me heen. Ik duw de steel met bladeren tegen de grond zodat de struik niet meer beweegt. Ik kan nu niets meer zien. Toch weet ik dat de zoeker in de buurt is. Ik voel het, maar durf niet te kijken.
Doodstil houd ik me. De stilte wordt verbroken door een vreemd rinkelend geluid. Even later hoor ik iemand persgeluidjes maken. Wat is dat nu? Het rinkelend geluid herhaalt zich, gevolgd door een doffe plof. Dan blijft het stil. Lang stil. Ik hou het niet meer uit en besluit mijn kans te wagen. It’s now or never. Ik spring onder mijn struik vandaan en ren zo vlug als een haas richting hoek.
Al mijn zintuigen slaan op tilt. Zo ook mijn neus. Mijn god wat een lucht hangt hier. Het ruikt naar poep. Verse poep. Wegwezen denk ik. Zo hard als ik kan ren ik de hoek om. Wat ik dan zie kan ik amper geloven. Uit het bosschage grenzend aan de muur steken twee benen. Ik herken die benen. Ze zijn van de zoeker, de potbewaker. Naast de zoeker ligt een grote drol, een grote dampende mensendrol. Iiieeekkk, het is niet waar! Walging verstrooit mijn handelen. Wat moet ik doen? Hulp inschakelen of afkloppen?
25) De grote oversteek (25-02-2015)
Langzaam wordt het tijd om de buurt eens wat beter te verkennen. Ik ken zowat iedere stoeptegel in de omliggende straten en bijna alle stenen in de muur zijn mij ook bekend. Hoe vaak heb ik die muren niet gestreeld? Uit verveling, saai. Voor mij lonkt een weg, een grote weg, een verboden weg. Zal ik oversteken? Niemand die mij ziet.
Een zijde van de verboden weg ken ik op mijn duimpje. Het is de schoolzijde. Door de week loop ik daar via de sigarenboer, de apotheek, de kledingwinkel, de fietsenzaak en niet te vergeten de snoepwinkel en de fritesboer, naar school. Deze wegzijde is vertrouwd. Dat geldt niet voor de overkant. Die ligt altijd in de zon. Hij lonkt, alweer. Vandaag waag ik het erop. Beurtelings kijk ik links, rechts en weer links en steek over. Het is me meer dan honderd keer ingegeven.
Stout klopt het bloed in mijn hoofd en aderen. Maar niet lang. De nieuwsgierigheid wint het al snel van mijn bloedgebonk. Eerst maar eens dat grote ding verkennen, de kerk met zijn grote grasveld. Daar waar broerlief met zijn vriendjes dagelijks de muren geselt met een voetbal. Dat mag niet. Zou de buurtwachter op de loer liggen? Ik hoop van niet. Dan houdt mijn ontdekkingsreis bij deze op.
Vanaf de kerk loop ik richting school. Maar dan via de andere zijde. De school lijkt van deze kant enorm groot. En daar die school daar verderop die ken ik niet. Is dat niet de school van mijn zus? Vast. Op een klein pleintje zie ik wat kinderen rolschaatsen. Dat wil ik ook. De rolschaatsen maken flink lawaai. Dat komt door de ijzeren wieltjes. Daar waar de stoep wat ongelijk is vallen de rolschaatsers bijna om. Ze stuiteren af en toe wat omhoog en landen met knikkende knieën.
Ik kom bij een andere drukke straat. Met stoplicht. Het begint al wat te schemeren. Zal ik deze ook nog oversteken? Wel spannend zo’n stoplicht. Ik ga op mijn tenen staan en druk op het knopje. Dat heb ik mama ook al eens zien doen. “Het is groen jongen, je kunt doorlopen!” Een dikke vrouw kijkt me vriendelijk aan. “Zo laat nog op straat, moet jij niet eten?” “Nee hoor, ik loop naar huis!”
Ik dwaal door wat kleine straatjes. Ze komen me steeds onbekender voor. Ik ben omsloten door grote witte huizen. Die heb ik nog nooit gezien. Het is intussen al donker geworden. De auto’s op straat schijnen met hun lichten vals in mijn gezicht. Ik heb het koud. Waar ben ik? Ongerustheid begint bezit van mij te nemen. In geen velden of wegen zie ik herkenningspunten. Alleen maar vreemde huizen met grote gazonnen.
Het besef is daar. Ik ben verdwaald. Wind en kou bevriezen mijn angst en tranen. Ik durf geen kant meer op. Seconden lijken minuten. Minuten lijken uren. Plots herken ik achter mij een stem. “Ben jij misschien verdwaald?” De dikke vrouw staat achter mij. Is ze mij gevolgd? “Hoe heet jij, jongen?” De vrouw bukt langzaam naar mij voorover. ‘Niet met vreemde praten …! ‘, roept een stemmetje in mij. “Waar woon je, lieverd, god wat heb jij het koud, rustig maar, ik doe je niets!” De vrouw wrijft mijn koude handjes warm. Wat lief. Ik kan en durf geen woord uit te brengen. Ik wil het wel.
“We zullen eerst eens even naar mijn huis lopen, jongeman, dan krijg je het wat warmer. Kom maar mee!” Ik word getrakteerd op thee en koekjes, maar durf nog steeds niets te zeggen. “Nou vertel me eens, hoe heet jij?” Aarzelend mompel ik haast onverstaanbaar: “Mien, mevrouw!” “En wat is jouw achternaam?” “Weet ik niet!” “En waar woon jij?” Ik kan er niet meer opkomen. Hoezeer ik mijn best ook doe. ‘Links, rechts, links’ dat is makkelijk te onthouden, maar hoe heet die straat nu ook alweer? “Ik weet het mevrouw … Gazellestraat … Ido Gazellestraat …!”
De dikke vrouw maakt een klein vreugdedansje. En ik doe mee. Ik mag achterop haar fiets in een veel te grote jas. Dat voelt heel even oké. Totdat we ons huis naderen. Wat zullen ze kwaad zijn op mij. Wat ben ik stout geweest. De dikke vrouw belt aan. Nog voor de deurbel rinkelt valt de deur al open. Mams in volle tranen en paps met ongeruste blik, hijsen mij in hun armen omhoog. “Mien toch, lieve Mien, waar was je …!?”
26) Op hockey (26-02-2015)
Aangespoord door mijn beide broers krijg ik een veel te grote hockeystick in mijn handen gedrukt.In de kiezels van een veel te kleine tuin schep ik een aantal dagen kilo’s steen. De nieuwe witte hardkurken hockeybal blijft gelukkig herkenbaar door zijn afwijkend formaat. Ik oefen zo hard met stick en bal dat de witte verf in korte tijd van de hockeybal vliegt. Ik heb het spelletje snel door. Helaas past de stick niet goed bij mijn lichaam en stuntel ik wat met afstand en lengte. Mijn broers leren me de kneepjes van het hockeyvak. Ik word ingewijd in bully’s en in backhands. Het hoog houden van de bal op mijn veel te grote stick blijft een grote uitdaging. Dat lukt nog niet echt.
De overstap van voetbal naar hockey is mijn broers goed bevallen. Ik popel om in hun voetsporen te treden maar ben helaas nog wat te jong.Ik kan niet wachten tot ik zes jaar oud word en zeur mijn vader de oren van het hoofd. Gedrevenheid en passie worden maar moeilijk getemd. Mijn broers vinden het prachtig en blijven me aanmoedigen. Ik mag op zaterdag mee naar de hockeyclub, om te kijken naar hun wedstrijden. Zodra de wedstrijden zijn afgelopen ren ik naar ze toe en vraag of ik een stick mag lenen. Nu kan ik eindelijk op goal slaan, samen met wat leeftijdgenootjes. Keileuk. De hockeyclub ligt midden in een volksbuurt. Mijn vader heb ik horen vertellen dat de club niet elitair is. Ik heb geen idee wat dat betekent, kan me ook niet boeien. Het enige wat ik wil is ravotten met stick en bal en zo hard mogelijk slaan op goal.
Al gauw word ik zes en nu mag ik echt op hockey. Apetrots ben ik op het rode shirt met ronde witte hals, de witte sportbroek en de rode kousen met witte bies. De kleuren van de hockeyclub. Ook krijgt mijn vader in de sportwinkel nog een wit embleem mee. Dat moet nog op het shirt genaaid worden. Maar het meest trots ben ik natuurlijk op mijn spiksplinternieuw hockeystick. Een lang gedroomde hockeystick die mij past. Scheenbeschermers krijg ik er ook bij. Donderdagavond heb ik de eerste training, bij de F-jes. Iedere dag oefen ik met de bal hooghouden op mijn nieuwe stick. Dat is goed voor het balgevoel, zo vertellen mijn broers. Ook oefen ik met bal en stick op de grond. Ik tik de bal beurtelings van de forehand naar de backhand. De stick twirrelt door mijn rechterhand men met de linker geef ik telkens gedoseerd gas. Wat is dit spelletje leuk. Ik trek de bal van links naar rechts en van voor naar achter, wip hem op mijn stick en tel het aantal keren dat ik de bal hoog houd. Al meer dan tien keer.
Ik kan alleen op straat oefenen, want er is geen grasveld in de buurt. Mijn vader vindt dat helemaal niks. De stick schuurt over de grond en slijt snel. Hij vind dat ik zuiniger moet zijn op de nieuwe stick. Met tegenzin ruil ik hem in tegen een oude stick van mijn broer. Maar die is eigenlijk veel te lang. Nu ik de techniek meer onder de knie heb begint de last die ik heb van de grote lengte te irriteren. Dan maar het balletje hooghouden. Ook dat gaat lastiger, want de stick weegt veel zwaarder dan mijn eigen stick. Ik heb niet in de gaten dat door deze ongemakken mijn techniek en kracht juist toenemen. Vanavond mag ik voor het eerst naar de training. Best wel spannend.
Een uur voordat de training begint sta ik al klaar. In vol ornaat met mijn nieuwe hockeykleren aan. Een trainingsjack is niet nodig. Het is best warm. Popelend loop ik veel te vroeg aan. Ik ben de eerste die aanwezig is bij de training. Al snel leer ik de trainer en de kinderen kennen. We leren overslaan en met de bal dribbelen. Ook krijgen we de eerste beginselen van het pushen aangeleerd. Best moeilijk. De bal stuitert vaak de struiken in. Maar dat vind ik helemaal niet erg. Het gras en de struiken ruiken heerlijk. Ik snuif de avonddauw naar binnen en voel mijn lijf lekker moe worden. Aan het einde van de training doen we nog even wedstrijdje. Zes tegen zes op kleine goals. De trainer doet ook mee. Hij is speler van het eerste herenelftal. Dat hebben mijn broers me verteld. Wat is ie goed. Even let de trainer niet op. Ik ontfutsel hem de bal en ren snel naar de goal. Juist op tijd haalt ie mij in en legt zijn stick voor de bal. Net geen goal gescoord, jammer. Een beetje verstrooid kijkt hij mij aan en zegt: “Jij kunt hockeyen!?”
27) Onweer (26-02-2015)
Het is een warme zomeravond en ik kan de slaap niet vatten. De lakens heb ik met mijn voeten weggeschopt. Dorst plakt in mijn keel. Een half uur geleden heb ik nog wat water mogen drinken, niet te veel, want anders plas ik in bed. Wat is het toch verschrikkelijk heet. De ramen en gordijnen zijn dicht. Dat is beter zo, het houdt de warmte buiten. In de verte hoor ik het rommelen. Er is onweer op komst.
De deur van de slaapkamer staat open en het licht op de gang is aan. Zo kan ik de geluiden van gezelligheid, die nu en dan, van beneden langs de trap omhoog klimmen, stiekem meepikken. Het lukt alleen als ik heel goed luister. Het geeft een vertrouwd gevoel, ondanks dat het onweer nadert. Af en toe schiet een bliksemlicht als enge voorbode de slaapkamer binnen. Ik tel de seconden af en wacht op de eerste knal. Die blijft uit. Bij iedere lichtflits trek ik snel het kussen over mijn hoofd. Het licht weerkaatst namelijk op de enge posters van Alice Cooper aan de muur. Met zijn zwartgeverfde ogen en enge slangen om zijn nek, kijkt de freak me doordringend aan.
Af en toe rijdt er een auto door de straat. Vanonder mijn kussen volg ik het licht van de koplampen dat van links naar rechts over de grijze gordijnen schijnt. Het licht trekt in een grote boog door de kamer. Ik tel het aantal auto’s op eenzelfde manier zoals ik soms de schaapjes tel. Gewoon om in slaap te kunnen vallen. De gedachte aan naderend onweer maakt dat ik al snel de tel kwijt raak. De zomeravond lijkt een eeuwigheid te duren. De gezelligheidsgeluiden beneden zwellen aan. Ik voel me eenzaam en jaloers. Bang ook, voor het onweer dat nu erg dichtbij komt. Maar ik durf niet uit bed te stappen.
Een harde knal laat me eventjes stuiteren op bed. Ik heb dit keer geen waarschuwende lichtflits gezien. Wel is het gaan waaien. Regen striemt hard tegen het raam. De donder rolt zwaar door de lucht, grommend als een reusachtige hond. Eigenlijk zou ik enorm bang moeten zijn. Vreemd genoeg is dat niet meer het geval. Ik lijk mijn angst overwonnen te hebben. Ik wil naar buiten kijken, zien hoe de regen de straten schoon spoelt. Vorige week stonden de straten tijdens een hoosbui nog volledig blank. Zou dat nu weer zijn?
Ik kruip uit bed en duw mijn neus en hoofd tussen de vensterbank en de gordijnen voorzichtig omhoog. Ik wil niet dat iemand mij kan zien van buiten. Eigenlijk behoor ik in bed te liggen en te slapen. De regen kletst buiten keihard op straat en op een auto aan de overkant. Een nieuwe harde knal volgt, dit keer met lichtflits. In het lichtschijnsel zie ik een man in de auto voorovergebogen met zijn hoofd op het stuur liggen. Het hart klopt ineens in mijn keel. Wat is hier aan de hand? Wat doen die auto en die man daar? Zou die … zou die … nee … nee … dat kan niet … door de bliksem geraakt zijn …? Bewegingsloos blijft de man. Wat moet ik doen? Ik wacht nog twee donderslagen af en ren dan naar beneden.
“Pap, pap, kom eens gauw kijken, er ligt buiten een man in de auto. Wat doet ie man daar? Is ie dood?” De hele familie rent nu mee naar boven. Pa, ma, broers en zus. Beurtelings kijken we uit het raam. Spannend. De man in de auto beweegt nog geen centimeter. Na vijf minuten neemt mijn vader een besluit. “Allemaal hier blijven, ik ga even kijken wat er precies aan de hand is.” We zien pa naar buiten lopen en op de raam van de auto tikken. Er gebeurt helemaal niets. Pa klopt wat harder op de raam, dit keer met zijn zegelring. Er lijkt beweging te komen achter het stuur. De man kijkt heel even op. Hij leeft dus nog. Gelukkig maar.
Al snel laat hij zijn hoofd weer op het stuur vallen. Pa doet de deur van de auto open en stoot de man aan. Door de stoot schudt zijn hoofd wat op en neer. Het is een eng gezicht. Mijn moeder besluit de gordijnen voor onze neus dicht te trekken en maant ons weer naar bed te gaan. “Hallo, mams, ik ben bang. Ik wil zien wat er aan de hand is buiten.” Maar mams is onverbiddelijk. “Dat is niets voor kleine kinderen. En nu slapen!” Mijn broers en zus hebben hun hoofd alweer achter het gordijn gestoken. “Hij staat op! Kijk, kijk, hij wankelt!”
De man houdt zich rechtop vast aan de auto. Mijn vader staat achter hem. De man leunt nu met twee armen tegen de auto en wiebelt wat op en neer. Ineens draait hij zich van de auto weg, loopt een pas opzij en buigt voorover. Mijn vader springt bij hem weg. Een enorme vloed braaksel spuwt uit de mond van de man. “Ach, kijk nou …”, roept mijn moeder nuchter, “… die heeft te veel gedronken, die is niet dood … en nu allemaal naar bed!”.
28) Zaterdagavond (03-03-2015)
De haren gewassen, de nagels geknipt, verse pyjama aan, de zaterdagavond kan beginnen. Langzaam druipen mijn broers de woonkamer binnen en zoeken een plaatsje op de bank. De stoelen zijn gereserveerd voor ma en pa. Klaar voor een ontspannen zaterdagavond televisie. De hele familie ruikt naar Andrélon. Op tafel staan kleine bakjes, pastelkleurig, met daarin afgemeten handjes zoute pinda´s. Ik mag er nog niet aankomen. Eerst moet iedereen beneden zijn. Ik zie al uit naar het glaasje sinas dat zo meteen wordt ingeschonken. De pinda´s lonken. Straks komt ‘Een van de Acht’ met Mies Bouwman, moeder des vaderlands. We zijn bijna compleet. Mijn zus doet er weer het langste over. Haar lange paardenstaart geeft altijd oponthoud. Samen met mijn broers en zus vecht ik om de fijnste plek op de bank. “En nu ophouden!”, roept mijn vader als het dreinen over dreigt te gaan in oorlog. De sinas komt eraan en op de televisie verschijnt een vrouw met donker haar, een superbrede glimlach en pretoogjes. Mies! De zaterdagavond kan beginnen.
Van dit moment kan ik altijd zo genieten. Met z’n allen verzameld rond de televisie, in een lekkere warme vers gestreken pyjama met pinda’s om te knabbelen, een glaasje bruisende sinas om stukjes pinda’s tussen de tanden weg te spoelen en Mies op televisie, die alle kandidaten aan ons voorstelt. De hele familie zit in aanvalsstand om als eerste de vragen van Mies te beantwoorden, liefst nog voor de vragen aan de kandidaten zijn gesteld. Het geeft me een haast onbeschrijfbaar thuisgevoel. Natuurlijk doen Mies en de kandidaten het goed. Braaf, netjes en voorspelbaar, net als wij. Het voelt vertrouwd. Helaas voor mij nadert de quiz het einde. Leuke dingen gaan altijd veel te snel voorbij. Gelukkig mag de leukste kandidaat als winnaar meedoen aan het klapstuk van de quiz, de lopende band, het leukste raadspel ooit verzonnen. De te onthouden artikelen vliegen op de band aan onze ogen voorbij. Niet vergeten het vraagteken te houden. En wat is dat nu voor een raar ding? Ook onthouden, want dat staat vast model voor een van de hoofdprijzen.
De winnaar weet veel artikelen op te noemen en gaat overladen met cadeaus naar huis. Een gevoel van spanning neemt bezit van mij. Zouden ze mij vergeten zijn? Door alle hapiness? Dat ik nu naar bed moet? Duimen maar. Tevergeefs. “Bedtijd Mien!”. Nee, nee … Ik mag nog heel even tegen paps omhoog klimmen, via de knie, zijn buik, hup naar de schouder en dan drie keer buitelen in zijn armen. En dan is het toch echt bedtijd. Ik ben een expert in tijdrekken en geef iedereen een luchtkus op de wang. “Waps …!”, zeg ik erbij. Want zo klinken kussen nu eenmaal.
Zodra mijn vader mij in bed heeft gestopt luister ik of de kust veilig is. Is hij al naar beneden? Luistert hij nog aan de trap? Kust is veilig. Ik wil nog niet slapen en loop stiekem naar beneden. Niemand die mij hoort of ziet. Snel kruip ik onder de tafel. Ik wil er nog eventjes bij zijn. Geboeid kijkt iedereen televisie. Er is een spannende film op. Vanonder de tafel gluur ik mee. Al snel word ik bevangen door de enge beelden en geluiden. Ik kan de film amper volgen maar vind hem doodeng. Iets over Morlocks en tijdmachine. Ik kan het bijna niet meer uithouden van angst. Het geluid op televisie zwelt aan en ineens zie ik hoe een hoofd in razend tempo al zijn vlees verliest en verandert in een schedel. Ik schreeuw het uit en begin keihard te huilen. Wat heb ik een spijt. Bij de grote mensen horen is nog niet aan mij besteed. Mijn vader brengt me, onder lachend gebulder van heel de familie, opnieuw naar bed. Ik ben ontroostbaar.
29) Zoete Pasen (04-03-2015)
In de keuken hangt een zure azijnlucht. De lucht stijgt op uit een pan kokend water. Eieren ratelen op de bodem. Het is Pasen. Het kleuren van de eieren is een spannend proces. Rood en paars zijn mijn favoriete kleuren, naast groen en geel. Morgen komt de paashaas, zo is beloofd. Vandaag eerst nog naar de kerk. Mijn zus draait het vuur van het gasfornuis uit. Mams is op haar opperbest gekleed. Ze heeft een kort donkerrood jasje aan en draagt haar zondagse tas, van wit glanzend nappaleer. Mijn vader heeft een pak aan en draagt een das. Voordat we richting kerk gaan worden onze haren strak gekamd.
Kleine centen verzameld voor de collecte? Pa knikt ja. Voor ma is de paasmis het heiligen der heiligen. Ik vind het helemaal niks. Een uur lang stil zijn, stil zitten, niet omkijken, opstaan, rood kniekussen van het haakje halen, knielen, bidden. Met verbazing kijk ik altijd even schuin omhoog. Ik zie mijn moeder prevelen. Geen idee waar ze het over heeft. Het maakt wel indruk. Vooral door de sfeer. Die voelt vroom, plechtig en bedrukt. Wierook prikkelt mijn neus. Moet ik nu wel of niet niezen? Pa kijkt strak voor zich uit. Hoe gelovig is hij eigenlijk? Net zo gelovig als mams?
Ik verveel mezelf de paasmis voorbij. Thuisgekomen wordt de tafel gedekt. Voor het paasontbijt. Het goede servies is van diep achter uit de keukenkast, speciaal voor de gelegenheid van stal gehaald. Het is showtime. Dikke sneden suikerbrood en krentenmik liggen in een ijzeren mandje, op witte servetten, zorgvuldig gerangschikt. Vandaag geen grijze mik. Dikke plakken gekookte ham en roompaté liggen uitgestald op boterhammenbordjes. Aardbeien- en abrikozenjam zijn afzonderlijk uitgesmeerd in toetjesschaaltjes. Veel te veel. Op het midden van de tafel staat een klein vaasje met een takje forsythia, gedecoreerd met kleine paaseitjes van plastic. Een schaal met warme worstenbroodjes wordt binnengedragen. Ze ruiken heerlijk. Daar komt de schaal met eieren. Gekleurde eieren. Heel veel eieren. De rode eieren zijn van binnen roze en plakken koud tegen het gehemelte. Ik kan er maar drie op. Meer mag ik er ook niet eten. Na een dik uur zijn we klaar met het ontbijt. De zondag vliegt daarna voorbij.
En dan eindelijk is het maandagochtend. Ik kijk uit het badkamerraam en zie hoe mijn vader de eieren verstopt. Losse eieren en eieren in mandjes. Daar zitten de chocolade eitjes en de suikereitjes in. Ik voel me betrapt, door mezelf, een vreemde gewaarwording. Maar alles liever dan dat mijn broers en zus de eitjes eerder vinden. Zeker de chocolade eitjes. Ik kruip terug in bed en wacht tot er geroepen wordt. “De paashaas is geweest, komen jullie?” Ik spring snel uit mijn bed. Perfecte timing. In pyjama stropen we met vieren door de kleine tuin. Het blijft ieder jaar weer knap hoe pa het voor elkaar krijgt om eieren voor ons onvindbaar te maken. Of kan hij misschien toveren achter zijn rug? Met een vette glimlach maken we in de woonkamer de buit op. Het was dit jaar wederom een zoete Pasen.
30) Gezinszorg (05-03-2015)
Mijn vader neemt me even apart, gaat voor me op zijn hurken zitten en vraagt of ik bij de begrafenis van mams wil zijn. Of ik mee wil naar de kerk? Ik heb alleen nog maar gehuild deze ochtend, stiekem en alleen. Ik ben helemaal uit mijn doen. Weet eigenlijk met mezelf geen blijf. Zo te zien de anderen ook niet. De keuken van mijn tante staat vol met mensen, een beetje verdwaald, op zoek naar wat? Ja naar wat? Naar de begrafenis van mama. Sommigen ken ik, anderen niet. Ik ben boos en verdrietig tegelijk. Ik kan toch niet beslissen of ik mee wil? Dat weet ik toch niet? Is dat ook aan mijn broers en zus gevraagd? Gaan die wel mee?
Ik zal toch echt zelf een keuze moeten maken. Mijn vader kan het niet. Ik maak snel een inschatting van de situatie. Vanuit een super kleine jongetjeswereld. Mijn eigen kleine mannenwereld. Of ik er bij wil zijn, bij de begrafenis van mams? Mijn gevoel zegt ja, het jongensverstand zegt nee. Te veel gedoe voor de anderen, te lastig allemaal, ik sta maar in de weg. Ik ben toch veel te jong? Ik kan dat toch niet aan? Ik durf geen ja te zeggen en ook geen nee. Iemand moet voor mij kiezen, alsjeblieft. Ik weet niet meer precies wat ik geantwoord heb. Gevoeld des te meer. Verdrietig, boos, eenzaam en verlaten. Doe maar niet, geef ik fluisterend aan, het is beter dat ik niet mee ga.
Ergens hoor ik zuchten van verlichting. Van verlichting maar ook van zorg. Wie is er zo bezorgd? De vriendin van mijn grote broer blijft met me thuis en belooft op mij te passen. De rest verlaat in droeve opwinding en verlegenheid het huis van mijn tante. Netjes gekleed in donker. Wat een droefenis allemaal. Ik vat het niet helemaal. De laatste dagen leeft de hele familie in een roes, een waas van verstandsverbijstering en afwezigheid. Zo herinner ik het mij. Later hoor ik dat we zijn gaan wandelen, de vriendin van grote broer en ik. Langs de oevers van de Maas. Voor wat afleiding. Schepen kijken. Het zal vast troost geboden hebben. Tranen heeft hij gedragen van mij, de Maas. Tranen om mams. Het moet haast wel.
Ik weet het niet meer zeker. Kan het me niet meer herinneren. Vriendin heeft ongetwijfeld mijn hand vastgehouden. Mij vastgepakt en stevig geknuffeld. Of is ze ook heel even afwezig geweest? Net als ik. In gedachten van. Ja, in gedachten van wie? Van mams en grote broer natuurlijk. Welke liedjes zullen er gezongen zijn? In de Maas drijven wat takjes voorbij, met kleine bloempjes er aan vast. Een drijvend bosje bloemen. Voor mams. Mijn mams. Ze is niet meer. Hoe moet iedereen in hemelsnaam nu verder? Pa, mijn broers, mijn zus en ik? Ik wil niet weten hoe de begrafenis is geweest. Er wordt bij thuiskomst ook niet over gesproken. Vragen durf ik het niet. Veel te moeilijk. Ondraaglijk is het verdriet.
De volgende ochtend is iedereen vroeg wakker. We kruipen allemaal bij pa op bed, zeggen niets, missen samen mams. Mijn vader vertelt ons dat er morgen iemand van de gezinszorg langs zal komen. Die gaat tijdelijk voor ons zorgen. Ik kan me er even niets bij voorstellen. We zorgen toch zelf voor ons gezin? Ik wil helemaal geen gezinszorg. Ik wil naar school. Het leven gaat door. Zoals het vroeger was, toch, alsjeblieft? De tranen prikken achter mijn ogen en ik loop hard de kamer uit. Mijn grote zus rent achter me aan en pakt me vast. Eindelijk kan ik huilen, samen. Het voelt warm en goed.
Abonneren op:
Posts (Atom)