Frits zoekt een nieuwe uitdaging. Lang. Al heel lang. En nu denkt hij het gevonden te hebben. Zijn innerlijk verzet tegen debiele telefonie externaliseren. Frits studeert. Althans dat denkt hij. De praktijk wijst veel vaker uit dat Frits uit zijn neus eet. Met zijn pinken. Want de andere vingers mogen niet vuil worden. Bij de pinken is Frits.
Enfin, het onderwerp van zijn nieuwe uitdaging is nu bekend. Het kaderen en in beeld brengen van onderzoeksvoorwaarden vindt Frits niet nodig. Overbodig. Zijn onderzoek gaat het toch nooit halen. Met achterhalen is Frits veel meer vertrouwd. Dat komt ook omdat hij nooit geleerd heeft om door te halen. Gebreide onzin in zijn ogen. Gewoon beginnen dus. Met innerlijk verzet tegen debiele telefonie te externaliseren.
Wat heeft Frits nodig en wat niet? Pottekijkers. In beide gevallen. Bezitters van telefonie kijken namelijk pot. Die zijn dus nodig. Maar als ze voortdurend potkijken staan ze ook in de weg. Van neutraal terrein kan dan nooit sprake zijn. Een mobiele contradictie in terminus, terminaal.
Eerst maar eens een lakproef. Respondenten zoekt Frits dicht bij huis. Broer, zus, pa en ma en buurman. Frits houdt van oneven aantallen. Broer en zus beschikken over een iPhone, pa en ma over een Samsung en buurman heeft een Huawei. Als monitor gebruikt Frits zijn ogen. Wel zo makkelijk. De respondenten verblijven intern, twee weken lang in de kelder van huize Vloggie.
Huize Vloggie? Ja, zo heeft Frits zijn onderzoekscentrum genoemd. Normaal heet zijn thuishave huize Jansen. Maar Vloggie klinkt veel beter. Wie geloof je eerder? Frits Jansen of Frits Vloggie? Niet zo moeilijk toch? Heel even dacht Frits nog aan Vloggie Mollie. Maar dat zou te kwetsend zijn voor de familie. Die is nogal corpulent.
Twee weken lang worden de familie en buurman gevolgd. Ze bellen wat af. Jemig de pemig, het overtreft Frits Vloggie’s stoutste dromen. Vijf keer vierentwintig uur, keer veertien. Reken dat maar eens even uit. Ja, Frits is lui in rekenen. Hij heeft ook niet veel met getallen. Maar voor het onderzoek is het wel noodzakelijk. ‘1680’ Fluistert buurman Frits in het oor. Slapen doet het gezelschap niet. Ze zijn vierentwintig zeven twee keer online. Met zijn vijven. Echt waar.
Er staat Frits maar een ding te doen nu. Internaliseren. Dit onderzoek mag never nooit naar buiten komen. De cijfers zijn too shocking blue. Debiele telefonie zum kotzen. De nabespreking met de respondenten verloopt chaotisch. Allen willen hun beelden laten zien. Maar dat is onhaalbaar. Kort bespreken dat mag. Maar de beelden tonen? Dat gaat niet lukken. Of ze er een powerpointpresentatie van mogen maken? Nee, nee, nee, Frits heeft nog zo gezegd. GEEN BOMMETJE.
KNAL, KEDENG, BOEM … De kelder is zwart geblakerd. De accu’s van alle telefoons zijn in overspannen toestand geraakt en ontploft. Too hot to handle de beelden. Op het netvlies van Frits staan twee woorden gebrand. In Arial kapitalen. WAKKER WORDEN.
Posts tonen met het label telefoon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label telefoon. Alle posts tonen
13-07-2017
31-05-2016
Schrijfveren Mei 2016
Dagelijkse oefening in het schrijven van Schrijfveren. In maximaal 15 minuten tijd, associatief schrijven zonder correcties, naar aanleiding van een opgegeven titel. Met dank aan Hella Kuipers.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice
Hier kan ik niet zonder (01-05-2016)
Het langwerpige boekje dat op mijn knie ligt heeft gekrulde hoekjes en is erg broos. De pagina's zijn vergeeld. Ik sla het open op de eerste pagina en lees. De moppen van Max zijn wel heel oud en flauw. Het Nederlands is keurig. Net als de spelling en de lay-out. Braaf en een heel klein beetje stout. Tailleur heet de goede man. Wat een deftige naam. Het klinkt bijna als een dreiging. Max Tailleur. Nog even en ik stuur Max Tailleur op je af. Dat zal je leren. Ik lach om mijn eigen grapje. Maar is het wel zo lollig? De situatie in ieder geval niet. Ik lach een beetje krokodillentranen. Wat moet ik nu toch doen? Grote vertwijfeling. Het papier is op. De verleiding groot. Maar hoe dierbaar is Max Tailleur? Hij hangt hier niet voor niets al jarenlang in dit kleinste kamertje van het huis. Wat betekenen de grapjes voor de eigenaar van dit kleine hok? Werkt het ontlastend? Of stopt het juist de boel? Zal ik het gewoon toch maar proberen? De nood is immers hoog. Ik ga op zoek naar de flauwste grap en de bladzijde die het minst geleden heeft. Ik wil immers niet met mijn vingers door het papier drukken. Bah! Alleen de gedachte al. De eigenaar van het kleinste kamertje van dit huis is haast doof. Schreeuwen om papier heeft dan ook geen enkele zin. Op de voorlaatste pagina heb ik beet. Een blanco pagina nota bene, aan beide kanten. Heb ik even geluk. Geen drukwerk dat achterblijft op mijn achterste. Ik scheur de pagina heel voorzichtig uit het witte plastic ringetje. Het papier is zo poreus dat het makkelijk loslaat. Ik besef dat ik maar een kans heb en dat ik zorgvuldig te werk moet gaan. Alles moet in een keer meekomen en schoongeveegd. Ik vouw de pagina zo goed en zo kwaad als het kan tot een klein schepje. Moet kunnen. Ik leg het schepje in mijn handpalm en steek het tussen mijn knieën door. Bedachtzaam en heel voorzichtig schep ik met een elegante beweging mijn bilspleet schoon. Een zucht van verlichting. Ik laat het schepje vallen met inhoud en spoel de bruine grap vlug door. Ik hang Max weer aan het haakje en was mijn handen. In onschuld.
Een begraven, opstandig geheim (02-05-2016)
Charly kon amper afscheid nemen van haar moeder. Het liefst had ze haar in een klein doosje gestopt en voorgoed bij haar gehouden. Iedere dag zou ze dan uitgebreide conversaties hebben gehouden. Over vanalles en nog wat. Haar moeder was haar zo dierbaar, dat kon niemand goed verwoorden. Niet in korte verhalen, noch in gedichten. In een roman al helemaal niet. Dat zou veel te veel pagina's in beslag nemen. Een trilogie zou nog niet volstaan. En toch wilde Charly het liefst haar moeder met al haar verhalen in een klein doosje bij zich dragen. Maar het volstond niet. Daarvoor was ieder doosje veel te klein. Ze moest dus met een andere oplossing komen. Iedere dag liep Charly naar haar graf en piekerde zich suf. Ze baalde ervan dat haar moeder nu in een grote kist in de koude grond lag. En ook nog eens op haar rug. Op haar buik had nog gekund. Ware het niet dat ze aan astmatische bronchitis leed. Op je buik liggen is dan nergens prettig. Ook niet als je dood bent. Op haar rug liggen wilde moeder ook niet. Dat deed haar veel te veel denken aan Bijbelse taferelen en aan slaap. Aan beiden had ze een gruwelijke hekel. Charly wist dat. Tijdens de lange wandelingen die ze met haar moeder had tot vlak voor haar overlijden had haar moeder daarover verteld. De grote angst van platliggen, hoe dan ook, bij haar sterven. Cremeren wensten ze om die reden ook niet. Tenzij er een oven zou zijn waarin ze rechtop kon staan. Een zeemansgraf dan? Dat had ook nog een optie kunnen zijn. Maar dat was helaas niet toegestaan. Moeder vertoefde immers nooit op een boot. Laat staan op een oceaan waar geen ankerplaatsen voorhanden zijn. Maar. Gelukkig was Charly erg creatief. Dat bewonderde moeder ook altijd in Charly. De onweerstaanbare innerlijke drang om oplossingen te creëren daar waar niemand ze voor mogelijk houdt. De oplossingen die Charly verzon besprak ze altijd eerste met haar moeder. En dat was wat ze nu miste. Op de buitenwereld kwamen de gesprekken altijd over als huis-, tuin- en keukenfilosofie. Maar Charly en moeder wisten wel beter. Er kwam altijd een gedegen slotsom. Zo nu ook. Ze gooide haar schep aan de kant en keek tevreden naar het graf. Achter de grafsteen had Charly handig een kleine handel geïnstalleerd. Niemand die het zag, als je het niet wist. Met een snelle handeling trok Charly de handel naar beneden. De aarde bewoog en daar richtte moeder zich op. Uit haar graf. Rechtop. Uit haar tas haalde Charly een thermoskan en twee kopjes. Waar zullen we het vandaag eens over hebben mams?
Mij is het lot beschoren ... (03-05-2016)
Ik mag meteen uitdelen. Als kersverse tafelgenoot een hele eer. Hoewel, ik kom natuurlijk vanzelf een keer aan de beurt. Per toerbeurt wordt er namelijk gedeeld. Pokeren is mijn lust en mijn leven. En nu eindelijk ben ik doorgedrongen tot het walhalla van de pokerscene. In de lounge van Hotel Paris in Las Vegas vindt het spektakel plaats. De wereldkampioenschappen poker. En ik zit aan de hoofdtafel. Wie had dat gedacht? Er staat veel op het spel. Aan tafel zitten verder, Shannon Elizabeth, Erica Schönberg, Tiffany Michelle, Almira Skripchenko, Clonie Gowen en Fatima Moreira de Melo. Allemaal first class pokerbabes. Hoe zal ik mij handhaven. Handhaven? Ik wil natuurlijk winnen. En liefst ook alle kleren aanhouden. Dat is tijdens de wereldkampioenschappen nog nooit iemand gelukt. Er ligt een uitdaging. Zo is het ook nog nooit gelukt dat een volstrekt onbekende aan de finaletafel deelneemt.
Ik heb me nog niet voorgesteld aan de dames. Hoe zal ik dat eens aanpakken? De gegevens uit de voorrondes zijn geheim gehouden. Voor zover dat mogelijk is met beroemdheden. Voor mij nu een onverwacht voordeel. Ik heb voorkennis, de pokerbabes niet. Ik besluit een schuilnaam aan te nemen. Kleine Witje lijkt me wel gepast. Er zitten toch geen Zweden aan tafel. Dus verraad ik niets. De finaleronde gaat in. De dames gaan allen tegelijk naar het toilet en ik besluit ook even Pipi zu machen. Op het toilet wordt ook meteen bepaald wie de winnaar wordt. Ik tot mijn grote verbazing. De anderen gunnen elkaar namelijk niet het licht in elkaars ogen. Wat een verrassing. Een mooi lot is mij beschoren.
Een lief gebaar (04-05-2016)
De mens tracht en tracht en komt vaak tot niets. Tot niets nakkes nada. Hoe komt dat toch zo? Doet hij niet zijn best? Geeft hij snel op? En over welke mens hebben we het dan precies? De westerse, de oosterse, de noorderling, de zuiderling? Of houden we het gewoon in het midden? Noemen we hem voor het gemak de middenmens. De middenmens zou toch tot behoorlijk wat dingen in staat moeten zijn. En toch, vaak verknalt hij ook de boel. Wat de dinosaurus in 200 miljoen jaar heeft weten opbouwen, breekt de mens in nog geen half miljoen jaar af. Met rappe hand in den beginne en met rappe machines in het nu. De natuur. Om precies te zijn de oerwouden van Brazilië.
Maar de natuur straft onmiddellijk. Een kleine mug overleeft alles. Een lief gebaar van de natuur. God weet wie hier de hand in heeft? De middenmens is niet gelovig maar wel altijd op zoek naar verklaring en diepgang. Hij bundelt de filosofie van alle windstreken. Maar met zo'n simpel beest als een mug weet hij geen raad. Een mug die ook nog eens ziek maakt en het leukste sportevenement dat alle windstreken met elkaar bundelt nu bedreigt. De Olympische Spelen in Rio dreigen uit te lopen op een groot fiasco. Rio trekt lering en checkt alle riolering. Uit voorzorg.
Geen mug mag er straks rondvliegen in de big city. Laat staan een drone. Uitgezonderd de doelpuntlijndrone en de tenniscourtdrone. Maar voor de rest mag er niets, maar dan ook niets door de lucht vliegen in Rio. Ook geen corruptie en al helemaal geen televisierechten. Reclame kan ook niet door de beugel. Behalve als er Grolsch op de fles staat. Zij hebben alle rechten opgekocht. Maar wat moeten ze ermee? Enschede op de kaart zetten. Maar natuurlijk. En Groenlo, waar alles ooit begon. Ja, we maken Groenlo tot het middelpunt der aarde. Dat vindt iedereen best lekker. De middenmens zal het lekkere vocht zeker kunnen pruimen. De volgende Olympische Spelen houden we in Groenlo. Natuurvriendelijk, mugvriendelijk en dinosaurusvriendelijk.
Een vreemde ervaring (09-05-2016)
Mercurius staat vandaag heel even tussen aarde en zon. Dat vertelt het journaal mij. In 2003 voor het laatst en in 2019 op reprise. Per eeuw komt zo'n Mercuriusovergang pakweg 15 keer voor. Tot zover de cijfertjes. Natuurlijk was het nieuws al eerder tot me doorgedrongen. Ik was dan ook goed voorbereid op dit terugkerend natuurverschijnsel. Ik wist ook dat ik op zoek moest gaan naar iets waarmee je ongehinderd in de zon kunt kijken.
Aangezien er bij mij in de buurt geen sterrenkijker of -wacht aanwezig is moest ik zelf iets verzinnen. Ik heb diverse hulpstukken uitgeprobeerd. Zo keek ik eerst door een klein jampotje. Van vroeger kon ik me herinneren dat die dik glas bevat en heel goed beschermt. Mijn vriendje had er namelijk een en ik moet zeggen, niet stuk te krijgen. Maar de prisma schoot toch bijna mijn oog lek. Blijkbaar keken we vroeger niet veel in de zon.
Dan maar een 9D-bril proberen. Drie 3D-brillen over elkaar geschoven. Ik weet niet meer precies wat ik zag, toen ik in de zon keek. Wat ik wel weet is dat ik ineens het idee had dat er meer dan drie dimensies zijn. Ik zweefde. Zeker weten. In het ultieme duister. Wat dan? Ik wilde toch die Mercuriusovergang meemaken. Eskimobril. Maar natuurlijk. Dat ik daar niet eerder aan dacht. Snel fikste ik een eskimobril in mijn schuurtje. Voor de zekerheid nam ik een stukje eikenhout. Met een boormachine een klein gaatje geboord en vervolgens met een decoupeerzaag een gleuf gezaagd. Voorzichtig de scherpe randjes wat opgeschuurd met schuurpapier, elastiekje eraan vastgemaakt en voilà, mijn bril was klaar.
Nou ik heb nog nooit zo'n bijzondere Mercuriusovergang meegemaakt. Ik zie nu nog steeds overal zwarte puntjes. Alsof een kleine teek over de zon sjeesde, zo ervoer ik de overgang. Ben nu wel benieuwd of de zon bestand is tegen de ziekte van Lymne. Heel even dacht ik dat Mercurius de zon prikte. Maar ik kan me vergissen natuurlijk. Bovendien is de zon waarschijnlijk resistent. Het is zo'n gigantisch grote vuurbol, die is overal tegen bestand.
Bellen in een telefooncel (10-05-2016)
Take five. Ik sta te bibberen in de kou. Waarom moet ik dit nu weer meemaken? En het is weer de techniek die mij in de steek laat, frustreert. De regisseur baalt ook als een stekker. Dat is duidelijk te zien. Maar ook deze take strandt. We houden even pauze. Onder deze bizarre omstandigheden is het ook wel erg lastig om een commercial op te nemen.
Ik denk met jaloezie aan Frank Lammers en Max Verstappen. Die mogen met veel humor een wedstrijdje houden in een supermarkt en voor het stoplicht. Hoe makkelijk en leuk is dat? Ik daarentegen zit op locatie in Siberië. Ik eet me helemaal stijf aan Jelle ontbijtkoek maar wordt daar niet bepaald warm van. Het verhaal achter de commercial is ronduit belachelijk. Met veel moeite is de humor te vinden. Heel ver.
Maar ik moet niet zo klagen. Heb er zelf inbreng in gehad, in het script. En wie op de blaren zit moet bloeden. Ik krijg nieuwe instructies van de regie. Positie innemen. De machine is gemaakt. Ik blaas mijn handen warm en kruip weer in de telefooncel. Harrie, de techneut lacht me toe. Ik denk er het mijne van. Wat heeft hij uitgespookt in de telefooncel? Ik bevries bijna in mijn nakie. Tijd voor actie. Take six. Ik haal de hoorn van de haak en spreek mijn tekst in.
'Ja, ik weet het ook niet. Ik stond even af te koelen tijdens een Fins saunabezoek en toen kreeg ik plots trek. In mijn badjas heb ik altijd Jelle ontbijtkoek. Die heb ik snel opgegeten. En toen kreeg ik ineens zin in een stukje Nordic Walking. Voordat ik er erg in had stond ik in de middel of nowhere. Het leek wel toendra. Gelukkig stond er een telefooncel. Een hele oude. Maar ja, hoe kom ik nu aan roebels? Een hertenjager heeft me uit de brand. En ja, wat nu?'
Ik kijk naar de hoorn van de telefoon en plots zie ik er grote bellen uitkomen. Grote zeepbellen. Ik denk ze zullen wel knappen. Maar nee. Ze zijn ontzettend taai en pletten me steeds harder tegen het glas. Ik schreeuw om help. Het mag niet baten. De techneut en de regisseur staan me keihard uit te lachen en houden hun duim omhoog. 'Hou vol!', roepen ze me toe. 'Goede actie, humor!'
Snelle verlichting met schone lei (11-05-2016)
Lei lei lei neer of deed Dorus d’n dakdekker det nou?
Wè?
Jao, wè, ge wit ut ni wà?
Amai zunne, zei ik hier anbeland in ne maf teater?
Jao, met snelle verlichting.
Met snelle verlichting? Hoe dè zo?
Nou gewôn met veul en snel licht.
Hoe snel?
Kei snel!
Wa un teater.
D’n dakdekker speult goe wà!
Kei goe.
Nee, nie kei goe. Hij lei lei.
Met Lei?
Joa, lei met Lei.
Zonder klei?
Zonder klei.
Dè’s knap
Zeker, schone lei, wè!?
Ben benieuwd nao de nieuwe sène.
Joa, dé’s wa slap, wà?
Wa meer pouwer zou goe zijn.
Wà, wè’s pouwer?
Pouwer! Krach!
Oh, krach, jao, meer krach zou goe zijn.
Meer pit mag ôk.
Zeker en meer plot.
Ut gie nergens euver.
Wel.
Nie.
Over Lei toch en nunne dakdekker die same lei leien.
Dè gie toch nergens euver.
Boeien!
Boeien!
Boe!
Boeeee!!!
Pintje?
Pintje!
Mijn goeroe kijkt zwart (12-05-2016)
Omdat ik een boemerangkind ben kijkt mijn goeroe zwart. Een echte held mijn vader. Mijn goeroe too. Mijn veraf god. Hij is niet meer. En toch kijkt ie zwart. Vanuit de hemel. Mocht die überhaupt bestaan. In ieder geval vanuit iets hogers. Zwart keek ie sowieso. Samen met onze hond Blacky. Kijkgeld en belasting waren nooit goed aan hem besteed. Ik gaf er niets om. Ik was immers een boemerangkind. Kwam regelmatig terug naar huis. Vanwege de was en een immer gevulde koelkast. Essentieel voor een young adult. Eten en schone kleren. Slapen kan overal. Zwerven ook. Het zwartkijken heb ik overgenomen van pa. Zit in de genen. Heb misschien wel tien cursussen en workshops gedaan om het 1) te ontdekken 2) te accepteren en 3) om te draaien. Tevergeefs. Niets is goed. Zal dan ook nooit een witkijker worden. Of nog beter kleurenkijker. Hoewel? Is niet alles gekleurd. Ik houd het toch liever bij blanco. Iedereen begint blanco immers. Er gekleurd opstaan kleeft ook te veel aan je. Het wordt tijd dat ik weer eens terugkeer. Naar huis. Naar welk huis? Het staat er niet meer. Het is inmiddels afgebroken. Zowel fysiek als mentaal. Het heeft even geduurd om alle stenen af te breken. Ben met het dak begonnen. Toen het dak er eenmaal af was werd de rest een peuleschil. Een stukje cake. Wat natuurlijk meteen honger oproept. Trek, want honger bestaat niet echt in onze moderne maatschappij. Hoewel daar de meningen over verdeeld zijn. Zum kotzen. Wat meteen weer vieze kleren oplevert. Krijg sterk behoefte aan eten uit een volle koelkast en schone kleren. Tijd om weer eens naar huis te gaan. Het huis dat er niet meer is. Ik tast in het duister en blijf voorlopig zwart kijken. Het zit in mijn genen.
Kabaal bij de buren (13-05-2016)
Het is weer feest bij de buren. De buurvrouw krijgt er stevig van langs. De buurman heeft zijn pijlen weer eens op haar gericht. In de tuin. Zelfs de vogels schrikken ervan dit keer. Geen poezenalarm maar buurmanalarm. Ik probeer de discussie te voorspellen. Binnen dertig seconden gaat de buurman naar binnen en slaat keihard de deur achter zich dicht. Ik klok. En ja hoor. Binnen vijfentwintig seconden slaat de achterdeur keihard dicht. Het glas valt er net niet uit. Zoals de vorige keer, nog geen twee dagen geleden.
Me afsluiten voor het kabaal heeft geen zin. Dus maak ik er maar een spel van. De buurman komt binnen dertig seconden weer naar buiten en gaat dit keer op een zachte toon de discussie aan. Poeslief. De buurvrouw zwijgt. De buurman wordt boos. Heel boos. Verheft zijn stem en zegt: Jij denkt het altijd beter te weten, maar eigenlijk ben je oerdom. Ik klok wederom. En ja hoor. Net binnen de tijd komt de buurman weer naar buiten en gaat op zachte toon, poeslief de discussie aan met zijn vrouw. Die zwijgt. Hij wordt steeds bozer en roept keihard: Kutwijf.
Ik val bijna van mijn stoel. Hier gaat iets goed mis. Dit is niet het scenario dat ik ken. Opletten geblazen dus. De buurvrouw barst in huilen uit en rent naar binnen. Even is het stil. Dan hoor ik de buurman praten. Hallo, met Hans Libelleman. Spreek ik met Lita? Die is er niet? Wanneer is ze weer aanwezig? Vandaag niet meer? Mijn lieve god, wat moet ik nu? Bellen met Mona? Maar die is lang niet zo lief. Oké, geef me het nummer dan maar. Ik weet niet wat ik hoor. Dit had ik niet gezocht achter mijn buurman. Een kwetsbare kant. Bellend naar een biechtmoeder. Wie had dat gedacht?
Vissen (20-05-2016)
Wat ik graag zou willen weten, maar niet altijd durf te vragen, waardoor ik meestal blijf hangen in invullen en gissen, wat dan weer vaak leidt tot misverstanden en onbegrip en vrienden, familie en kennissen, maar ook gewone omstanders in verlegenheid brengt, waardoor ik mezelf in een vervelende situatie positioneer en ik veel tijd kwijt raak in wollige verklaringen om mijn vraag te duiden, met in mijn achterhoofd de weet, op deze onmogelijke vraag is nauwelijks antwoord te geven, want ik breng degene die ik het vraag onmiddellijk in verlegenheid waardoor deze, heel begrijpelijk, beren en tijgers op het antwoordspoor zet en mij als wildjager haast geen keuze laat, niet wetende dat ik erg diervriendelijk ben en daarbij geen enkele diersoort uitsluit of iets aan doe, zelfs geen luizen in de pels of irritante mieren die voor mijn voeten lopen, over mijn voeten, richting kuit, knie, schouders, hoofd en in omgekeerde volgorde, beslist en directief, weer terug naar teen. Ik veeg er mijn voeten niet aan af. Nee, dat stinkt. Naar mierenzuur, weet ik uit ervaring voordat ik mij bekeerde tot boeddhist. Nee, die vraag ga ik toch maar niet stellen. Ik houd me veel liever bij NIVEA. Uit de blauwe doos. Blauw ja. Ik smeer en vul niets in voor een ander. Never! Dan maar geen eenduidig antwoord op mijn vraag. Ik laat het los. Ben niet voor niets twintig jaar in Ladakh geweest. Nou sorry lezer. Ik laat u even in het ongewisse ... en nee, het heeft geen enkele zin ... om nu te gaan ... In alle onze vragen liggen antwoorden immers opgesloten.
Een tamboerijn (24-05-2016)
Bob schreeuwt het uit. ‘Mister, mister, waar is mijn tamboerijn?’
‘Hee, dat weet ik ook niet, schreeuwlelijk!’ Antwoordt meneer Dylan.
‘Maar pa, ik heb hem echt nodig, nu!’
‘Ja jongen, kun je niet even je mondharmonica gebruiken, of gitaar?’
‘Maar pa, je weet toch dat ik geloof in bijgeloof, en die tamboerijn …’
‘Ja, ja, het is al goed. Mams zal hem wel in gebruik hebben. Ik ga wel eventjes kijken, don’t panic!’
Mams Dylan is in geen velden of wegen te bekennen. Paps begint aardig te zweten. Bob is nogal veeleisend en indien zijn eisen niet vroegtijdig ingewilligd worden zijn de rapen gaar. En gare rapen in combinatie met een boze Bob …
‘Mams, mams, waar de fok hang jij uit?’
‘Hiero lief, achter in de schuur!’
Pa Dylan ligt helemaal in een deuk. Ma zit op een klein krukje op de tamboerijn dichtbij Bertha. Telkens als mams aan een van Bertha’s uiers trekt heft ze beurtelings haar linker- en rechterbil. De tamboerijn rammelt en de koe plast melk. Het spuit alle kanten uit. En mams … die heeft nog de grootste lol.
‘Vindt ze leuk!’ Grapt mams. ‘Kijk maar eens naar haar staart.’
Pa ziet hoe Bertha met haar staart wel duizend vliegen tegelijk het hoofd dol maakt. Ze vliegen alle kanten op, behalve de goede. Ze geraken maar niet bij de kont van de koe. En een lol dat Bertha heeft.
‘Ze heeft geen last van jeuk als ik op de tamboerijn speel, is dat niet fantastisch!’
‘Bob heeft de tamboe nodig!’
‘Hoezo? Heeft ie ook weer jeuk?’
‘Nee, hij componeert muziek, dat gaat niet zonder tamboe. Je kent hem toch!?’
‘Het is en blijft een watje, jouw watje, mijn schat, ik kom er zo aan, nog effe Bertha kietelen.’
Pa loopt terug naar Bob.
‘Ze komt er zo aan jongen. Mams had de tamboe effe nodig voor Bertha!’
‘Is dat gemelk nu nog niet afgelopen? Kan ze niet de koe buiten zetten? Het gaat allemaal ten koste van mijn talent. Het heeft actie nodig 24 uur, 7 dagen lang. Ja, ook als ik slaap. Mijn talent.’
Daar stapt mams de kamer binnen.
‘Zit je nu weer te zeiken Bob. Hou daar nu eens mee op. Schrijf eens een up tempo nummer. Ik ben die ballads spuugzat. Bertha ook. Breng eens wat verandering in je repertoire, wil je? Gooi er eens wat meer Elvis in, je weet dat ik daar van hou. En Bertha ook!’
‘Komt voor de bakker mams, wordt aan gewerkt. Ga jij nu maar wat verder blowen in de wind. Ik heb al een idee.’
Pa mompelt. ‘Mmm … times are changing …, another side of Dylan?’
Zou hij het ooit halen? Zijn Bob. Mister Tamboerijn.
Voor het eerst naar school (25-05-2016)
Ik voel me niet op mijn gemak vandaag. Dat heb ik nu altijd zodra er iets nieuws te gebeuren staat. Sommigen noemen het gezonde spanning. Ik noem het gewoon vervelend. In gedachte sta ik even stil bij de yogales van afgelopen week. Daarna breng ik mijn buik en ademhaling even omlaag. De Harabuiki-ademhaling voelt goed. Het brengt me terug op aarde. Niet dat ik zweef maar het is toch wel prettig om even contact met de aarde te hebben.
Ik zuig de energie uit de aarde op en drijf de kwade sappen en gedachten diep de grond in. Heel even lijk ik te soppen in mijn schoenen. Het angstzweet is gelijktijdig met mijn uitademing, via rug, bilspleet, onderbeen en kuit richting voeten afgedreven. Heel even voelde ik het zweet nog twijfelen in mijn bilnaad. Waar te gaan? Maar de grote hoeveelheid gaf uiteindelijk een logische, vanzelfsprekende watersplitsing over beide benen. De yogajuf had me nog zo gewaarschuwd. Had ik nu maar geluisterd. Beter had ik vooraf mijn schoenen en sokken uitgedaan. Ik besluit maar even te verversen. Sportsokken. Witte. Fit for the situation.
Het is vijf voor zeven. Ik loop nog even mijn lijstje na. Heb ik alles? Helm, touw, zeil, reservetouw, reservezeil, rugzakje, broekgordel, bril. Check, ckeck, dubble check. Horloge met hoogtemeter? Bijna vergeten. Fluitje, flesje water. Zakdoek. Veiligheidshesje. Vliegtuig. Vliegtuig? De zenuwen worden me heel even de baas. Mijn vrouw zwaait me lachend uit. Succes schat!
Op naar de parachutespringschool. Mijn eerste les. Ik voel me als een brugpieper met een veel te grote tas. Shit. Appel vergeten. Terug. Eentje voor de juf en eentje voor mezelf.
Vlinders in je buik (29-05-2016)
Ik heb vlinders in mijn buik. Heerlijk toch? Jazeker. Ware het niet dat ze slecht verteerbaar zijn. Daarnaast wegen ze ook nog eens heel zwaar. Het lijken wel tientonners. Zo voelt het. Het kriebelt ook nog eens verschrikkelijk. Zwaar op de hand? Zwaar op de maag? Ik weet het niet hoor? De liefde speelt mij parten. Dat is duidelijk. Het vlinderen voelt in ieder geval niet prettig. Ik weet niet precies met hoeveel ze zijn, maar het lijken er wel duizend. Ze slaan met de vleugels hard tegen mijn buikwand. Ze vragen mijn aandacht, met groot geweld. Ik kan mijn ogen niet dichtdoen. Ze slaan zelfs met hun fladderende vleugeltjes tegen mijn lensen. Ze fladderen niet langer door mijn buik, maar door mijn hele lichaam. Ik voel het zelfs kriebelen in mijn tenen, onder mijn voeten. Volledig word ik in beslag genomen. De liefde schreeuwt. Wat doet het pijn. Vreselijk. Wat is het irritant. Vreselijk. Maar ook ontkom er niet aan. De vlinders hebben allemaal deksels bij zich. Sommigen dragen grote en sommigen kleine. Wat moeten ze ermee? Ik moet het weten en houd er eentje aan. Wat doen jullie toch met al die deksels? En waarom vliegen jullie zo hard? We zijn op zoek! We zoeken potjes! Het is mei en bijna juni. Er moet onderhand wat gaan gebeuren. We bezwijken anders zelf onder de deksels. Deksels! Ik weet genoeg. Zelfs aan mij wordt liefde besteed. Dit jaar nog. Zeker weten.
Verslingerd aan duizend dingen (30-05-2016)
Sta daar maar eens bij stil. Bij duizend dingen. Dat is wel een hele hoop. Hoewel? Over een heel leven gezien? Dan kom ik toch eerder uit bij tienduizend dingen. Misschien nog wel meer. Verslingerd ben ik al heel snel. Vanaf den beginne. Ademhalingen, voetstappen, knipogen, huilbuien, ik kan het zo gek niet benoemen, ik ben en blijf eraan verslingerd. En het meest leuke is, dat ze een leven lang met je meeslingeren. Met een beetje geluk. Ze krijgen misschien na verloop van tijd een ander kleurtje, maar ik blijf eraan verslingerd.
Hoe dat zo denkt, vraagt u zich misschien af? Heel simpel. Uit pure verwondering en leergierigheid. Ontwapening niet te vergeten. Euforie is met mij samen geboren. 'Aha' en 'wauw' zijn de eerste oerklanken die uit mijn kleine keeltje komen. Later evolueren de klanken. Ze krijgen body dankzij de leer van het alfabet. Stuk voor stuk aanbid ik al die letters. Zesentwintig in a row. 'Aha' en 'wauw' worden al snel 'eureka' en 'unglaublich'. Ik lust er pap van en ontdek de magie van de ordening en vermenigvuldiging. De cijfers en getallen verschijnen om de hoek. Ik leer tellen. Ik pas op letters en op cijfers en nog veel belangrijker op mijn tellen.
Stiekem maak ik intussen vanalles mee. Wel tienduizend dingen. En de leut? Ik kan ze allemaal tellen. Opschrijven ook. Dan hoef ik ze niet te onthouden. Het geheugen loopt zo snel vol. Over door de euforie. Euforie die in alles aanwezig is. De tienduizend dingen overschrijd ik al bij mijn tiende jaar. Ik heb er gelukkig geen besef van. Totdat ik teruglees. De werkwoorden, de lidwoorden, de bijvoeglijke, en zelfstandige naamwoorden tel. De bijwoorden en de bezittelijke voornaamwoorden. Tellen wordt een passie. Daarna volgt pas het schrijven. Over duizend dingen en nog veel meer. Totaal verslingerd. Aan een uniek en eigen alfabet. Ik slinger alle letters dagelijks op de bon. In duizend variaties en combinaties op zesentwintig mooie letters. Verbonden en versmolten in een enthousiast doch ook lankmoedig hersenspel.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice
Hier kan ik niet zonder (01-05-2016)
Het langwerpige boekje dat op mijn knie ligt heeft gekrulde hoekjes en is erg broos. De pagina's zijn vergeeld. Ik sla het open op de eerste pagina en lees. De moppen van Max zijn wel heel oud en flauw. Het Nederlands is keurig. Net als de spelling en de lay-out. Braaf en een heel klein beetje stout. Tailleur heet de goede man. Wat een deftige naam. Het klinkt bijna als een dreiging. Max Tailleur. Nog even en ik stuur Max Tailleur op je af. Dat zal je leren. Ik lach om mijn eigen grapje. Maar is het wel zo lollig? De situatie in ieder geval niet. Ik lach een beetje krokodillentranen. Wat moet ik nu toch doen? Grote vertwijfeling. Het papier is op. De verleiding groot. Maar hoe dierbaar is Max Tailleur? Hij hangt hier niet voor niets al jarenlang in dit kleinste kamertje van het huis. Wat betekenen de grapjes voor de eigenaar van dit kleine hok? Werkt het ontlastend? Of stopt het juist de boel? Zal ik het gewoon toch maar proberen? De nood is immers hoog. Ik ga op zoek naar de flauwste grap en de bladzijde die het minst geleden heeft. Ik wil immers niet met mijn vingers door het papier drukken. Bah! Alleen de gedachte al. De eigenaar van het kleinste kamertje van dit huis is haast doof. Schreeuwen om papier heeft dan ook geen enkele zin. Op de voorlaatste pagina heb ik beet. Een blanco pagina nota bene, aan beide kanten. Heb ik even geluk. Geen drukwerk dat achterblijft op mijn achterste. Ik scheur de pagina heel voorzichtig uit het witte plastic ringetje. Het papier is zo poreus dat het makkelijk loslaat. Ik besef dat ik maar een kans heb en dat ik zorgvuldig te werk moet gaan. Alles moet in een keer meekomen en schoongeveegd. Ik vouw de pagina zo goed en zo kwaad als het kan tot een klein schepje. Moet kunnen. Ik leg het schepje in mijn handpalm en steek het tussen mijn knieën door. Bedachtzaam en heel voorzichtig schep ik met een elegante beweging mijn bilspleet schoon. Een zucht van verlichting. Ik laat het schepje vallen met inhoud en spoel de bruine grap vlug door. Ik hang Max weer aan het haakje en was mijn handen. In onschuld.
Een begraven, opstandig geheim (02-05-2016)
Charly kon amper afscheid nemen van haar moeder. Het liefst had ze haar in een klein doosje gestopt en voorgoed bij haar gehouden. Iedere dag zou ze dan uitgebreide conversaties hebben gehouden. Over vanalles en nog wat. Haar moeder was haar zo dierbaar, dat kon niemand goed verwoorden. Niet in korte verhalen, noch in gedichten. In een roman al helemaal niet. Dat zou veel te veel pagina's in beslag nemen. Een trilogie zou nog niet volstaan. En toch wilde Charly het liefst haar moeder met al haar verhalen in een klein doosje bij zich dragen. Maar het volstond niet. Daarvoor was ieder doosje veel te klein. Ze moest dus met een andere oplossing komen. Iedere dag liep Charly naar haar graf en piekerde zich suf. Ze baalde ervan dat haar moeder nu in een grote kist in de koude grond lag. En ook nog eens op haar rug. Op haar buik had nog gekund. Ware het niet dat ze aan astmatische bronchitis leed. Op je buik liggen is dan nergens prettig. Ook niet als je dood bent. Op haar rug liggen wilde moeder ook niet. Dat deed haar veel te veel denken aan Bijbelse taferelen en aan slaap. Aan beiden had ze een gruwelijke hekel. Charly wist dat. Tijdens de lange wandelingen die ze met haar moeder had tot vlak voor haar overlijden had haar moeder daarover verteld. De grote angst van platliggen, hoe dan ook, bij haar sterven. Cremeren wensten ze om die reden ook niet. Tenzij er een oven zou zijn waarin ze rechtop kon staan. Een zeemansgraf dan? Dat had ook nog een optie kunnen zijn. Maar dat was helaas niet toegestaan. Moeder vertoefde immers nooit op een boot. Laat staan op een oceaan waar geen ankerplaatsen voorhanden zijn. Maar. Gelukkig was Charly erg creatief. Dat bewonderde moeder ook altijd in Charly. De onweerstaanbare innerlijke drang om oplossingen te creëren daar waar niemand ze voor mogelijk houdt. De oplossingen die Charly verzon besprak ze altijd eerste met haar moeder. En dat was wat ze nu miste. Op de buitenwereld kwamen de gesprekken altijd over als huis-, tuin- en keukenfilosofie. Maar Charly en moeder wisten wel beter. Er kwam altijd een gedegen slotsom. Zo nu ook. Ze gooide haar schep aan de kant en keek tevreden naar het graf. Achter de grafsteen had Charly handig een kleine handel geïnstalleerd. Niemand die het zag, als je het niet wist. Met een snelle handeling trok Charly de handel naar beneden. De aarde bewoog en daar richtte moeder zich op. Uit haar graf. Rechtop. Uit haar tas haalde Charly een thermoskan en twee kopjes. Waar zullen we het vandaag eens over hebben mams?
Mij is het lot beschoren ... (03-05-2016)
Ik mag meteen uitdelen. Als kersverse tafelgenoot een hele eer. Hoewel, ik kom natuurlijk vanzelf een keer aan de beurt. Per toerbeurt wordt er namelijk gedeeld. Pokeren is mijn lust en mijn leven. En nu eindelijk ben ik doorgedrongen tot het walhalla van de pokerscene. In de lounge van Hotel Paris in Las Vegas vindt het spektakel plaats. De wereldkampioenschappen poker. En ik zit aan de hoofdtafel. Wie had dat gedacht? Er staat veel op het spel. Aan tafel zitten verder, Shannon Elizabeth, Erica Schönberg, Tiffany Michelle, Almira Skripchenko, Clonie Gowen en Fatima Moreira de Melo. Allemaal first class pokerbabes. Hoe zal ik mij handhaven. Handhaven? Ik wil natuurlijk winnen. En liefst ook alle kleren aanhouden. Dat is tijdens de wereldkampioenschappen nog nooit iemand gelukt. Er ligt een uitdaging. Zo is het ook nog nooit gelukt dat een volstrekt onbekende aan de finaletafel deelneemt.
Ik heb me nog niet voorgesteld aan de dames. Hoe zal ik dat eens aanpakken? De gegevens uit de voorrondes zijn geheim gehouden. Voor zover dat mogelijk is met beroemdheden. Voor mij nu een onverwacht voordeel. Ik heb voorkennis, de pokerbabes niet. Ik besluit een schuilnaam aan te nemen. Kleine Witje lijkt me wel gepast. Er zitten toch geen Zweden aan tafel. Dus verraad ik niets. De finaleronde gaat in. De dames gaan allen tegelijk naar het toilet en ik besluit ook even Pipi zu machen. Op het toilet wordt ook meteen bepaald wie de winnaar wordt. Ik tot mijn grote verbazing. De anderen gunnen elkaar namelijk niet het licht in elkaars ogen. Wat een verrassing. Een mooi lot is mij beschoren.
Een lief gebaar (04-05-2016)
De mens tracht en tracht en komt vaak tot niets. Tot niets nakkes nada. Hoe komt dat toch zo? Doet hij niet zijn best? Geeft hij snel op? En over welke mens hebben we het dan precies? De westerse, de oosterse, de noorderling, de zuiderling? Of houden we het gewoon in het midden? Noemen we hem voor het gemak de middenmens. De middenmens zou toch tot behoorlijk wat dingen in staat moeten zijn. En toch, vaak verknalt hij ook de boel. Wat de dinosaurus in 200 miljoen jaar heeft weten opbouwen, breekt de mens in nog geen half miljoen jaar af. Met rappe hand in den beginne en met rappe machines in het nu. De natuur. Om precies te zijn de oerwouden van Brazilië.
Maar de natuur straft onmiddellijk. Een kleine mug overleeft alles. Een lief gebaar van de natuur. God weet wie hier de hand in heeft? De middenmens is niet gelovig maar wel altijd op zoek naar verklaring en diepgang. Hij bundelt de filosofie van alle windstreken. Maar met zo'n simpel beest als een mug weet hij geen raad. Een mug die ook nog eens ziek maakt en het leukste sportevenement dat alle windstreken met elkaar bundelt nu bedreigt. De Olympische Spelen in Rio dreigen uit te lopen op een groot fiasco. Rio trekt lering en checkt alle riolering. Uit voorzorg.
Geen mug mag er straks rondvliegen in de big city. Laat staan een drone. Uitgezonderd de doelpuntlijndrone en de tenniscourtdrone. Maar voor de rest mag er niets, maar dan ook niets door de lucht vliegen in Rio. Ook geen corruptie en al helemaal geen televisierechten. Reclame kan ook niet door de beugel. Behalve als er Grolsch op de fles staat. Zij hebben alle rechten opgekocht. Maar wat moeten ze ermee? Enschede op de kaart zetten. Maar natuurlijk. En Groenlo, waar alles ooit begon. Ja, we maken Groenlo tot het middelpunt der aarde. Dat vindt iedereen best lekker. De middenmens zal het lekkere vocht zeker kunnen pruimen. De volgende Olympische Spelen houden we in Groenlo. Natuurvriendelijk, mugvriendelijk en dinosaurusvriendelijk.
Een vreemde ervaring (09-05-2016)
Mercurius staat vandaag heel even tussen aarde en zon. Dat vertelt het journaal mij. In 2003 voor het laatst en in 2019 op reprise. Per eeuw komt zo'n Mercuriusovergang pakweg 15 keer voor. Tot zover de cijfertjes. Natuurlijk was het nieuws al eerder tot me doorgedrongen. Ik was dan ook goed voorbereid op dit terugkerend natuurverschijnsel. Ik wist ook dat ik op zoek moest gaan naar iets waarmee je ongehinderd in de zon kunt kijken.
Aangezien er bij mij in de buurt geen sterrenkijker of -wacht aanwezig is moest ik zelf iets verzinnen. Ik heb diverse hulpstukken uitgeprobeerd. Zo keek ik eerst door een klein jampotje. Van vroeger kon ik me herinneren dat die dik glas bevat en heel goed beschermt. Mijn vriendje had er namelijk een en ik moet zeggen, niet stuk te krijgen. Maar de prisma schoot toch bijna mijn oog lek. Blijkbaar keken we vroeger niet veel in de zon.
Dan maar een 9D-bril proberen. Drie 3D-brillen over elkaar geschoven. Ik weet niet meer precies wat ik zag, toen ik in de zon keek. Wat ik wel weet is dat ik ineens het idee had dat er meer dan drie dimensies zijn. Ik zweefde. Zeker weten. In het ultieme duister. Wat dan? Ik wilde toch die Mercuriusovergang meemaken. Eskimobril. Maar natuurlijk. Dat ik daar niet eerder aan dacht. Snel fikste ik een eskimobril in mijn schuurtje. Voor de zekerheid nam ik een stukje eikenhout. Met een boormachine een klein gaatje geboord en vervolgens met een decoupeerzaag een gleuf gezaagd. Voorzichtig de scherpe randjes wat opgeschuurd met schuurpapier, elastiekje eraan vastgemaakt en voilà, mijn bril was klaar.
Nou ik heb nog nooit zo'n bijzondere Mercuriusovergang meegemaakt. Ik zie nu nog steeds overal zwarte puntjes. Alsof een kleine teek over de zon sjeesde, zo ervoer ik de overgang. Ben nu wel benieuwd of de zon bestand is tegen de ziekte van Lymne. Heel even dacht ik dat Mercurius de zon prikte. Maar ik kan me vergissen natuurlijk. Bovendien is de zon waarschijnlijk resistent. Het is zo'n gigantisch grote vuurbol, die is overal tegen bestand.
Bellen in een telefooncel (10-05-2016)
Take five. Ik sta te bibberen in de kou. Waarom moet ik dit nu weer meemaken? En het is weer de techniek die mij in de steek laat, frustreert. De regisseur baalt ook als een stekker. Dat is duidelijk te zien. Maar ook deze take strandt. We houden even pauze. Onder deze bizarre omstandigheden is het ook wel erg lastig om een commercial op te nemen.
Ik denk met jaloezie aan Frank Lammers en Max Verstappen. Die mogen met veel humor een wedstrijdje houden in een supermarkt en voor het stoplicht. Hoe makkelijk en leuk is dat? Ik daarentegen zit op locatie in Siberië. Ik eet me helemaal stijf aan Jelle ontbijtkoek maar wordt daar niet bepaald warm van. Het verhaal achter de commercial is ronduit belachelijk. Met veel moeite is de humor te vinden. Heel ver.
Maar ik moet niet zo klagen. Heb er zelf inbreng in gehad, in het script. En wie op de blaren zit moet bloeden. Ik krijg nieuwe instructies van de regie. Positie innemen. De machine is gemaakt. Ik blaas mijn handen warm en kruip weer in de telefooncel. Harrie, de techneut lacht me toe. Ik denk er het mijne van. Wat heeft hij uitgespookt in de telefooncel? Ik bevries bijna in mijn nakie. Tijd voor actie. Take six. Ik haal de hoorn van de haak en spreek mijn tekst in.
'Ja, ik weet het ook niet. Ik stond even af te koelen tijdens een Fins saunabezoek en toen kreeg ik plots trek. In mijn badjas heb ik altijd Jelle ontbijtkoek. Die heb ik snel opgegeten. En toen kreeg ik ineens zin in een stukje Nordic Walking. Voordat ik er erg in had stond ik in de middel of nowhere. Het leek wel toendra. Gelukkig stond er een telefooncel. Een hele oude. Maar ja, hoe kom ik nu aan roebels? Een hertenjager heeft me uit de brand. En ja, wat nu?'
Ik kijk naar de hoorn van de telefoon en plots zie ik er grote bellen uitkomen. Grote zeepbellen. Ik denk ze zullen wel knappen. Maar nee. Ze zijn ontzettend taai en pletten me steeds harder tegen het glas. Ik schreeuw om help. Het mag niet baten. De techneut en de regisseur staan me keihard uit te lachen en houden hun duim omhoog. 'Hou vol!', roepen ze me toe. 'Goede actie, humor!'
Snelle verlichting met schone lei (11-05-2016)
Lei lei lei neer of deed Dorus d’n dakdekker det nou?
Wè?
Jao, wè, ge wit ut ni wà?
Amai zunne, zei ik hier anbeland in ne maf teater?
Jao, met snelle verlichting.
Met snelle verlichting? Hoe dè zo?
Nou gewôn met veul en snel licht.
Hoe snel?
Kei snel!
Wa un teater.
D’n dakdekker speult goe wà!
Kei goe.
Nee, nie kei goe. Hij lei lei.
Met Lei?
Joa, lei met Lei.
Zonder klei?
Zonder klei.
Dè’s knap
Zeker, schone lei, wè!?
Ben benieuwd nao de nieuwe sène.
Joa, dé’s wa slap, wà?
Wa meer pouwer zou goe zijn.
Wà, wè’s pouwer?
Pouwer! Krach!
Oh, krach, jao, meer krach zou goe zijn.
Meer pit mag ôk.
Zeker en meer plot.
Ut gie nergens euver.
Wel.
Nie.
Over Lei toch en nunne dakdekker die same lei leien.
Dè gie toch nergens euver.
Boeien!
Boeien!
Boe!
Boeeee!!!
Pintje?
Pintje!
Mijn goeroe kijkt zwart (12-05-2016)
Omdat ik een boemerangkind ben kijkt mijn goeroe zwart. Een echte held mijn vader. Mijn goeroe too. Mijn veraf god. Hij is niet meer. En toch kijkt ie zwart. Vanuit de hemel. Mocht die überhaupt bestaan. In ieder geval vanuit iets hogers. Zwart keek ie sowieso. Samen met onze hond Blacky. Kijkgeld en belasting waren nooit goed aan hem besteed. Ik gaf er niets om. Ik was immers een boemerangkind. Kwam regelmatig terug naar huis. Vanwege de was en een immer gevulde koelkast. Essentieel voor een young adult. Eten en schone kleren. Slapen kan overal. Zwerven ook. Het zwartkijken heb ik overgenomen van pa. Zit in de genen. Heb misschien wel tien cursussen en workshops gedaan om het 1) te ontdekken 2) te accepteren en 3) om te draaien. Tevergeefs. Niets is goed. Zal dan ook nooit een witkijker worden. Of nog beter kleurenkijker. Hoewel? Is niet alles gekleurd. Ik houd het toch liever bij blanco. Iedereen begint blanco immers. Er gekleurd opstaan kleeft ook te veel aan je. Het wordt tijd dat ik weer eens terugkeer. Naar huis. Naar welk huis? Het staat er niet meer. Het is inmiddels afgebroken. Zowel fysiek als mentaal. Het heeft even geduurd om alle stenen af te breken. Ben met het dak begonnen. Toen het dak er eenmaal af was werd de rest een peuleschil. Een stukje cake. Wat natuurlijk meteen honger oproept. Trek, want honger bestaat niet echt in onze moderne maatschappij. Hoewel daar de meningen over verdeeld zijn. Zum kotzen. Wat meteen weer vieze kleren oplevert. Krijg sterk behoefte aan eten uit een volle koelkast en schone kleren. Tijd om weer eens naar huis te gaan. Het huis dat er niet meer is. Ik tast in het duister en blijf voorlopig zwart kijken. Het zit in mijn genen.
Kabaal bij de buren (13-05-2016)
Het is weer feest bij de buren. De buurvrouw krijgt er stevig van langs. De buurman heeft zijn pijlen weer eens op haar gericht. In de tuin. Zelfs de vogels schrikken ervan dit keer. Geen poezenalarm maar buurmanalarm. Ik probeer de discussie te voorspellen. Binnen dertig seconden gaat de buurman naar binnen en slaat keihard de deur achter zich dicht. Ik klok. En ja hoor. Binnen vijfentwintig seconden slaat de achterdeur keihard dicht. Het glas valt er net niet uit. Zoals de vorige keer, nog geen twee dagen geleden.
Me afsluiten voor het kabaal heeft geen zin. Dus maak ik er maar een spel van. De buurman komt binnen dertig seconden weer naar buiten en gaat dit keer op een zachte toon de discussie aan. Poeslief. De buurvrouw zwijgt. De buurman wordt boos. Heel boos. Verheft zijn stem en zegt: Jij denkt het altijd beter te weten, maar eigenlijk ben je oerdom. Ik klok wederom. En ja hoor. Net binnen de tijd komt de buurman weer naar buiten en gaat op zachte toon, poeslief de discussie aan met zijn vrouw. Die zwijgt. Hij wordt steeds bozer en roept keihard: Kutwijf.
Ik val bijna van mijn stoel. Hier gaat iets goed mis. Dit is niet het scenario dat ik ken. Opletten geblazen dus. De buurvrouw barst in huilen uit en rent naar binnen. Even is het stil. Dan hoor ik de buurman praten. Hallo, met Hans Libelleman. Spreek ik met Lita? Die is er niet? Wanneer is ze weer aanwezig? Vandaag niet meer? Mijn lieve god, wat moet ik nu? Bellen met Mona? Maar die is lang niet zo lief. Oké, geef me het nummer dan maar. Ik weet niet wat ik hoor. Dit had ik niet gezocht achter mijn buurman. Een kwetsbare kant. Bellend naar een biechtmoeder. Wie had dat gedacht?
Vissen (20-05-2016)
Wat ik graag zou willen weten, maar niet altijd durf te vragen, waardoor ik meestal blijf hangen in invullen en gissen, wat dan weer vaak leidt tot misverstanden en onbegrip en vrienden, familie en kennissen, maar ook gewone omstanders in verlegenheid brengt, waardoor ik mezelf in een vervelende situatie positioneer en ik veel tijd kwijt raak in wollige verklaringen om mijn vraag te duiden, met in mijn achterhoofd de weet, op deze onmogelijke vraag is nauwelijks antwoord te geven, want ik breng degene die ik het vraag onmiddellijk in verlegenheid waardoor deze, heel begrijpelijk, beren en tijgers op het antwoordspoor zet en mij als wildjager haast geen keuze laat, niet wetende dat ik erg diervriendelijk ben en daarbij geen enkele diersoort uitsluit of iets aan doe, zelfs geen luizen in de pels of irritante mieren die voor mijn voeten lopen, over mijn voeten, richting kuit, knie, schouders, hoofd en in omgekeerde volgorde, beslist en directief, weer terug naar teen. Ik veeg er mijn voeten niet aan af. Nee, dat stinkt. Naar mierenzuur, weet ik uit ervaring voordat ik mij bekeerde tot boeddhist. Nee, die vraag ga ik toch maar niet stellen. Ik houd me veel liever bij NIVEA. Uit de blauwe doos. Blauw ja. Ik smeer en vul niets in voor een ander. Never! Dan maar geen eenduidig antwoord op mijn vraag. Ik laat het los. Ben niet voor niets twintig jaar in Ladakh geweest. Nou sorry lezer. Ik laat u even in het ongewisse ... en nee, het heeft geen enkele zin ... om nu te gaan ... In alle onze vragen liggen antwoorden immers opgesloten.
Een tamboerijn (24-05-2016)
Bob schreeuwt het uit. ‘Mister, mister, waar is mijn tamboerijn?’
‘Hee, dat weet ik ook niet, schreeuwlelijk!’ Antwoordt meneer Dylan.
‘Maar pa, ik heb hem echt nodig, nu!’
‘Ja jongen, kun je niet even je mondharmonica gebruiken, of gitaar?’
‘Maar pa, je weet toch dat ik geloof in bijgeloof, en die tamboerijn …’
‘Ja, ja, het is al goed. Mams zal hem wel in gebruik hebben. Ik ga wel eventjes kijken, don’t panic!’
Mams Dylan is in geen velden of wegen te bekennen. Paps begint aardig te zweten. Bob is nogal veeleisend en indien zijn eisen niet vroegtijdig ingewilligd worden zijn de rapen gaar. En gare rapen in combinatie met een boze Bob …
‘Mams, mams, waar de fok hang jij uit?’
‘Hiero lief, achter in de schuur!’
Pa Dylan ligt helemaal in een deuk. Ma zit op een klein krukje op de tamboerijn dichtbij Bertha. Telkens als mams aan een van Bertha’s uiers trekt heft ze beurtelings haar linker- en rechterbil. De tamboerijn rammelt en de koe plast melk. Het spuit alle kanten uit. En mams … die heeft nog de grootste lol.
‘Vindt ze leuk!’ Grapt mams. ‘Kijk maar eens naar haar staart.’
Pa ziet hoe Bertha met haar staart wel duizend vliegen tegelijk het hoofd dol maakt. Ze vliegen alle kanten op, behalve de goede. Ze geraken maar niet bij de kont van de koe. En een lol dat Bertha heeft.
‘Ze heeft geen last van jeuk als ik op de tamboerijn speel, is dat niet fantastisch!’
‘Bob heeft de tamboe nodig!’
‘Hoezo? Heeft ie ook weer jeuk?’
‘Nee, hij componeert muziek, dat gaat niet zonder tamboe. Je kent hem toch!?’
‘Het is en blijft een watje, jouw watje, mijn schat, ik kom er zo aan, nog effe Bertha kietelen.’
Pa loopt terug naar Bob.
‘Ze komt er zo aan jongen. Mams had de tamboe effe nodig voor Bertha!’
‘Is dat gemelk nu nog niet afgelopen? Kan ze niet de koe buiten zetten? Het gaat allemaal ten koste van mijn talent. Het heeft actie nodig 24 uur, 7 dagen lang. Ja, ook als ik slaap. Mijn talent.’
Daar stapt mams de kamer binnen.
‘Zit je nu weer te zeiken Bob. Hou daar nu eens mee op. Schrijf eens een up tempo nummer. Ik ben die ballads spuugzat. Bertha ook. Breng eens wat verandering in je repertoire, wil je? Gooi er eens wat meer Elvis in, je weet dat ik daar van hou. En Bertha ook!’
‘Komt voor de bakker mams, wordt aan gewerkt. Ga jij nu maar wat verder blowen in de wind. Ik heb al een idee.’
Pa mompelt. ‘Mmm … times are changing …, another side of Dylan?’
Zou hij het ooit halen? Zijn Bob. Mister Tamboerijn.
Voor het eerst naar school (25-05-2016)
Ik voel me niet op mijn gemak vandaag. Dat heb ik nu altijd zodra er iets nieuws te gebeuren staat. Sommigen noemen het gezonde spanning. Ik noem het gewoon vervelend. In gedachte sta ik even stil bij de yogales van afgelopen week. Daarna breng ik mijn buik en ademhaling even omlaag. De Harabuiki-ademhaling voelt goed. Het brengt me terug op aarde. Niet dat ik zweef maar het is toch wel prettig om even contact met de aarde te hebben.
Ik zuig de energie uit de aarde op en drijf de kwade sappen en gedachten diep de grond in. Heel even lijk ik te soppen in mijn schoenen. Het angstzweet is gelijktijdig met mijn uitademing, via rug, bilspleet, onderbeen en kuit richting voeten afgedreven. Heel even voelde ik het zweet nog twijfelen in mijn bilnaad. Waar te gaan? Maar de grote hoeveelheid gaf uiteindelijk een logische, vanzelfsprekende watersplitsing over beide benen. De yogajuf had me nog zo gewaarschuwd. Had ik nu maar geluisterd. Beter had ik vooraf mijn schoenen en sokken uitgedaan. Ik besluit maar even te verversen. Sportsokken. Witte. Fit for the situation.
Het is vijf voor zeven. Ik loop nog even mijn lijstje na. Heb ik alles? Helm, touw, zeil, reservetouw, reservezeil, rugzakje, broekgordel, bril. Check, ckeck, dubble check. Horloge met hoogtemeter? Bijna vergeten. Fluitje, flesje water. Zakdoek. Veiligheidshesje. Vliegtuig. Vliegtuig? De zenuwen worden me heel even de baas. Mijn vrouw zwaait me lachend uit. Succes schat!
Op naar de parachutespringschool. Mijn eerste les. Ik voel me als een brugpieper met een veel te grote tas. Shit. Appel vergeten. Terug. Eentje voor de juf en eentje voor mezelf.
Vlinders in je buik (29-05-2016)
Ik heb vlinders in mijn buik. Heerlijk toch? Jazeker. Ware het niet dat ze slecht verteerbaar zijn. Daarnaast wegen ze ook nog eens heel zwaar. Het lijken wel tientonners. Zo voelt het. Het kriebelt ook nog eens verschrikkelijk. Zwaar op de hand? Zwaar op de maag? Ik weet het niet hoor? De liefde speelt mij parten. Dat is duidelijk. Het vlinderen voelt in ieder geval niet prettig. Ik weet niet precies met hoeveel ze zijn, maar het lijken er wel duizend. Ze slaan met de vleugels hard tegen mijn buikwand. Ze vragen mijn aandacht, met groot geweld. Ik kan mijn ogen niet dichtdoen. Ze slaan zelfs met hun fladderende vleugeltjes tegen mijn lensen. Ze fladderen niet langer door mijn buik, maar door mijn hele lichaam. Ik voel het zelfs kriebelen in mijn tenen, onder mijn voeten. Volledig word ik in beslag genomen. De liefde schreeuwt. Wat doet het pijn. Vreselijk. Wat is het irritant. Vreselijk. Maar ook ontkom er niet aan. De vlinders hebben allemaal deksels bij zich. Sommigen dragen grote en sommigen kleine. Wat moeten ze ermee? Ik moet het weten en houd er eentje aan. Wat doen jullie toch met al die deksels? En waarom vliegen jullie zo hard? We zijn op zoek! We zoeken potjes! Het is mei en bijna juni. Er moet onderhand wat gaan gebeuren. We bezwijken anders zelf onder de deksels. Deksels! Ik weet genoeg. Zelfs aan mij wordt liefde besteed. Dit jaar nog. Zeker weten.
Verslingerd aan duizend dingen (30-05-2016)
Sta daar maar eens bij stil. Bij duizend dingen. Dat is wel een hele hoop. Hoewel? Over een heel leven gezien? Dan kom ik toch eerder uit bij tienduizend dingen. Misschien nog wel meer. Verslingerd ben ik al heel snel. Vanaf den beginne. Ademhalingen, voetstappen, knipogen, huilbuien, ik kan het zo gek niet benoemen, ik ben en blijf eraan verslingerd. En het meest leuke is, dat ze een leven lang met je meeslingeren. Met een beetje geluk. Ze krijgen misschien na verloop van tijd een ander kleurtje, maar ik blijf eraan verslingerd.
Hoe dat zo denkt, vraagt u zich misschien af? Heel simpel. Uit pure verwondering en leergierigheid. Ontwapening niet te vergeten. Euforie is met mij samen geboren. 'Aha' en 'wauw' zijn de eerste oerklanken die uit mijn kleine keeltje komen. Later evolueren de klanken. Ze krijgen body dankzij de leer van het alfabet. Stuk voor stuk aanbid ik al die letters. Zesentwintig in a row. 'Aha' en 'wauw' worden al snel 'eureka' en 'unglaublich'. Ik lust er pap van en ontdek de magie van de ordening en vermenigvuldiging. De cijfers en getallen verschijnen om de hoek. Ik leer tellen. Ik pas op letters en op cijfers en nog veel belangrijker op mijn tellen.
Stiekem maak ik intussen vanalles mee. Wel tienduizend dingen. En de leut? Ik kan ze allemaal tellen. Opschrijven ook. Dan hoef ik ze niet te onthouden. Het geheugen loopt zo snel vol. Over door de euforie. Euforie die in alles aanwezig is. De tienduizend dingen overschrijd ik al bij mijn tiende jaar. Ik heb er gelukkig geen besef van. Totdat ik teruglees. De werkwoorden, de lidwoorden, de bijvoeglijke, en zelfstandige naamwoorden tel. De bijwoorden en de bezittelijke voornaamwoorden. Tellen wordt een passie. Daarna volgt pas het schrijven. Over duizend dingen en nog veel meer. Totaal verslingerd. Aan een uniek en eigen alfabet. Ik slinger alle letters dagelijks op de bon. In duizend variaties en combinaties op zesentwintig mooie letters. Verbonden en versmolten in een enthousiast doch ook lankmoedig hersenspel.
09-05-2016
Donderwolk: een vreemde ervaring
Ik moet naar de lucht kijken. Vandaag, de hele dag. Volgens het KNMI gaat er vandaag iets bijzonders gebeuren. Ze weten alleen nog niet precies wat en wanneer. Dat verbaast me enigszins. Hoe kan dat nu, met al die moderne techniek? Ik sta heel even paf. Net als de wetenschap. En die laatste kan daar maar moeilijk mee overweg.
Ik moet nog even de beste plek zoeken. Volgens het KNMI is dat daar waar de horizon het minst vervuild is. Dat wordt moeilijk. Zeker in Nederland bepaald geen sinecure. Ik doe mijn best en besluit op zoek te gaan op mijn fiets. Lekker gezond en milieuvriendelijk. Waar kan ik het beste een horizon vinden die niet vervuild is? Gelukkig woon ik vlakbij wat landerijen. Die liggen meestal plat. En ja hoor. Ik vind al snel een plekje vlakbij een bosschage, uit de wind.
Het waait behoorlijk en sta stokstijf stil. Dat is niet echt nodig maar dat doe ik voor het idee. Gezonde spanning over wat ik ga zien. Hopelijk. Het valt me op dat het redelijk druk is rondom de landerijen. Vreemd, heel vreemd. Meestal is er geen kip te zien. Behoudens de koeien die sloom het gras tongen zie ik opvallend veel fietsers. Ze stoppen regelmatig en kijken dan druk om zich heen. Ze zijn duidelijk op zoek naar iets. Maar naar wat? Ze turen veelal in de lucht. Sommigen doen dat met een vlakke hand boven hun ogen. Het lijken wel indianen die de horizon afturen. Anderen hebben zelfs een verrekijker bij zich. Toch geen vogelaars? Nee, zo zien ze er niet uit. Ze dragen bijna allemaal een witte lange stofjas. Nee, meer een laboratoriumjas. Enfin een witte jas in ieder geval.
Mijn nieuwsgierigheid wint het van de spanning. Ik wil toch wel eens weten waarom het hier zo druk is en besluit een witte jas aan te spreken. Het blijken wetenschappers te zijn op zoek naar eureka. Naar wat? Naar eureka. Weermannen, biologen, natuurwetenschappers, ze zijn er allemaal op afgekomen. De oproep van het KNMI om vandaag naar buiten te gaan. Er is namelijk een eureka-moment voorspeld. En dat is alweer eventjes geleden. De witte jas vraagt of ik nu verder wil zwijgen. Het eureka-moment kan ieder moment verschijnen. Aan de hemel, zo weet de wetenschapper mij te vertellen.
En ja hoor. Daar gebeurt het. Midden in de polder. Boven de landerijen. Vliegensvlug en met veel kabaal schiet er een pikzwarte donderwolk door de lichtblauwe lucht. Van links naar rechts. Nooit eerder gezien. Wat een vreemde ervaring. Het spektakel duurt nog geen twee seconden. Ja, zo vlug ging het. De donderwolk had nauwelijks tijd te donderen. Twee keer maar.
De wetenschappers staan perplex. Dit hebben ze nog nooit gezien. En wat nog erger is, niemand heeft het weten vast te leggen. De mobiele telefoons reageerden allemaal veel te traag. Bang om uiteindelijk met een lege batterij te zitten had iedereen zijn foon uitgeschakeld. Dom, dom. Maar ja, wie had er nu kunnen bedenken wat er voorbij zou komen, en hoe snel? Laten we eerlijk zijn. Niemand. Gelukkig hebben we nog ons geheugen en het schrift. Gelukkig maar.
Inzending schrijfwedstrijd mei 2016 op ColumnX. Combinatie van Primer (Donderwolk) en Schrijfveer (Een vreemde ervaring) van 9 mei 2016. Naar aanleiding van een opgegeven woord / zinsnede vrij associëren.
Ik moet nog even de beste plek zoeken. Volgens het KNMI is dat daar waar de horizon het minst vervuild is. Dat wordt moeilijk. Zeker in Nederland bepaald geen sinecure. Ik doe mijn best en besluit op zoek te gaan op mijn fiets. Lekker gezond en milieuvriendelijk. Waar kan ik het beste een horizon vinden die niet vervuild is? Gelukkig woon ik vlakbij wat landerijen. Die liggen meestal plat. En ja hoor. Ik vind al snel een plekje vlakbij een bosschage, uit de wind.
Het waait behoorlijk en sta stokstijf stil. Dat is niet echt nodig maar dat doe ik voor het idee. Gezonde spanning over wat ik ga zien. Hopelijk. Het valt me op dat het redelijk druk is rondom de landerijen. Vreemd, heel vreemd. Meestal is er geen kip te zien. Behoudens de koeien die sloom het gras tongen zie ik opvallend veel fietsers. Ze stoppen regelmatig en kijken dan druk om zich heen. Ze zijn duidelijk op zoek naar iets. Maar naar wat? Ze turen veelal in de lucht. Sommigen doen dat met een vlakke hand boven hun ogen. Het lijken wel indianen die de horizon afturen. Anderen hebben zelfs een verrekijker bij zich. Toch geen vogelaars? Nee, zo zien ze er niet uit. Ze dragen bijna allemaal een witte lange stofjas. Nee, meer een laboratoriumjas. Enfin een witte jas in ieder geval.
Mijn nieuwsgierigheid wint het van de spanning. Ik wil toch wel eens weten waarom het hier zo druk is en besluit een witte jas aan te spreken. Het blijken wetenschappers te zijn op zoek naar eureka. Naar wat? Naar eureka. Weermannen, biologen, natuurwetenschappers, ze zijn er allemaal op afgekomen. De oproep van het KNMI om vandaag naar buiten te gaan. Er is namelijk een eureka-moment voorspeld. En dat is alweer eventjes geleden. De witte jas vraagt of ik nu verder wil zwijgen. Het eureka-moment kan ieder moment verschijnen. Aan de hemel, zo weet de wetenschapper mij te vertellen.
En ja hoor. Daar gebeurt het. Midden in de polder. Boven de landerijen. Vliegensvlug en met veel kabaal schiet er een pikzwarte donderwolk door de lichtblauwe lucht. Van links naar rechts. Nooit eerder gezien. Wat een vreemde ervaring. Het spektakel duurt nog geen twee seconden. Ja, zo vlug ging het. De donderwolk had nauwelijks tijd te donderen. Twee keer maar.
De wetenschappers staan perplex. Dit hebben ze nog nooit gezien. En wat nog erger is, niemand heeft het weten vast te leggen. De mobiele telefoons reageerden allemaal veel te traag. Bang om uiteindelijk met een lege batterij te zitten had iedereen zijn foon uitgeschakeld. Dom, dom. Maar ja, wie had er nu kunnen bedenken wat er voorbij zou komen, en hoe snel? Laten we eerlijk zijn. Niemand. Gelukkig hebben we nog ons geheugen en het schrift. Gelukkig maar.
Inzending schrijfwedstrijd mei 2016 op ColumnX. Combinatie van Primer (Donderwolk) en Schrijfveer (Een vreemde ervaring) van 9 mei 2016. Naar aanleiding van een opgegeven woord / zinsnede vrij associëren.
31-12-2015
Schrijfveren December 2015 (16 t/m 31)
Dagelijkse oefening in het schrijven van Schrijfveren. In maximaal 15 minuten tijd, associatief schrijven zonder correcties, naar aanleiding van een opgegeven titel. Met dank aan Hella Kuipers.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice
16. Telefoontje van een oude bekende
Met verbijstering hoor ik het verhaal aan. Niet een echt consistent verhaal. Ik kan er geen touw aan vastknopen. Wat opvalt zijn de associaties. Ik betrap mezelf op het zoeken naar een rode draad. Totdat ik erachter kom deze er wellicht niet is. Maar het geraaskal komt me zo bekend voor dat mijn nieuwsgierigheid het wint van de vermoeidheid van het luisteren. Er zitten ook wel zinnen tussen die mij verbazen en mij terugvoeren naar een ver verleden. Nog steeds opent het geen deuren in mijn brein. Maar ik geef niet op. Een klein fragment dan maar. Voor zover ik me herinner.
Weet je wel die ene keer daar bel ik voor. Met Carnaval de benen buiten gestoken en daarna stomdronken op de piano gespeeld op het lege plein. Wat ik je vragen wil klopt dat dan niet helemaal. Dorien lang niet meer gezien weet jij waar ze is? Ja, die met dat mantelpakje die bij de slager oude kaas bestelde. En toen kwam die rare zwarte Piet voorbij. Ja, serieus. Hartje zomer. We zijn toen met zijn allen naar de bioscoop gegaan. Ik zal het nooit meer vergeten. Wil je iets voor mij doen. Heb ik Dorien gisteren ook gevraagd. Weet je echt niet waar ze is? Ben nog met je vader op zoek gegaan naar het vinden van het lot. Dat jullie toen kwijt waren. Heb me altijd al verbaast dat je vader altijd hetzelfde eindcijfer nam. Maar om nu een heel lotnummer van buiten te kennen en dan bij hoog en laag beweren dat de jackpot gevallen is op dat nummer en dat de loterij toegeeft dat dat klopt maar helaas niet kan uitkeren omdat het lot na lang nadenken in de broek van pa zat en de 40 graden bontwas niet overleefde. Dat doet pijn. Zelfs een bloemetje ging er niet af ...
De oude bekende ratelde maar door. Frustrerend dat ik niet meer op zijn naam kon komen. Het was iets met Piet, heel lang geleden. Maar wederom kwam ik er niet tussen. Uiteindelijk de verbinding maar verbroken. Leek mij wel wijs.
17. Alles was kakkerlakbruin
We sliepen in een tent. Dat hadden we dus nooit moeten doen. Niet in die jungle. Maar we hadden weinig keus. Ik waande me heel even op een onbewoond eiland. In een aflevering Expeditie Robinson. Alleen dan zonder wedstrijd en daarmee zonder strijd. Al dagen waren we de weg kwijt. Het was dan ook best wel een groot eiland. Het grootste in het Noorden. Op een zaterdag was de bom gevallen. Hij vaagde alles weg. Behalve ons. Vijf vrienden die heel eventjes schuilden voor het weer. De woeste wind en de felle regen. Ik verbaas me nog steeds dat de toren is blijven staan. En ook het licht dat draaide nog. Verbazingwekkend. Het wierp wel vreemde kleuren over het landschap. Alles zag bruin. Kakkerlakbruin. Vies. Smerig zag het eruit. Het maakte ook dat we geen enkele honger hadden. Dagen lang beten we op een houtje. Maar dat liever dan een hap nemen uit kakkerlakbruin. Nu was het tijd de tent af te breken en verder te gaan. Met een beetje mazzel konden we het eiland nu in een keer nemen. Het bood het meeste perspectief op redding. Tenzij de redding niet nabij was. Maar daar hadden wij natuurlijk niets over te zeggen. De envelop zouden wij nooit openmaken. Ammenooitniet.
18. Jojo
De zinnen kwamen al snel teruggerold. De woorden hechtten aan het touwtje. Gelijk een jojo. Maar dan in omgekeerde volgorde. Volgorde omgekeerde in dan maar. Jojo een gelijk. Touwtje het aan hechtten woorden de. Teruggerold snel al kwamen zinnen de.
Ik knipte de zinnen in het midden snel door midden. En herhaalde de oefening. Het jojo-effect kwam daarmee extra tot zijn recht. Hoe krom ook. Ik husselde de stukjes door elkaar en bouwde een nieuw verhaal. Maar wel met een vast concept. Aan herhaling had ik een gruwelijke hekel. Eigenlijk hield ik helemaal niet van gejojo. Maar een beetje structuur kon geen kwaad.
De zinnen. De woorden. Kwamen al snel teruggerold. Hechtten aan het touwtje. Gelijk. Maar dan in. Een jojo omgekeerde volgorde. Volgorde omgekeerde jojo een. In dan maar. Gelijk. Touwtje aan het hechtten. Teruggerold snel al kwamen. Woorden de. Zinnen de.
19. Wie geboekt heeft, moet verschijnen
De schrijver had eindelijk geboekt. Niet een boek. Nee, drie maar liefst. Het was hem uitstekend bevallen het boeken. Tegen het eerste boek had hij enorm opgezien. Maar het tweede rolde zowaar in honderd stukjes uit zijn pen. In het derde groef de schrijver zich autobio. Trots had hij de boeken voorzien van een mooie voor- en achterkant. Met naald en draad had ie alles aan elkaar gebonden. In zij. Euforie alle boeken aan elkaar. Dat was niet slim. Hij schaarde zijn boeken zachtjes van elkaar en begon opnieuw te naaien. Hij zorgde ervoor dat de boeken niet meer bij elkaar lagen. Het was wel een beetje lastig dat de bladzijden nu al gaatjes hadden. Het papier dat de schrijver had gebruikt was van lage kwaliteit en dus kwetsbaar. Met grote zorgvuldig- en voorzichtigheid moesten naald en draad door de bestaande gaatjes geregen worden. Een monnikenwerk. Maar het loonde de moeite. Iedere dag zorgde de schrijver voor een nieuwe oplage van drie. De drie-eenheid was heilig voor hem. Zo bracht de schrijver zijn boeken dagelijks naar drie boekenwinkels. Hij hoopte dan tevens dat er op de toonbank geen boeken meer van hem lagen. Dat was dan een goed teken. Die waren dan verkocht. Kassa. Of hij even mocht vangen. De schrijver was trouw aan zijn boeken en zijn boekenwinkels. Hij verscheen iedere dag.
20. Daar zou ik nooit over schrijven
Alle onderwerpen waren op. Wat nu? Hoe kon de schrijver in hemelsnaam verder met zijn vak. Waar moest hij over schrijven, zonder onderwerp. Taalkundig kon het al helemaal niet. Probeer maar eens een verhaal te schrijven zonder onderwerp. Dat gaat nergens over. En ergens moet het toch wel over gaan. Wie leest anders zij. Werk? Niemand toch? En schrijven doet de schrijver nooit voor niemand. Een schrijver schrijft aan od voor iemand. Altijd. Desnoods aan of voor zichzelf. Aan of voor anderen schrijven is natuurlijk honderd, wat zeg ik, duizend keer leuker. Maar dan moet het wel ergens over gaan toch? Lang, heel lang dacht de schrijver na. Hij pijnigde zijn hersens en kroop door alle holen en keek achter iedere deur in zijn hersenpan. Had hij daadwerkelijk over alles al geschreven? Dat was niet mogelijk. Op herhaling wilde hij niet. Een nieuw sausje over een oud verhaal ook niet. Dat was hem zijn eer te na. Maar wacht eens even. Wacht. Nee, dat ligt toch veel te simpel voor de hand? Het is niet waar? Maar natuurlijk. Ik moet nog schrijven over Daar. Helemaal vergeten. Het meisje dat laatst loos was, Daar.
21. De draak van de rouw
Hij brulde het uit van pijn. Wat een verdriet. Drakenverdriet. Nog nooit was de draak zo verliefd geweest. En nog nooit was de draak zo in de steek gelaten. Eigenlijk was zijn geliefde een draak van een draak. Maar hee, liefde maakt blind, toch? De draak stak zijn verdriet niet onder stoelen of banken, dat mag duidelijk zijn. Niet alleen kwamen er meterslange vlammen uit zijn neus, nee, ook zijn drakenstekels stonden loodrecht omhoog. Hoed u dan voor de draak, mesdames et messieurs, als drakenstekels op ontploffen staan dan zijn hemel en aarde te klein. Ik noem maar wat. U begrijpt wel wat ik wil uitdrukken, duidelijk wil maken. Zaak is het nu om de pijn weg te nemen van onze draak. Maar hoe? Het drakenmeisje waar hij zo verliefd op was was allang met de Noorderzon vertrokken. De maan scheen halfslachtig wat de stemming er niet bepaald beter op maakte. Intussen had de sluiswachter de sluis al botenwijd opengezet. Niet voor de boten maar voor de tranen die uit de drakenogen biggelden. Een overstroming kon het drakendorp op dit moment niet goed gebruiken. Het dorp maakte zich namelijk op voor het grote drakenfeest dat zevenjaarlijks gehouden werd. De stortvloed aan tranen zou het decor in gevaar kunnen brengen. En om in no time een nieuw kasteel te bouwen dat zagen de drakenbewoners niet zitten. Het drakenmeisje moest niet zo moeilijk doen en zich opofferen voor het feest. Acuut werd de snelste draak verzocht een brief af te leveren bij de Noorderzon. Het was nu wachten op een teken van berouw. Berouw van een drakenvrouw voor een drakenman in rouw.
22. Wie zou je bellen als je de loterij won?
Met de baas van Ziggo natuurlijk. Afhankelijk van het bedrag dat ik zou winnen uiteraard. Een miljard is tegenwoordig al haalbaar. Dan kom ik dicht in de buurt van overname. Uitkopen zou ik de baas en de hele Ziggo handel. En deze zou ik dan weer doorverkopen aan XS4all. Nadat ik eerst alle autoriteiten en waakhonden die mogelijk dwars kunnen liggen bij aankoop omgekocht had. Met oogverblindend geld en exclusieve biefstuk, van de haas desnoods.
Waarom? Gewoon omdat het kan. Hoe vaak ze mij niet hebben lastig gevallen. Die Ziggomonsters. Ik betaal ze. Met gelijke munt terug. Nou nee, niet met gelijke munt. Met veel minder munt. Ik krijg nog heel wat munten van hen terug. Voor al die momenten dat ik niet online kon gaan en geen verbinding kreeg. Ontmantelen die business en onderbrengen bij hun concurrent. En liefst meteen de beste. XS4all. Mee eens? Prima.
23. Ik schrijf niet omdat ...
Ik schrijf niet omdat. Dat zou veel te makkelijk zijn. Ik schrijf. Punt. Less is more. Waarom zou ik omdat moeten schrijven? Of nog erger niet omdat. Veel liever schrijf ik intrinsiek. Vanuit het schrijven zelf. Ik ben de gedachte. Ik ben het tooltje. Ik ben het middel. Ik ben de pijn, de liefde en de troost. Ik schrijf dus ik ben. Niet omdat. Nee. Gewoon. Ik schrijf. Punt. Waarom? Nee. Ook daar trap ik niet in. Net zo goed niet als in het niet waarom? En nee, een dubbele ontkenning is geen bekentenis. Een gat een holte in bekennen. Wie bekent loopt leeg. Wie ontkent houdt vast. Aan niets. Aan ont. Laten we het daar maar even op houden. Ophouden te bekennen. Ik schrijf niet omdat. Ik ben niet gek. Het waarom mag voor mij in mysterie blijven hangen. Intrinsiek. Onverklaard.
24. Aan de hemelpoort
Hé Pé, laat me eens binnen!
Oh ... en wie ben jij dan wel?
Was ... ik ben toch dood?
Dat klopt.
Wat klopt?
Laat maar zitten. Mag ik even je ID?
Heb ik niet bij me, is dat nodig dan?
Nou, je bent hier wel bij de hemel.
So what?
Zonder ID kom je hier niet binnen.
Maar Pé, it's me, your buddy.
Sorry hoor, er gaat bij mij geen belletje rinkelen.
We hebben samen nog op school gezeten?
Oh ... en waar dan?
In Methusalem.
Methusalem?
Ja, op de ambachtsschool.
Wacht nu gaat er een belletje rinkelen.
Had u iets besteld Peter?
Nu even niet Tender, ik ben even in gesprek.
We zaten samen in de klas met Jozef, ken je die niet meer?
Met Jozef, ja, maar dat is lang geleden.
Dat klopt.
Onder welke steen heb jij geleefd?
Ha, ha, eentje uit de oudheid. Hoe heet zo'n ding ook alweer? Een menhir. Ik heb er later nog een obelisk uit gehouwen. Weet je wel?
We hebben het gezien ja hiero. We lagen dubbel. Wat een lelijk ding. Maar kom binnen jongen. Ben alleen even je naam kwijt.
Judas is de naam. Maar zeg maar liever Juul. Weet je, er is nog ooit een sport naar mij vernoemd. Naar het schijnt wordt ie binnenkort op aarde opgenomen als Olympische sport. Daar ben ik best fier op.
Dat mag. Maar kom, we gaan nu eerst een borrel vatten. Dat is lang geleden. Juul, wie had dat gedacht.
Je bent niets veranderd Pé, en nog steeds portier. Je ziet er goed uit.
Dank je.
25. Wat betekent spiritualiteit?
In het bezit zijn van een dubbele spirit. Dat is spiritualiteit. Alleen zijn ze de 'd' vergeten. De 'd' van dubbel. Erg slorig. Kijk, vrijwel iedereen is in meer of mindere mate in het bezit van spirit. Een drijfveer die ons beweegt. Een vat energie dat klaar ligt om aangeboord te worden. Alleen het wordt niet altijd gedaan dat aanboren. Waarom niet? Omdat sommige mensen het vat niet vinden en omdat sommige mensen die het wel vinden niet beschikken over de juiste tool om het vat te openen en te laten bruisen. Is dat niet dubbel? Wel vinden maar er niets mee doen? Zonde. Een dikke ton spirit die op springen staat niet aanboren? Wat houdt sommigen dan tegen? Ruwe diamanten onder het stof die maar geen plumeau weten te vinden. Rijkdom in armoede. Armoedig rijk. Hoe dubbel is de spirit. Hoe duaal. Duaal? Ja, je hebt er namelijk altijd anderen voor nodig om duaal te kunnen zijn. Want die anderen die kunnen duiden op een andere kant. Andere kant? Ja, andere kant. Alles heeft meerdere kanten. Of in ieder geval een andere kant. Welke kant je ook kiest, je hebt er ook kennis van de andere kant voor nodig. Niet volledig. Want dat zou te makkelijk zijn. In ieder geval heb je wel spirit nodig om het überhaupt te kunnen onderzoeken. Wellicht wordt het nu allemaal wat zweverig. Geen paniek. Ook dat hoort bij spiritualiteit. Het is een bijwerking. Voor sommigen aangenaam voor anderen onaangenaam. Zolang je maar met beide voeten op de grond de spiritualiteit aangaat en met beide handen aangrijpt kunnen er mooie dingen gebeuren. Sommige begrijpelijk. Andere onbegrijpelijk. Het vatten zonder te vatten. Dat is toch mooi? Het verrijkt de geest en bevrijdt geesten uit de fles. Wat ergens op de bodem borrelt bruist langzaam naar boven. Trigger spirit.
26. Hoogzomer
Hoogzomer, je zult het zijn. Ergens hoog in de bergen. Top. Wel hopen dat er iemand in de buurt is. Je wil het hoogzomer zijn immers graag delen. Het kan behoorlijk pijn doen. De euforie. Dan denk je terug aan het momentum dat vooraf ging. Dat bepalend was voor jouw toestand. Want een toestand is het. Of beter gezegd kan het zijn. Niet iedereen heeft er last van. Van hoogzomer zijn. Trek in haring, last van pollen. Dramatisch gedrag. Depressieve neigingen. Ongeloof. Het kan zo maar komen aanwaaien. Over de berg, door diepe dalen. Dan is het fijn om een hand te voelen. Op je schouders, op je buik. Zeker als de hoogzomer voeten krijgt. Vat op jouw. Je langzaam leeg vreet. Explodeert. Op het hoogtepunt van de hoogzomer komt het tot een uitbarsting. Gouden regen valt uit de hemel, de sluizen gaan open. Brugwachters staan aan de kant en steken duimen op. Wie wenst wie nu succes? De pijn is haast ondraaglijk, maar je perst de lippen op elkaar. Puft hufters is het gezicht. Hoogzomer zijn is niet fijn. Koorts kruipt op je voorhoofd. Zweet spat in de ruimte. Welke idioot had deze zomerwens? Je verlangt heel even terug naar de winter. Zou het liefst weer voor de kachel willen kruipen, op een berevel, samen met de liefde van je leven. Om samen weer opnieuw hoogzomer te worden.
27. (On)afhankelijkheid
Het kind zit op de vloer en speelt (on)handig met zijn speelgoed. Moeders houdt het in de gaten. De telefoon gaat. (On)doordacht neemt ze op. Ah, ben jij het. Ja, ik ben het. (On)willekeurig gaan haar gedachten over naar de zwoele nacht die zij gisteren had. Het was fijn. Ja, het was fijn. Wil je nog een keer afspreken? Ja graag. Wanneer? Het liefst (on)middellijk. Dat kan. Waar? Bij jou of bij mij? Kom maar naar hier? Zal ik wat te eten meenemen? (On)belangrijk, ik heb alles in huis. Tot zo. Tot zo. (On)dankbaar kijkt ze naar de kleine op de vloer. Waar moet ik dat joch nu laten? (On)mogelijk op zijn kamertje, het moet maar even. De bel gaat. Daar is ie al. Dat is vlug. (On)wijs snel dropt ze de kleine op de kamer en opent de deur. Vol (on)behagen vliegt ze hem om de nek en kust hem (on)behoorlijk van top tot teen. Heerlijk voelt het om zo (on)verwacht genomen te worden, midden op de dag. (On)wijs werkt ze hem af, de (on)gelikte beer. Haar huis staat van binnen compleet ondersteboven. Haar hoogtepunt dat moet nog komen. Luttele seconden voelt ze (on)wel. Van top tot teen (on)klaar. Haast (on)gelovelijk. (On)afhankelijk geluk.
28. Waar smaakt je favoriete muziek naar?
Mijn favoriete muziek smaakt naar meer. Ik lust er wel pap van. Of soep. Met lettervermicelli. In alfabetische volgorde: Anouk, Bach, CCR, Dylan, ELO, Focus, Glitter, Hozier, Iggy, Jett, Koop, Lennon, Monk, Novastar, Otis, Prince, Quincy, Randy, Satie, Tindersticks, Ultravox, Vicky, Winehouse, XTC, Yes, ZZ Top. Zoveel smaken, zoveel soorten. Van into the mood tot rock and roll. Van klassiek tot camp. Van jazz tot hiphop. Van Strauss tot Stones.
29. De zon ging prachtig onder
De zon zien ondergaan dat is een van de mooiste ondergangen die ik ken. Soms hangt de maan dan ook in de buurt. Maar die kan natuurlijk niet tippen aan de zon. Bescheiden hangt deze dan ook meestal in nevel gehuld of achter een roze wolk. Waar je ook staat in de wijde wereld het is en blijft een mooi schouwspel. Aan zee of in de bergen geeft natuurlijk een extra meerwaarde. Of wat te denken van de woestijn. Oeps, waar is ie nou zo snel gebleven? Voordat he het zand uit de ogen hebt gewreven staan de maan en de sterren al te pronken. Een ruimtelijk metamorfose in speedtime.
Onderwater de zon zien ondergaan is ook best bijzonder. Of op de Noordpool. Wie goed luistert hoort de zon dan sissen, zodra deze de waterhorizon aanraakt. Als een spiegelei glijdt ie dan de zee in. Met tranen in de ogen word ik het gewaar. De gele zinder die met mijn pupillen stoeit. Mij plagerig in de ogen schijnt. Het enige dat je daarna blieft is een groot glas bier of witte zoete wijn. Een sangria is natuurlijk ook niet verkeerd. Daarnaast is het verkeren in goed gezelschap ook niet verkeerd. Niets mooiers dan de zon te delen met je lief.
30. Wat miste je als kind?
Mijn handschoenen natuurlijk. Altijd zaten die rotdingen ergens opgestroopt verstopt in mijn mouwen. Aan zo'n klerentouw dat dwars door je jas was getrokken. Vergeet de muts niet. Hoorde je nog iemand roepen. Ga toch weg. Ik wil naar buiten. De sneeuw in met mijn sleetje. Sneeuw? Waar is die sneeuw dan? Maakt niet uit. Hoop doet leven. Desnoods schuif ik door het natte gras. Ergens achter mijn ellebogen voel ik de wollen wanten prikken. Mijn jas zou ik uit kunnen doen. Een idee. Maar ik kijk wel uit. Veel te koud. Veel liever blaas ik af en toe op mijn handen. Die handschoenen zijn ook altijd veel te groot. Daar kun je een slee niet goed mee vastpakken. Laat staan aansturen.
De sneeuw voelt wel koud aan. Zo met blote vingers. Net als het gras. Ik schat zo in dat ze over een paar minuten gaan gloeien. Rood worden ze dan. Vuurrood. En als ik dan niet snel naar huis ga, blauw. Roodblauw. Een keer heb ik dat laten gebeuren. Daarna nooit meer. Voor mij geen vingers meer op de verwarming. Ik moet er niet aan denken. Ik mis de winter en de koude vingers. Nog steeds. De wanten nooit. Volgens mij zitten ze nog steeds in mijn jas. Verstikt in veel te smalle mouwen.
31. Jaren die vragen stellen en jaren die antwoord geven
Het jaar is weer voorbij. Een van de velen. Ik laat het achter me. Laat een nieuw maar komen. Het voorgaande jaar stelde me weinig vragen. Het waren er zo weinig dat ze makkelijk te beantwoorden waren. Ben dan ook benieuwd of het komend jaar me voor meer vragen zal stellen. Het wordt weer eens tijd dat de balans de andere kant doorslaat. Meer vragen dan antwoorden. Dat zou fijn zijn. Dat houdt je bezig. Anders is het wanneer de jaren vol met antwoord zitten. Indien antwoorden de vragen overstelpen dan wordt het een zooitje. Zoek dan maar eens een passend antwoord. Sommige jaren verlopen wat dat betreft als een verkapt multiple choice. En dan niet een multiple choice met vier, maar met zes antwoorden. Vermoeiend. Wegstrepen lukt dan niet goed. Nee, geef mij maar zes vragen zonder antwoord. Een jaar vol cryptogram. Waar na veel gepuzzel bevredigende oplossingen worden gevonden. Onbetwistbaar en eenduidig. Al is het er maar een. Er moet ook wat te raden blijven. Anders is het leven maar saai.
Hoe en wat? Zie: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Oorsprong? Zie: http://judyreeveswriter.com/guidelines-for-writing-practice
16. Telefoontje van een oude bekende
Met verbijstering hoor ik het verhaal aan. Niet een echt consistent verhaal. Ik kan er geen touw aan vastknopen. Wat opvalt zijn de associaties. Ik betrap mezelf op het zoeken naar een rode draad. Totdat ik erachter kom deze er wellicht niet is. Maar het geraaskal komt me zo bekend voor dat mijn nieuwsgierigheid het wint van de vermoeidheid van het luisteren. Er zitten ook wel zinnen tussen die mij verbazen en mij terugvoeren naar een ver verleden. Nog steeds opent het geen deuren in mijn brein. Maar ik geef niet op. Een klein fragment dan maar. Voor zover ik me herinner.
Weet je wel die ene keer daar bel ik voor. Met Carnaval de benen buiten gestoken en daarna stomdronken op de piano gespeeld op het lege plein. Wat ik je vragen wil klopt dat dan niet helemaal. Dorien lang niet meer gezien weet jij waar ze is? Ja, die met dat mantelpakje die bij de slager oude kaas bestelde. En toen kwam die rare zwarte Piet voorbij. Ja, serieus. Hartje zomer. We zijn toen met zijn allen naar de bioscoop gegaan. Ik zal het nooit meer vergeten. Wil je iets voor mij doen. Heb ik Dorien gisteren ook gevraagd. Weet je echt niet waar ze is? Ben nog met je vader op zoek gegaan naar het vinden van het lot. Dat jullie toen kwijt waren. Heb me altijd al verbaast dat je vader altijd hetzelfde eindcijfer nam. Maar om nu een heel lotnummer van buiten te kennen en dan bij hoog en laag beweren dat de jackpot gevallen is op dat nummer en dat de loterij toegeeft dat dat klopt maar helaas niet kan uitkeren omdat het lot na lang nadenken in de broek van pa zat en de 40 graden bontwas niet overleefde. Dat doet pijn. Zelfs een bloemetje ging er niet af ...
De oude bekende ratelde maar door. Frustrerend dat ik niet meer op zijn naam kon komen. Het was iets met Piet, heel lang geleden. Maar wederom kwam ik er niet tussen. Uiteindelijk de verbinding maar verbroken. Leek mij wel wijs.
17. Alles was kakkerlakbruin
We sliepen in een tent. Dat hadden we dus nooit moeten doen. Niet in die jungle. Maar we hadden weinig keus. Ik waande me heel even op een onbewoond eiland. In een aflevering Expeditie Robinson. Alleen dan zonder wedstrijd en daarmee zonder strijd. Al dagen waren we de weg kwijt. Het was dan ook best wel een groot eiland. Het grootste in het Noorden. Op een zaterdag was de bom gevallen. Hij vaagde alles weg. Behalve ons. Vijf vrienden die heel eventjes schuilden voor het weer. De woeste wind en de felle regen. Ik verbaas me nog steeds dat de toren is blijven staan. En ook het licht dat draaide nog. Verbazingwekkend. Het wierp wel vreemde kleuren over het landschap. Alles zag bruin. Kakkerlakbruin. Vies. Smerig zag het eruit. Het maakte ook dat we geen enkele honger hadden. Dagen lang beten we op een houtje. Maar dat liever dan een hap nemen uit kakkerlakbruin. Nu was het tijd de tent af te breken en verder te gaan. Met een beetje mazzel konden we het eiland nu in een keer nemen. Het bood het meeste perspectief op redding. Tenzij de redding niet nabij was. Maar daar hadden wij natuurlijk niets over te zeggen. De envelop zouden wij nooit openmaken. Ammenooitniet.
18. Jojo
De zinnen kwamen al snel teruggerold. De woorden hechtten aan het touwtje. Gelijk een jojo. Maar dan in omgekeerde volgorde. Volgorde omgekeerde in dan maar. Jojo een gelijk. Touwtje het aan hechtten woorden de. Teruggerold snel al kwamen zinnen de.
Ik knipte de zinnen in het midden snel door midden. En herhaalde de oefening. Het jojo-effect kwam daarmee extra tot zijn recht. Hoe krom ook. Ik husselde de stukjes door elkaar en bouwde een nieuw verhaal. Maar wel met een vast concept. Aan herhaling had ik een gruwelijke hekel. Eigenlijk hield ik helemaal niet van gejojo. Maar een beetje structuur kon geen kwaad.
De zinnen. De woorden. Kwamen al snel teruggerold. Hechtten aan het touwtje. Gelijk. Maar dan in. Een jojo omgekeerde volgorde. Volgorde omgekeerde jojo een. In dan maar. Gelijk. Touwtje aan het hechtten. Teruggerold snel al kwamen. Woorden de. Zinnen de.
19. Wie geboekt heeft, moet verschijnen
De schrijver had eindelijk geboekt. Niet een boek. Nee, drie maar liefst. Het was hem uitstekend bevallen het boeken. Tegen het eerste boek had hij enorm opgezien. Maar het tweede rolde zowaar in honderd stukjes uit zijn pen. In het derde groef de schrijver zich autobio. Trots had hij de boeken voorzien van een mooie voor- en achterkant. Met naald en draad had ie alles aan elkaar gebonden. In zij. Euforie alle boeken aan elkaar. Dat was niet slim. Hij schaarde zijn boeken zachtjes van elkaar en begon opnieuw te naaien. Hij zorgde ervoor dat de boeken niet meer bij elkaar lagen. Het was wel een beetje lastig dat de bladzijden nu al gaatjes hadden. Het papier dat de schrijver had gebruikt was van lage kwaliteit en dus kwetsbaar. Met grote zorgvuldig- en voorzichtigheid moesten naald en draad door de bestaande gaatjes geregen worden. Een monnikenwerk. Maar het loonde de moeite. Iedere dag zorgde de schrijver voor een nieuwe oplage van drie. De drie-eenheid was heilig voor hem. Zo bracht de schrijver zijn boeken dagelijks naar drie boekenwinkels. Hij hoopte dan tevens dat er op de toonbank geen boeken meer van hem lagen. Dat was dan een goed teken. Die waren dan verkocht. Kassa. Of hij even mocht vangen. De schrijver was trouw aan zijn boeken en zijn boekenwinkels. Hij verscheen iedere dag.
20. Daar zou ik nooit over schrijven
Alle onderwerpen waren op. Wat nu? Hoe kon de schrijver in hemelsnaam verder met zijn vak. Waar moest hij over schrijven, zonder onderwerp. Taalkundig kon het al helemaal niet. Probeer maar eens een verhaal te schrijven zonder onderwerp. Dat gaat nergens over. En ergens moet het toch wel over gaan. Wie leest anders zij. Werk? Niemand toch? En schrijven doet de schrijver nooit voor niemand. Een schrijver schrijft aan od voor iemand. Altijd. Desnoods aan of voor zichzelf. Aan of voor anderen schrijven is natuurlijk honderd, wat zeg ik, duizend keer leuker. Maar dan moet het wel ergens over gaan toch? Lang, heel lang dacht de schrijver na. Hij pijnigde zijn hersens en kroop door alle holen en keek achter iedere deur in zijn hersenpan. Had hij daadwerkelijk over alles al geschreven? Dat was niet mogelijk. Op herhaling wilde hij niet. Een nieuw sausje over een oud verhaal ook niet. Dat was hem zijn eer te na. Maar wacht eens even. Wacht. Nee, dat ligt toch veel te simpel voor de hand? Het is niet waar? Maar natuurlijk. Ik moet nog schrijven over Daar. Helemaal vergeten. Het meisje dat laatst loos was, Daar.
21. De draak van de rouw
Hij brulde het uit van pijn. Wat een verdriet. Drakenverdriet. Nog nooit was de draak zo verliefd geweest. En nog nooit was de draak zo in de steek gelaten. Eigenlijk was zijn geliefde een draak van een draak. Maar hee, liefde maakt blind, toch? De draak stak zijn verdriet niet onder stoelen of banken, dat mag duidelijk zijn. Niet alleen kwamen er meterslange vlammen uit zijn neus, nee, ook zijn drakenstekels stonden loodrecht omhoog. Hoed u dan voor de draak, mesdames et messieurs, als drakenstekels op ontploffen staan dan zijn hemel en aarde te klein. Ik noem maar wat. U begrijpt wel wat ik wil uitdrukken, duidelijk wil maken. Zaak is het nu om de pijn weg te nemen van onze draak. Maar hoe? Het drakenmeisje waar hij zo verliefd op was was allang met de Noorderzon vertrokken. De maan scheen halfslachtig wat de stemming er niet bepaald beter op maakte. Intussen had de sluiswachter de sluis al botenwijd opengezet. Niet voor de boten maar voor de tranen die uit de drakenogen biggelden. Een overstroming kon het drakendorp op dit moment niet goed gebruiken. Het dorp maakte zich namelijk op voor het grote drakenfeest dat zevenjaarlijks gehouden werd. De stortvloed aan tranen zou het decor in gevaar kunnen brengen. En om in no time een nieuw kasteel te bouwen dat zagen de drakenbewoners niet zitten. Het drakenmeisje moest niet zo moeilijk doen en zich opofferen voor het feest. Acuut werd de snelste draak verzocht een brief af te leveren bij de Noorderzon. Het was nu wachten op een teken van berouw. Berouw van een drakenvrouw voor een drakenman in rouw.
22. Wie zou je bellen als je de loterij won?
Met de baas van Ziggo natuurlijk. Afhankelijk van het bedrag dat ik zou winnen uiteraard. Een miljard is tegenwoordig al haalbaar. Dan kom ik dicht in de buurt van overname. Uitkopen zou ik de baas en de hele Ziggo handel. En deze zou ik dan weer doorverkopen aan XS4all. Nadat ik eerst alle autoriteiten en waakhonden die mogelijk dwars kunnen liggen bij aankoop omgekocht had. Met oogverblindend geld en exclusieve biefstuk, van de haas desnoods.
Waarom? Gewoon omdat het kan. Hoe vaak ze mij niet hebben lastig gevallen. Die Ziggomonsters. Ik betaal ze. Met gelijke munt terug. Nou nee, niet met gelijke munt. Met veel minder munt. Ik krijg nog heel wat munten van hen terug. Voor al die momenten dat ik niet online kon gaan en geen verbinding kreeg. Ontmantelen die business en onderbrengen bij hun concurrent. En liefst meteen de beste. XS4all. Mee eens? Prima.
23. Ik schrijf niet omdat ...
Ik schrijf niet omdat. Dat zou veel te makkelijk zijn. Ik schrijf. Punt. Less is more. Waarom zou ik omdat moeten schrijven? Of nog erger niet omdat. Veel liever schrijf ik intrinsiek. Vanuit het schrijven zelf. Ik ben de gedachte. Ik ben het tooltje. Ik ben het middel. Ik ben de pijn, de liefde en de troost. Ik schrijf dus ik ben. Niet omdat. Nee. Gewoon. Ik schrijf. Punt. Waarom? Nee. Ook daar trap ik niet in. Net zo goed niet als in het niet waarom? En nee, een dubbele ontkenning is geen bekentenis. Een gat een holte in bekennen. Wie bekent loopt leeg. Wie ontkent houdt vast. Aan niets. Aan ont. Laten we het daar maar even op houden. Ophouden te bekennen. Ik schrijf niet omdat. Ik ben niet gek. Het waarom mag voor mij in mysterie blijven hangen. Intrinsiek. Onverklaard.
24. Aan de hemelpoort
Hé Pé, laat me eens binnen!
Oh ... en wie ben jij dan wel?
Was ... ik ben toch dood?
Dat klopt.
Wat klopt?
Laat maar zitten. Mag ik even je ID?
Heb ik niet bij me, is dat nodig dan?
Nou, je bent hier wel bij de hemel.
So what?
Zonder ID kom je hier niet binnen.
Maar Pé, it's me, your buddy.
Sorry hoor, er gaat bij mij geen belletje rinkelen.
We hebben samen nog op school gezeten?
Oh ... en waar dan?
In Methusalem.
Methusalem?
Ja, op de ambachtsschool.
Wacht nu gaat er een belletje rinkelen.
Had u iets besteld Peter?
Nu even niet Tender, ik ben even in gesprek.
We zaten samen in de klas met Jozef, ken je die niet meer?
Met Jozef, ja, maar dat is lang geleden.
Dat klopt.
Onder welke steen heb jij geleefd?
Ha, ha, eentje uit de oudheid. Hoe heet zo'n ding ook alweer? Een menhir. Ik heb er later nog een obelisk uit gehouwen. Weet je wel?
We hebben het gezien ja hiero. We lagen dubbel. Wat een lelijk ding. Maar kom binnen jongen. Ben alleen even je naam kwijt.
Judas is de naam. Maar zeg maar liever Juul. Weet je, er is nog ooit een sport naar mij vernoemd. Naar het schijnt wordt ie binnenkort op aarde opgenomen als Olympische sport. Daar ben ik best fier op.
Dat mag. Maar kom, we gaan nu eerst een borrel vatten. Dat is lang geleden. Juul, wie had dat gedacht.
Je bent niets veranderd Pé, en nog steeds portier. Je ziet er goed uit.
Dank je.
25. Wat betekent spiritualiteit?
In het bezit zijn van een dubbele spirit. Dat is spiritualiteit. Alleen zijn ze de 'd' vergeten. De 'd' van dubbel. Erg slorig. Kijk, vrijwel iedereen is in meer of mindere mate in het bezit van spirit. Een drijfveer die ons beweegt. Een vat energie dat klaar ligt om aangeboord te worden. Alleen het wordt niet altijd gedaan dat aanboren. Waarom niet? Omdat sommige mensen het vat niet vinden en omdat sommige mensen die het wel vinden niet beschikken over de juiste tool om het vat te openen en te laten bruisen. Is dat niet dubbel? Wel vinden maar er niets mee doen? Zonde. Een dikke ton spirit die op springen staat niet aanboren? Wat houdt sommigen dan tegen? Ruwe diamanten onder het stof die maar geen plumeau weten te vinden. Rijkdom in armoede. Armoedig rijk. Hoe dubbel is de spirit. Hoe duaal. Duaal? Ja, je hebt er namelijk altijd anderen voor nodig om duaal te kunnen zijn. Want die anderen die kunnen duiden op een andere kant. Andere kant? Ja, andere kant. Alles heeft meerdere kanten. Of in ieder geval een andere kant. Welke kant je ook kiest, je hebt er ook kennis van de andere kant voor nodig. Niet volledig. Want dat zou te makkelijk zijn. In ieder geval heb je wel spirit nodig om het überhaupt te kunnen onderzoeken. Wellicht wordt het nu allemaal wat zweverig. Geen paniek. Ook dat hoort bij spiritualiteit. Het is een bijwerking. Voor sommigen aangenaam voor anderen onaangenaam. Zolang je maar met beide voeten op de grond de spiritualiteit aangaat en met beide handen aangrijpt kunnen er mooie dingen gebeuren. Sommige begrijpelijk. Andere onbegrijpelijk. Het vatten zonder te vatten. Dat is toch mooi? Het verrijkt de geest en bevrijdt geesten uit de fles. Wat ergens op de bodem borrelt bruist langzaam naar boven. Trigger spirit.
26. Hoogzomer
Hoogzomer, je zult het zijn. Ergens hoog in de bergen. Top. Wel hopen dat er iemand in de buurt is. Je wil het hoogzomer zijn immers graag delen. Het kan behoorlijk pijn doen. De euforie. Dan denk je terug aan het momentum dat vooraf ging. Dat bepalend was voor jouw toestand. Want een toestand is het. Of beter gezegd kan het zijn. Niet iedereen heeft er last van. Van hoogzomer zijn. Trek in haring, last van pollen. Dramatisch gedrag. Depressieve neigingen. Ongeloof. Het kan zo maar komen aanwaaien. Over de berg, door diepe dalen. Dan is het fijn om een hand te voelen. Op je schouders, op je buik. Zeker als de hoogzomer voeten krijgt. Vat op jouw. Je langzaam leeg vreet. Explodeert. Op het hoogtepunt van de hoogzomer komt het tot een uitbarsting. Gouden regen valt uit de hemel, de sluizen gaan open. Brugwachters staan aan de kant en steken duimen op. Wie wenst wie nu succes? De pijn is haast ondraaglijk, maar je perst de lippen op elkaar. Puft hufters is het gezicht. Hoogzomer zijn is niet fijn. Koorts kruipt op je voorhoofd. Zweet spat in de ruimte. Welke idioot had deze zomerwens? Je verlangt heel even terug naar de winter. Zou het liefst weer voor de kachel willen kruipen, op een berevel, samen met de liefde van je leven. Om samen weer opnieuw hoogzomer te worden.
27. (On)afhankelijkheid
Het kind zit op de vloer en speelt (on)handig met zijn speelgoed. Moeders houdt het in de gaten. De telefoon gaat. (On)doordacht neemt ze op. Ah, ben jij het. Ja, ik ben het. (On)willekeurig gaan haar gedachten over naar de zwoele nacht die zij gisteren had. Het was fijn. Ja, het was fijn. Wil je nog een keer afspreken? Ja graag. Wanneer? Het liefst (on)middellijk. Dat kan. Waar? Bij jou of bij mij? Kom maar naar hier? Zal ik wat te eten meenemen? (On)belangrijk, ik heb alles in huis. Tot zo. Tot zo. (On)dankbaar kijkt ze naar de kleine op de vloer. Waar moet ik dat joch nu laten? (On)mogelijk op zijn kamertje, het moet maar even. De bel gaat. Daar is ie al. Dat is vlug. (On)wijs snel dropt ze de kleine op de kamer en opent de deur. Vol (on)behagen vliegt ze hem om de nek en kust hem (on)behoorlijk van top tot teen. Heerlijk voelt het om zo (on)verwacht genomen te worden, midden op de dag. (On)wijs werkt ze hem af, de (on)gelikte beer. Haar huis staat van binnen compleet ondersteboven. Haar hoogtepunt dat moet nog komen. Luttele seconden voelt ze (on)wel. Van top tot teen (on)klaar. Haast (on)gelovelijk. (On)afhankelijk geluk.
28. Waar smaakt je favoriete muziek naar?
Mijn favoriete muziek smaakt naar meer. Ik lust er wel pap van. Of soep. Met lettervermicelli. In alfabetische volgorde: Anouk, Bach, CCR, Dylan, ELO, Focus, Glitter, Hozier, Iggy, Jett, Koop, Lennon, Monk, Novastar, Otis, Prince, Quincy, Randy, Satie, Tindersticks, Ultravox, Vicky, Winehouse, XTC, Yes, ZZ Top. Zoveel smaken, zoveel soorten. Van into the mood tot rock and roll. Van klassiek tot camp. Van jazz tot hiphop. Van Strauss tot Stones.
29. De zon ging prachtig onder
De zon zien ondergaan dat is een van de mooiste ondergangen die ik ken. Soms hangt de maan dan ook in de buurt. Maar die kan natuurlijk niet tippen aan de zon. Bescheiden hangt deze dan ook meestal in nevel gehuld of achter een roze wolk. Waar je ook staat in de wijde wereld het is en blijft een mooi schouwspel. Aan zee of in de bergen geeft natuurlijk een extra meerwaarde. Of wat te denken van de woestijn. Oeps, waar is ie nou zo snel gebleven? Voordat he het zand uit de ogen hebt gewreven staan de maan en de sterren al te pronken. Een ruimtelijk metamorfose in speedtime.
Onderwater de zon zien ondergaan is ook best bijzonder. Of op de Noordpool. Wie goed luistert hoort de zon dan sissen, zodra deze de waterhorizon aanraakt. Als een spiegelei glijdt ie dan de zee in. Met tranen in de ogen word ik het gewaar. De gele zinder die met mijn pupillen stoeit. Mij plagerig in de ogen schijnt. Het enige dat je daarna blieft is een groot glas bier of witte zoete wijn. Een sangria is natuurlijk ook niet verkeerd. Daarnaast is het verkeren in goed gezelschap ook niet verkeerd. Niets mooiers dan de zon te delen met je lief.
30. Wat miste je als kind?
Mijn handschoenen natuurlijk. Altijd zaten die rotdingen ergens opgestroopt verstopt in mijn mouwen. Aan zo'n klerentouw dat dwars door je jas was getrokken. Vergeet de muts niet. Hoorde je nog iemand roepen. Ga toch weg. Ik wil naar buiten. De sneeuw in met mijn sleetje. Sneeuw? Waar is die sneeuw dan? Maakt niet uit. Hoop doet leven. Desnoods schuif ik door het natte gras. Ergens achter mijn ellebogen voel ik de wollen wanten prikken. Mijn jas zou ik uit kunnen doen. Een idee. Maar ik kijk wel uit. Veel te koud. Veel liever blaas ik af en toe op mijn handen. Die handschoenen zijn ook altijd veel te groot. Daar kun je een slee niet goed mee vastpakken. Laat staan aansturen.
De sneeuw voelt wel koud aan. Zo met blote vingers. Net als het gras. Ik schat zo in dat ze over een paar minuten gaan gloeien. Rood worden ze dan. Vuurrood. En als ik dan niet snel naar huis ga, blauw. Roodblauw. Een keer heb ik dat laten gebeuren. Daarna nooit meer. Voor mij geen vingers meer op de verwarming. Ik moet er niet aan denken. Ik mis de winter en de koude vingers. Nog steeds. De wanten nooit. Volgens mij zitten ze nog steeds in mijn jas. Verstikt in veel te smalle mouwen.
31. Jaren die vragen stellen en jaren die antwoord geven
Het jaar is weer voorbij. Een van de velen. Ik laat het achter me. Laat een nieuw maar komen. Het voorgaande jaar stelde me weinig vragen. Het waren er zo weinig dat ze makkelijk te beantwoorden waren. Ben dan ook benieuwd of het komend jaar me voor meer vragen zal stellen. Het wordt weer eens tijd dat de balans de andere kant doorslaat. Meer vragen dan antwoorden. Dat zou fijn zijn. Dat houdt je bezig. Anders is het wanneer de jaren vol met antwoord zitten. Indien antwoorden de vragen overstelpen dan wordt het een zooitje. Zoek dan maar eens een passend antwoord. Sommige jaren verlopen wat dat betreft als een verkapt multiple choice. En dan niet een multiple choice met vier, maar met zes antwoorden. Vermoeiend. Wegstrepen lukt dan niet goed. Nee, geef mij maar zes vragen zonder antwoord. Een jaar vol cryptogram. Waar na veel gepuzzel bevredigende oplossingen worden gevonden. Onbetwistbaar en eenduidig. Al is het er maar een. Er moet ook wat te raden blijven. Anders is het leven maar saai.
21-09-2015
Het meisje met de blauwe pet (5)
Mijn geduld werd uiteindelijk beloond. Vanuit Gouda reed de trein naar Schoonhoven en daar zat ze weer. Betsy. Mijn Betsy. Aan het raam en ze keek me aan, doordringend, vol verlangen. Dat is wat ik zag. Ze zwaaide en draaide haar gezicht naar me toe vanaf het moment dat de trein aan mijn gezichtsveld voorbij vloog. Was dit nu toeval? Of een moment van waarheid, van ware aard en ware liefde. De coup de foudre sloeg weer in. Maar nu anders. Beduidender. Dit was een moment om vast te houden. Een moment dat om actie vroeg. En weer legde Betsy haar hand tegen haar oor. Ik moest bellen. Maar hoe? Ik had immers geen telefoon. Een ding was zeker. Ik moest zo snel mogelijk telefoon regelen.
Verheugd reed ik terug naar huis. Ik had haar weer gezien. Het was mooi weer. De zon scheen. In mijn hoofd gingen de radertjes te keer. Ik probeerde mijn aandacht bij het fietsen te houden want mijn hart leek het even niet te houden. Waarom wordt het hoofd en hart toch zo beroerd bij het aanzien van een mooie deerne? Betsy had geen blauwe pet meer op. Bij mij zat de pet des te hoger. Het blauwe overgooiertje dat ze aan had stond haar echter ook schattig. Dat had ik in de gauwigheid wel gespot. Mijn gedachte maakte overuren. Ik probeerde het aantal omwentelingen van mijn voorwiel te tellen. Een welkome afleiding die ik niet lang volhield. Het ventiel flitste te vaak voorbij en ik raakte al snel de tel kwijt.
Ik keek op mijn horloge. Het was vroeg in de middag. Mijn besluit om naar huis te fietsen had ik geparkeerd. Ik moest en ik zou nu telefoon regelen. Waar zou ik toch kunnen bellen? Ik besloot niet naar huis te fietsen maar naar Schoonhoven. Misschien stapte Betsy daar wel uit. Het telefoonnummer dat ze mij gegeven had kwam ook uit Schoonhoven. Ik trapte nu flink door. In de verte zag ik al het klooster Sint Michiel liggen. Ik naderde dus spoedig station den Hem. Dan was Schoonhoven niet ver meer weg. Wacht eens even. Maar dat was natuurlijk een goed idee. Het klooster Sint Michiel, dat beschikte vast over een telefoon. De Franciscaner moesten toch af en toe ook bestellingen doen. En deze orde kende de zwijgplicht. Een ideale plek dus om liefdesbanden stiekem aan te gaan.
Met het idee vers in mijn hoofd gaf ik de pedalen nog meer kracht. Totdat ik bijna van mijn fiets viel. Niet omdat er iets op de weg lag waar mijn fiets over struikelde. Nee, omdat ik zelf plots in de handrem kneep. Van verbazing en schrik. Daar stond namelijk vlak voor station den Hem de trein stil, bevroren in het landschap. De trein met Betsy. Snel zocht ik de coupé op waar Betsy moest zitten. Waarom stond de trein überhaupt stil, zo vlak voor het station? De mensen in de trein zaten wat beduusd uit de raam te staren. Zo ook Betsy. Totdat ik in haar gezichtsveld stond.
Liefdesvonken sprongen over. Tegenover Betsy zat een oude man met een kaal hoofd en een blauw grijs gestreepte trui. Hij keek Betsy en mij afwisselend aan. Waarom ik dat zag is mij een raadsel. Misschien wilde ik alles wat zich in de omgeving van mijn Betsy bevond in mijn hoofd opnemen. Waakzaam vastleggen, als een grote geheugenfoto. Het was hoe dan ook een vreemde situatie. Voor iedereen. De man eiste plots de aandacht op van Betsy. Wie was die man? Hij was voorover gebogen en had de hand op haar schouder gelegd. Kende hij Betsy? Ze schrok en wilde het raampje van haar treincoupé opendraaien. Maar de man tegenover haar belette dat. Wat wilde Betsy mij vertellen? Bramenstruiken tussen het spoor en het fietspad belette mij om naar de trein te lopen. Deze situatie vroeg om actie. Maar welke?
Verheugd reed ik terug naar huis. Ik had haar weer gezien. Het was mooi weer. De zon scheen. In mijn hoofd gingen de radertjes te keer. Ik probeerde mijn aandacht bij het fietsen te houden want mijn hart leek het even niet te houden. Waarom wordt het hoofd en hart toch zo beroerd bij het aanzien van een mooie deerne? Betsy had geen blauwe pet meer op. Bij mij zat de pet des te hoger. Het blauwe overgooiertje dat ze aan had stond haar echter ook schattig. Dat had ik in de gauwigheid wel gespot. Mijn gedachte maakte overuren. Ik probeerde het aantal omwentelingen van mijn voorwiel te tellen. Een welkome afleiding die ik niet lang volhield. Het ventiel flitste te vaak voorbij en ik raakte al snel de tel kwijt.
Ik keek op mijn horloge. Het was vroeg in de middag. Mijn besluit om naar huis te fietsen had ik geparkeerd. Ik moest en ik zou nu telefoon regelen. Waar zou ik toch kunnen bellen? Ik besloot niet naar huis te fietsen maar naar Schoonhoven. Misschien stapte Betsy daar wel uit. Het telefoonnummer dat ze mij gegeven had kwam ook uit Schoonhoven. Ik trapte nu flink door. In de verte zag ik al het klooster Sint Michiel liggen. Ik naderde dus spoedig station den Hem. Dan was Schoonhoven niet ver meer weg. Wacht eens even. Maar dat was natuurlijk een goed idee. Het klooster Sint Michiel, dat beschikte vast over een telefoon. De Franciscaner moesten toch af en toe ook bestellingen doen. En deze orde kende de zwijgplicht. Een ideale plek dus om liefdesbanden stiekem aan te gaan.
Met het idee vers in mijn hoofd gaf ik de pedalen nog meer kracht. Totdat ik bijna van mijn fiets viel. Niet omdat er iets op de weg lag waar mijn fiets over struikelde. Nee, omdat ik zelf plots in de handrem kneep. Van verbazing en schrik. Daar stond namelijk vlak voor station den Hem de trein stil, bevroren in het landschap. De trein met Betsy. Snel zocht ik de coupé op waar Betsy moest zitten. Waarom stond de trein überhaupt stil, zo vlak voor het station? De mensen in de trein zaten wat beduusd uit de raam te staren. Zo ook Betsy. Totdat ik in haar gezichtsveld stond.
Liefdesvonken sprongen over. Tegenover Betsy zat een oude man met een kaal hoofd en een blauw grijs gestreepte trui. Hij keek Betsy en mij afwisselend aan. Waarom ik dat zag is mij een raadsel. Misschien wilde ik alles wat zich in de omgeving van mijn Betsy bevond in mijn hoofd opnemen. Waakzaam vastleggen, als een grote geheugenfoto. Het was hoe dan ook een vreemde situatie. Voor iedereen. De man eiste plots de aandacht op van Betsy. Wie was die man? Hij was voorover gebogen en had de hand op haar schouder gelegd. Kende hij Betsy? Ze schrok en wilde het raampje van haar treincoupé opendraaien. Maar de man tegenover haar belette dat. Wat wilde Betsy mij vertellen? Bramenstruiken tussen het spoor en het fietspad belette mij om naar de trein te lopen. Deze situatie vroeg om actie. Maar welke?
14-09-2015
Het meisje met de blauwe pet (4)
Ik was toch wel danig in de war van de gebeurtenissen aan het spoor. Het besef drong nu pas tot me door hoe verliefd ik eigenlijk was geworden. Gewoon op een meisje met een blauwe pet. Een coup de foudre. Een eenvoudige oogopslag. Bliksemcontact. Het was niets voor mij. Zo’n plotselinge verliefdheid. Meestal duurde het weken, maanden voordat ik ook maar toegaf aan enig gevoel van verliefdheid. En nu pats boem, in een keer sloeg het toe. Ik bleef echter voorzichtig. Wilde mezelf geen rad voor ogen draaien, want wat als het niet wederzijds was. Onzin, riep een stemmetje diep van binnen. Ze gaf jou toch een vlieger, een papieren vlieger met telefoonnummer.
‘Maar wat wilt u precies weten?’, vroeg de postkantoorbeambte. ‘U wilt weten waar het netnummer 018 vandaan komt? Naar aanleiding van een telefoonnummer waarvan u zegt dat u het gevonden heeft op een papieren vlieger? U kunt het toch gewoon bellen, dat telefoonnummer?’
Tot zover een moeizame conversatie die plaats had op het postkantoor. De goede man had gelijk. Waarom zou ik niet gewoon bellen. Maar nee, ik koesterde mijn vlinders. Ik wilde eerst wat meer zekerheid. Niet beginnen aan een onbegonnen missie. Ik was al zo vaak teleurgesteld.
‘Wel meneer. Ik heb het even opgezocht. Uw telefoonnummer komt uit Schoonhoven’.
Boink … ineens viel er heel wat op zijn plek. Ook de vlinders hielden heel even op met fladderen. Dit was realiteit. Betsy woonde in Schoonhoven! Vlak in de buurt. Wist ik veel dat het netnummer uit Schoonhoven kwam. Wij hadden thuis geen telefoon. Eigenlijk had bijna niemand bij ons in het dorp telefoon. In en naar Ammerstol werd nooit gebeld. Niemand wist het te liggen. En de contacten in het dorp verliepen allemaal op straat of binnenshuis. Via korte lijntjes. Niet door de lucht. Nergens voor nodig.
God wat was ik blij. Er stond een naam, een telefoonnummer en een brede, hele brede glimlach in mijn hersenpan gegrift. Dromend vloog ik op mijn fiets terug naar Ammerstol, gedragen en voortgedreven door zalige gedachten.
Intussen knaagde ik op een plan van aanpak. Het knagen werd bij thuiskomst broeden. Broeden op bed. Het broeden op bed werd al snel plafond staren. Over het witte plafond gleden beeltenissen van Betsy. Mijn Betsy. Steeds ondeugender. Dat kon niet, dat mocht niet. Ik moest bellen. Hoe dan ook! Maar wanneer en met welke telefoon. Wij hadden geen telefoon.
Dagen dacht ik na. En iedere dag fietste ik een flink stuk langs naast het spoor. Allemaal in de hoop nog eens een glimp op te vangen. Ze was heen gegaan, mijn Betsy, maar ze kwam ongetwijfeld een keer terug. Vijf keer per dag ging er een trein van Gouda naar Schoonhoven en vice versa. Dat had ik inmiddels op slinkse wijze nagevraagd in het dorp. Bij een van de betrouwbaarste bewoners. De dorpsgek. Die wist mij gek genoeg te vertellen hoe vaak en hoe laat de trein voorbij kwam.
Drie dagen achter elkaar wachtte ik langs het spoor. Op diverse tijdstippen. Vijf keer aan het ene kant van het spoor en vijf keer aan het andere. Op dezelfde plek als waar ik Betsy voor het eerst gezien had. In al mijn verliefd bijgeloof hoopte ik haar nog een keer te zien. Bijna, bijna was ik het spoor bijster, bijna gaf ik het op, totdat …
‘Maar wat wilt u precies weten?’, vroeg de postkantoorbeambte. ‘U wilt weten waar het netnummer 018 vandaan komt? Naar aanleiding van een telefoonnummer waarvan u zegt dat u het gevonden heeft op een papieren vlieger? U kunt het toch gewoon bellen, dat telefoonnummer?’
Tot zover een moeizame conversatie die plaats had op het postkantoor. De goede man had gelijk. Waarom zou ik niet gewoon bellen. Maar nee, ik koesterde mijn vlinders. Ik wilde eerst wat meer zekerheid. Niet beginnen aan een onbegonnen missie. Ik was al zo vaak teleurgesteld.
‘Wel meneer. Ik heb het even opgezocht. Uw telefoonnummer komt uit Schoonhoven’.
Boink … ineens viel er heel wat op zijn plek. Ook de vlinders hielden heel even op met fladderen. Dit was realiteit. Betsy woonde in Schoonhoven! Vlak in de buurt. Wist ik veel dat het netnummer uit Schoonhoven kwam. Wij hadden thuis geen telefoon. Eigenlijk had bijna niemand bij ons in het dorp telefoon. In en naar Ammerstol werd nooit gebeld. Niemand wist het te liggen. En de contacten in het dorp verliepen allemaal op straat of binnenshuis. Via korte lijntjes. Niet door de lucht. Nergens voor nodig.
God wat was ik blij. Er stond een naam, een telefoonnummer en een brede, hele brede glimlach in mijn hersenpan gegrift. Dromend vloog ik op mijn fiets terug naar Ammerstol, gedragen en voortgedreven door zalige gedachten.
Intussen knaagde ik op een plan van aanpak. Het knagen werd bij thuiskomst broeden. Broeden op bed. Het broeden op bed werd al snel plafond staren. Over het witte plafond gleden beeltenissen van Betsy. Mijn Betsy. Steeds ondeugender. Dat kon niet, dat mocht niet. Ik moest bellen. Hoe dan ook! Maar wanneer en met welke telefoon. Wij hadden geen telefoon.
Dagen dacht ik na. En iedere dag fietste ik een flink stuk langs naast het spoor. Allemaal in de hoop nog eens een glimp op te vangen. Ze was heen gegaan, mijn Betsy, maar ze kwam ongetwijfeld een keer terug. Vijf keer per dag ging er een trein van Gouda naar Schoonhoven en vice versa. Dat had ik inmiddels op slinkse wijze nagevraagd in het dorp. Bij een van de betrouwbaarste bewoners. De dorpsgek. Die wist mij gek genoeg te vertellen hoe vaak en hoe laat de trein voorbij kwam.
Drie dagen achter elkaar wachtte ik langs het spoor. Op diverse tijdstippen. Vijf keer aan het ene kant van het spoor en vijf keer aan het andere. Op dezelfde plek als waar ik Betsy voor het eerst gezien had. In al mijn verliefd bijgeloof hoopte ik haar nog een keer te zien. Bijna, bijna was ik het spoor bijster, bijna gaf ik het op, totdat …
06-09-2015
Het meisje met de blauwe pet (3)
Het jongetje gooide de vlieger telkenmale in de lucht en rende er dan vlug achteraan. Hij had mij niet in de gaten. Hoe kon ik dit nu tactisch aanpakken? Ik moest snel handelen. Voor hetzelfde geld gooide het jongetje de papieren vlieger keihard weg en belandde het in het weiland met koeien dat pal aan de weg lag. Ik zag mezelf bepaald nu niet, een twee drie, het kleine slootje overspringen en midden in een wei landen met zwartbonte koeien. Er waren ook grenzen aan mijn nieuwsgierigheid. En veel erger nog. Mijn grote angst voor koeien zou mij weerhouden van een heldendaad. Ondanks de idee dat liefde mogelijk vleugels geeft.
Wat had het meisje met de blauwe pet nu in de vleugels van het papieren vliegtuigje geschreven? Dat wilde ik dolgraag weten. Het jongetje maakte er gelukkig geen enkel probleem van toen ik hem vroeg of ik ook eens met zijn vliegtuigje mocht gooien. Zolang ik hem zijn vliegtuigje maar teruggaf. Hij had het zojuist eerlijk gevonden. Het jongetje zal wel gedacht hebben: Wat een vreemde man? Dat die nog met papieren vliegtuigjes speelt?
Met een vlugge blik in de vleugels zag ik een telefoonnummer staan. En een naam. De naam kon ik nog wel onthouden. Maar het telefoonnummer? Gelukkig had het maar acht cijfers. Na twee keer gooien met het vliegtuigje had ik het nummer en de naam tussen mijn oren opgeslagen. Voor de eeuwigheid. Betsy 018-205443. Als dat geen toeval was. Betsy! Daar had ik zojuist nog aan gedacht. Het schoot me meteen weer te binnen. Dat was de naam van Jenny Arean uit die televisieserie. Zeker weten. Niet te geloven.
Tussen de vleugels had ik ook nog een klein hartje gespot. Wat lief van Betsy. Een kriebelhartje dat onder in de punt een beetje uitschoot. Het was snel opgetekend, dat kon je zien. Voor mij was het echter het mooiste hart dat ik ooit gezien had. Het deed mijn eigen hart bonken.
Ik bedankte het jongetje en stapte blij op mijn fiets richting thuis, met mijn hoofd in de wolken. Even had ik nog getwijfeld om te vragen aan het jongetje om het vliegtuigje aan mij te geven. Vanwege de boodschap. Maar hé, leg dat maar eens uit aan een klein jongetje, zo’n boodschap. Het eerste wat ik deed bij thuiskomst was vlug de naam en het nummer opschrijven. 018? Waar zou dat nu zijn? Al was het in Lutjebroek of Kamtjatka (zeer onwaarschijnlijk), het maakte niet uit, ik moest en zou het weten. Vlug fietste ik naar het postkantoor in het dorp. Het postkantoor had alle telefoongidsen van Nederland, gebundeld in een grote telefoonruimte hangen. Dat wist ik zeker. Nu maar duimen dat het in de buurt van Schoonhoven was. En anders wist de postkantoorbeambte mij ook wel te helpen.
Wat had het meisje met de blauwe pet nu in de vleugels van het papieren vliegtuigje geschreven? Dat wilde ik dolgraag weten. Het jongetje maakte er gelukkig geen enkel probleem van toen ik hem vroeg of ik ook eens met zijn vliegtuigje mocht gooien. Zolang ik hem zijn vliegtuigje maar teruggaf. Hij had het zojuist eerlijk gevonden. Het jongetje zal wel gedacht hebben: Wat een vreemde man? Dat die nog met papieren vliegtuigjes speelt?
Met een vlugge blik in de vleugels zag ik een telefoonnummer staan. En een naam. De naam kon ik nog wel onthouden. Maar het telefoonnummer? Gelukkig had het maar acht cijfers. Na twee keer gooien met het vliegtuigje had ik het nummer en de naam tussen mijn oren opgeslagen. Voor de eeuwigheid. Betsy 018-205443. Als dat geen toeval was. Betsy! Daar had ik zojuist nog aan gedacht. Het schoot me meteen weer te binnen. Dat was de naam van Jenny Arean uit die televisieserie. Zeker weten. Niet te geloven.
Tussen de vleugels had ik ook nog een klein hartje gespot. Wat lief van Betsy. Een kriebelhartje dat onder in de punt een beetje uitschoot. Het was snel opgetekend, dat kon je zien. Voor mij was het echter het mooiste hart dat ik ooit gezien had. Het deed mijn eigen hart bonken.
Ik bedankte het jongetje en stapte blij op mijn fiets richting thuis, met mijn hoofd in de wolken. Even had ik nog getwijfeld om te vragen aan het jongetje om het vliegtuigje aan mij te geven. Vanwege de boodschap. Maar hé, leg dat maar eens uit aan een klein jongetje, zo’n boodschap. Het eerste wat ik deed bij thuiskomst was vlug de naam en het nummer opschrijven. 018? Waar zou dat nu zijn? Al was het in Lutjebroek of Kamtjatka (zeer onwaarschijnlijk), het maakte niet uit, ik moest en zou het weten. Vlug fietste ik naar het postkantoor in het dorp. Het postkantoor had alle telefoongidsen van Nederland, gebundeld in een grote telefoonruimte hangen. Dat wist ik zeker. Nu maar duimen dat het in de buurt van Schoonhoven was. En anders wist de postkantoorbeambte mij ook wel te helpen.
08-02-2014
Malversaties
Hallo.
Ja, hallo.
Met wie?
Ja, met wie.
Met wie!
Met wie, ja.
Hallo!
Hallo, ja.
Hoe is het met wie?
Met wie gaat alles goed.
En hoe gaat het met hallo?
Het gaat.
Het gaat?
Ja, het gaat.
Waar gaat het naar toe?
Weg.
Ver weg?
Het gaat.
Lang?
Heel lang.
En nu?
Niks.
Hallo, niks?
Niks, nakkes, nada.
Nou, doeg dan maar.
Doeg maar weer.
Hallo.
Hallo.
Hallo, met wie?
Met wie ja.
Alles goed met wie?
Alles goed met wie.
Hallo nog gesproken?
Ja, zojuist.
Hij gaat weg hè?
Yep.
Ver?
Het gaat.
Lang?
Heel lang.
Alleen?
Nee.
Met wie?
Nee, ik ga niet mee.
O, met houdou dan?
Nee, met prettige avond.
O, verrassend.
Nou, dag dan maar.
Houdou.
Ja, hallo.
Met wie?
Ja, met wie.
Met wie!
Met wie, ja.
Hallo!
Hallo, ja.
Hoe is het met wie?
Met wie gaat alles goed.
En hoe gaat het met hallo?
Het gaat.
Het gaat?
Ja, het gaat.
Waar gaat het naar toe?
Weg.
Ver weg?
Het gaat.
Lang?
Heel lang.
En nu?
Niks.
Hallo, niks?
Niks, nakkes, nada.
Nou, doeg dan maar.
Doeg maar weer.
Hallo.
Hallo.
Hallo, met wie?
Met wie ja.
Alles goed met wie?
Alles goed met wie.
Hallo nog gesproken?
Ja, zojuist.
Hij gaat weg hè?
Yep.
Ver?
Het gaat.
Lang?
Heel lang.
Alleen?
Nee.
Met wie?
Nee, ik ga niet mee.
O, met houdou dan?
Nee, met prettige avond.
O, verrassend.
Nou, dag dan maar.
Houdou.
13-09-2008
VOGAHHH
Wordt u er ook gek van? Van al die telemarketiers en callcenterclownen die als musketiers en callgirls uw oren binnendringen en met onoorbare voorstellen komen, meestal zo rond etenstijd. Wordt u er ook gek van? Van al die keuzemenu’s waarin u verzeilt raakt zodra u telefonisch basale vragen stelt aan energie-, telecom- of bankbedrijven. Wordt u er ook gek van? Van al die “die-all-systems” die u laten bungeejumpen door uw telefoon.
En dan die antwoordapparaten, die stomme voosmails of moet ik zeggen veinsmails, die mij vragen een bericht in te spreken, na de piep wel te verstaan. Gek word ik ervan. Answers are blowing in the wind. Standaard spreek ik deze antwoordapparaten in met: “Hier is het automatische vraagapparaat van Mien. Wie ben je, waar zit je, wanneer luister je me af? Bel je me daadwerkelijk terug, en zo ja, hoe laat?”. Om te vervolgen met een uitgebreide berichtgeving van mijn hilarische avonturen van de afgelopen week, totdat ik die ellendige veinsmail heb volgevoost. Einde bericht.
Ik ben van een uitstervend ras. Mijn GSM staat zelden aan. In het huidige tijdperk is “mobiel zijn” en “aanstaan” bijna van levensbelang. Het geeft je bestaansrecht. Vrienden en familie klagen steen en been. Ik sta blijkbaar niet vaak genoeg aan?! Ik beloof hen bereikbaarschap. Middels trilstand, want er hangt al genoeg geluidverontreiniging in de lucht.
Maar even voor de goede orde en voor mijn begrip, GSM, staat dat niet voor Ga Snel Mailen? De bedenker van de (naam) GSM moet een voorspellende blik hebben gehad. Het duurt niet lang meer of telefoneren bestaat niet meer. Dan wordt er alleen nog maar getelemailt met de GSM. Ik ben benieuwd waar dan de PC nog voor nodig is. Als bijzettafeltje voor de laptop?
Bereikbaarheid is het magische woord voor nu en voor de toekomst. Het dient ons allen. Wil je desondanks de bereikbaarheid ontvluchten. Dan is VOGAHHH het devies. VOGAHHH, het ultieme antwoord op alle tele-ellende. VOGAHHH geeft een passend antwoord op de befaamde Frequently Answered Questions (FAQ) die te pas en te onpas in onze oren worden gezeverd door telemarketiers, callcenterclowns en soms ook vrienden en familieleden. VOGAHHH oftewel Very Often Given Answers Ha Ha Ha.
Hoe werkt VOGAHHH? Heel simpel. Ik heb een lijst gemaakt met veel door mij gegeven antwoorden. Zodra een ongenode gast mijn telefoon probeert te enteren spreek ik “lijf” mijn antwoord in. Uiteraard put ik voor mijn antwoorden uit een tailor made lijst. Bovenaan de lijst staat mijn favoriete antwoord: “Momentje, ik krijg net een ander lijntje binnen”. Dit antwoord vraagt natuurlijk om een vervolgactie. Na dit antwoord leg ik mijn telefoon ter ruste op mijn bijzettafelPC om vervolgens verder te gaan met soep EN aardappelen … een nietsvermoedende telemarketier geduldig wachtend achterlatend aan de andere kant van de lijn.
Mien Foon
Ook gepubliceerd op website Gek op Klanten
En dan die antwoordapparaten, die stomme voosmails of moet ik zeggen veinsmails, die mij vragen een bericht in te spreken, na de piep wel te verstaan. Gek word ik ervan. Answers are blowing in the wind. Standaard spreek ik deze antwoordapparaten in met: “Hier is het automatische vraagapparaat van Mien. Wie ben je, waar zit je, wanneer luister je me af? Bel je me daadwerkelijk terug, en zo ja, hoe laat?”. Om te vervolgen met een uitgebreide berichtgeving van mijn hilarische avonturen van de afgelopen week, totdat ik die ellendige veinsmail heb volgevoost. Einde bericht.
Ik ben van een uitstervend ras. Mijn GSM staat zelden aan. In het huidige tijdperk is “mobiel zijn” en “aanstaan” bijna van levensbelang. Het geeft je bestaansrecht. Vrienden en familie klagen steen en been. Ik sta blijkbaar niet vaak genoeg aan?! Ik beloof hen bereikbaarschap. Middels trilstand, want er hangt al genoeg geluidverontreiniging in de lucht.
Maar even voor de goede orde en voor mijn begrip, GSM, staat dat niet voor Ga Snel Mailen? De bedenker van de (naam) GSM moet een voorspellende blik hebben gehad. Het duurt niet lang meer of telefoneren bestaat niet meer. Dan wordt er alleen nog maar getelemailt met de GSM. Ik ben benieuwd waar dan de PC nog voor nodig is. Als bijzettafeltje voor de laptop?
Bereikbaarheid is het magische woord voor nu en voor de toekomst. Het dient ons allen. Wil je desondanks de bereikbaarheid ontvluchten. Dan is VOGAHHH het devies. VOGAHHH, het ultieme antwoord op alle tele-ellende. VOGAHHH geeft een passend antwoord op de befaamde Frequently Answered Questions (FAQ) die te pas en te onpas in onze oren worden gezeverd door telemarketiers, callcenterclowns en soms ook vrienden en familieleden. VOGAHHH oftewel Very Often Given Answers Ha Ha Ha.
Hoe werkt VOGAHHH? Heel simpel. Ik heb een lijst gemaakt met veel door mij gegeven antwoorden. Zodra een ongenode gast mijn telefoon probeert te enteren spreek ik “lijf” mijn antwoord in. Uiteraard put ik voor mijn antwoorden uit een tailor made lijst. Bovenaan de lijst staat mijn favoriete antwoord: “Momentje, ik krijg net een ander lijntje binnen”. Dit antwoord vraagt natuurlijk om een vervolgactie. Na dit antwoord leg ik mijn telefoon ter ruste op mijn bijzettafelPC om vervolgens verder te gaan met soep EN aardappelen … een nietsvermoedende telemarketier geduldig wachtend achterlatend aan de andere kant van de lijn.
Mien Foon
Ook gepubliceerd op website Gek op Klanten
Abonneren op:
Posts (Atom)