Vandaag maar weer eens in vol ornaat in de spiegel gekeken. Ik paste er nog ruim in, gelukkig maar. De spiegel verdiende deswege een volle glimlach. En toch ... Wat zou Rubens er van gevonden hebben? Gewoon uit nieuwsgierigheid. En zijn vrouwen? Gevoelens van jaloezie wellicht? Zou ik niet een ideaal model zijn geweest? In bezit van een goddelijk lichaam, om pasteus en ondeugend vet, in brede penseelvoering op doek te vangen.
Ik kijk toe hoe een waterig zonnetje voorzichtig mijn navel beschijnt. Die zou best met een kleine spatel ietwat ontvet mogen worden. Zou ik het durven? Argwanend kijk ik langs mijn schattig buikje omlaag, naar de weegschaal die naast mijn voeten staat. Zouden de batterijen het nog doen? Is ie nog voldoende geijkt? Eigenlijk kan ik met deze weegschaal niet meer voor de dag komen. Ik geloof namelijk niets meer van wat niet digitaal geduid kan worden. Maar veel belangrijker nog, durf ik überhaupt nog op deze weegschaal te gaan staan?
Mijn weegschaal dateert uit het prehistorisch tijdperk, versie nul punt nul. De weegschaal is zo oud dat de dikke wijzer intussen ook is afgevallen. Dat werkt in mijn voordeel. Het scheelt een streepje op de weegschaal en in mijn fantasie, ook een plooi op mijn buik. En toch ... de nijptang die ik meestal gebruik om vetplooien te meten volstaat niet langer. Een waterpomptang met grote bek in de verste stand, biedt gelukkig soelaas. Ik moet wel oppassen bij het meten dat ik mijn ventiel er niet vanaf wip. Om nu de hele buik leeg te laten dat gaat mij toch iets te ver.
De weegschaal voelt koud aan. Hij warmt zich snel aan mijn voeten. Met gekrulde tenen probeer ik invloed uit te oefenen op het resultaat. Misschien scheelt het weer een streepje. Helaas zit mijn buik in de weg en kan ik het resultaat niet aflezen. Ik kan niet anders dan een beetje voorover buigen. En ja hoor, ik zie nog net hoe de wijzer omhoog klimt, een streepje. Geen zuivere meting dus. De weegschaal piept en kreunt een beetje onder mijn voeten en vertolkt daarmee mijn ongenoegen.
Als man denk ik meteen in oplossingen. Zou er ooit iemand op het idee gekomen zijn om een uitschuifbaar leesscherm te koppelen aan een weegschaal? Eentje dat zich aanpast aan buikgroei. Obesitas neemt toe in onze westerse wereld. Er moeten vast meer mensen zijn die tegen dit soort afleesproblemen aanlopen. Eureka, mijn haar kleurt spontaan oranje bij deze ontdekking en boven mijn hoofd gaat een lampje branden. Ik krijg de smaak van uitvinden te pakken en denk verder. Maar niet voordat ik op een klein papiertje 'vermarkten' schrijf. Mijn buik mag dan misschien aankomen, mijn geheugen valt evenredig in dezelfde mate af.
Een spiegel op maat, die is ook nog niet uitgevonden. Een spiegel die meegroeit. Een spiegel die enerzijds niets verhult en anderzijds laat zien dat je niets meer om je lijf hebt. Vooral geen buik. Ik besluit onmiddellijk patent aan te vragen, met mijn bakelieten telefoon, bij Philips Research. Maar dan lees ik mijn briefje en hang snel weer op. Ik kleed mezelf aan en haal mijn schoenen en ideeën van de leest. Mijn kennis en de tijd zijn er nog niet rijp voor. Eerst maar eens afvallen. Opdat buik en schoenen mij weer passen.
Mien Buikzicht
Gewicht 04-11-2005: 88,00 kilo
Gewicht 02-12-2005: 86,50 kilo
Gewicht 23-12-2005: 86,29 kilo
Gewicht 27-01-2006: 87,00 kilo
Gewicht 01-04-2006: 86,50 kilo
Gewicht 19-07-2006: 86,50 kilo
Gewicht 06-09-2010: 90,00 kilo
Gewicht 14-10-2010: 86,00 kilo — Middelomtrek: 105 cm
Gewicht 09-12-2010: 84,00 kilo — Middelomtrek: 103 cm
Gewicht 23-02-2011: 84,00 kilo — Middelomtrek: 103 cm
Gewicht 12-06-2012: 87,00 kilo — Middelomtrek: 106 cm
Gewicht 18-03-2013: 89,00 kilo — Middelomtrek: 107 cm
Gewicht 15-11-2013: 84,50 kilo — Middelomtrek: 105 cm
Gewicht 06-01-2014: 85,50 kilo — Middelomtrek: 105 cm
Gewicht 25-02-2015: 83,50 kilo — Middelomtrek: 102 cm
‘Afvalrace’, een compilatie van hersenspinsels uitgebraakt tijdens het afvallen van schrijver Mien anno 2005/2015. Oftewel verhalen van een jonge schrijver zonder trekdrop met zwemband.
Posts tonen met het label uitvinding. Alle posts tonen
Posts tonen met het label uitvinding. Alle posts tonen
25-02-2015
15-10-2014
Het enige echte Pietverhaal
Heel, heel lang geleden, kwamen er een paar wetenschappers op het idee om eens diep, heel diep in de aarde te graven. Dat deden ze in het dal van Worm (NL). Een diepgravend onderzoek, zogezegd. Men wist nog niet precies waar naar gezocht werd. Maar dat gebeurde wel vaker met onderzoeken. In de zoektocht kwam de vraag meestal vanzelf bovendrijven. Kwestie van geduld.
In de eerste laag van de aarde werden alleen bekende en voedzame producten gevonden. Sommige kant en klaar en andere pas voedzaam na bewerking. In de onderliggende lagen kwamen de wat meer abstracte zaken bovendrijven. De onderzoekers worstelden zich door humus, bruine, gele, witte grond, klei, löss en los zand. Vervolgens stuitten ze op serendipity. Ze waren goed bezig en het was tijd voor een korte pauze met versnapering. De serendipity werd ingezet als voeding voor gesprek.
Men was het unaniem met elkaar eens. Na de vondst van serendipity was het slechts een kwestie van doorgraven om tot de kern te komen. En ja hoor. Na verloop van dagen stuitten de wetenschappers op een harde onderlaag die hen niet echt bekend voorkwam. Met de schop kwamen ze niet veel verder. De bewerking van dit materiaal vroeg om speciaal gereedschap. Iets van ijzer en met een spitse punt. Een soort pik. Eentje die je makkelijk kon vasthouden en die lang heel bleef. Een pikhouheel. Later verbasterd tot pikhouweel.
Met de pikhouweel houwden [Middeleeuws Limburgs voor slaan, sloegen] de wetenschappers zich door de harde laag. Keihard was de steen. En hij stonk ook een beetje. Naar groene kool. Wat een lucht! Vast doorgesijpeld uit de bovenlaag van de aarde. De wetenschappers hadden meteen een naam voor de harde steenlaag. Steenkool. Twee wetenschappers haakten na de ontdekking af. Ze konden de lucht van de groene kool niet verdragen. Watjes. Ja, ja, wetenschap bedrijven is topsport. Alleen de sterken blijven over.
Het zat de twee niet lekker. Ze besloten de boel maar eens goed op te stoken. Met steenkool. Eureka. Wat een vondst. Het fikte als een dolle. Ze hadden niet alleen een gat in de markt gevonden maar vooral gaten in de aarde. Er werden een paar experts ingegallopeerd, vliegen ging in de Middeleeuwen nog niet, en al snel werd de gatenkaas in de grond omgetoverd tot kolenmijn. Alleen die lucht! Die stonk nog erger dan in een slecht gelucht café. Gelukkig zoeken en vinden wetenschappers voor ieder probleem een oplossing.
Hoewel, zoeken? De oplossing lag eigenlijk voor het oprapen. In een van de gaten die gehouwd was vonden de wetenschappers een paar kleine gele vogeltjes. Die waren duidelijk van hun stok gegaan. Ze lagen met de bekkies open. Van die lucht natuurlijk. Het enige dat de wetenschappers niet begrepen en geklaard konden krijgen was de kleur van de vogeltjes, daar diep onder in de aarde.
Hoe kwamen die vogels in hemelsnaam aan gele veren? Ze waren toch diep onder de grond de pijp uit gegaan? Moesten ze dan niet zwart zijn? De wetenschap stond voor een raadsel. Hier hadden ze geen kaas van gegeten. De oplossing, de verklaring is tot op heden, in de moderne tijd, nog steeds niet gevonden. De wetenschapper die dit grote vraagstuk oplost, die wint de Nobelprijs, vast en zeker. Alleen welke? Die voor natuurkunde of die voor de vrede? Ach, het zal zowel de zwarte, zeur- als kanariepieten worst wezen. Marsepeinen worst.
In de eerste laag van de aarde werden alleen bekende en voedzame producten gevonden. Sommige kant en klaar en andere pas voedzaam na bewerking. In de onderliggende lagen kwamen de wat meer abstracte zaken bovendrijven. De onderzoekers worstelden zich door humus, bruine, gele, witte grond, klei, löss en los zand. Vervolgens stuitten ze op serendipity. Ze waren goed bezig en het was tijd voor een korte pauze met versnapering. De serendipity werd ingezet als voeding voor gesprek.
Men was het unaniem met elkaar eens. Na de vondst van serendipity was het slechts een kwestie van doorgraven om tot de kern te komen. En ja hoor. Na verloop van dagen stuitten de wetenschappers op een harde onderlaag die hen niet echt bekend voorkwam. Met de schop kwamen ze niet veel verder. De bewerking van dit materiaal vroeg om speciaal gereedschap. Iets van ijzer en met een spitse punt. Een soort pik. Eentje die je makkelijk kon vasthouden en die lang heel bleef. Een pikhouheel. Later verbasterd tot pikhouweel.
Met de pikhouweel houwden [Middeleeuws Limburgs voor slaan, sloegen] de wetenschappers zich door de harde laag. Keihard was de steen. En hij stonk ook een beetje. Naar groene kool. Wat een lucht! Vast doorgesijpeld uit de bovenlaag van de aarde. De wetenschappers hadden meteen een naam voor de harde steenlaag. Steenkool. Twee wetenschappers haakten na de ontdekking af. Ze konden de lucht van de groene kool niet verdragen. Watjes. Ja, ja, wetenschap bedrijven is topsport. Alleen de sterken blijven over.
Het zat de twee niet lekker. Ze besloten de boel maar eens goed op te stoken. Met steenkool. Eureka. Wat een vondst. Het fikte als een dolle. Ze hadden niet alleen een gat in de markt gevonden maar vooral gaten in de aarde. Er werden een paar experts ingegallopeerd, vliegen ging in de Middeleeuwen nog niet, en al snel werd de gatenkaas in de grond omgetoverd tot kolenmijn. Alleen die lucht! Die stonk nog erger dan in een slecht gelucht café. Gelukkig zoeken en vinden wetenschappers voor ieder probleem een oplossing.
Hoewel, zoeken? De oplossing lag eigenlijk voor het oprapen. In een van de gaten die gehouwd was vonden de wetenschappers een paar kleine gele vogeltjes. Die waren duidelijk van hun stok gegaan. Ze lagen met de bekkies open. Van die lucht natuurlijk. Het enige dat de wetenschappers niet begrepen en geklaard konden krijgen was de kleur van de vogeltjes, daar diep onder in de aarde.
Hoe kwamen die vogels in hemelsnaam aan gele veren? Ze waren toch diep onder de grond de pijp uit gegaan? Moesten ze dan niet zwart zijn? De wetenschap stond voor een raadsel. Hier hadden ze geen kaas van gegeten. De oplossing, de verklaring is tot op heden, in de moderne tijd, nog steeds niet gevonden. De wetenschapper die dit grote vraagstuk oplost, die wint de Nobelprijs, vast en zeker. Alleen welke? Die voor natuurkunde of die voor de vrede? Ach, het zal zowel de zwarte, zeur- als kanariepieten worst wezen. Marsepeinen worst.
Abonneren op:
Posts (Atom)