Met grote angst klimt Kees naar boven. Hoeveel stappen moet hij nog? Durft hij nog wel los te laten? Zijn angst te overwinnen? Ogen van beneden priemen in zijn rug. Ze prikkelen en branden. Ze lachen hem naar boven. ‘Vooruit Kees, je kunt het!’ De twijfel overmant. Waarom zou hij tot bovenaan klimmen? Maar afdalen is ook geen optie. Heel even kijkt Kees omlaag. No way.
Het huilen staat hem nader dan het lachen. Wrang. Heel wrang. Had hij immers zelf niet gelachen om enkele van zijn voorgangers? Had hij niet stoer gedacht: ‘makkie, dit doe ik wel even’. Nu mag hij zich niet laten kennen. Met zijn tengere lijf klemt hij zich tegen het hout en schuift zonder te kijken zijn linkerhand omhoog. Het reiken duurt een eeuwigheid. Opzoek naar houvast. Eindelijk voelt hij weer grip. Het zweet staat in zijn handen. Durft hij nu zijn rechtervoet te laten volgen? Of zal ie eerst even zijn rechterhand bijvoegen? Kan ie zich daarna aan beide armen optrekken.
Vanaf de grond zag het er allemaal zo eenvoudig uit. Met belangstelling had hij de bewegingen van anderen gevolgd. Hij had nu achter geen idee in welke volgorde hij het beste het laatste stukje kon voltooien. En dan moest ie ook nog over de die hoogste stok klimmen. Hoe ging ie dat toch doen? Ondersteboven? Door het laatste gat heen? Hij zou gaan vallen. Zeker weten. Nog twee vakken te gaan. Wat! Nee, nee, nee, kreeg ie nu ook nog een erectie? Zou iemand het kunnen zien? Van beneden? Fout moment. Zeker nu Kees de hoogste sport bereikt had. Hij wist nog steeds niet hoe hij deze wilde nemen.
‘Schiet eens op Kees!’ brulde de juffrouw beneden. Ze moest eens weten. Het hart klopte in zijn keel en in zijn piemel. Hier eindigde de wereld. Zeker weten. Hij zag geen mogelijkheid om over de hoogste sport te klimmen. Maar hij moest. In welke houding zou hij zich eens plooien? Niemand die hem hier kon helpen. De juffrouw zou echt niet naar boven klimmen. Hij zou hier mogelijk voor de eeuwigheid moeten bivakkeren. Gelukkig was zijn erectie geslonken naar een aangenamere pose. Broekbrand kon hij nu echt niet gebruiken. Het kwam nu aan op zelfredzaamheid.
Met de moed der wanhoop zwaaide Kees zijn rechterbeen over de laatste sport. Vanuit de lucht zag hij de klas beneden op de banken grinnikend lachen. Vooral Sjakie vond het prachtig. Hij lachte zelfs zijn tanden bloot. Van leedvermaak? Had hij de angst van Kees dan toch gezien? Met de blik op stoer klauterde Kees het klimrek omlaag. Zelfs de juffrouw lachte. Kees wilde niet weten waarom.
Zesde deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
Posts tonen met het label behoefte. Alle posts tonen
Posts tonen met het label behoefte. Alle posts tonen
10-12-2014
09-12-2014
In de kiem
Eerst komt het hoofdje. Kiekeboe. Dan volgt de zwarte nek. Gevolgd door een in verhouding dikke buik en wat ledematen die wat onwennig aan het lijfje bengelen. Alsof de baby nog maar pas is samengesteld. Waterpas en compleet, volgens dokter en vroedvrouw. Dat wel. Gelukkig maar, de ouders zijn nogal puntje precies.
Daar ligt de kleine zwarte Piet. Zoet en lekker. Met moeder gaat alles goed. Ze heeft Piet negen maanden lang, conform het verwachtingsaspect, dapper gedragen. In een zwartroze wolk. Het mag duidelijk zijn. Arm heeft dit keer gewonnen. De baby is zwart, niet wit. Hij wordt ontvangen in een warm nest. Wat zeg ik, nest? Zeg maar gerust kasteel. Het is een jongetje. Een zwarte prins. Beide ouders dolgelukkig.
En nu maar ontplooien. Dat moet ie voornamelijk zelf doen. Beide ouders hebben een drukke baan. Babypiet weet dat. Diep van binnen is het meegegeven. In de kiem, vanaf het begin, bij de conceptie, de samenvoeging. In de buik. De onderbuik. Het onderbuikgevoel had de kleine meteen gemeld: 'Jongetje, in dit leven is slechts een ding belangrijk. Zelfontplooiing. Je moet het meeste zelf doen. Niet plooien maar ontplooien'.
Trappedoelie groeit als kool. Geen groene, witte of rode. Nee, nee, hij groeit en ontplooit als zwarte kool. Haast alleen. Zijn ouders zijn de grootste tijd van het jaar in geen wegen of velden, noch op daken te bekennen. Gelukkig is hij onder een goed gesternte en op een fijne plek geboren. De Catalaanse zon doet Trappedoelie goed. Het wordt meteen zijn maatje. De zon is er altijd. Die geeft warmte en is altijd blij. De zon is zijn grote vriend. Zijn steun en toeverlaat.
De zon als grote motor van zelfontplooiing. Trappedoelie deelt zijn zorgen met deze allemansvriend. Het kan hem niets schelen. De zon weet alles van iedereen. Het mooie daarvan is, dat alle zorgen die de zon ter oren komen, never nooit in de kiem worden gesmoord. Je zou eigenlijk anders verwachten bij deze hittebron. Maar de zon weet beter. Hij ontdoet 'best kept secrets' van Jan en alleman van het persoonlijke en gooit ze terug de wereld in. Ter lering, vermaak en zelfontplooiing. Het regent niet voor niets regelmatig zonnestralen.
Trappedoelie pikt dit snel op. En het is goed. Hij neemt zijn drukke ouders niets kwalijk. Niet dat er een echte moeder in het gezin ontbreekt; niet dat ze in het katholieke Catalonië niet getrouwd zijn voor hij ter wereld kwam; niet dat in het kasteel een wit paard als huisdier rondloopt; niet dat papa Piet zo zwart als roet is, naïef, ja zelfs een beetje dom; niet dat papa Sint eigenlijk veel te oud is om nog kinderen te krijgen. Maar ach. What the fuck. De wijsheid van papa Sint maakt veel goed. Zowel voor kleine Trappedoelie als voor papa Piet.
Vijfde deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
Daar ligt de kleine zwarte Piet. Zoet en lekker. Met moeder gaat alles goed. Ze heeft Piet negen maanden lang, conform het verwachtingsaspect, dapper gedragen. In een zwartroze wolk. Het mag duidelijk zijn. Arm heeft dit keer gewonnen. De baby is zwart, niet wit. Hij wordt ontvangen in een warm nest. Wat zeg ik, nest? Zeg maar gerust kasteel. Het is een jongetje. Een zwarte prins. Beide ouders dolgelukkig.
En nu maar ontplooien. Dat moet ie voornamelijk zelf doen. Beide ouders hebben een drukke baan. Babypiet weet dat. Diep van binnen is het meegegeven. In de kiem, vanaf het begin, bij de conceptie, de samenvoeging. In de buik. De onderbuik. Het onderbuikgevoel had de kleine meteen gemeld: 'Jongetje, in dit leven is slechts een ding belangrijk. Zelfontplooiing. Je moet het meeste zelf doen. Niet plooien maar ontplooien'.
Trappedoelie groeit als kool. Geen groene, witte of rode. Nee, nee, hij groeit en ontplooit als zwarte kool. Haast alleen. Zijn ouders zijn de grootste tijd van het jaar in geen wegen of velden, noch op daken te bekennen. Gelukkig is hij onder een goed gesternte en op een fijne plek geboren. De Catalaanse zon doet Trappedoelie goed. Het wordt meteen zijn maatje. De zon is er altijd. Die geeft warmte en is altijd blij. De zon is zijn grote vriend. Zijn steun en toeverlaat.
De zon als grote motor van zelfontplooiing. Trappedoelie deelt zijn zorgen met deze allemansvriend. Het kan hem niets schelen. De zon weet alles van iedereen. Het mooie daarvan is, dat alle zorgen die de zon ter oren komen, never nooit in de kiem worden gesmoord. Je zou eigenlijk anders verwachten bij deze hittebron. Maar de zon weet beter. Hij ontdoet 'best kept secrets' van Jan en alleman van het persoonlijke en gooit ze terug de wereld in. Ter lering, vermaak en zelfontplooiing. Het regent niet voor niets regelmatig zonnestralen.
Trappedoelie pikt dit snel op. En het is goed. Hij neemt zijn drukke ouders niets kwalijk. Niet dat er een echte moeder in het gezin ontbreekt; niet dat ze in het katholieke Catalonië niet getrouwd zijn voor hij ter wereld kwam; niet dat in het kasteel een wit paard als huisdier rondloopt; niet dat papa Piet zo zwart als roet is, naïef, ja zelfs een beetje dom; niet dat papa Sint eigenlijk veel te oud is om nog kinderen te krijgen. Maar ach. What the fuck. De wijsheid van papa Sint maakt veel goed. Zowel voor kleine Trappedoelie als voor papa Piet.
Vijfde deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
08-12-2014
Uit de plooi
Mijn gezicht is bevroren. Van de kou die rondom mij heen waart. Gestold in H2O. IJspegels van gedachten die maar niet willen ontdooien. Maar ik weet wel beter. De kou komt ook van binnenuit. Hart en bloed zorgen nog nauwelijks voor verwarming. Waar is de tijd gebleven dat het kookte? Van liefde of woede, van zenuwen en spanning. Het hart slaat niet meer op hol.
Mijn gezicht is bevroren. Niemand die het ziet. Niemand die het breekt. Het ijs in mij. De kunstschaatsen aangebonden, schaats ik cirkels in mijn hersenpan. Kunstzinnige pirouettes van pijn en verdriet draai ik op het ijs. Spinnend, tollend, op zoek naar zwakken. Ik weet en vind ze als geen ander. Mijn gezicht moet uit de plooi. Dat kan alleen met vallen en opstaan. Liefst zonder hoogmoed. Met lef. Met moed. Gedragen door mijn naam.
De spiegel knipoogt. Steekt een riem onder de gordel. ‘Je kunt het vriend’, lijkt hij te zeggen. ‘Gooi mij desnoods in duigen’. Het wordt tijd dat ik mezelf opnieuw ontplooi. Het ijs rondom mijn hart en ziel ontdooi. Het bloed opnieuw laat stromen. Handel en wandel in positieve energie. De ogen ontsluier en opnieuw laat blinken. Het is nooit te laat. Te laat voor zelfontplooiing. Beginstadium van geluk. Een ultieme basisbehoefte. Kop op dus. Alles uit de plooi.
Vierde deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
Mijn gezicht is bevroren. Niemand die het ziet. Niemand die het breekt. Het ijs in mij. De kunstschaatsen aangebonden, schaats ik cirkels in mijn hersenpan. Kunstzinnige pirouettes van pijn en verdriet draai ik op het ijs. Spinnend, tollend, op zoek naar zwakken. Ik weet en vind ze als geen ander. Mijn gezicht moet uit de plooi. Dat kan alleen met vallen en opstaan. Liefst zonder hoogmoed. Met lef. Met moed. Gedragen door mijn naam.
De spiegel knipoogt. Steekt een riem onder de gordel. ‘Je kunt het vriend’, lijkt hij te zeggen. ‘Gooi mij desnoods in duigen’. Het wordt tijd dat ik mezelf opnieuw ontplooi. Het ijs rondom mijn hart en ziel ontdooi. Het bloed opnieuw laat stromen. Handel en wandel in positieve energie. De ogen ontsluier en opnieuw laat blinken. Het is nooit te laat. Te laat voor zelfontplooiing. Beginstadium van geluk. Een ultieme basisbehoefte. Kop op dus. Alles uit de plooi.
Vierde deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
07-12-2014
Levenselixer
Sommige mensen kunnen mijn bloed wel drinken. Ze vertellen alleen niet waarom. Dat komt ietsiepietsie te dichtbij. Af en toe drink ik ook mijn eigen bloed. Dan loop ik uit de hand. In hekel en pekel. Bloed heeft nu eenmaal een zuigende werking. Bloed pompt en zuigt. Het stroomt, stroopt en zwelt door aderen. Het transporteert en voedt. Maakt mensen gelukkig en ongelukkig.
Bloed is vloeibaar en een ware levenselixer. Maar de mooiste eigenschap heb ik nog niet benoemd. Bloed verbindt. Het verbindt bloedverwanten, bloedbroeders en geliefden met elkaar. In onvoorwaardelijke liefde, in vriendschap en geboorte. In die verbinding vinden we elkaar bloedmooi. Zo mooi dat we er van gaan blozen. Vlekken op de wangen, vlekken in de nek. Het bloed stijgt dan even naar ons hoofd.
In onvoorwaardelijke verbindingen gedij ik het best. Geworteld in sociaal contact stijg ik tot grote hoogten. Het levert hartverwarming en zielenrust. In bloedverwantschap zitten veel emoties ingebed. Hoog oplopend, soms tot tranen toe geroerd. Het is familie die emoties vaak regeert. Boosheid, woede, vreugde, angst, passie, hartstocht, lust en leven. Ze pompen bloed met zuurstof, kortademig en kortstondig door mijn aderen en zenuwen.
Bloedbroeders hoe dan ook, zij gaan door dik en dun, in blindelings vertrouwen. Gelijkwaardig, democratisch, arm of rijk, lief en vooral, vrij van zonden. Een voor allen. Allen voor een. Gevoed door eten, water, lucht. In bloed. Mijn eigen bloed. Levenselixer.
Derde deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
Bloed is vloeibaar en een ware levenselixer. Maar de mooiste eigenschap heb ik nog niet benoemd. Bloed verbindt. Het verbindt bloedverwanten, bloedbroeders en geliefden met elkaar. In onvoorwaardelijke liefde, in vriendschap en geboorte. In die verbinding vinden we elkaar bloedmooi. Zo mooi dat we er van gaan blozen. Vlekken op de wangen, vlekken in de nek. Het bloed stijgt dan even naar ons hoofd.
In onvoorwaardelijke verbindingen gedij ik het best. Geworteld in sociaal contact stijg ik tot grote hoogten. Het levert hartverwarming en zielenrust. In bloedverwantschap zitten veel emoties ingebed. Hoog oplopend, soms tot tranen toe geroerd. Het is familie die emoties vaak regeert. Boosheid, woede, vreugde, angst, passie, hartstocht, lust en leven. Ze pompen bloed met zuurstof, kortademig en kortstondig door mijn aderen en zenuwen.
Bloedbroeders hoe dan ook, zij gaan door dik en dun, in blindelings vertrouwen. Gelijkwaardig, democratisch, arm of rijk, lief en vooral, vrij van zonden. Een voor allen. Allen voor een. Gevoed door eten, water, lucht. In bloed. Mijn eigen bloed. Levenselixer.
Derde deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
06-12-2014
Eten, water, lucht
Basisbehoeften van het ergste soort. Ik kan niet zonder, al zou ik soms graag willen. Voor hoeveel procent besta ik ook alweer uit water? En hoeveel weegt dat water niet? Voor hoeveel mensen ben ik lucht? Hoe vaak adem ik slechte sferen? Ik ben op zoek. Zoals zovelen. Om opgegeten te worden. Opgevreten liefst. Door liefde en genegenheid.
Basisbehoeften. Ik adem, drink en eet er dagelijks liters, kilo’s van. Bezuinigen daarin dat kan ik niet. Dat doet alleen maar pijn. Maar wat als ik iemand even niet kan luchten? En wat als ik watertand van liefde, onbereikbaar. Wat als eten mij niet langer troost kan bieden? Voor datgene dat ik naarstig mis. Dan vervloek ik kortstondig al mijn basisbehoeften. En denk heel even zonder te kunnen.
Iedere ochtend als ik wakker word. Dan besef ik telkens weer. Hoe gelukkig ik mezelf mag prijzen. Dat ik ademend wakker word, niet verstikt door boze dromen. Dromen doe ik zelden. Ze vormen geen enkele voedingsbodem om mijn dag in vreugde of angst te beginnen. Heel, heel soms droom ik stiekem. Dan droom ik stiekem dat ik droom. Van eten, water of lucht. Om daarna opnieuw te aarden.
Eten, water, lucht. Ze zijn in mijn mini westerse wereldje in overvloed aanwezig. In andere werelden zijn ze, veel te vaak, een schaars goed. Inzet voor oorlog en vrede. Met hekken en wapens bewaakt. Het is te triest voor woorden. Dat aan de basis, behoeften niet vrijelijk worden gedeeld. Hemel en aarde ze komen ons allen toe. Niemand uitgezonderd. Of is het toch die ene droom?
Tweede deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
Basisbehoeften. Ik adem, drink en eet er dagelijks liters, kilo’s van. Bezuinigen daarin dat kan ik niet. Dat doet alleen maar pijn. Maar wat als ik iemand even niet kan luchten? En wat als ik watertand van liefde, onbereikbaar. Wat als eten mij niet langer troost kan bieden? Voor datgene dat ik naarstig mis. Dan vervloek ik kortstondig al mijn basisbehoeften. En denk heel even zonder te kunnen.
Iedere ochtend als ik wakker word. Dan besef ik telkens weer. Hoe gelukkig ik mezelf mag prijzen. Dat ik ademend wakker word, niet verstikt door boze dromen. Dromen doe ik zelden. Ze vormen geen enkele voedingsbodem om mijn dag in vreugde of angst te beginnen. Heel, heel soms droom ik stiekem. Dan droom ik stiekem dat ik droom. Van eten, water of lucht. Om daarna opnieuw te aarden.
Eten, water, lucht. Ze zijn in mijn mini westerse wereldje in overvloed aanwezig. In andere werelden zijn ze, veel te vaak, een schaars goed. Inzet voor oorlog en vrede. Met hekken en wapens bewaakt. Het is te triest voor woorden. Dat aan de basis, behoeften niet vrijelijk worden gedeeld. Hemel en aarde ze komen ons allen toe. Niemand uitgezonderd. Of is het toch die ene droom?
Tweede deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
04-12-2014
Vijf etages
Op de kop in vijf etages. Spoken doet het in ieders hoofd. De vraag nu is alleen, pak ik de trap of neem ik de lift. Naar bodem of plafond? Stap ik bij iedere etage uit? Voor de zekerheid. Gewoon om even rond te kijken. Er is vast wel iemand die op alle knoppen heeft gedrukt. Maar zeker weten doe je het niet. Bij etage een richting plafond is de twijfel het grootst. Want wie neemt nu de lift naar een? Dat zijn alleen maar luxe beesten.
Bij etage twee wordt het een ander verhaal. Mensen slecht ter been drukken meestal snel op nummer twee. Het is een tussenfase. Uit vrees dat ze anders het toilet niet halen. Het is dan ook niet verstandig om hier voorzichtig rond te koekeloeren. Want voor je het weet word je gevraagd om begeleiding. Op tijdelijk transport naar dames of naar heren.
Bij etage drie begint het hoofd ietwat licht te voelen. Een middenfase richting doel. The sky is the limit. Maar het voelt helaas bepaald nog niet als blauwe wolken. De deur blijft toe. Bij etage een en twee zijn we immers ook niet naar buiten gelopen. Het voordeel van de twijfel doet ons loensen. In de misdaadpreventiespiegel. Zit mijn jas of jurkje nog wel goed?
Op vier daar wordt het echt pas spannend. Op vier wordt aan de poort gehijgd. Door ongeduldige dalers die niet langer willen wachten. Ze snuiven jouw lichaamsgeur en voelen lichaamswarmte door de liftdeurkier. Zeker in de avondspits zijn geur en warmte niet te versmaden. Zeer herkenbaar is het onderscheid in komen en gaan. Van Chanel naar flanel.
En dan volgt de ultieme bevrijding. De vijfde etage. Zeker bij ongenood liftgezelschap. De elevatorpitch van alle liftgangers kent iedereen dan uit zijn hoofd. Leeggeprikt boven hersens in gedachten. Futloos leeglopend als een moe ballonnetje. Het zij zo. De vijfde etage geeft altijd bevrijding. Gelukkig maar.
Het geluk is slechts van korte duur. Want er is namelijk ook nog zoiets als de wereld op zijn kop. Wat op zijn tijd naar boven gaat zal vroeg of laat ook weer moeten dalen. Niet als stof, maar gewoon compleet, met alle ledematen. En als het even kan, bij ieders welbevinden, met alle ledematen op de juiste plek. Teruggekeerd op de basis, level zero, zal iedereen beamen, zo’n liftgang in het hoofd, dat is lang zo gek nog niet.
Eerste deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
Bij etage twee wordt het een ander verhaal. Mensen slecht ter been drukken meestal snel op nummer twee. Het is een tussenfase. Uit vrees dat ze anders het toilet niet halen. Het is dan ook niet verstandig om hier voorzichtig rond te koekeloeren. Want voor je het weet word je gevraagd om begeleiding. Op tijdelijk transport naar dames of naar heren.
Bij etage drie begint het hoofd ietwat licht te voelen. Een middenfase richting doel. The sky is the limit. Maar het voelt helaas bepaald nog niet als blauwe wolken. De deur blijft toe. Bij etage een en twee zijn we immers ook niet naar buiten gelopen. Het voordeel van de twijfel doet ons loensen. In de misdaadpreventiespiegel. Zit mijn jas of jurkje nog wel goed?
Op vier daar wordt het echt pas spannend. Op vier wordt aan de poort gehijgd. Door ongeduldige dalers die niet langer willen wachten. Ze snuiven jouw lichaamsgeur en voelen lichaamswarmte door de liftdeurkier. Zeker in de avondspits zijn geur en warmte niet te versmaden. Zeer herkenbaar is het onderscheid in komen en gaan. Van Chanel naar flanel.
En dan volgt de ultieme bevrijding. De vijfde etage. Zeker bij ongenood liftgezelschap. De elevatorpitch van alle liftgangers kent iedereen dan uit zijn hoofd. Leeggeprikt boven hersens in gedachten. Futloos leeglopend als een moe ballonnetje. Het zij zo. De vijfde etage geeft altijd bevrijding. Gelukkig maar.
Het geluk is slechts van korte duur. Want er is namelijk ook nog zoiets als de wereld op zijn kop. Wat op zijn tijd naar boven gaat zal vroeg of laat ook weer moeten dalen. Niet als stof, maar gewoon compleet, met alle ledematen. En als het even kan, bij ieders welbevinden, met alle ledematen op de juiste plek. Teruggekeerd op de basis, level zero, zal iedereen beamen, zo’n liftgang in het hoofd, dat is lang zo gek nog niet.
Eerste deel van zesluik, geschreven naar aanleiding van De wereld ondersteboven.
01-12-2014
De wereld ondersteboven
De wereld verandert. Maar in wat? Moeilijk te zeggen. We bedenken het. In veelzijdige theorieën. Rijken worden armer. Armen worden rijker. Maar hoe dan? Niet in geld. In emotie misschien? Een klein essay. In kleine zinnen. Via Maslov’s behoeftepiramide. Basisbehoeften opnieuw geschaald. Maar dan omgekeerd. Op zijn kop. In vijf etages. Maslow’s wereld ondersteboven.
De vijfde etage. Van oorsprong basis. Wordt de bovenste. Eten, lucht, water. Basisbehoeften heel primair. Ze staan bovenaan. Helemaal aan top. Voor velen onbereikbaar. Maar niet noodzakelijk. Dan volgt bestaanszekerheid. De vierde etage. Dak boven hoofd. Niet in oorlog. Huisje, boompje, beestje. Veiligheid en zekerheid. Dat wensen we. Dat voelt comfortabel.
De derde etage. We willen meer. Liefde en vriendschap. Maar hoe dan? Gebed in emotie. Geworteld in contact. In sociaal contact. In verbinding zijn. Samen met elkaar. Daarna volgt erkenning. Ja, dan pas. Voor sommigen levensbloed. Voor anderen levenselixer. Hoe denken anderen? Hoe denken zij? Ja, over mij! Hoe denk ik? Ja, over mijzelf. En over anderen? Dat is belangrijk. Voor de rijken. Voor de armen.
De eerste etage. Van oorsprong bovenaan. Start bij zelfontplooiing. Wereld in verandering. De noodzaak voorbij. Iedereen wordt ZZPer. Onafhankelijk van elkaar. Zenuwachtig zonder poen. Zat zonder pils. Ziek zonder personeel. Ziedend zonder partner. Zoekend zonder pa. Zweverig zonder pen.
Hulpeloos zijn we. Hulpeloos zonder zelfontplooiing. Daar begint alles. Met zelf ontplooien. Meteen vanaf conceptie. In de kiem. Bij de geboorte. De boreling ontplooit. Hij wordt (h)erkend. Onmiddellijk ontstaat contact. Veilig en zeker. Hemel boven hoofd. Kraaiend van plezier. Honger kan wachten. De baby laaft. Water en lucht. Een geboren wereldwonder. Arm noch rijk. In goede tijden. En in slechte. Van alle tijden.
Opvoeding in zelfredzaamheid. Daar groeit zelfontplooiing. Maslow’s piramide ondersteboven. Op zijn kop. De wereld verandert. Enkel door geboorte. Een enkele geboorte. Gekoesterd in liefde. Ademend, etend, drinkend. In onvoorwaardelijke liefde. Klaar voor ladderklim. Klaar voor wereldstorm.
Naar aanleiding van deze column heb ik een zesluik geschreven.
Zie ook:
(1) Vijf etages
(2) Eten, water, lucht
(3) Levenselixer
(4) Uit de plooi
(5) In de kiem
(6) Boven aan de ladder
De vijfde etage. Van oorsprong basis. Wordt de bovenste. Eten, lucht, water. Basisbehoeften heel primair. Ze staan bovenaan. Helemaal aan top. Voor velen onbereikbaar. Maar niet noodzakelijk. Dan volgt bestaanszekerheid. De vierde etage. Dak boven hoofd. Niet in oorlog. Huisje, boompje, beestje. Veiligheid en zekerheid. Dat wensen we. Dat voelt comfortabel.
De derde etage. We willen meer. Liefde en vriendschap. Maar hoe dan? Gebed in emotie. Geworteld in contact. In sociaal contact. In verbinding zijn. Samen met elkaar. Daarna volgt erkenning. Ja, dan pas. Voor sommigen levensbloed. Voor anderen levenselixer. Hoe denken anderen? Hoe denken zij? Ja, over mij! Hoe denk ik? Ja, over mijzelf. En over anderen? Dat is belangrijk. Voor de rijken. Voor de armen.
De eerste etage. Van oorsprong bovenaan. Start bij zelfontplooiing. Wereld in verandering. De noodzaak voorbij. Iedereen wordt ZZPer. Onafhankelijk van elkaar. Zenuwachtig zonder poen. Zat zonder pils. Ziek zonder personeel. Ziedend zonder partner. Zoekend zonder pa. Zweverig zonder pen.
Hulpeloos zijn we. Hulpeloos zonder zelfontplooiing. Daar begint alles. Met zelf ontplooien. Meteen vanaf conceptie. In de kiem. Bij de geboorte. De boreling ontplooit. Hij wordt (h)erkend. Onmiddellijk ontstaat contact. Veilig en zeker. Hemel boven hoofd. Kraaiend van plezier. Honger kan wachten. De baby laaft. Water en lucht. Een geboren wereldwonder. Arm noch rijk. In goede tijden. En in slechte. Van alle tijden.
Opvoeding in zelfredzaamheid. Daar groeit zelfontplooiing. Maslow’s piramide ondersteboven. Op zijn kop. De wereld verandert. Enkel door geboorte. Een enkele geboorte. Gekoesterd in liefde. Ademend, etend, drinkend. In onvoorwaardelijke liefde. Klaar voor ladderklim. Klaar voor wereldstorm.
Naar aanleiding van deze column heb ik een zesluik geschreven.
Zie ook:
(1) Vijf etages
(2) Eten, water, lucht
(3) Levenselixer
(4) Uit de plooi
(5) In de kiem
(6) Boven aan de ladder
Abonneren op:
Posts (Atom)