Posts tonen met het label reisverhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label reisverhaal. Alle posts tonen

01-08-2017

Er komt geen einde aan de reis

Een kleine lichte tunnel wordt langzaam steeds groter. Aan alle kanten neemt de druk toe. Met horten en stoten glijdt je het licht tegemoet. Je ziet en je hoort niets. Je voelt. Geen weg meer terug, al zou je willen. Warm wordt koud. Het bloed druipt van je kleine lijfje af en langzaam, heel langzaam neemt de wereld bezit van jou. Wiegt en wentelt, omarmt en knuffelt. Voor heel even.

De reis kan beginnen. Dromen kun je niet vertellen. Je hebt nog geen woorden. Wat voelt, voelt dat goed? In de wondere wereld van reiservaring is nauwelijks vergelijk. Geen vergelijk en geen verongelijk. Het kan verkeren. De eerste reisbestemming een getraliede wieg. Minigevangenis uit bescherming. We hebben even geen tijd.

Bestemming is een wereldwonder. Overal staan huizen. Dwars reis je door deuren en ramen heen. Open en gesloten. Glasgerinkel daar waar nodig. Glaszetters sluiten alles weer in. Men noemt het veilig. Er komt geen einde aan de reis. Koffers raken vol. Rugzakken knellen. Water raakt op. Het laatste restje voeding komt in slangetjes. Einde verhaal. Einde reisverhaal. Bewogen. Onbewogen.

Ik blader door een album. Vale momentopnamen. Michel, Thomas, James, Newell, Osterberg staat onder de foto's in potlood opgetekend. Wie zijn die mensen die even met mij meereisden? Hoe was hun reis? Eindig? Waarom kijken zij me zo leeg aan? Hebben zij geleden? En waaraan? De grote leegte lonkt en zuigt. Altijd maar op zoek naar vulling en vervulling. Wie doet waar toe? De kunst in waanzin te overleven. Het grote geheim, een dankbare zoektocht naar het zelf. Vallen, opstaan, mislukken, groeien. Chaos. Er komt geen einde aan het reizen. Gelukkig maar.

Toelichting:
Geschreven naar aanleiding van een idee van Hella Kuipers.
Zie ook: http://heldenreis.nl/schrijfveren
Schrijfveer: Er komt geen einde aan de reis (01-08-2017)

05-11-2015

Het meisje met de blauwe pet (10)

De borst van Theo stond op springen. De discussie met Charly was zo hoog opgelopen dat ijdelheid en trots Theo bijna lieten ontploffen. De boosheid die daarmee gepaard ging vloog naar zijn stierennek en zocht een uitweg via zijn inmiddels rood geworden oren.

Intussen was ook de brandweer gearriveerd en de politie, gevolgd door een ambulance. De sirenes klonken als een uit de hand gelopen compositie van een verwilderde Bach. Christian, niet Sebastian. Laat dat duidelijk zijn. De hulpdiensten kwamen als geroepen. Niet voor de brandende trein en mogelijk gevallen slachtoffers, maar vooral voor Theo. Zijn opgeblazenheid nam angstwekkende proporties aan. Net als zijn hoofd dat steeds roder werd. De hulpdiensten wisten niet zo goed waar te beginnen. Eerst moesten ze een weg zoeken naar de trein. Zonder perron maar met veel oefening baarde dat eerst veel zorgen, edoch ook veel kunst. Van Gogh had hier een tintelend schilderij van gemaakt, zeker weten. Ware het dat hij geen actionpainter was. Pablo, een ongelofelijke aso had hier wel een mooie pic van gemaakt. In grafity. Zeker weten.

Vlakbij de trein gekomen wisten de hulpdiensten niet precies waar te beginnen. De discussie tussen de conducteur en de machinist deed ook goed zijn best om de aandacht te trekken. De discussie ontaardde volledig. Beide heren vermoorden elkaar nog net niet. De conducteur en machinist droegen verschillende petten die ze gebruikten als wapen. Ze sloegen er geen vliegen mee weg en bakten er ook geen zoete broodjes mee. Nee. Ze sloegen er elkaar mee om de oren. Op een gevaarlijke manier. De politie greep in. Die had daarmee haar bestemming gevonden.

De brandweer besloot eerst het binnenbrandje van Theo te blussen. De trein blussen, daar was geen beginnen aan. De houten bekisting was al helemaal opgebrand. Het metaal begon al te smelten. Het gaf allemaal wel verrekte veel warmte. Zelfs de koeien uit het weiland kwamen zich er even aan warmen. De klus was door de brandweer snel geklaard. Ze spoten Theo en Charly helemaal ondersteboven met water. Hun discussie liep met veel sissers af.

De ambulancier was de enige die nog met lege handen stond. Ware het niet dat Betsy ineens omviel. De passie was haar te veel geworden. Zo bleek achteraf. Ik heb haar nog bezocht in het ziekenhuis van Schoonhoven. Gelukkig maar. Daar legde ze aan mij uit, dat ze volledig door haar emoties in vuur en vlam was gevat en voor mij gevallen. Dat laatste letterlijk en figuurlijk. Ze had nog nooit zo'n mooie jongeling gezien. Ik wilde nog vragen, wie en waar dan, maar dat bleek al snel overbodig. Liggend in bed, trok ze mij met haar linkerhand achter mijn nek zachtjes naar zich toe. Met de andere hand toverde ze vanonder de lakens haar blauwe pet te voorschijn en hield die snel achter mij tussen de lezer en ons in. Een hevige omhelzing en zoen volgde. Eindelijk. Ik hoefde niet meer te weten waarom Theo het gordijn in de trein omlaag had getrokken. Het deed er niet meer toe. Ik had mijn meisje. Het meisje met de blauwe pet. We leefden daarna nog lang en gelukkig. Wel met hard labour. Maar hee, dat spreekt vanzelf. Liefde is een werkwoord.

19-10-2015

Het meisje met de blauwe pet (9)

Ik wilde niet wachten op de brandweer of de politie, want die zouden er nog wel een hele poos over doen. Die moesten helemaal uit Schoonhoven komen. De machinist en conducteur bleven in druk gesprek met elkaar. Er leek zo nu en dan zelfs wat ruzie te ontstaan. De conducteur scheen de machinist ter verantwoording te roepen. Maar deze reageerde zo halfslachtig en nonchalant, dat ik er zelfs een beetje boos van werd.

Een stukje verder stond Theo Charly uit te horen. Als een hele oude Sherlock Holmes. Hij had ook een detective-brilletje opgezet. Het gaf Theo iets onderzoekends en aandoenlijks. Charly hield hem een stuk papier voor zijn neus. Theo was zeer geïnteresseerd in Charly's geaardheid. Dat was wel duidelijk. Ze stonden te ver van me vandaan om hun gesprek te volgen, maar de gebaren die Theo maakte spraken boekdelen, borstdelen eigenlijk.

'Hallo, hallo!' Verbaast keek ik naar Betsy. 'Ik sta hier, ik ben er ook nog!'
Dat was duidelijke taal. Ik zou nu toch een en al oog en oor moeten zijn voor Betsy. En toch miste er iets. De spanning was duidelijk gebroken. De coup de foudre leek niet meer in mij geslagen te zijn maar in de weke bodem naast de spoorrails vlakbij station de Hem. Uit beleefdheid en grote nieuwsgierigheid boog ik mij naar Betsy toe en fluisterde in haar oor: 'Is dat echt jouw grote broer?' En met moed uit mijn schoenen: 'Waarom deed hij het gordijntje dicht in de trein?'

Twee vragen tegelijk waren te veel voor Betsy. Zij focuste zich maar op een ding. Op mij. Ze vond het blijkbaar fijn dat ik in haar oor fluisterde want ze begon spontaan te blozen en giechelen. Het kietelde in haar oor, dat kon ik zien. Ze krabde stevig met haar linkerpink in haar oor. Vliegensvlug maakte ze ronddraaiende bewegingen. Zo snel dat ik er zelf een beetje duizelig van werd. In haar rechterhand droeg Betsy haar blauwe pet. Die hield ze ineens voor haar gezicht. Had ik haar in verlegenheid gebracht? Ze trok de pet weer weg en keek me nogmaals ondeugend aan.

In de verte klonken nu de sirenes. Wilde ik nog antwoord krijgen op mijn vragen, dan moest ik haast maken, snel handelen, of een afspraak regelen met Betsy. Dat was ook een goed idee. Maar hoe, en waar, iets klopte er niet aan haar. Dat wist ik haast zeker. Maar wat?

Een zekere aantrekkingskracht die ze uitstraalde bleef mij prikkelen. Mijn hart en hoofd maakten overuren. Ze waren het nog niet eens met elkaar. Intussen was het gesprek tussen Theo en Charly hoog opgelopen. Betsy kreeg dit ook in de gaten. Ik voorvoelde op een of andere manier wat er ging gebeuren. En ja hoor, het gebeurde.

12-10-2015

Het meisje met de blauwe pet (8)

Geen moment te verliezen. Alle belangrijke gedachten vlogen naar de achtergrond. Dit was realiteit en die vroeg meteen om actie. De oude kale man die zich had voorgesteld als Theo, werd geholpen door Betsy. Ik hield de schuifdeur die altijd vervelend dichtklapte voor hun open. De conducteur was inmiddels verder naar achteren de trein in gerend. Ik vermoedde dat ook daar weinig mensen zaten. Ik vond het nog steeds raar dat de trein zo leeg was.

Buiten langs de rails stonden twee mensen te wachten. Eentje droeg een zwarte pet met een gele rand. Waarschijnlijk de machinist. De andere persoon was een vrouw. Althans dat dacht ik. Toen we elkaar groetten bleek de vrouw een heel donkere zware stem te hebben. Ik was gefascineerd door haar of zijn adamsappel. Die ging als een tennisbal op en neer onder zijn kin. Toch een man naar ik vermoedde.

De oude man stelde zich voor aan de beide heren. ‘Ik ben Theo, de broer van haar.’ Hij wees naar Betsy. ‘En ik ben Betsy, de zus van … ‘ Ja, dat was nu wel duidelijk. Ik kon me er nog steeds niets bij voorstellen. Dat konden toch onmogelijk broer en zus zijn? Uit verschillende huwelijken misschien? Met een hele oude vader. De oorlog was al even voorbij en de babyboom had behoorlijk om zich heengeslagen. Was Betsy het resultaat van inhaaleffect. Nee toch? Theo raakte in druk gesprek met Charly, zo stelde de manvrouw of vrouwman zichzelf voor. Ik was er nog niet over uit. Theo ging op ontdekkingstocht, dat was wel duidelijk. Mijn nieuwsgierigheid betrof alleen maar Betsy. De machinist hield zich anoniem.

Intussen brandde de trein van voor naar achter als een fakkel. We gingen een stukje achteruit staan want het begon aardig heet te worden. De conducteur stond nu met de machinist te praten. Drie maal raden waar het gesprek over ging. Er was verder niemand meer uitgestapt.

‘Nou ontmoeten we elkaar dan eindelijk!’, brak ik het gesprek open.
‘Jahhhh …!’, antwoordde Betsy met een zwoele stem.
Ik schrok ervan. Ik kende Betsy amper, vond haar best leuk en de coup de foudre was nog niet uitgewerkt, maar dit ging wel erg snel, wat een overgave.
‘Ik heb jouw briefje met veel moeite ontvangen, of eerlijk gezegd bekeken. Een of andere idioot had er een papieren vlieger van gevouwen …!’ Terwijl ik dit vertelde aan Betsy dacht ik. Wat zal ze nu toch niet van me denken, die is gestoord. Het zelfde dacht ik van Betsy. Zij antwoordde weer met: ‘Jahhhh …!’ Daarnaast keek ze me vol verlangen aan. Ik wist me even geen raad.

‘Ik heb dat briefje geschreven, heel snel, ik wist jij bent de ware, mijn ware!’ Bronstig keek Betsy mij nu aan. De ware, ik de ware, nu al, na een kleine blik. Na een kleine petieterige coup de foudre. Dat is haast onmogelijk. Het vreemde was, dat ik precies hetzelfde gevoel had gehad. De afgelopen dagen althans. Maar nu in levende lijve leek mijn keutel heel even terug te schieten. Ik voelde nattigheid. En die moest zo snel mogelijk opgelost worden.

05-10-2015

Het meisje met de blauwe pet (7)

Ik wist dat ze ergens in een van de laatste de coupés zaten. Snel rende ik door de smalle gang, het leek uitgestorven in de trein. Er zat bijna niemand in de andere treinstellen. Hier moest het toch ergens zijn. Ah, daar hingen bruine gordijntjes voor de coupé. Dit moest hem zijn.

Maar nu sloeg pas echt de twijfel toe. Alle heldhaftigheid waarmee ik de trein was binnengestormd verdween in luttele seconden. Wat ging ik Betsy en die vreemde man zeggen? Waarom had de man Betsy terug op haar stoel getrokken, de gordijnen dichtgedaan? Waarom zat er bijna niemand in de trein? Waarom was de trein gestopt? Waarom riep ik in hemelsnaam altijd zelf zoveel vragen op? Handelen, handelen, handelen. Een kleine stem tikte me tegen de oren. Handelen. Nu. Met een ruk trok ik de coupé open en wat ik zag ontroerde me.

Betsy zat op schoot van de vreemde man met haar hoofd tegen zijn schouder aangeleund. Het zag er heel close uit. De man streelde Betsy door het haar. En Betsy weende, weende zachte warme tranen. Althans zo voelde het voor mij. Koude tranen zijn veel te hard voor zo’n lieve meid. De man keek me een beetje guitig aan. Lachte hij me nu uit? Nee, toch? Ineens stak hij met een ondeugende blik een klein puntje van zijn tong naar me uit. Hier klopte toch iets niet. Hij hield nu ook op met het strelen van het haar van Betsy.

‘Hallo, ik ben Billy …’
Terwijl ik mijn hand uitstak, voelde ik hoe ongemakkelijk de situatie was waarin ik me bevond. Ik wist ook niet wie ik het eerste een hand moest geven. Ze keken me beiden aan. Eerst mezelf maar even netjes voorstellen, had ik in mijn onnozelheid bedacht. Mijn hand zwaaide wat verloren voor de neus van Betsy en de vreemde man. Ik kreeg geen hand terug. Snel liet ik hem zakken.
‘ … en wie zijn jullie?’
Ik nam me voor om maar een vraag tegelijk te stellen. De situatie vroeg erom.

‘Ik ben Theo en dit is Betsy, mijn zusje, wat is er toch gebeurd?’ De vreemde man keek me doordringend aan, maar pas nadat hij eerst het puntje van zijn tong weer naar binnen had gelepeld. ‘Weet jij waarom we stil staan? Ze is zo geschrokken mijn lieve kleine Betsy.’ Daar kwam het tongetje weer. Wat een idioot gedrag. Wat een rare man en wat een raar tafereel. Zo klein vond ik Betsy niet. Integendeel, ze bestreek bijna de hele schoot van deze Theo. Ze was niet klein van stuk en zeker niet klein van leeftijd. Ik schatte Betsy vierentwintig. Theo daarentegen was minstens zeventig. Hoe konden die twee nu broer en zus zijn?

‘Hallo Theo, hallo Betsy, … ik weet niet wat er precies gebeurd is, dat is de conducteur op dit moment aan het uitzoeken’.
Intussen vroeg ik mij af hoe ik nu zo tactisch mogelijk kon vragen waarom Theo de gordijntjes had dicht getrokken bij het aanzien van mijn blik. Los van de schrik die de twee ongetwijfeld even hadden toen de trein plots stil kwam te staan. Maar van schrik trek je toch niet zomaar de gordijnen dicht.

Betsy haalde haar hoofd los van de schouder van Theo en rekte zich wat uit. Daarna lachte ze mij een beetje schaapachtig verlegen toe. ‘Jij heet dus … Be … Be … Be … Billy!’ Haar ogen vingen de mijne … klaboem! … een lichtblauwe ontmoeting … een kleine verdrinking … snakken naar adem … een coup de foudre … daarna streek een compleet orkest neer in mijn oor … ik heb geen klassiek opleiding genoten … maar volgens mij streek een voltallig orkest neer en speelde alle klassieke deuntjes die ik kende gelijktijdig in mijn oor. Wat voelde dat bijzonder. Een fanfare van plezier en genot. Met Betsy deed het ook iets. Dat las ik in haar gezicht.

‘Ja, ik ben Billy … aangenaam!’ Ik nam de hand die Betsy mij ondeugend aanreikte meteen aan. Hij voelde zacht en warm. Het was de lekkerste hand die ik ooit had vastgepakt. Ik dacht heel even ook iets zoets te ruiken. Alsof Betsy’s hand geparfumeerd was. Dat zal toch niet? De tijd leek voorgoed stil te staan, totdat in de deuropening van de coupé een harde stem bromde. ‘Onmiddellijk de trein verlaten, we staan in brand!’ Het was de conducteur.

25-09-2015

Het meisje met de blauwe pet (6)

De man duwde Betsy terug op haar stoel en trok vliegensvlug een vaal bruin gordijntje voor het raam van de trein. De adrenaline stroomde plots door al mijn aderen. Dit vroeg om actie. Geen seconde te verliezen. Ik gooide mijn fiets aan de kant, nam een flinke aanloop en sprong met mijn ogen dicht, dwars door de bramenstruiken. Een aantal bramenslingers probeerde mij nog tegen te houden, ze braken echter alleen mijn val. Gelukkig maar. Ik viel voorover in het grint dat de bramenstruiken van het spoor scheidde en haalde flink mijn handen open. Mijn schuurpapieren handpalmen begonnen langzaam te branden en bloeden. Het weerhield mij niet van verder ingrijpen. Heldengedachten flitsten door mijn hoofd. Ik moest en zou hier handelen en snel. Mijn gedroomde liefde, mijn Betsy was in gevaar. Het enige wat ik voor mij zag was haar verschrikte blik en een vreemde grijns van de kale man in haar coupé.

De deuren zaten aan de andere zijde van de trein en ik moest hoe dan ook naar binnen. Snel sprong ik op de spoorlijn en rende om de achterkant van de trein heen. Nou ja, rennen, het was meer hinkstapspringen. De trein stond nog steeds stil en aan de voorkant zag ik de conducteur zijn hoofd uit het raam steken. Hij zwaaide naar mij, met een vreemd soort spiegelei boven op een stok. Een rood ei. Dat betekende vast gevaar. Op mijn hoede liep ik naar hem toe.

‘Jongeman, jongeman … er is iets raars gebeurd met mijn trein …’, hakkelde de conducteur. ‘Iets … iets … heeft mijn trein doen stoppen … zonder, zonder … gebruik van de noodrem … ik begrijp er niets … van … van … !’ De conducteur was behoorlijk van de leg. Dat was wel duidelijk.

Ik dacht alleen maar aan mijn Betsy en wat er mogelijk gaande was in haar coupé. Ik wilde het liefst de trein binnenstormen. De conducteur vormde mijn sleutel tot de trein.

‘Wil jij even voor de trein kijken? Ik kan de voorkant niet zien. Misschien heeft de trein iets geraakt. De machinist geeft geen kik en de deur van zijn cabine zit op slot. Ik durf zelf niet uit te stappen en te gaan kijken. Ben niet zo’n held.’

Alles voor de liefde dacht ik en twijfelde geen moment. Er lag niets voor de trein.

‘Er ligt niets. Maar mag ik u iets terugvragen. Ik wil graag in uw trein stappen om mee te helpen. U wil vast de trein onderzoeken. En u treft het, ik ben een speurneus eerste klas.’
Waar ik deze gouden inval ineens vandaan haalde is mij een raadsel. Maar nood en liefde breken wet … en prikkelen bovendien de fantasie.

‘Oh … een speurneus bent u, en dat moet ik geloven? Wat heeft u onlangs opgespeurd dan, ik wil wel bewijs.’

‘De liefde meneer, de liefde!’ Ik kon maar een ding zo snel bedenken en ik loog niet eens.

‘Ach … de liefde opgespeurd, alles voor de liefde … een speurneus naar mijn hart … kom binnen!’ De conducteur duwde de deur voor me open en ik sprong snel in de trein. Blijkbaar had ik een gevoelige snaar geraakt.

‘Ik zal achter in de trein beginnen met mijn onderzoek, probeert u dan te onderzoeken wat er met de machinist aan de hand is en kom dan mijn kant op!’ Op een of andere manier had de conducteur iets in mij opgeroepen waarvan ik niet wist dat ik het bezat. Moed, daadkracht en initiatief. Ik herkende wel onmiddellijk de drijfveer van mijn ongekend gedrag. Betsy! Snel ging ik op pad.

21-09-2015

Het meisje met de blauwe pet (5)

Mijn geduld werd uiteindelijk beloond. Vanuit Gouda reed de trein naar Schoonhoven en daar zat ze weer. Betsy. Mijn Betsy. Aan het raam en ze keek me aan, doordringend, vol verlangen. Dat is wat ik zag. Ze zwaaide en draaide haar gezicht naar me toe vanaf het moment dat de trein aan mijn gezichtsveld voorbij vloog. Was dit nu toeval? Of een moment van waarheid, van ware aard en ware liefde. De coup de foudre sloeg weer in. Maar nu anders. Beduidender. Dit was een moment om vast te houden. Een moment dat om actie vroeg. En weer legde Betsy haar hand tegen haar oor. Ik moest bellen. Maar hoe? Ik had immers geen telefoon. Een ding was zeker. Ik moest zo snel mogelijk telefoon regelen.

Verheugd reed ik terug naar huis. Ik had haar weer gezien. Het was mooi weer. De zon scheen. In mijn hoofd gingen de radertjes te keer. Ik probeerde mijn aandacht bij het fietsen te houden want mijn hart leek het even niet te houden. Waarom wordt het hoofd en hart toch zo beroerd bij het aanzien van een mooie deerne? Betsy had geen blauwe pet meer op. Bij mij zat de pet des te hoger. Het blauwe overgooiertje dat ze aan had stond haar echter ook schattig. Dat had ik in de gauwigheid wel gespot. Mijn gedachte maakte overuren. Ik probeerde het aantal omwentelingen van mijn voorwiel te tellen. Een welkome afleiding die ik niet lang volhield. Het ventiel flitste te vaak voorbij en ik raakte al snel de tel kwijt.

Ik keek op mijn horloge. Het was vroeg in de middag. Mijn besluit om naar huis te fietsen had ik geparkeerd. Ik moest en ik zou nu telefoon regelen. Waar zou ik toch kunnen bellen? Ik besloot niet naar huis te fietsen maar naar Schoonhoven. Misschien stapte Betsy daar wel uit. Het telefoonnummer dat ze mij gegeven had kwam ook uit Schoonhoven. Ik trapte nu flink door. In de verte zag ik al het klooster Sint Michiel liggen. Ik naderde dus spoedig station den Hem. Dan was Schoonhoven niet ver meer weg. Wacht eens even. Maar dat was natuurlijk een goed idee. Het klooster Sint Michiel, dat beschikte vast over een telefoon. De Franciscaner moesten toch af en toe ook bestellingen doen. En deze orde kende de zwijgplicht. Een ideale plek dus om liefdesbanden stiekem aan te gaan.

Met het idee vers in mijn hoofd gaf ik de pedalen nog meer kracht. Totdat ik bijna van mijn fiets viel. Niet omdat er iets op de weg lag waar mijn fiets over struikelde. Nee, omdat ik zelf plots in de handrem kneep. Van verbazing en schrik. Daar stond namelijk vlak voor station den Hem de trein stil, bevroren in het landschap. De trein met Betsy. Snel zocht ik de coupé op waar Betsy moest zitten. Waarom stond de trein überhaupt stil, zo vlak voor het station? De mensen in de trein zaten wat beduusd uit de raam te staren. Zo ook Betsy. Totdat ik in haar gezichtsveld stond.

Liefdesvonken sprongen over. Tegenover Betsy zat een oude man met een kaal hoofd en een blauw grijs gestreepte trui. Hij keek Betsy en mij afwisselend aan. Waarom ik dat zag is mij een raadsel. Misschien wilde ik alles wat zich in de omgeving van mijn Betsy bevond in mijn hoofd opnemen. Waakzaam vastleggen, als een grote geheugenfoto. Het was hoe dan ook een vreemde situatie. Voor iedereen. De man eiste plots de aandacht op van Betsy. Wie was die man? Hij was voorover gebogen en had de hand op haar schouder gelegd. Kende hij Betsy? Ze schrok en wilde het raampje van haar treincoupé opendraaien. Maar de man tegenover haar belette dat. Wat wilde Betsy mij vertellen? Bramenstruiken tussen het spoor en het fietspad belette mij om naar de trein te lopen. Deze situatie vroeg om actie. Maar welke?

14-09-2015

Het meisje met de blauwe pet (4)

Ik was toch wel danig in de war van de gebeurtenissen aan het spoor. Het besef drong nu pas tot me door hoe verliefd ik eigenlijk was geworden. Gewoon op een meisje met een blauwe pet. Een coup de foudre. Een eenvoudige oogopslag. Bliksemcontact. Het was niets voor mij. Zo’n plotselinge verliefdheid. Meestal duurde het weken, maanden voordat ik ook maar toegaf aan enig gevoel van verliefdheid. En nu pats boem, in een keer sloeg het toe. Ik bleef echter voorzichtig. Wilde mezelf geen rad voor ogen draaien, want wat als het niet wederzijds was. Onzin, riep een stemmetje diep van binnen. Ze gaf jou toch een vlieger, een papieren vlieger met telefoonnummer.

‘Maar wat wilt u precies weten?’, vroeg de postkantoorbeambte. ‘U wilt weten waar het netnummer 018 vandaan komt? Naar aanleiding van een telefoonnummer waarvan u zegt dat u het gevonden heeft op een papieren vlieger? U kunt het toch gewoon bellen, dat telefoonnummer?’

Tot zover een moeizame conversatie die plaats had op het postkantoor. De goede man had gelijk. Waarom zou ik niet gewoon bellen. Maar nee, ik koesterde mijn vlinders. Ik wilde eerst wat meer zekerheid. Niet beginnen aan een onbegonnen missie. Ik was al zo vaak teleurgesteld.

‘Wel meneer. Ik heb het even opgezocht. Uw telefoonnummer komt uit Schoonhoven’.

Boink … ineens viel er heel wat op zijn plek. Ook de vlinders hielden heel even op met fladderen. Dit was realiteit. Betsy woonde in Schoonhoven! Vlak in de buurt. Wist ik veel dat het netnummer uit Schoonhoven kwam. Wij hadden thuis geen telefoon. Eigenlijk had bijna niemand bij ons in het dorp telefoon. In en naar Ammerstol werd nooit gebeld. Niemand wist het te liggen. En de contacten in het dorp verliepen allemaal op straat of binnenshuis. Via korte lijntjes. Niet door de lucht. Nergens voor nodig.

God wat was ik blij. Er stond een naam, een telefoonnummer en een brede, hele brede glimlach in mijn hersenpan gegrift. Dromend vloog ik op mijn fiets terug naar Ammerstol, gedragen en voortgedreven door zalige gedachten.

Intussen knaagde ik op een plan van aanpak. Het knagen werd bij thuiskomst broeden. Broeden op bed. Het broeden op bed werd al snel plafond staren. Over het witte plafond gleden beeltenissen van Betsy. Mijn Betsy. Steeds ondeugender. Dat kon niet, dat mocht niet. Ik moest bellen. Hoe dan ook! Maar wanneer en met welke telefoon. Wij hadden geen telefoon.

Dagen dacht ik na. En iedere dag fietste ik een flink stuk langs naast het spoor. Allemaal in de hoop nog eens een glimp op te vangen. Ze was heen gegaan, mijn Betsy, maar ze kwam ongetwijfeld een keer terug. Vijf keer per dag ging er een trein van Gouda naar Schoonhoven en vice versa. Dat had ik inmiddels op slinkse wijze nagevraagd in het dorp. Bij een van de betrouwbaarste bewoners. De dorpsgek. Die wist mij gek genoeg te vertellen hoe vaak en hoe laat de trein voorbij kwam.

Drie dagen achter elkaar wachtte ik langs het spoor. Op diverse tijdstippen. Vijf keer aan het ene kant van het spoor en vijf keer aan het andere. Op dezelfde plek als waar ik Betsy voor het eerst gezien had. In al mijn verliefd bijgeloof hoopte ik haar nog een keer te zien. Bijna, bijna was ik het spoor bijster, bijna gaf ik het op, totdat …

06-09-2015

Het meisje met de blauwe pet (3)

Het jongetje gooide de vlieger telkenmale in de lucht en rende er dan vlug achteraan. Hij had mij niet in de gaten. Hoe kon ik dit nu tactisch aanpakken? Ik moest snel handelen. Voor hetzelfde geld gooide het jongetje de papieren vlieger keihard weg en belandde het in het weiland met koeien dat pal aan de weg lag. Ik zag mezelf bepaald nu niet, een twee drie, het kleine slootje overspringen en midden in een wei landen met zwartbonte koeien. Er waren ook grenzen aan mijn nieuwsgierigheid. En veel erger nog. Mijn grote angst voor koeien zou mij weerhouden van een heldendaad. Ondanks de idee dat liefde mogelijk vleugels geeft.

Wat had het meisje met de blauwe pet nu in de vleugels van het papieren vliegtuigje geschreven? Dat wilde ik dolgraag weten. Het jongetje maakte er gelukkig geen enkel probleem van toen ik hem vroeg of ik ook eens met zijn vliegtuigje mocht gooien. Zolang ik hem zijn vliegtuigje maar teruggaf. Hij had het zojuist eerlijk gevonden. Het jongetje zal wel gedacht hebben: Wat een vreemde man? Dat die nog met papieren vliegtuigjes speelt?

Met een vlugge blik in de vleugels zag ik een telefoonnummer staan. En een naam. De naam kon ik nog wel onthouden. Maar het telefoonnummer? Gelukkig had het maar acht cijfers. Na twee keer gooien met het vliegtuigje had ik het nummer en de naam tussen mijn oren opgeslagen. Voor de eeuwigheid. Betsy 018-205443. Als dat geen toeval was. Betsy! Daar had ik zojuist nog aan gedacht. Het schoot me meteen weer te binnen. Dat was de naam van Jenny Arean uit die televisieserie. Zeker weten. Niet te geloven.
Tussen de vleugels had ik ook nog een klein hartje gespot. Wat lief van Betsy. Een kriebelhartje dat onder in de punt een beetje uitschoot. Het was snel opgetekend, dat kon je zien. Voor mij was het echter het mooiste hart dat ik ooit gezien had. Het deed mijn eigen hart bonken.

Ik bedankte het jongetje en stapte blij op mijn fiets richting thuis, met mijn hoofd in de wolken. Even had ik nog getwijfeld om te vragen aan het jongetje om het vliegtuigje aan mij te geven. Vanwege de boodschap. Maar hé, leg dat maar eens uit aan een klein jongetje, zo’n boodschap. Het eerste wat ik deed bij thuiskomst was vlug de naam en het nummer opschrijven. 018? Waar zou dat nu zijn? Al was het in Lutjebroek of Kamtjatka (zeer onwaarschijnlijk), het maakte niet uit, ik moest en zou het weten. Vlug fietste ik naar het postkantoor in het dorp. Het postkantoor had alle telefoongidsen van Nederland, gebundeld in een grote telefoonruimte hangen. Dat wist ik zeker. Nu maar duimen dat het in de buurt van Schoonhoven was. En anders wist de postkantoorbeambte mij ook wel te helpen.

01-09-2015

Het meisje met de blauwe pet (2)

Als getroffen door de bliksem stapte ik op de fiets en reed nog een stukje met de trein op. Zou ik nog een blik van haar kunnen vangen? Mijn hart klopte achter op de rug. De trein minderde vaart, mijn schietgebed verhoord. Midden op de spoorwegovergang stopte de trein. Het meisje met de blauwe pet draaide het raampje open en gooide een klein papieren vliegtuigje naar buiten. Onderwijl gaf ze me een vette knipoog. Een knipoog die niets aan toeval overliet. Met een ondeugende blik wees ze naar het vliegtuigje en legde daarna haar hand aan het oor.

Was het vliegtuig voor mij bedoeld? Ik kon het amper geloven en keek snel om mij heen. Er stond niemand bij het spoor. Razend benieuwd was ik naar haar boodschap. Het gebaar dat ze met haar hand aan het oor maakte leek verdomd veel op een imitatie van een telefoon. Mijn hart begon nog sneller te kloppen en drong zich nu sterk aan mij op, vanachter mijn rug richting borst. Het zocht zijn plek.

Ik probeerde oogcontact te houden met het meisje met de blauwe pet maar al snel werd dat onmogelijk gemaakt. Een goederentrein raasde voorbij en verbrak de magische verbinding. Intussen trok de andere trein weer langzaam op. Nog nooit was ik zo kwaad op een goederentrein. Die dingen schoten nooit op. En ook nu leek er geen einde te komen aan de ontelbare wagons. Toen de laatste wagon voorbij schoot was de trein met mijn prinses reeds uit het zicht verdwenen. Helemaal aan het einde van de einder versmolt haar trein met de bosjes van beide zijkanten tot niets, richting Gouda.

Koude wind waaide in mijn gezicht. Mijn hart zakte in de schoenen. Fietsen had geen zin. Maar … Maar … Het vliegtuig … De boodschap … Een telefoonnummer … Hoop en nieuwsgierigheid vochten om mijn aandacht. Langzaam gingen de spoorwegbomen omhoog. Snel rende ik het spoor op. Zoekend, speurend als een dolle hond. Maar helaas, het papieren vliegtuig leek gevlogen. Nergens meer te zien. Beteuterd keek ik om me heen en besefte ineens dat het lot mij niet goed gezind was, ondanks dat er genoeg signalen waren geweest die een beter lot deden vermoeden. Totdat ik aan de overzijde van het spoor een klein jongetje zag spelen, met een papieren vliegtuigje.

29-08-2015

Het meisje met de blauwe pet (1)

In een flits zag ik haar voorbij schieten. Verwonderd keek ze naar buiten en heel eventjes hadden we oogcontact. Wat ging er door haar heen? Dat vroeg ik mij af. Ik kon moeilijk haar leeftijd inschatten. Maar het contact was intens. Ik begon sneller te fietsen en raakte al snel buiten adem. Het meisje zat met haar rug gekeerd in de rijrichting van de trein. Gelukkig maar, want daardoor bleven we oogcontact houden.

Het station kwam al in beeld. Nog nooit had ik zo snel gefietst. Wie weet, misschien stopte ze wel uit bij de volgende halte. Graag zelfs. Ze daagde me uit met haar ogen. Dat zag ik dwars door het zweet dat inmiddels in mijn ogen liep. Ze droeg een blauwe pet. Een guitig gezicht. Haar kuiltjes in de wang maakten het totaalplaatje af. In nog geen tien seconden tijd was ik spontaan verliefd op haar geworden. Op het meisje met de blauwe pet. Het enige wat ik mij af kon vragen, hoe kan dat nu? Zo'n plotselinge 'coup de foudre' die mij spontaan ergens in de middle of nowhere treft. Kan dat wel? Verbeeldde ik mij niet teveel?

Zou dit Jenny Arean ook ooit overkomen zijn? Blauw, pet, hoed, serie, oorlog, het trok allemaal ineens als een film aan me voorbij. In luttele seconden. Ze leek in de verste verte niet op Jenny Arean. Zelfs niet uit haar tijd van voor 'het Schaep met de vijf poten'. Wat moest ik toch met deze gedachten? En waarom liepen ze met me weg, die gedachten? Verliefd? Ik? Hoe is het mogelijk? De trein minderde vaart. En ik, ik trapte alleen maar harder. De trein stopte en ik zag de conducteur als eerste uitstappen. En kijk, daar, daar zat ze nog, aan het raam. Maakte ze nu aanstalten om uit te stappen? Zag ik het goed? Echt?

Nee, nee, ze bukte alleen maar om iets op te rapen. We hadden oogcontact. Zeker weten. Ze streek heel even nonchalant door het haar. En ze glimlachte. Ja, ze glimlachte. Naar mij. Naar mij alleen. Ik was gestopt met fietsen en keek om me heen. Nee, niemand in de buurt. Snel wierp ik haar een kushandje toe. Het minste dat ik in dit geval kon doen. De trein maakte weer vaart. In de verte hoorde ik het rinkelen van de bel. De spoorwegbomen sloten. Over en uit. Wat zou Jenny nu toch gedacht hebben, dacht ik nog. Het is over.

08-06-2015

Drie Klapperpistolen

Een verhaal over de Peel en Kempen nog niet eerder verteld ligt voor u lezer. Mag ik u meenemen op een reis door zompige moerassen, slijk der aarde, over smalle zandpaden dwars door hei die nooit bloeit, simpelweg omdat zij in zichzelf keert, haar paarse en witte bloesem inslikt zodra zij paardenhoeven voorbij voelt suizen; uiteinden van rosse viervoeters die op de rug dragen ongezadeld, stoere ruwe mannen zonder stijgbeugels, gekleed in wollen tunieken en strakke broek, de baarden ongekamd en druipend in het vet van een maaltijd, een uur geleden verorberd in een hoeve die na ampel beraad, niet in brand gestoken is door drie wildemannen op doorreis zonder eindbestemming, gedreven en voortgestuwd door niet aflatende gemoedsonrust?

“Waarheen leidt onze weg Aard?”
Aard, de middelste van leeftijd, wijs geworden door onvoltooid verleden tijd, zegt niets en drijft zijn viervoeter verder over de hei.

“Kom op Aard, we willen het weten, met jou vandaag aan kop!”
Stuurs haat het de weg kwijt te zijn, hij is de oudste van leeftijd, gelouterd in voltooid verleden tijd. Zijn horloge laat hem in de steek en dat maakt hem woedend. Stuurs woedend is geen goed teken.

“Stuurs heeft gelijk Aard, kom op nou, waar voer je ons heen, jij die vandaag de weg kent?”
Twijfel is de discussie beu, de jongste van leeftijd, amechtig hollend in het heden en altijd op zoek naar toekomst houdt het niet meer. Hij wil weten waar naartoe.

De drie mannen verlaten de hei en rijden het bos in. Op de hei steken witte en paarse bloemetjes hun kop op en fluisteren bijna onhoorbaar in de middagzon. “De Drie Klapperpistolen, dat zijn de Drie Klapperpistolen!”

Ja beste lezer, het zijn inderdaad de Drie Klapperpistolen, drie mannen gekend vanwege hun reputatie, gevreesd en vervloekt in de Kempen en de Peel, een gebied strekkend bijna 100 kilometer over de volle breedte, aan gene zijde van de Nederlandse en Belgische grens. Gezworen kameraden gekend vanwege hun knappe uiterlijk, onhebbelijkheden en tegennatuurlijkheid. Ze liegen en vertellen gelijktijdig de waarheid. Gelogen waarheden die binnenkomen, wreedaardig, wreed en aardig tegelijk. Om te knuffelen en te haten. Niemand maar dan ook niemand uit dier- en menswereld heeft ooit toenadering gevonden tot het vreemd gespuis dat vertier en oorlog zaait. De sleutel van het verbond dat de heren samen ooit sloten is nooit gesmeed. Het is een symbolische sleutel die in drie sloten past. Drie sloten die toegang geven tot kermissen in de hel, tot natte regens van woorden die iedere avond bedacht en geschreven worden bij hete kampvuren. Gevat in uitgekookte boeken waar de stoom van afslaat.

De mannen verlaten het bos en rijden voorzichtig over een breed pad dat midden door een groot moerasachtig gebied loopt.

“Ik weet het niet heren, de weg die lijkt vandaag zichzelf te leiden. Het is een bekende weg en hij baart me grote zorgen. Een weg zonder einde, ik herken hem!”
Aard heeft de laatste weken nog nooit zoveel woorden achter elkaar gesproken. Het doorbreken van de stilte jaagt Stuurs bijna het moeras in. Zijn viervoeter stopt net op tijd voor de zomp zijn zuigkracht toont.

“Maar Aard, Aard … dan zijn we toch op weg naar het einde? Ja toch? Alsjeblieft, zeg ons dat het waar is."
Stuurs wrijft met zijn linkerhand stevig over zijn vleespet. Een manische tik die hij heeft overgehouden nadat twee vrouwen in vrij korte tijd hem op een heel onwelvoeglijke manier de deur wezen.

“Ja Aard, Stuurs heeft gelijk, je hebt het vorige week nog opgeschreven. Bij het kampvuur aan de Bossche dijk, vlakbij het Land van Nooit. ‘Het einde der wegen wordt ingegeven door de weg zelf’."
Twijfel is Stuurs voorbijgestreefd en loopt met zijn viervoeter naast Aard, hem confronterend met zijn eigen zinsnede.

“Jullie hebben gelijk mannen, dit is het einde, dat ik dat nog mag meemaken!”
Aard is verheugd door zijn pas verworven inzicht.

“Ik ken het Aard, voor mij is het reeds een gepasseerd station, maar ik help je vriend!”
Stuurs trekt zijn klapperpistool.

“Ho, ho, wacht Stuurs … en ik dan … ik wil nog wel even verder hoor. Het einde is voor mij nog lang niet in zicht!”
Wanhopig kijkt Twijfel naar Stuurs die naast hem rijdt.

De drie mannen rijden weer het bos in en stoppen bij een donker meer. Vanaf hun viervoeters kijken ze in de grote spiegel die het meer gratis en voor niets afgeeft. Ze laten de spiegel voor zich spreken. Maar deze geeft geen kik. Hij weerkaatst slechts gezichten en gedachten. De mannen komen tot een eenvoudige slotsom. Immers niemand kan gezichten en gedachten lezen. Bij het meer eindigen en beginnen alle wegen. Sterker nog, ze cirkelen eromheen. Het besef komt bij iedereen binnen. Met een groots gebaar heffen Aard, Stuurs en Twijfel hun klapperpistolen, slingeren het drie keer in een grote cirkel boven hun hoofd en gooien het in het midden van het meer. “Allen alleen, alleen allen!” Roepen ze uit volle borst. Gedrieën volgen ze daarna hun eigen pad.

Van de Drie Klapperpistolen is nooit meer iets vernomen. Hun kampvuurverhalen zijn wel gebundeld en verschijnen regelmatig op het internet. De ware liefhebber weet ze te vinden en te lezen, met de juiste sleutelcode. Op de Kempen en in de Peel is de rust wedergekeerd. Heel af en toe steekt er nog wel eens een kemphaan zijn kop op. Maar deze wordt vrijwel onmiddellijk meedogenloos, met herinneringen aan vroeger en kennis van nu, de kop ingedrukt. Nee, niet afgehakt. Dat is meer iets voor de Middeleeuwen.

02-11-2013

Literaire cappuccino

Maarten heeft geen enkel benul wat er binnen nu en pakweg zeshonderd woorden over hem heen wordt uitgestort. Het is ook maar beter zo. Hij zou zich onmiddellijk terugtrekken uit de penibele situatie waarin hij nu verkeert.

Wachtend op de cappuccino die hij heeft besteld staart hij somber uit over het drukbevolkte plein. De vrolijkheid en de levenslust die daarvan afstraalt bereikt Maarten niet. Het contract dat hij een uur geleden met zijn laatste restje bravoure heeft getekend hangt als een zwaard van Damocles boven zijn hoofd.

Zijn vrouw heeft hem nog zo gewaarschuwd. ‘Als jij dit contract ondertekent dan zijn de rapen gaar. Dan kun je nooit meer vrijuit schrijven en blijf je voor altijd gebonden aan die dekselse thematiek van die idiote uitgever van je.’ En warempel, ze heeft gelijk. De woordwaterval van zijn vrouw weegt echter niet op tegen het relaas van zijn uitgever, die zojuist het café verlaten heeft.

Met de stem van zijn vrouw in het achterhoofd heeft Maarten nog geprobeerd het thema te beïnvloeden, maar de uitgever sneed hem deskundig de pas af. Reisverhalen zijn nou eenmaal de core business van de uitgeverij. Hij moet maar zien met zijn vrouw in het reine te komen dat hij weer een poos van huis is. Het voorgestelde honorarium kan daar wellicht bij helpen. Eerst nog maar een cappuccino voor hij naar huis gaat.

Wat gaat hij Eva nu vertellen? Die zal ongetwijfeld verbaast reageren. Moet ze weer alleen op de katten passen en wekenlang in onzekerheid leven? Ongerust zijn of hij zijn pilletjes wel op tijd inneemt? Ach, waar maakt hij zich eigenlijk druk over. Hij gaat gewoon met de brommer naar Italië en dan komt alles goed. Zijn cappuccino smaakt voortreffelijk en goed gemutst stapt Maarten richting huis, een zonnig huis achter de heuvel.

Eva heeft zich een café latte gemaakt en zit in de prachtig aangelegde achtertuin te piekeren over Maarten’s schrijfkunst. Hij denkt dat zij niets in de gaten heeft, maar ze weet al weken dat hij geen letter op papier krijgt. Stel dat hij straks met een nieuw contract op de proppen komt en dat hij weer op reis wordt gestuurd. Zij krijgt het bij voorbaat al benauwd. De stress die dat gaat geven. Misschien moet ze alvast een herhalingsrecept voor Maarten’s medicijnen gaan halen.

Fluitend loopt Maarten de achtertuin in. Op zijn rug een bosje bloemen en een doosje Italiaanse bonbons. Dit moet lukken. Eva kijkt hem met een scheve blik aan. Maarten moet onmiddellijk denken aan de fameuze Torre Pendente. Zo hevig heeft hij zijn vrouw nog nooit zien loensen. De hel breekt los vanaf het moment dat Maarten de uitkomst van zijn gesprek met de uitgever doorbrieft aan Eva. Dante zou er jaloers van worden. Maarten neemt een dapper besluit.

Hij beent naar de keuken en komt enige tijd later met een verse cappuccino en café latte terug in de tuin. Met een goede Italiaanse koffie praat het vast makkelijker. De razernij van Eva gecombineerd met Dante en de Torre Pendente in Pisa tillen hem in creatieve zin op. Naar de hel met de zwartkijkerij en sombere gevoelens. Aan de slag, met of zonder Eva, die keus gaat hij haar nu voorleggen. Ze zal waarschijnlijk wel zwichten voor het honorarium wat in het verschiet ligt. Dat hij binnenkort op zijn brommer naar Italië afreist is zeker.

Maar helaas, Eva’s mond praat niet meer. Ze heeft uit razernij haar mond gesnoerd met Italiaanse melkchocolade. Hier stopt iedere vorm van communicatie. De bloemen heeft ze van kwaadheid op de salontafel tot paapse pulp geslagen. Een ‘Bedankt voor die bloeeemen …’ is er voor de schijnheilige Maarten niet meer bij. Die besluit nu toch maar de stoute schoenen aan te trekken. Italiaanse uiteraard, van Gucci.

Het is Maarten duidelijk dat ze voorlopig zijn uitgepraat en dat hij op haar medewerking niet hoeft te rekenen. Hij zal meteen zijn uitgever bellen om een reisschema af te spreken. Best mogelijk dat Eva nu al op het idee van een echtscheiding zit te kauwen. Die aanvraag trekt ze wel in wanneer zijn bestseller: “Hoe Dante verdween uit Pisa”, uitkomt.

Co-column geschreven door Mien en Ferrara

31-01-2012

Columns van Harrie (Januari 2012)


In de kuip / Actualiteiten / 12-01-2012

Ik had vandaag niet veel te doen. Wat navelstaren en in de ruimte zweven. Daar ben ik goed in. Maar ja, op den duur begint dat behoorlijk te vervelen. Ik dacht bij mezelf: Wie heb ik al een tijdje niet meer gezien? Maar natuurlijk. Good old André. Nee, niet die onzichtbare. Nee, André van out of space. Beter gezegd André van in of space. Innerspace? Ach wat maakt het ook uit. Ik struikel wel meer over letter-, woord- en naamvallen. Bovendien, een vleugje Engels moet zo nu en dan toch kunnen? Ik vat mijn TARDIS en ga op weg. Gelukkig is mijn vervoerscel goed geïsoleerd. Het kan behoorlijk koud zijn buiten de dampkring. Al gauw zie ik een glunderende André aan mijn raam verschijnen. Met de tong naar buiten hangt hij omgekeerd in zijn ISS. Hij ziet er moe uit. Dat komt vast van al het sporten en alle experimenten. In gebarentaal proberen we contact te leggen. Wat ik ontcijfer klinkt niet goed. Daarbij moet ik wel vertellen dat ik niet zo goed ben in cijfertjes. Laat staan in ontcijferen. Ik lees uit André’s handgebaren dat de laatste experimenten niet zo goed verlopen zijn. Vooral de experimenten in de Microgravity Science Glovebox schijnen uit de hand gelopen te zijn. Door al het getol in de ISS is André een beetje in de war geraakt. Met als gevolg een terugval in aards denken. André zag de Glovebox aan voor een magnetron. Die gedachte werd hem ingegeven door hongerige maaggeluiden. Tja, daar houd je natuurlijk krokante vingers aan over. Om op te vreten. Met een lang gezicht showde André door het ISS-raam zijn middelste lange vinger. De andere vingers ontbraken. Ik kan hem geen ongelijk geven. Want zeg nu eens eerlijk. Wie zit er nu te wachten op astronautenvoer? Tegen een krokant gebakken vinger kan geen pilletje op. Plotseling zwaait André fanatiek met zijn middelvinger. Hij wil me blijkbaar iets duidelijk maken. Aan zijn rode hoofd is te zien dat hij zich erg druk maakt. Ik begrijp nu ook waarom. Oleg en Donald verschijnen plots voor het raam. Hun gebarentaal is van een gans andere order. Het lijkt wel Chinees. Best knap voor een Rus en een Amerikaan. Ik heb geen nood aan een telraam om hun taal te ontcijferen. Dat Chinees van die Rus en Amerikaan is behoorlijk expliciet. André wordt langzaam verdrongen voor het raam. Het raam met de bijzondere naam Cupola laat iedereen 360 graden tollen. Zolang Oleg en Donald mijn zichtbare André maar niet aanzien voor een Duitser komt alles goed. Voor de Rus en Amerikaan is het blijkbaar ‘ganz toll’ om internationaal gemeenschap te hebben met uitkijk op loeder aarde. Voor mij wordt het echter nu allemaal iets te klef. Ik zit niet te wachten op raamprostitutie from innerspace. Ik krijg een beetje medelijden met André. Als Amsterdammer genomen worden in een kuip lijkt mij geen sinecure. Gauw maak ik me uit de voeten met mijn TARDIS. Ik word achtervolgd door een staart van Lovejoy. Gelukkig schud ik hem snel van me af. Vanuit mijn ooghoek zie ik de zon opkomen boven Australië. A new day is dawning.


C-O-N-F-I-D-E-N-T-I-A-L / Reisverhalen / 20-01-2012

Benauwt kijkt dokter Wie om zich heen. Hij is volledig gedesoriënteerd. De ruimte waarin hij zich bevindt komt hem bekend voor maar werkt vervreemdend. Hij ziet alles uitvergroot. Enorm. Door het glas van zijn TARDIS ziet hij een gigantisch grote paperclip liggen. Hij zit gehecht aan printpapier. Op het printpapier ontcijfert dokter Wie een aantal letters. Ze vervagen in hun grootte. C-O-N-F-I-D-E-N-T-I-A-L, lijkt er te staan. Nieuwsgierigheid is gewekt. Is niet te bedwingen. Ondanks dat de dokter zich unheimlich voelt sluipt hij voorzichtig zijn cel uit. Hij stapt in een dikke laag stof die zijn schoenen en sokken doen verdwijnen. Snel klimt hij op het printpapier dat stofvrij is en glad onder zijn voeten weg lijkt te glijden. Langzaam en voorzichtig schuift hij richting de letters die onder CONFIDENTIAL staan. Hoe graag hij het ook wil, de letters zijn niet te lezen. Ze zijn te groot en hij staat er te dicht op. Met een oplettend oog scant de dokter zijn omgeving. Wat een space? Het lijkt op een mega kantoorruimte. In de verte ziet hij een grote rode bak met vellen papier die eruit steken. Hij ziet nu ook dat er nog een aantal bakken bovenop gestapeld staan. Aan de zijkant staan een aantal letters strak in het rode plastic gegraveerd. L-E-I-T-Z staat er. Duidelijk. Dit moet een kantoor zijn. De dokter hoopt vurig dat degene aan wie dit kantoor toebehoort niet al te georganiseerd is. In dat geval kunnen namelijk volgeladen rommelige Leitze dossierbakjes uitstekend dienen als ladder. Bovenop de Leitzbakkentoren hoopt de dokter het vertrouwelijk papier wat beter te kunnen lezen. Gedreven door zijn nieuwsgierigheid klimt de dokter snel naar boven. Zich vasthoudend aan gele memovelletjes, pennen en een smoezelig boterhammenzakje. Oeps, dat stinkt. Naar bedorven leverkaas. Bah, muf. Het verschrompelde mandarijntje dat er naast ligt dempt de weeë lucht. Althans in dokter’s gedachte. Via een scherp mes, een brievenopener en een liniaal bereikt hij uiteindelijk de bovenste Leitzbak. Hij voelt zich een ware bergbeklimmer en rust even uit tegen een puntenslijper. Een omgekeerde punaise wordt meteen gebombardeerd tot Gipfelkreuz. De dokter voelt in zijn zakken en haalt een rode boerenzakdoek te voorschijn. Aha, een vlag voor zijn eigen Gipfelkreuz. Als een ware paaldanser klimt hij langs de punaise omhoog en prikt zijn zakdoek vast aan de punt. Zo, die hangt mooi te wapperen. Nieuwsgierig gooit de dokter een blik de kantoorruimte in. Hij heeft een mooi overview op het bureaublad. Het oogt als een nette georganiseerde vlakte. Zo te zien is de bewoner van dit bureau al een poosje niet aanwezig geweest. De ogen van de dokter glijden naar het papier waar CONFIDENTIAL op staat. De datum is van een jaar geleden. Hij snapt nu ook waarom er zoveel stof op het bureaublad ligt. Hé, daar ziet hij ook zijn TARDIS in het stof liggen. Vreemd om te zien dat deze hetzelfde formaat heeft als de puntenslijper waar hij zojuist tegenaan leunde. De dokter raakt behoorlijk in de war van het bevreemdende kikkerperspectief. Zijn ogen glijden weer naar het vertrouwelijk papier. Hij leest nu heel duidelijk wat er op het papier gedrukt staat. De brief is gericht aan een zekere Kuipers. We inform you that it is more important to travel then to arrive at your final destination. For this reason we advise you to take enough sandwiches with you. You never know if you will find any food corner in space. Also we advise you to take an umbrella with you. Sometimes it rains rocks in space. You better be prepared. End of message. Yours sincerely, Prince Newton from Cape Carnival. P.S. It is predicted that pigs from out of space soon will enlarge planet earth. So take with you a large umbrella.


Columns van Harrie zijn geschreven aan tafel bij Mien. Harrie is een auteur en tafelvriend van Mien. Van november 2010 tot maart 2016 publiceerde Harrie ook columns op de website van ColumnX.
Harrie’s columns zijn gebaseerd op oude personages uit TV-series Catweazle en Doctor Who. De Britse acteurs Tom Baker en Geoffrey Bayldon vormen zijn inspiratiebron. Daarnaast maakt Harrie ook graag filosofische en sportieve uitstapjes.

22-04-2009

Turkisch delight

Schiphol zaterdagochtend half tien, vertrekhal 3 ter hoogte van incheckbalie 18, bij koffiecorner. Aarzelend en peilend schudden zestien reisgenoten elkaar de hand. In zware bergschoenen en achter volgepakte rugzakken gaan doorwinterde levens van middelbare leeftijd schuil. Dertien vrouwen en drie mannen leggen een week lang, beetje bij beetje hun sluier af. Twee stuks Breda, twee stuks Zwolle, twee stuks Helmond, twee Belgen met roots in Brugge, zes Randstadstedelingen, één dame uit Dodenwaard en een reisleider uit Utrecht. Reisgenootschap West Lycian Way SNP is ready to depart.

Gretig slurpt de ijzeren vogel van Turkish Airlines zestien backpackers in haar buik naar binnen. Drie geblondeerde hostesses verwelkomen snibbig met plastieken glimlach het reisgezelschap. Een klein Turks commedia dell’art voltrekt zich in een veel te nauw gangpad. De foute film die van de kleine flatscreens afdruipt, valt erbij in het niet. Via oortelefoons sluipt melodieuze Turkse muziek langzaam de gestreste gedachtewerelden binnen. Een droomvlucht vangt aan. Engines get started.

Via een tussenlanding in Istanbul eindigt de vlucht met nodig gehaast in Dalaman. Een bril en rugzak lijken verloren maar worden gelukkig dagen later teruggevonden. Na een bustransfer van anderhalf uur strandt het reisgezelschap in Muzzy’s Place te Kayakoi. De entourage en het hotel lijken verdomd veel op een setting uit de film Casablanca. Alleen Sam en zijn piano ontbreken. Achter de bar hangen twee geborduurde portretten van Atatürk. Ze kijken streng de ruimte in. Tussen hen in hangen twee eveneens geborduurde kleden. Het ene volgepropt met poezen en het andere vol met schreeuwerige papagaaien.

De zwaarlijvige, door kinderpolio gemankeerde Mustafa rules the place als een ware maffiabaas.
Half onderuit gezakt delegeert hij vanaf zijn barkruk een handvol kleine familieturken op een niet mis te verstane wijze. Plotsklaps vliegen enkele rugzakken, hoog zwevend boven dribbelende beentjes, onder licht gekreun, richting slaapvertrekken. Mustafa biedt het reisgezelschap bijna dwingend een warm welkom. Everything nice? Alleen het water in het zwembad ontbreekt. Summer is yet to come. Late at night onder het genot van knapperend haardvuur, rode wijn en raki ontdooit de stoere Mustafa en komen de levensverhalen los. Een bewogen leven in teken van gastvrijheid. Stoere bolster met blanke pit. Turkije ten top.

Klokslag vijf in de ochtend klinkt live een bedwelmend gebed vanuit de minaret van de lokale moskee. De ochtendrituelen van de groep liggen voor de komende week vast. Om half acht is er ontbijt. Dat bestaat uit sterke thee, oploskoffie, brood, feta, tomaten, komkommer, olijven, hardgekookte eieren, lokale yoghurt, fruit en honing. Stevige gezonde kost om de soms steile kustpaden zowel bergop als bergaf te kunnen belopen. Om half negen staat iedereen strak in wandelpak met aangebonden dagrugzak klaar. Okselfris en welriekend naar zonnebrandcrème. Dat laatste zal niet baten. Zon en wind bedekken tijdens de lange wandelingen lijf en leden met rood vernis.

Het wandelpad van de West Lycian Way voltrekt zich langs ongerepte natuur. Ruwe rotsen, blauwe baaien, bloeiend bloemsel, geurend gras en heel veel harde keien. De route is perfect gemarkeerd. Bij twijfel biedt de GPS soelaas. De reisleider brengt vanuit zijn enthousiasme de natuur dicht bij de groep. Ganzenbloem, Guichelhel, Cistusroos en Adonis zijn nieuwe toevoegingen aan het plantenvocabulaire. Van de bomen vechten de Eucalyptus, Cipres, Citroen, Pistache, Vijg en Oosterse aardbeienboom om de meeste aandacht.
Vanuit bomen, weiden, struikgewas en langs zoet en brak water laten ortolanen, tapuiten, boomklevers, ooievaars, putters, paapjes, ijsvogels en gele kwikstaarten zich begluren door verrekijkers. Schildpadden, bijen en processierupsen kruisen met regelmaat het pad. Wat is de natuur toch mooi.

Zo ook de Mediterranae. Zo blauw, zo blauw. In de middag bieden strand en zee de nodige verkoeling. Koud water en een frisse bries kietelen de ruggengraat. Maar liefst zeven ruige kapen rollen zich in zee uit en bieden shelter aan prachtige blue lagoons.
Voor de waaghalzen is het zalig drijven op de warme baren. Alleen de sterke branding bij Patara vraagt alertheid. Niet vanwege de zeeschildpadden, die in de avond hun eieren komen leggen, maar vanwege de wind, het zand en de woeste golven die rug en oren meedogenloos geselen.

Patara biedt naast oogstrelende natuur ook prachtige opgravingen. De restanten van de Lycische stad Patara (4e tot 1e eeuw BC) liggen achteloos verspreid in een vlakke riviermonding. Een amfitheater, een forum, het vroegst ontdekte parlementsgebouw ooit, een Lighthouse en een Arc de Triomph vormen een ruig decor in een oase van stilte die alleen doorbroken wordt door af en toe een zacht getjilp van vogels. Volgens de overlevering zouden Sint Nicolaas en Apollo hier beiden geboren zijn.
Kayakoi, een in 1923 verlaten Grieks dorp vormt de tweede culturele bezienswaardigheid langs de West Lycian Way. De ruines van dit spookdorp bieden een bizar samenspel van verlatenheid en grillige vormen in een prachtig Claire Obscure. De verstilling en het uitzicht vanaf de vervallen Basiliek zijn adembenemend.

Aan het eind van de dag ruikt het gehele reisgezelschap naar een sterk mengsel van zweet, dennenboom en zoet stuifmeel. Een lauwwarme douche spoelt vieze geurtjes weg en laat nieuwe energie weer stromen. Om zeven uur zit iedereen, dressed up, braaf aan tafel. Turkse streekgerechten vliegen als zoete broodjes naar binnen. Na het diner versterken de thee, oploskoffie, bier, wijn en raki de inwendige mens. Tongen breken los. Het reisgezelschap raakt in de ban van spiritualiteit, religie en filosofie. Dagbespiegelingen, levensverhalen en zoete alcohol slaan een brug tussen christendom en boeddhisme en er is ruim baan voor discussie en wederzijds respect.

De West Lycian Way is een ware pelgrimstocht langs natuurlijke, culturele en menselijke schoonheid. De geboden gastvrijheid en rijkdom waarmee de overwegend arme bevolking van dit gedeelte van Turkije haar buitenlandse gasten omarmt is veelzeggend, ontwapenend en hartverwarmend. Gezegend is de mens die meer geeft dan ontvangt. Voor degene die inspiratie, schoonheid, loutering en verstilling zoekt biedt de West Lycian Way waar Turkish delight.

Het reisgezelschap heeft uiteindelijk haar sluier afgelegd en haar collectieve geest verruimd. Wat rest is een innerlijke verbondenheid op gepaste afstand die voor altijd onderweg zal zijn. No matter where you go, there you are.
De Boeing doorklieft het wolkendek op zijn weg retour. Door het veel te kleine vensterraam gloort een laatste vleugeltopje Turks rood. Met fel protest zet het landingsgestel zich schrap op Nederlandse bodem. Een bont reisgezelschap keert terug op aarde. Sometimes it’s better to travel than to arrive at your final destination.

Mien Kaplumbağa