Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen
Posts tonen met het label vriendschap. Alle posts tonen

31-12-2023

Wensgedachten 2024

Een hobbelpaard dat droog staat
Een kabinet dat staat als een huis
Een lijf zo gezond als … ja wat …
Een auto die blijft rijden een leven lang
Een vakantie 24/7 in je hoofd
Een bierbuik zo plat als een dubbeltje
Een goede wijnfles die nooit op gaat
Oliebollen in alle kleuren
Werk dat leuk is
Familie die gewoon familie mag zijn
Vrienden die vrienden blijven
Een hond die niet uitgelaten hoeft (te zijn)
Een poes die houdt van spinnen (rond je buik)
En niet te vergeten … 
Zelfgemaakte appelmoes …
Iedere dag


Inzending Nieuwjaarswens voor:

15-01-2023

Vriendschappen

Vriendschappen sluit ik
met mezelf en mijn boeken
uit de doeken dus

Daar waar vriendschap stroomt
vloeien rivieren samen
eeuwig oeverloos

Ik vernoem je niet
nergens voor nodig immers
wij kennen elkaar

Zet ze op een rij
vriendschap op vriendschap 
tot de kast vol is
 
 
Geschreven tijdens Open podium Poëzieclub Eindhoven (thema 'Vriendschap') in Café 't Rozenknopje Eindhoven (15-01-2023) 

26-04-2017

Drama Lechniatskinsky

Ze kennen elkaar al een eeuwigheid, Greorge, Pjotr en Wrisky. Nog voor het bestand van Lechniatskinsky. En nu, op dit moment, hebben ze elkaar het hardste nodig. Liggend op het strand van Snytnobirks, op de buik in het zand, de handen op de rug gekneveld, prop in de mond, voeten vastgebonden aan strandpalen, wachtend op de vloed. Totaal uitgeput. Ze kunnen helemaal niets meer. Het enige dat ze nog delen met elkaar zijn dezelfde gedachten. Zwevende gedachten. Niet aan de dood. Nee, aan hun grootste liefde. Aan Natasja, die ze allen liefhebben, Natasja Blowdimir. Waar ze allen ooit het bed mee deelden, op ieders eigen wijze, niet wetend van elkaar. Toen geluk nog heel gewoon was. Natasja uit Lechniatskinsky, waar is ze nu gebleven? Hun allerliefste maatje.

De zee kruipt steeds dichterbij, is haast voelbaar, de wind waait schuimvlokken in hun gezicht. In wanhoop schrijft Wrisky met samen geknoopte voeten de naam van zijn grote liefde in het zand. Hij kronkelt zijn lijf en duwt twee gekromde grote tenen in het zand.

N A T A S

Na de S krijgt hij kramp. Pjotr kijkt hem boven zijn knevel zijdelings aan. Zijn wenkbrauwen zitten bij zijn haargrens. Hij snapt wat Wrisky doet. Ook hij begint met zijn lijf te kronkelen.

N O G 1 K E E R W I P

Dan slaat de artrose toe. Vervolgens krijgt Greorge in de gaten dat zijn vrienden rare lichaamsbewegingen maken, alsof hun laatste uur geslagen is. In pure wanhoop kromt hij zijn tenen en graaft in het zand.

H E L P

Langzaam glijden de golven tegen de hoofden van de drie mannen. De krampachtig geschreven noodkreten in het zand zullen weldra verdwijnen. What’s on a man’s mind in zijn laatste seconden? Gedeelde vriendschap, geliefden en seks, veel seks. Drie levens schieten voorbij in koude hoofden. Totdat één hoofd plots een kluts krijgt.

“Au”, schreeuwt Pjotr binnensmonds. Zijn kreet botst hard op de prop. De prop schiet naar buiten. De golven die langzaam aanzwellen maken zijn mond ook nat.
“Verrek, een fles. Jongens. Een fles met inhoud. Een brief. Van wie?”

De fles drijft mee op een golf. Met een laatste stuiptrekking klemt Pjotr de fles tussen zijn benen. “Krak”, zegt de fles en breekt. De brief glijdt eruit en rolt open op het water, drijft mee op een terugtrekkende golf. In een flits leest Pjotr vier dichtregels. Een noodkreet.

Voor wie mij vindt
En mij bevrijdt
Die wacht gezwind
De eeuwigheid

Was getekend,
Hoogachtend,
De geest in de fles

Pjotr kronkelt van opwinding.
“Jongens, wat een geluk, mij wacht de eeuwigheid,” schreeuwt hij enthousiast.
Hij kijkt naar zijn vrienden die heftig kronkelend naar hem staren. Hun blikken zijn dodelijk, het door de prop gesmoorde gemor is duidelijk herkenbaar als gevloek in alle toonaarden.

“Rustig nou maar, ik verzin wel een list,” sust Pjotr.
“Ik weet het!” roept hij. “Blijven kronkelen, neem je benen mee, ruk aan het touw dat vastzit aan de paal. Als de zee omhoog komt laten we ons drijven. Op het water. ONTSPANNEN. Zen. Daarna is het een fluitje van een cent, de paal komt onder water en wij zijn los!”

Het protest van zijn vrienden bereikt een hoogtepunt. Paniek in de ogen. Hoe kan je in hemelsnaam ontspannen in deze positie!? Wind op het strand zwelt aan. Zo ook de windzang. Horen ze het goed? Vertelt de wind hen een lied?

“Habe Mut und treue Zen … habe Mut und treue Zen … habe Mut und treue Zen …”

Het lijkt wel een mantra. Unsagbar schön. Wolken drijven over. Pijlsnel. In vorm en stijl van mantaroggen. Mooi. Zo mooi. Eindigen hier drie levens? De vloed is op zijn hoogst en drie lijven dobberen op het water. Het hoge water heeft een voordeel. Greorge en Wrisky raken nu ook verlost van de prop in hun mond.

“We moeten iets doen mannen!”, roept Greorge opgelucht.

“Zingen!”, schreeuwt Wrisky.

“Ja, ja, zingen", vult Pjotr aan, "Ramses, kop op mannen!”

“Zing, vecht, huil, lach, bid, werk en bewonder!
Zing, vecht, huil, lach, bid, werk en bewonder!
Zing, vecht, huil, ... niet zonder ons …!”

Een klein roeibootje nadert. Nee, het is niet waar? De mannen kunnen hun ogen niet geloven. Een geest, een geest. Natasja!

“Ik kom voor mijn ware liefde”, zegt ze met zwoele stem, licht hijgend door de inspanning van de lange tocht.

“Dat ben ik!” roept Wrisky.

“Nee, ik!” schreeuwt Greorge.

“Mijn liefste, je hebt mijn roep om hulp gehoord”, fluistert Pjotr, aangedaan door haar telepathische vermogens.

“Ja, mijn liefste Pjotr, maar het is Greorge die ik begeer, ik kom hem redden van de wisse verdrinkingsdood!” verzucht Natasja met haar beiden handen tegen haar flinke boezem gedrukt, niet opmerkend dat de peddels in het water glijden.

“Maar ik heb net de eeuwigheid gekregen?!” schreeuwt Pjotr gefrustreerd.

“Daarom juist”, zegt ze, haalt een mes tevoorschijn en snijdt het touw aan Greorges handen en voeten door.

“En Wrisky en ik dan?”

“Tja, jullie redden jezelf wel, toch?”

“Maar waarom Natasja? Betekende die mooie zwoele nachten niets voor jou? Waarom?”

“Ja, waarom lieve Nat, ook wij hebben samen goed doorgehaald toch?” vult Wrisky aan. 
“Toe, doe ons dit niet aan, verlos ons!”

“Sorry jongens, geen plaats in de boot!”

Ondertussen hijst Natasja de uitgeputte Greorge in de boot en vlijt hem tegen haar boezem. Greorge komt helemaal bij en nieuwe adrenaline stoot naar al zijn lichaamsdelen. Hij kan nog amper nadenken. Zijn gedachten focussen zich naar twee zaken en maken achtereenvolgens een buik- en hoofdhinkel. Een merkwaardig gevoel in zijn onderbuik duidt op een intens en haast onweerstaanbaar verlangen naar seks met Nat. Maar de hoofdhinkel wint het van de buik. Zijn vrienden in de steek laten? Dat nooit!

“Sorry Natasja, maar mijn vrienden zijn mij lief. Eén voor allen en allen voor één. Je moest eens weten wat voor een toffe gozers Wrisky en Pjotr zijn, dat moet jij toch weten. Kop op meid. We delen de boot en gaan desnoods met zijn allen vrijend ten onder.”

Maar Natasja is niet gek. Ze voelt dat de boot wordt meegezogen door een terugtrekkende vloed en grijpt snel naar de peddels. Maar, maar, maar … waar zijn die gebleven!

“Oké dan!” Ze beseft dat ze alle mankrachten nodig heeft om Greorge en zichzelf in veiligheid te brengen. Ze geeft het mes aan Greorge. Hij snijdt zijn drijvende kameraden los en helpt ze de boot in.

“Samen alweder in hetzelfde schuitje”, grijnst hij.

Pjotr en Wrisky grijnzen zuur terug. De afgewezen mannen zinnen ieder voor zich op wraak, een zoete. Vooralsnog moet iedereen de handen, zelfs hele armen uit de mouwen steken en terwijl Natasja ter aanmoediging een zeemanslied inzet, maaien de mannen half uit de boot hangend door het woeste water.

De wind trekt aan, golven zo hoog als huizen dreigen in de verte en komen dichterbij. De boot maakt water. In paniek scheppen ze gezamenlijk zoveel mogelijk water uit de boot maar het is vechten tegen de bierkaai. Een grote golf nadert en vol afgrijzen staren ze naar het bakbeest dat hun lot bezegelt. De boot kantelt. Ze gaan kopje onder. De woeste baren sleuren de halve notendop mee in hun wilde dans. Alleen Pjotr klampt zich vast en laat de boot niet los. Als de zee kalmeert klimt hij op de onderkant van de boot die nu boven ligt. Hij roept zijn maten en Natasja natuurlijk. Het blijft stil. IJzingwekkend stil. Daar drijft hij dan, Pjotr. Zijn wens is uitgekomen. Tot in de eeuwigheid. Alleen.

Co-column geschreven door Esther Suzanna en Mien

09-12-2015

Mien korte verhalen (40 en 41) met kleine grote waarheid

Beiden geschreven op 09-12-2015


40) Slecht nieuws vanuit een portiek

Ik slenter met twee vrienden wat rond in de stad. Zij lopen voorop en ik bungel er wat achteraan. Ze lijken druk in discussie en ik voel me wat buitengesloten. Altijd vervelend om niet deel uit te maken van een boeiend gesprek. Waar hebben ze het toch over? De sfeer bevalt me helemaal niet maar ik ben ook niet bij machte om er verandering in te brengen. Ik kan natuurlijk naast hen gaan lopen, maar dat voelt niet gepast. Iets in mij zegt dat ik dat even niet moet doen. Een vreemd voorgevoel maakt zich meester van mij.

Plots houden de twee vrienden halt. Vlak voor een portiek van een winkel in een zijstraat van de hoofdstraat. Het is wat stiller in deze straat en een van mijn vrienden neemt het woord. Hij trekt me aan mijn hand de portiek in. Hij wil me iets zeggen wat niet leuk is. Dat voel ik. Er flitst van alles door mijn hoofd. Waar gaat dit over? Toch niet over onze gemeenschappelijke kaartavonden? Willen ze ermee stoppen misschien? Vinden zij me niet meer leuk? Onzin. Waarom kom ik daar nu op? Hoe dan ook, iets voelt niet goed.

Het hoge woord komt eruit. Keihard. De vrienden willen niet meer met mij omgaan. Hoe vervelend zij het ook vinden, ze vertellen het mij, vlakaf in een portiek, in een verlaten stad. Recht in mijn gezicht. Haast als een gewone mededeling. Ik voel afwijzing en grote onmacht. Een klein beetje boosheid zelfs, verdriet. Maar die slik ik in. Ik laat me toch niet kennen. De redenen volgen nu. Ook deze komen keihard binnen. Ik ben te jong en sluit niet aan bij hun gedachtewereld. Ze vinden mij wel aardig hoor. Maar zij houden zich bezig met andere zaken en willen mij er niet meer bij hebben. Ze ervaren mij als ballast.

Ik vraag me onmiddellijk af, welke zaken? Durf het niet te vragen. Te overrompeld met het directe en slechte nieuws. Meisjes, denk ik, ze willen afspreken met meisjes en willen mij daar niet bij hebben. Ik heb ook nog niets met meisjes. Willen jullie dan ook niet meer kaarten met mij? Waarom niet? Is het misschien niet gezellig bij ons thuis? Daar kan ik me iets bij voorstellen. Op die stomme flat waar ik nu met mijn vader woon is het natuurlijk niet zo gezellig.

Het enige dat ik kan doen, is berusten. Mij ontbreekt de energie, de wilskracht en overtuiging om tegen het besluit, dat al dik beklonken is, in te gaan. In stilte lopen we met drieën verder. Mijn twee vrienden voorop. Ik erachter. Leeg en verdrietig. Het zijn mijn vrienden niet meer. De afwijzing komt hard binnen. Ik zou er graag met iemand over willen praten en toch ook niet. Zou sowieso niet weten met wie. Ik hou het voor me. Pijnlijk.

We fietsen terug naar huis. Mijn twee vrienden zwaaien uitbundig naar een groep jongeren die bij de ijssalon staan. Meer specifiek naar twee meiden waarvan ik weet dat zij ze beiden leuk vinden. De vrienden stoppen en haken aan bij de groep. Joviaal en duidelijk geamuseerd. Ik fiets door naar huis en gooi mezelf op bed, op mijn buik, en druk mijn gezicht in het kussen. Huilend, eerst zacht, dan hard. Niemand die mij hoort. Niemand die mij troost. Wie en wat mis ik toch? Na het huilen val ik in slaap. Wordt tegen de avond wakker. Alleen. Mijn vader komt zo thuis. Zal ik vertellen wat er is gebeurd? Ik kan en wil het niet. Mijn vader is ook zo alleen.


41) Flatontmoeting

De flat voelt nog niet vertrouwd. Een nieuwe woonruimte, een nieuwe kamer, een nieuwe omgeving, nieuwe mensen. Allemaal onwennig. Na school is er niemand thuis om een praatje mee te maken. Ik smijt de boekentas in mijn kamer op bed. In de keuken trek ik de koelkast open. Vind in zijn buik weinig troost. Dan maar een boterham smeren. De leegte moet gevuld. Wat nu? Ik heb verder nergens trek in. Huiswerk maken wil ik nog niet. Over een of twee uurtjes gaan we eten. Maar wat? Geen idee wat mijn vader op het menu heeft staan.

Zal ik even tegen de muur van de flat gaan tennissen? Heb kortgeleden een goedkoop tennisracket op de kop getikt. Een andere sport dan hockey. Maar wel eentje die ik alleen kan doen en die mij ook balvaardigheid leert. Sport werkt helend. Helend in de aanhoudende leegte die ik voel. Ik besluit met de lift te gaan. In de lift zie ik een meisje. Niet mooi en niet lelijk. Ze lacht me vriendelijk toe. Ik durf niets te zeggen. Weet wel dat ze me ergens leuk vindt. Dat voel ik. Maar ik weet er geen raad mee. Ik heb haar al vaker in de buurt van de flat gezien en vermoed dat ze hier ook woont.

Het tennissen tegen de muur lucht op. Ik daag mezelf uit en geef opdrachten. De bal mag maar een keer stuiten. Afwisselend moet ik links en rechts slaan. Rechts met mijn backhand en links met mijn forehand. Soms doe ik een stapje naar voor, soms naar achter. Liefst zo min mogelijk. Ook schuin naar links en rechts lopen doe ik niet graag. De bal goed raken en goed richten met mijn tennisracket heeft alle prioriteit. Heel even vergeet ik de wereld om mij heen. Nu probeer ik zonder te stuiten de bal vanaf de muur in een keer te raken. Ook de opslag zou ik graag willen oefenen, maar dat gaat niet goed. Is eigenlijk ook niet nodig. Het is geen slag die bij het hockeyen gebruikt wordt.

Aan de zijkant bij de flat zie ik onder een lantaarnpaal het meisje uit de lift staan. Zoekt ze nu contact met mij? Het lijkt er wel op. Het brengt mij in verlegenheid. Ze kijkt voortdurend mijn kant op. Heel af en toe keert ze haar hoofd. Ik weet me eventjes geen raad. Zal ik contact met haar zoeken, haar aanspreken? Ik durf niet. Weet niet goed wat ik moet zeggen. Zal ik jaar vragen of zij ook een tennisracket heeft? Dan kunnen we misschien samen tennissen. Zou ik leuk vinden. Maar het is misschien wel een rare vraag. Wil ze wel tennissen? Kan ze tennissen? Ze komt nu naar me toegelopen. Heeft ze een vraag voor mij? Waarover dan?

Het gesprek gaat stroef en onwennig. Ja, ik woon hier nog niet zo lang. Zij ook niet. Ze gaat naar een andere school dan ik. Heb geen idee hoe oud zij is. Van mijn leeftijd denk ik, hoop ik. Waarom? Geen idee. Vragen dan maar? Ik durf niet. Te verlegen. Dag. Dag. Heb ik nu stom gedaan? Had ik meer moeten vragen? Maar wat dan? Ik sla nog een balletje tegen de flat. In de lift omhoog laten de gedachten aan het meisje me niet los. Helemaal vergeten te vragen hoe ze heet. Dat doe ik de volgende keer dan maar. Als ik durf.